BEVOLKING.

Onder de jongste geslachten vond eene wonderbare gewaarwording plaats

door de verkondiging van de groote Malthusiaansche ontdekking--de

ontegenzeggelijke, onbetwistbaar, onverbiddelijke waarheid--dat de

productive krachten van den grond steeds minder en minder beantwoorden

aan de consumptive eischen van het menschelijk geslacht; dat terwijl

de bevolking vermeerderde met den spoed van eene snelle meetkundige

reeks, de middelen tot het verkrijgen van voeding met de zwakheid

van eene langzame rekenkundige reeks ten achterbleven; dat de zetels

aan de tafel der natuur--hoe rijk en overvloedig die ook was--allen

vervuld waren en er geen plaats voor overtollige en ongenoodigde

gasten overbleef,--in één woord en om de gewone formule te gebruiken,

dat de bevolking meer en meer op middelen van bestaan aandrong en dat

de gevolgen moeten zijn vermeerderde behoeften, toenemende armoede en

eene reeks van rampen, eindeloos als de catalogus van de verschillende

vormen der menschelijke ellende.

Hoe dikwijls kwam mij, toen ik zoo de duizende eilanden van den

Philippijnschen Archipel doortrok, de schim van Malthus en de

hersenschimmen van zijne philosophie voor den geest. Hoe velen

zijn er onder deze tallooze, door de zee omgeven streken, waarop

nooit een Europeaan den voet gezet heeft; hoe weinigen, die geheel

geëxploiteerd zijn en hoeveel minder nog die door eenigen beschaafden

of vreemden stam bewoond werden! En toch zijn zij met zulk eenen

schoonen en natuurlijken wasdom boven bedekt en tellen zij tallooze

schatten aan mineralen rijkdom beneden; hunne productive krachten zijn

grenzeloos; men vindt er de verscheidenheid van klimaat, die bergen,

dalen en vlakten aanbieden: regens om te bevochtigen, de zon om te

rijpen, rivieren om te vervoeren, havens voor de scheepvaart. Zij

hebben alles aantrekkelijks om te wagen en zij kunnen de industrie

beloonen; een bevolking van slechts 5 of 6 millioen zielen, terwijl

tienmaal zooveel tot verzadigens toe konden gevoed worden en zij in

de behoeften van millioenen en millioenen meer konden voorzien door

den overvloed hunner middelen.

Tot welk een eng veld van beschouwing moet de geest zich hebben

bepaald, die verontrust werd door eene ontdekking, die op zich zelve

van zoo weinig belang is, wanneer me ze in de groote sfeer van 's

werelds aardrijkskunde brengt! Ofschoon het menschelijk geslacht

op eene snelle, bijna onmetelijke wijze is toegenomen, zal men

bevinden dat hongersnood, ziekten, oorlogen en dergelijke vreesselijke

bezoekingen, die bestemd waren om de balans in evenwigt te houden, om

de evenredigheid te herstellen tusschen de behoeften en de middelen

der menschen, veel vernielender in oude dan in latere tijden waren,

zoo men het kleine aantal toen bestaande wezens in aanmerking neemt.

Het edeler en hooger axioma is dat «vooruitgang» de wet de

Voorzienigheid is, die nooit dwaalt, terwijl het menschelijk geslacht

steeds meer en meer toeneemt, ten einde ruime middelen te verschaffen

voor aller onderhoud en geluk. Geen land, geen zee is uitgeput of op

den weg van uitputting. Over hoevele duizenden akkers grond, in koude,

gematigde of tropische luchtstreken, kan nog beschikt worden! Hoevele

duizenden meer liggen daar nog ter bebouwing! En terwijl in de digter

bevolkte gedeelten der wereld uitwegen noodig zijn voor hen, die ziek

door rust zijn en voor niets anders dan voor den arbeid geboren zijn,

hoevele versnelde middelen van vervoer bestaan er niet, waardoor

de reiziger minder verlegen is om eene geschikte plaats voor zijne

woning te vinden, dan wel om er een te kiezen onder de vele, die zich

voor hem opdoen! Zoo de arme Ier al in zulke massa's naar Amerika of

Australië vertrekt, gemakkelijker hebben het die massa's werklieden

in Europa die nog gedrongen worden door de concurrentie van naburen

gelukkiger dan zij zelve.

Het is te verwonderen dat de Spaansche koloniën geen grooter aantal

Spanjaarden tot zich getrokken hebben, maar de nationale geest van het

Iberische schiereiland is niet meer reizend of avontuurlijk. Spanje

zelfs is niet digt bevolkt en biedt groote hulpbronnen aan zijne

vergenoegde landlieden. «God--zeggen zij--heeft alles wat Hij had,

aan Spanje gegeven. Ons land is een Eden, waarom zouden wij het dus

verlaten?» En toch heeft Spanje, hoe langzaam, traag en zonder eenige

energie, tegenover werkzamer natiën, zijn aandeel in de trotsche

geschiedenis van menschelijken vooruitgang. De meer ondernemende

aanvallers van het bloed der Gothen of Anglo-Saxen hebben meermalen de

inlandsche rassen uit de afgelegene landen verjaagd, waarin zij zich

hadden gevestigd. De eene stroom van emigranten volgde de andere;

handel en landbouw hebben de navraag van de indringende bezoekers

uitgelokt en in hunne behoeften voorzien. Maar Spanje heeft nooit

genoeg opgeleverd om de oorspronkelijke stammen te verjagen. De

kolonisten uit dat land werden altijd vergezeld door een groot aantal

geestelijken, die geneigd waren om «den heiden» in de Christelijke

gemeente te brengen. Deze zendelingen hebben ongetwijfeld dikwijls

tusschen de hebzucht van den overwinnaar en de zwakheid van den

overwonnene gestaan. Zij hebben de Indische stammen behouden door deze

te beschermen, en men mag betwijfelen of het algemeene belang niet

gebaat werd door een invloed, wiens zegenrijke gevolgen kunnen blijven,

als het meest in het oog springende kwaad, aan zulk een invloed

gepaard, grootendeels verholpen of geheel uit den weg geruimd werd.

Mijne opmerkingen en beschouwingen leiden dan tot deze conclusie:

dat, welke exceptionele gevallen mogen bestaan, de springvloed van

vooruitgang steeds sterker opzwelt; dat de loop van het Goddelijke

bestuur daarin gelegen is, om van schijnbaar kwaad goeds en altijd

meer goeds en goeds tot in het oneindige te stichten; dat het

menschelijke geslacht, als één geheel, voortdurend in verbetering

toeneemt; dat ieder geslacht beter en wijzer is dan het voorafgaande;

dat de woeste en minder vooruitgaande stammen door diegenen, welke

eene hoogere geestbeschaving bezitten, zullen worden vervangen; dat

de half beschaafde slechts zal worden verduurzaamd door aanraking met

eene grootere beschaving, die hem in de menschheid zal verheffen. Een

middenras, zooals China in den vorm van millioenen emigranten oplevert,

bevordert wonderbaarlijk de beschaving. De vordering is overal in de

meer afgelegen Oostersche wereld zigtbaar. De mestizo-afstammelingen

van Chinesche vaders en Indiaansche moeders vormen ontegenzeggelijk

het meest belovende gedeelte van de Philippijnsche bevolking. In

Siam, Burmah, Cochin-China worden voordeelige bezigheden verrigt

door Chinesche kolonisten. In Nederlandsch Indië gaan zij zonder

uitzondering vooruit. Daarop en niet op de inlandsche volkeren

moeten Sumatra, Borneo en de overige eilanden het oog vestigen

om hunne hulpbronnen eenige belangrijke ontwikkeling te geven. In

onzen straits-Archipel hebben zij de Klingalezen in alle zegenrijke

werken van den landbouw vervangen, even als de laatste dit vroeger

met de minder industriële Maleijers hebben gedaan. De vooruitgang

van hoogere kennis en de onderdrukking van de mindere begaafdheden

kan men ook vinden in de uitroeijing van zoo menige ruwe taal en de

verspreiding van die, welke de beschaving in hare hoogere ontwikkeling

vertegenwoordigen. Men kan, naar mijne meening, gerust voorspellen

dat het niet zeer lang zal duren of het aantal talen dat op de aarde

wordt gesproken, zal tot een zeer gering getal zijn verminderd. In

den loop van eene eeuw gaat zoo menige plaatselijke tongval te niet

en wordt voor goed vervangen door een' van hoogeren rang en van meer

nut. Wanneer men in aanmerking neemt dat de geschreven taal van China

door een derde van het menschelijk geslacht wordt verstaan en dat

waarschijnlijk meer dan 1/10 gedeelte van het menschelijk geslacht

Engelsch kan spreken, en wanneer men er dan op let hoe de provinciale

dialecten van Frankrijk, Duitschland, Spanje en Italie meer en meer in

onbruik geraken, dan zal men goeden grond hebben te veronderstellen dat

vele van de bestaande werktuigen voor het spraakvermogen langzamerhand

zullen verdwijnen, dat het aantal doode talen vermeerderd en dat der

levende naar evenredigheid verminderd zal worden.

Ik weet niet uit welke bronnen Mallat in 1846 de bevolking der

Philippijnen op 7 millioen zielen schatte; eene vermeerdering, zeide

hij, van meer dan 50 pCt sedert 1816, in welken tijd hij beweert

dat de bevolking 4,600,000 zielen bedroeg. Hij zegt dat zij van 1774

tot het laatste tijdvak viervoudig toegenomen is. Deze ontzettende

vermeerdering in de latere tijden schrijft hij toe aan de invoering

van de koepokinenting en de algemeene rust van het land; maar de

juistheid der data mag wel betwijfeld worden.

Pater Juan Fernandez schat de Christelijke bevolking van de

Philippijnen, als volgt:

pueblos zielen.

in het aartsbisdom Manilla 185 135,000

in het bisdom Nieuw-Segovië 132 745,000

in het bisdom Nieuw-Caceres 104 480,000

in het bisdom Zebu 306 1,200,000

--- ---------

Totaal 727 2,560,000

De bevolking van de Philippijnen wordt over het algemeen op ongeveer

4 millioen geschat, doch daar de Indianen, die in het binnenland

van verscheidene eilanden,--vooral die welke in de onbebouwde woud-

en bergstreken verblijf houden--in geene officiele telling kunnen

worden begrepen, kan elke berekening slechts het juiste cijfer nabij

komen. De opgaven, door het Gouvernement aan de Guia de Foresteros

over het jaar 1858 gegeven, leveren de volgende resultaten op.

Deze geheele bevolking van de veertig provinciën bedroeg 4,290,371

zielen, waarvan 1,787,528 inlanders en 78,400 mestizen en Chinezen,

die schatting betaalden. Er waren in dat jaar 184,074 geboorten,

102,466 sterfgevallen; 40,093 huwelijken waren er voltrokken.

Verhouding van inlandsche tot gemengde rassen 96 pCt.

Verhouding van de inlanders (die belasting betalen)

tot de bevolking 29 pCt.

Verhouding van de gemengde rassen tot de bevolking 1.75 pCt.

Verhouding van geboorten tot de bevolking 4.00 pCt.

Verhouding van sterfgevallen tot de bevolking 2.33 pCt.

Verhouding van van de huwelijken tot de bevolking 0.90 pCt.

Verhouding van van de geboorten tot de sterfgevallen 64 tot 36 pCt.

Verhouding van geboorten tot de huwelijken 2.70 pCt.

Onvoldoende opgaven zijn gegeven van Corregidor en Pulo Caballo,

die 370 inwoners in het geheel tellen; van Benguet dat 6,803 zielen

telt, waarvan 4,639 heidenen en 15 Christelijke schatpligtigen zijn;

eindelijk van Cajan, waarvan de bevolking 17,035 zielen bedraagt en

10,861 schatpligtigen zijn.

Het aantal Europesche Spanjaarden, die op de Philippijnen gevestigd

zijn, bedraagt eene veel kleinere hoeveelheid dan dat van de gemengde

stammen. Er zijn 670 van het mannelijke en 119 van het vrouwelijke

geslacht in de hoofdstad (Manilla en Binondo). Onder deze bevinden

zich 114 monniken, die allen in Manilla wonen, 8 geestelijken,

46 kooplieden, 14 geneeskundigen, terwijl de overigen meerendeels

militaire of civiele beambten zijn. Maar op geen der eilanden bedraagt

de hoeveelheid Spanjaarden zooveel als in de hoofdstad. Waarschijnlijk

bedraagt het geheele aantal Europesche Spanjaarden op de eilanden

niet meer dan 2,000.

Op Binondo wonen 96 vreemdelingen, waarvan 85 mannen en 11 vrouwen

(geene op het eigenlijke Manilla). Daarvan zijn 50 kooplieden of

hunne bedienden. Men vindt 22 Britsche onderdanen, 15 Franschen, 15

Zuid-Amerikanen, 11 burgers uit de Vereenigde Staten, 9 Duitschers

en even zooveel Zwitsers.

Afgezonderd van Europesche Spanjaarden, zijn er vele familiën, die zich

hyos del pays (kinderen van het land) noemen; dit zijn afstammelingen

van Spaansche kolonisten, die de vermenging met inlandsch Indiaansch

bloed vermijden. Zij zijn er voor bekend, dat zij nog gevoeliger dan

zelfs de oude Castilianen zijn in zaken van etiquette en men vindt

onder hen velen, die eene Europesche opvoeding hebben genoten. Zij

solliciteren gewoonlijk naar openbare ambten, maar moeten minder

standvastig zijn en meer naar spel en genoegens haken, dan hunne

voorouders. Zij zijn echter gastvrij bij uitnemendheid. In het

openbaar kleeden zij zich op Europesche wijze, doch te huis dragen

zoowel mannen en vrouwen de meer losse en gemakkelijker Indische

kleeding. Van hunne zijde klagen zij, dat er scheidpalen tusschen

hen en hunne landslieden van het schiereiland zijn geplaatst; in één

woord, de castegeest oefent zijnen afscheidenden en vervreemdenden

invloed op de Philippijnen, even als overal elders uit.

De Mestizos, of gemengde rassen, vormen een groot en invloedrijk

gedeelte der Filipinos; slechts een klein aantal Europesche vrouwen

wonen op de eilanden en over het algemeen zijn zij de vrouwen van

de hooge Spaansche beambten of van hoofd-officieren bij de land- en

zeemagt, wier diensttijd veelal beperkt is. Ofschoon de dochters van

familiën van echt Spaansch bloed meestal in de kolonie huwen en zich

uitsluiten en afzonderen, is het toch zeldzaam dat men onder de hoogste

klassen niet een groot aantal mestizo-vrouwen vindt, kinderen van

Spaansche vaders en inlandsche moeders. De meerderheid der kooplieden

en grondeigenaars behoort tot deze klasse; zij bekleeden de meeste

ondergeschikte staatsambten. Men vindt eene menigte afstammelingen van

Chinezen uit inlandsche moeders, doch de vaderlijke type schijnt die

van de moeder zóózeer te verdringen, dat de kinderen van verscheidene

geslachten het sprekende kenmerk dragen dat de natuurlijke inboorling

onderscheidt, zelfs bij eene opvolgende reeks van Indische moeders. Ik

zal later gelegenheid hebben van een bezoek te spreken dat ik aan een

district (Molo, nabij Iloilo) bragt, waar in vroegere tijden eene

groote Chinesche kolonie was gevestigd, en van waar het Chinesche

ras sedert eeuwen was verdwenen, doch de Chinesche gelaatstrekken en

het karakter van dat volk hadden onmiskenbare sporen onder de geheele

bevolking achtergelaten. Ik vond nergens onder de inlanders een zoo

nijverig, volhardend, spaarzaam en over het algemeen zoo welvarend

volk. In elk huis bijna werd een handwerk uitgeoefend en de beste

pina-goederen worden op deze plaats geweven. Wij waren op een bal

genoodigd, dat door de voornaamste inlandsche vrouwen werd bijgewoond

en ik had de eer in een discurso gewikkeld te worden dat de gastvrouw

in uitmuntend Castiliaansch voerde. Men zeide mij dat de jonge vrouwen

hier om hare kuischheid geroemd werden en dat eene gevallene vrouw op

geene vergiffenis onder haar kon rekenen. Hare ouders hebben bezwaar

haar Spaansch te laten leeren, omdat zij meenen haar daardoor aan

verleiding bloot te stellen. De Mas zegt het volgende van de mestizos

van Chinesche en Mongoolsche afkomst:

«Zij worden Sangley genoemd, hetgeen Chinesche koopman of reiziger

beteekent. Zij bezitten dezelfde industriele en speculatiegeest

als hunne voorouders. De meesten onder hen hebben rijkdommen en

landerijen verworven en het grootste gedeelte van den kleinhandel is

in hunne handen. Zij maken de middenklassen der Filipinos uit. Hunne

voorspoed en betere opvoeding zijn de natuurlijke gevolgen daarvan,

en hun zedelijk en intellectueel karakter staan ver boven dat

der Indianen. Zij hebben eenige weelde in hunne kleeding, welke

fraaijer en netter dan die der Indianen is; sommige hunner vrouwen

kan men teregt schoon noemen. Intusschen hebben zij vele gewoonten

van de Indianen, die zij in godsdienstige gevoelens overtreffen,

omdat zij meer beschaafd zijn. Deze stam neemt in aantal en invloed

toe en vermeerdert zich, ten gevolge van de groote toevloeijing van

Chinezen, op hunne vestigingsplaatsen in grootere mate dan de Indische

bevolking.» [11]

Er valt niet aan te twijfelen, dat de grootere invloed van den aard

des vaders dan die van de moeder, het algemeene karakter der gemengde

Chinezen door vele geslachten heen heeft verbeterd. Zij zijn werkzamer

en ondernemender, voorzigtiger en volhardender, meer tot den handel

geneigd, dan de Indianen. Zij behouden allen het zwarte haar, hetgeen

den Chinees karakteriseert; het volk van het «middenrijk» geeft zich

toch zelf het liefst de benaming van «zwart-harig.» Zij onderscheiden

zich door den ovalen vorm der oogen, die een hoek boven den neus

vormen, de baardelooze kin, de lange en teedere vingers (volgens het

Chinesche gebruik laten zij den midden-nagel van de linkerhand lang

groeijen), hunne zucht tot kleederen en opschik. Zij oefenen grooten

invloed op de Indianen uit, die meenen dat zij de kunst bezitten

om geld te winnen. De kinderen van een Spaanschen mestizo bij eene

Chinesche mestizo worden Torna atras «teruggangers» genoemd; die van

een Chineschen mestizo en eene Indische vrouw worden als Chinezen

beschouwd en niet als van de Indische half-caste. De vermenging van

Chineesch bloed is bij alle bevolkingen van steden merkbaar. Het

aantal mestizen van Europesche afkomst is niet noemenswaard in

vergelijking met die van Chineschen oorsprong. Hunne huizen zijn

allen beter gemeubileerd dan die der inlanders. Velen hunner nemen

de Europesche kleederdragt aan, doch zelfs de inlandsche kleeding is

bij hen, die ze behouden van fijner kwaliteit, levendiger kleuren en

rijker versierd. Even als de inlanders dragen de vrouwen hare hemden

over de broeken; doch het hemd is van pina of sinamay en met knoopen

van kostbare steenen vastgemaakt, terwijl zelden een gouden ketting

gemist wordt, die om den hals hangt. De mannen dragen gewoonlijk

Europesche hoeden, schoenen en laarzen, en beide spreiden niet weinig

losheid en coquetterie ten toon.

De groote massa der inlandsche bevolking op de Philippijnsche

eilanden kan men in twee hoofdstammen verdeelen: de Tagalezen,

die het noordelijke en de Bisajers, die het zuidelijke gedeelte

bewonen. Van deze belijden allen, die in de steden en dorpen

wonen, de Christelijke godsdienst; en zij staan onder den invloed

van de geestelijkheid, die de godsdienstige aangelegenheden in de

verschillende provinciën beheert, welke voor het grootste gedeelte

tot de jurisdictie behooren van verschillende geestelijke orden en

broederschappen. Er zijn onder de Indianen eenige weinige personen,

die met de regten van priesterschap bekleed zijn, doch zij klimmen

over het algemeen tot geen hoogeren post op dan tot adsistenten der

monniken. Bij de groote plegtigheid, die ik ter gelegenheid van de

Purisima concepcion te Manilla bijwoonde, werd een Indiaan gekozen

tot het houden der predikatie; deze was, als naar gewoonte, vol van

lofzangen op de Heilige Maagd en bijna gelijk met den gewonen stijl van

de Spaansche predikatiën. Maar buiten de steden worden de kerkelijke

aangelegenheden verwaarloosd en in het binnenland en bergstreken der

eilanden belijdt de bevolking de Christelijke godsdienst niet meer;

de monniken betreuren den onwetenden en verlaten toestand, waarin

de lieden verkeeren, trachten hunne toenadering te verkrijgen en

de betaling te erlangen van de belasting waarvan zij, even als het

Gouvernement, hunne inkomsten trekken. Wanneer deze wordt betaald,

wanneer de dienst der kerk getrouw wordt opgevolgd, de biecht plaats

heeft en men medewerkt tot de godsdienstige processiën en feesten (die

de inlandsche feestdagen uitmaken), dan gaan de zaken wel tusschen

de geestelijkheid en het volk. Ik zag vele monniken die geliefd en

geëerd werden en die dit verdienden als bewaarders en herstellers van

den huisselijken vrede, die de kinderen in hunne studie aanmoedigden

en allerwege hunne pogingen aanwendden tot welzijn der gemeente. Maar

daar de geestelijken dikwijls uitgesloten zijn van het toezigt der

publieke opinie, hebben er dikwijls ergerlijke tooneelen plaats en

niet zonder reden.

Pater Zuniga beweert dat de Philippijnen oorspronkelijk door de

bewoners van Amerika werden gecoloniseerd, maar hij dwaalt geheel en al

in de bewijzen, die hij daarvoor in de analogie der talen zoekt. Het

aantal Maleische woorden in het Tageleesch en Bisaaisch is grooter,

dan die welke een Amerikaansch dialect hebben en hier meen ik ter

loops te kunnen aanmerken dat er geen onderwerp bestaat waarover

men zooveel ongerijmdheid heeft gedrukt, als over de afleiding en

verwantschap van talen, een onderwerp waarin een Spaansche autoriteit

zelden van veel invloed is. El Senor Erro bijv. geeft in zijn werk

over de ouderwetschheid van het Bascuensch, eene beschrijving en

teekening van eene groote waterkruik, die men in eene bron te Guipuscoa

had gevonden, waarop de woorden: «Gott erbarme dein armes Würmchen»

stonden. Dit zegt hij dat eene Biscaaische inscriptie is ter eere van

de priesteressen der zon gemaakt vóór de invoering van het Christendom,

en hij twijfelt niet of de vaas (een stuk ruw nieuwerwetsch Duitsch

vaatwerk) werd bij de heilige tempeldienst gebruikt.

De Mas onderstelt, dat de Indianen alphabetisch schrift gebruikten

vóór de komst der Spanjaarden; hij geeft vijf alphabetten die in

de verschillende provinciën werden gebruikt, doch veel op elkander

gelijken. Ik zelf kon geene oude schrifturen, geschreven overleveringen

of inscriptiën van vroegere tijden ontdekken, die met de Indische

geschiedenis in verband stonden. Er bestaat waarschijnlijkheid, dat

er eenig gezag bestond; dat er vrijen en slaven waren; dat het land

deels bebouwd en de zee bevaren werd door landbouwers en visschers,

hetgeen de erkenning van eenig regt van eigendom ten gevolge had; dat

er oorlogen gevoerd werden tusschen vijandelijke stammen, die hunne

leiders en wetten hadden. Uit de oude opgaven van de zendelingen leert

men de namen van sommige hoofden en den aard van het gezag kennen,

dat door het kleine aantal beheerschers over de onderworpen menigte

werd uitgeoefend. Zij zeggen dat men voor goud de emancipatie van een'

slaaf en zijne opname onder de Mahaldicas of gepriviligeerde klasse

kon verkrijgen. Krijgsgevangenen, schuldenaars en misdadigers werden

in boeijen gehouden. De dochter van een' Mahaldica kon, wanneer de

bruidegom niet in staat was de noodige geldsom te betalen, ten huwelijk

verkregen worden door dienstbaarheid aan haren vader gedurende een

zeker aantal jaren. Als de man van den eenen stam de vrouw van een

andere huwde, werden de kinderen gelijkelijk of zooveel mogelijk

onder de beide stammen verdeeld, waartoe de ouders behoorden. De

nalatenschap werd bij den dood van den vader onder de zonen verdeeld,

waarvan de oudste geene meerdere regten dan zijne jongere broeders had.

Plaatselijk bijgeloof heerschte omtrent rotsen, boomen en

rivieren. Zij baden aan de zon en de maan; een' blaauwen vogel dien

zij tigmamanoquin, een hert dat zij meylupa, «heer van den grond»

noemden en den krokodil, dien zij den titel van nono of «grootvader»

gaven. Men geloofde aan een' demon, Osuang genaamd, die de kinderen

kwellen, smart in den barensnood veroorzaken, van menschelijk vleesch

leven en zijne tegenwoordigheid aankondigen zou door den tictic,

een' vogel, die kwade voorspellingen deed. Naakte mannen zwaaiden met

zwaarden van het dak en andere gedeelten van de choza om den vijand

af te schrikken, of de zwangere vrouw werd uit de nabijheid van den

tictic verwijderd. De Manacolam was een monster in vlammen gehuld,

die alleen door het vuil van een' mensch konden worden gebluscht; het

dier zou daarop onmiddellijk sterven. De Silagan rukte den lever uit en

verscheurde dien, van in 't wit gekleede personen. De Magtatangal legde

zijn hoofd en ingewanden 's avonds op zekere geheime plaats, waar zij

's nachts het doen van kwaad beletteden; bij het aanbreken van den dag

werden zij weder weggenomen. Zoo vreemdsoortig en belagchelijk waren de

gevolgen van het bijgeloof. Er werden offers gebragt tot afbidding van

het bedreigde kwaad of ter eere van de bezoekers; die offers noemden

de priesteressen Catalona en deelden stukken van het geofferde dier

rond. Men had verscheidene waarzeggers en geestenbezweerders, die

verschillende functiën uitoefenden en waarvan een, de Manyisalat,

de liefde verwekte en de vertrouweling van jonge mannen en meisjes was.

Wanneer de Indiaan in een bosch kwam, bad hij de demons hem niet

te schaden. Het kraken van het hout, het gezigt van een' slang in

eene nieuw gebouwde hut werden als kwade voorteekenen beschouwd. In

de woning van een' visscher mogt men van geen bosch, in die van een

jager niet van de zee spreken. Eene zwangere vrouw mogt hare haren niet

snijden, opdat het kind niet met een kaalhoofd zou ter wereld komen.

De huwelijksgift voor de vrouw werd naar de omstandigheden der partijen

geregeld. De moeder had iets te vorderen, eveneens als de min van de

bruid. Alle kosten, die de vader voor zijne dochter had gehad, kon hij

van den bruidegom terugvorderen. Onder vermogende familiën bestond een

bepaalde prijs, volgens dien, welken de vader of grootvader voor hun

vrouwen hadden betaald. Als de ouders van de bruid niet meer leefden,

ontving zij zelve de bruidschat. Drie dagen vóór het huwelijk werd

het dak van de ouderlijke woning uitgebreid en een vertrek, palapala

genaamd, bijgevoegd voor de huwelijksplegtigheden; de gasten bragten

hunne geschenken aan de bruid, en welke waarde deze ook hadden,

men kon verwachten dat wanneer in de toekomst de betrekking tusschen

gastheer en gast gedeerd werd, een geschenk van niet minder waarde

zou worden gegeven. Tot de ceremoniën behoorde dat de jonggehuwden

van hetzelfde bord eten en uit denzelfden kop drinken zouden. Men

stelde wederkeerige «toasten» in en deed beloften van wederzijdsche

liefde, terwijl de catalona een zegenwensch uitsprak. Verschrikkelijke

tooneelen van dronkenschap en ongeregeldheden moeten de plegtigheden

op de volgende feesten gekenmerkt hebben, die drie dagen duurden. In de

noordelijke eilanden mogt men slechts ééne vrouw huwen, doch bijzitten

en slaven hebben; in het zuiden, waar ongetwijfeld het Islamismus

zijnen invloed deed gelden, mogt men verscheidene wettige vrouwen

bezitten; ook de besnijdenis had daar plaats.

Gehuurde treurenden en de leden van de familie verzamelden zich

om een lijk en zongen lofliederen tot verkondiging van de deugden

des overledenen. Het lijk werd gewasschen, geparfumeerd, gekleed en

soms gebalsemd. Arme lieden werden spoedig in den silong begraven,

waarover hunne hutten waren gebouwd. De lijken van vermogende

lieden werden gedurende eenige dagen boven aarde gehouden en in eene

sterke kist gelegd. Hunnen mond bedekte men met goudblad, terwijl

zij op eene plaats ter aarde besteld werden, die de overledene

zelf had gekozen. Zoo dit aan den oever van eene rivier was, dan

werd de scheepvaart daar langs gedurende eenigen tijd verboden,

opdat de overledene niet met de levenden in aanraking zou komen,

terwijl een wachter bij het graf stond, in de nabijheid waarvan de

kleederen, het gewone voedsel en de wapenen van den afgestorvene in

eene afzonderlijke doos waren gelegd, en als het eene vrouw was, haar

handwerk en werktuigen daarvoor. Waar een voornaam hoofd was begraven,

rigtte men een gebouw op, waarin twee geiten, twee dassen, twee varkens

en een geboeide slaaf van den overledene werden gevangen gehouden,

welke laatste zijn meester naar de andere wereld moest vergezellen en

een ellendigen hongerdood stierf. Men onderstelde dat de doode drie

dagen na de begrafenis zijne familie bezocht: men plaatste dan eene pot

met water aan de deur, opdat hij zich kon wasschen en zuiveren van het

vuil uit het graf; men liet den geheelen dag eene waskaars branden;

spreidde matten uit en bestrooide die met asch, opdat de doode geene

voetstappen zou achterlaten; op het gewone uur van den maaltijd opende

men eindelijk de deur en zette een heerlijk maal voor den verwachten

bezoeker gereed. Ongetwijfeld werd door de wachtenden daarvan even

als van andere kostbare offers ruim gebruik gemaakt. De Indianen uit

het Noorden dragen zwarte, die uit het Zuiden witte rouwkleederen.

In regtszaken werden de oudsten geraadpleegd, doch er bestond

geen wetboek, en de zendelingen beweren dat de scheidsregters in

twisten over het algemeen vrij goed voor hunne bemoeijingen betaald

werden. Eene moord, door een slaaf begaan, werd met den dood gestraft;

had een persoon van hoogen rang zulk een misdaad gepleegd, dan kwam

hij er met eene geldboete aan de beleedigde familie af. Had er een roof

plaats, dan moesten alle verdachte personen eenig gras nederleggen; dit

werd op een hoop gelegd, en zoo het gestolen voorwerp daaronder werd

gevonden, gaf men het aan den eigenaar terug, zonder dat men verder

onderzoek instelde naar den persoon, die den bundel had nedergelegd,

waarin het was verborgen. Gelukte deze proef niet, dan moesten al

de verdachten zich te water begeven, en in dat geval werd voor den

schuldige diegene gehouden, welke het eerst weder boven dreef, want

dan zeide men dat de last van zijne schuld hem niet langer den adem kon

doen inhouden. Men zegt dat velen verdronken zijn ten einde de schande

van het boven drijven te ontkomen. Somtijds liet men de beschuldigden

kaarsen van gelijke grootte in de handen nemen en dan werd diegene voor

den schuldige gehouden, wiens kaars het eerst was uitgegaan. Nog eene

andere methode bestond daarin, om de verdachten rondom eene kaars te

verzamelen; in dit geval leerde men den schuldige daaruit kennen dat

de vlam zich naar hem wendde. De straf voor echtbreuk werd afgekocht

door eene geldboete aan den beleedigden persoon.

Het middel van geldwisseling bestond uit goud dat men woog, maar eene

gestempelde munt bestond er niet. Het grootste gewigt werd een gael

genoemd; dit vertegenwoordigde 1 1/4 dollar in zilver en kwam bijna met

het Chinesche ons of taïl overeen; een gael bestond uit twee tinga,

een tinga uit twee sapaha [12]; een sapaha was in sangraga verdeeld;

dit laatste, een zeer kleine boon, was het kleinste gewigt. Men rekende

met steenhoopjes van verschillende grootte. De maten bestonden uit

den dipa (6 voet), den dancal (palm), den tumuro (span), den sangdamac

(breedte van de hand), den sangdati (breedte van den vinger). Op die

wijze droeg, even als onder vele ruwe natiën, ieder zijn maat bij zich.

De tijd werd naar de zon en de maan berekend, zoowel op de Philippijnen

als in China. In het Chineesch beteekenen dezelfde woorden dag en

zon, maan en maand, oogst een jaar. De morgen werd «haan-kraaijen»,

de avond «zonsondergang» genoemd.

Geen Indiaan ging een anderen voorbij zonder te groeten en met

de linkerknie te buigen. Wanneer iemand het huis van een hooger

geplaatsten binnentrad, knielde hij tot dat men hem beval op te

staan. Vrouwen droegen oorringen en soms ook mannen; de Hoofden

hadden gekleurde tulbanden, die rood waren wanneer zij één vijand,

gestreept als zij zeven of meer gedood hadden. Vrede werd gesloten

door bloed met wijn te vermengen en ieder dronk het bloed van een

ander. Dit was de plegtigste der eeden.

Kuischheid schijnt onbekend geweest te zijn, ofschoon de vrouw hare

gunsten niet verleende zonder betaling.

Menig Mohammedaansch bijgeloof en gebruik was tot in het binnenland

doorgedrongen en daaronder het gebruik van de besnijdenis.

Al de Indianen hebben een ronden donkeren vlak op de ruggegraat;

naarmate hun huid donkerder wordt, verdwijnt deze echter, zoodat hij

in den ouderdom naauwelijks merkbaar is.

Volgens eene overlevering straften de Indianen vroeger een onpopulair

persoon met eene geldboete, die zij cobacolo noemden en iedereen

oplegden, welke hun door valsche raadgevingen had misleid. De geheele

bevolking verzamelde zich dan bij het huis van den beleediger,

terwijl iedereen een knuppel droeg. Eenigen omringden het huis,

ten einde het ontkomen te beletten; anderen traden de woning binnen,

dreven het slagtoffer door slagen naar het balkon, waarvan hij werd

genoodzaakt af te springen; hierop verjaagde men hem uit de streek en

vernielde zijn huis met al wat het bevatte. De overlevering bestaat

in vele volksspreekwoorden en gezegden, waarin de cobacolo als eene

bedreiging tegen boosdoeners wordt gebruikt.

Onder de meest beroemde boeken op de Philippijnen behooren de «Cronicas

Franciscanas» door Fr. Gaspar de St. Augustin, een Augustijner monnik

van Madrid, die gedurende veertig jaren onder de Indianen woonde en

van wiens beschrijvingen ik eenige heb overgenomen. Zij zijn echter

veelal in strijd met de meening van verschillende schrijvers. Hun veld

van beschouwing is geheel anders en het natuurlijke karakter staat in

naauw verband met het gevelde oordeel. Dat van onzen monnik over de

inlanders is niet zeer gunstig. Volgens hem zijn zij over het algemeen

«onstandvastig, trouweloos, boosaardig, slaperig, lui, beschroomd en

groote liefhebbers van reizen over rivieren, beeken en zeeën.»

«Zij eten veel visch, die men in groote hoeveelheid vindt. Na regens

zijn de velden, moerassen en vijvers daarmede gevuld. Men haalt

dikwijls visschen ter lengte van 2 palm van uit padie-velden op. Als de

wateren opdroogen, gaat de visch in den eenen of anderen modderpoel,

waaruit de Indianen ze met de hand halen of een voor een dooden.» Ik

heb vele Indianen in de paddievelden zien visschen en wat er van den

visch wordt in tijden van droogte, wanneer er geene «modderpoelen»

worden gevonden, is moeijelijk te zeggen, maar zooveel is zeker dat

men daar, waar water is, ook gemakkelijk visch kan verkrijgen.

«Zij gebruiken drie maaltijden per dag, die hoofdzakelijk uit rijst,

zoete aardappelen en eene kleine hoeveelheid visch of vleesch bestaan;

de dagelijksche kosten van het geheel beloopen een reaal. Als

werklieden verdienen zij eene halve reaal, behalve den kost. Zij

leenen gaarne geld, dat zij nooit teruggeven en wanneer men geene

ondankbaarheid wil ondervinden, moet men hun geene dienst doen; ook

eene belofte houden zij nooit. Zij sluiten nooit de deur achter zich,

leggen niets op zijne plaats, verrigten nooit het werk, waarvoor men

hun vooruit heeft betaald en toch vragen zij altijd een voorschot;

de timmerman moet geld hebben om hout, de wasscher om zeep te koopen,

en zoo handelen zij zelfs met de geestelijken! Zij weten alles verkeerd

te doen; versnijden alle kleederen, zetten het voorste achter en het

achterste voor.» De pater is eenigzins streng; uit eigene ondervinding

weet ik dat de Indianen ten minste even vele zaken goed als slecht

verrigten. Alava zeide van de Indianen dat zij hunne hersenen in de

handen hebben.

Onze geestelijke vervolgt aldus:

«Zij zijn afgunstig, onbeschaafd en brutaal. Zij vragen zelfs een

geestelijke af, van waar hij komt en waarheen hij gaat. Leest men

een brief, dan zien zij over de schouders, ofschoon zij zelve niet

kunnen lezen, en wanneer een paar menschen heimelijk spreken, komen de

Indianen van nabij, ofschoon zij geen woord verstaan. Zij gaan huizen

en zelfs kloosters binnen zonder verlof en schijnen daar op eene wijze

zich eigen te gedragen die de verwondering en schrik tevens opwekt;

zelfs wanneer de geestelijke slaapt, maken zij een groot geraas door op

den vloer te trappen, ofschoon zij te huis als op eijeren loopen. In

hunne woning gebruiken zij geene stoelen, maar die in de kloosters

breken zij door om er op te gaan zitten en te leunen, vooral op de

balkons, wanneer daar gelegenheid is om eene schoone vrouw te zien.»

Deze uittreksels zijn even karakteristiek van den monnik als van den

Indiaan: «zij zorgen nooit voor honden, katten, paarden of koeijen,

de vechthaan is voor hen alles; dezen bezoeken zij reeds bij het

krieken van den dag, liefkozen hem voortdurend, beschouwen hem soms

een half uur achtereenvolgens en deze hartstogt neemt nooit af;

er zijn er die aan niets anders denken. Het Gouvernement beschermt

de hanengevechten. In het vorige jaar bragten zij 40,000 dollars op

(in 1859, 86,000 dollars). Welk eene treurige hulpbron voor zoo vele

tranen, misdaden en straffen! Hoeveel twisten, hoevele regtsgedingen

hebben daarvoor plaats! En zij brengen soms nachten met dit spel

door. Het hoofd van de Barangay verliest de inkomsten der belastingen,

die hij heeft geïnd; zijn lot wordt de gevangenis of hij moet naar de

bergen vlugten. Zij willen in geene huizen of kloosters wonen, waar zij

buiten bereik der vrouwen zijn. Zij zorgen voor hun eigen vaatwerk en

stellen in hunne woningen ten toon hetgeen zij reeds vóór de komst der

Spanjaarden bezaten; maar in kloosters en huizen breken zij genoeg om

hunne meesters te ruïneren. Dit is een gevolg van hunne domheid of komt

daaruit voort dat zij aan hunne geliefden denken of dat iets anders

hunne gedachten bezig houdt; en wanneer zij een geregt laten vallen,

wordt daarover door de Spanjaarden niets gezegd of komen zij er met

een paar scheldwoorden af. In hun eigen huis intusschen zouden zij

om een stuk aardewerk, dat gebroken is, een ferm pak rottingslagen

geven en dat doet meer af dan alle Philippica van Cicero (zoo staat

in het oorspronkelijke). Men kan hun geen zwaard, spiegel, geweer,

horologie of eenig teeder voorwerp toevertrouwen, daar zij het altijd

breken. Alleen een bamboes, een stok, een stuk hout, een palmtak en

sommigen eene ploegschaar, kan men hun in handen geven.

«Zij zijn stoutmoedig en onbeschaamd in het doen van onredelijke

aanvragen, zonder zich er om te bekommeren òf en wanneer hun verzoek

kan worden ingewilligd. Zij herinnerden mij in hunne verzoekschriften

aan hetgeen Sancho Panza op het eiland Barataria is gebeurd, toen dit

door den onbeschaamden en indringenden lompert Michael Turra werd

verontrust. Zij wenschen honderd dollars voor hun vier eijeren. Ik

heb nooit eene gift van een Indiaan ontvangen--natuurlijk iets van

onwaarde en voor hem van geen het minste nut--hetzij bloemen of

vruchten of ik riep hem de woorden van Laocoön aan de Trojanen toe:

«Timeo Danaos dona ferentes.» De bisschop van Troje, Don Francisco

Gines Barrientes, een zeer omzigtig prelaat, verhaalde mij dat een

Indiaan hem een doek vol Guava-vruchten bragt en hem ter leen vijftig

dollars vroeg. En toen de Markies de Villasierra, don Fernando de

Valenzuela, in het kasteel van Cavite van een Indiaan een haan ontving,

waarvoor de markies beval dat hem zesmaal de waarde zou worden betaald,

zeide de Indiaan dat hij op 80 manden rijst gerekend had, en dit was

nog wel in een tijd van schaarschheid, toen iedere mand 2 dollars

gold. Het komt er echter weinig bij hen op aan of zij slagen dan wel

of hun iets niet gelukt; zij zijn dan even tevreden, want zij hechten

geenerlei waarde aan de gift van een Spanjaard, zelfs niet van een'

priester. Bij den verkoop vragen zij dertig en nemen zes aan; zij

beproeven bedrog en daar zij bekend zijn met de groote goedheid (la

suma bondad) van het Spaansche karakter, vreezen zij geene uitdrukking

van toorn ten gevolge eener ongerijmde vordering.»

De monnik beschrijft volgenderwijs eene onderhandeling tusschen

een Indischen boer en een koopman: «De boer heeft twee of drie

honderd pond indigo te koop; hij komt niet alleen, maar met zijne

betrekkingen, vrienden en soms met de vrouwen, daar de indigo aan

verschillende personen behoort, die het gevolg van den verkooper

uitmaken. Ieder bod wordt aan de groep medegedeeld, die in een kring

rondom den handelaar is verzameld; nadat daarover is beraadslaagd,

bieden zij eene vermindering van een dollar in den prijs; de kooper

verlangt drie. Nadat deze zaak is geregeld, begint eene andere

discussie. Een gedeelte van de indigo is muf en vuil, zoodat eene

schikking moet worden gemaakt. Zoo duurt de onderhandeling kibbelend

voort en komt tot geen einde. Zeer weinige Spanjaarden verdragen die

onbeschaamdheid en lastigheid, zoodat de conferentie eindigt met de

eenvoudige vraag: «Wilt gij? ja, of neen?» zoo neen, dan verspreiden

de Indianen zich toornig door de straten, maar de geduldiger mestizen

en Chinezen noodigen hen bij zich, geven hun eten en huisvesting en

trekken daarvan op hunne eigene wijze, in Chineschen stijl, gebruik,

want de Indiaan is zeer dom in handelszaken.» Hier voert de vader

talrijke bewijzen van hunne eenvoudigheid aan. «Kortom--zegt hij--de

Indiaan ontvangt liever een reaal van een Chinees, dan een dollar

van een Spanjaard.» Wien kan dus de voorspoed van de Chinezen op

de Philippijnen verwondering baren? «De Indianen betoonen groote

onverschilligheid bij gevaar; zij gaan niet uit den weg voor een koppig

paard, of in eene kleine boot gezeten, voor eene grootere. Wanneer

zij in eene rivier krokodillen zien naderen, nemen zij daarvan geen

notitie of stellen geen voorzorgmaatregelen in het werk. De Koran

zegt dat ieders lot op zijn voorhoofd is geteekend; zoo denken de

Indianen, niet omdat zij den Koran hebben gelezen, maar door hunne

eigene dwaasheid, die hen dagelijks aan ongelukken blootstelt. Zij

zijn zeer bijgeloovig onder hen zelven, doch gelooven omtrent de

Spanjaarden niets dan wat nadeelig is. Blijkbaar is de werking van

het geloof bovennatuurlijk, daar waar zij de goddelijke geheimen

erkennen, die de Spanjaarden prediken. In andere opzigten gelooven

zij niets van hetgeen in strijd is met hun belang. Zij zien er geen

bezwaar in om Spanjaarden en zelfs om bedienaren der godsdienst te

bestelen. Hiervan bestaan de duidelijkste bewijzen, zoodat aan geen

twijfel te denken valt en men het alleen moet betreuren dat hiervoor

geen hulpmiddel te vinden is.»

De Augustijner provinciale monnik van Ilocos, zegt, waar hij van den

opstand van 1807 in deze provincie spreekt: «Hier, even als overal,

vindt men vele dieven en plunderaars; men brengt hen niet naar

Manilla, maar zij moeten op de plaats zelve gestraft worden. Men kan

hen echter evenmin uitroeijen als de ratten of muizen. Er bestaat dan

ook een Indisch spreekwoord: dieven en ratten zullen te gelijk worden

uitgeroeid.» Ik kan de algemeene veroordeeling van den geestelijke

niet overnemen, daar mij feiten van buitengewone braafheid zijn

ter oore gekomen. De Alcalde van Cagajan verhaalde mij o. a. dat,

ofschoon hij dikwijls eene zekere som aan dollars aan de Indianen

had toevertrouwd, hij nooit eenig bedrog had ontdekt.

Men zou veronderstellen dat de rijke en magtige monniken zeer wel

beschermd waren tegen de Indianen; maar een hunner (de abt Amodea)

schrijft: «De Indianen bedienen zich niet van lansen en pijlen

tegen ons ministerie, maar van papier, pennen, van schotschriften en

lasterlijke aantijgingen. Zij hebben zooveel politiek geleerd, dat

thans op alle plaatsen onbeduidende schrijvers, regtsverdraaijers

en twistzoekers zijn, die verstand genoeg bezitten om op gezegeld

papier eene memorie te stellen, die aan het hoogste geregt kan

worden in handen gegeven. Als de dorpspastoor hen om hunne slechte

en schandelijke leefwijze berispt of bestraft, dan vereenigen zij

zich, drinken wijn, vullen een vel folio met hunne kruisjes en ijlen

naar Manilla, waar zij zich tot het geregt wenden, bij hetwelk zij

meenen den grootsten invloed uit te oefenen en waardoor voor den

armen geestelijke veel verdriet ontstaat. Er behoort veel moed toe,

dit soort van martelaarschap te verdragen, dat op de Philippijnen

iets zeer gewoons is.»

Ik weet niet welke vervolgingen in den laatsten tijd zijn ingesteld

tegen waarzegsters, maar ik vind het verhaal van eene fiksche

vervolging en zware bestraffing, in het midden der vorige eeuw

tegen de waarzegsters van Pampanga ingesteld. De processen werden

gevoerd door een monnik Theodorus van de moeder Gods genaamd, die

een speciaal verslag deed aan de Mexicaansche inquisitie. Hij zegt:

«Er zijn waarzegsters in iedere plaats en in sommige maken zij zelfs

het derde deel der bevolking uit. Deze slaven van den duivel zijn in

verschillende klassen verdeeld; lamias die het bloed van jonge kinderen

opzuigen; striges, die op de oppervlakte der aarde zwerven; sagas,

die in woningen verkeeren en den duivel alle noodige inlichtingen

verschaffen; larvas, die vleeschelijke lusten bot vieren; temures,

die liefdesdranken gereed maken; doch allen zijn bestemd om het

menschdom kwaad te berokkenen.»

De ligtgeloovigheid der Indianen is voorbeeldeloos. In 1832, toen

de Santa Ana met 250 soldaten aankwam, verspreidde een gerucht zich

als loopend vuur dat de Koning van Spanje bevel had gegeven om al

de kinderen van de Indianen te verzamelen ten einde hun bloed in

de Spaansche mijnen te storten, waardoor deze productiver zouden

worden. De vrouwen ijlden naar hare woningen, en zochten met hare

kinderen eene schuilplaats in de huizen van de Spaansche vrouwen te

Manilla. De mannen wapenden zich met speren en vloden in opgewondenheid

door de straten. Niet zonder moeite werd de beweging gestuit. Hetgeen

iemand, die als wijze bekend staat, onder de Indianen als waarheid

verklaart, wordt onmiddellijk geloofd en kan door geen' invloed

van de priesters worden geloochend; de woorden «Vica ng maruning»,

d. i. «de wijze zegt het» is het antwoord aan allen, die het niet

gelooven. «God behoede ons» zegt de monnik, «voor Indische wijzen! De

Indianen toch zijn trotsch en willen geen priester, noch den monnik,

noch den aalmoezenier gelooven, wanneer de vrees hen daartoe niet

dwingt, en zij zijn niet altijd bevreesd, ofschoon zij overtuigd zijn

van de overmagt der Spanjaarden en tegen hun zin door hen geregeerd

worden. Zij volgen den Spanjaard na in al wat kwaad is,--in zijne

gehechtheid aan het spel en in al de kwade praktijken van de zaramullos

(saletjonkers of drukke menschen); maar Spaansche hoffelijkheid en

welgemanierdheid en goede opvoeding bestuderen zij nooit of zien

zij niet af, maar opschik en dronkenschap en losbandige huwelijks-

en begrafenispartijen, even als geweldadigheden van allerlei aard,

hebben zij van hunne voorouders geërfd en spreiden zij nog ten toon,

zoodat zij hunne ondeugden ook nog bij die der Spanjaarden voegen.»

Zij zijn onderdanig jegens iederen aristocraat onder hen. De

rokkendragende principalia worden met veel onderscheiding behandeld

en hunne rang zeer geëerbiedigd. Eerst heeft men den gobernadorcillo,

daarop volgen de ex-gobernadorcillo's, die naar ancienniteit als

kapiteins worden benoemd; dan de in functie zijnde luitenant, die het

hoofd van een barangay moet zijn; daarna de hoofden van barangay's

naar hunnen ouderdom, vervolgens de gewezen luitenants en zoo verder;

hun rang wordt door de naburige gemeenten erkend.

Baden is algemeen in gebruik; mannen en vrouwen doen dit op eene en

dezelfde plaats. De mannen dragen pantalons, de vrouwen dekken zich met

een kleed, dat zij afwerpen als zij in het water gaan. Er hebben geene

ergerlijke tooneelen plaats door deze gewoonte, en herhaalde pogingen

van de Spaansche autoriteiten om dit oude gebruik te veranderen,

hebben niets gebaat.

De Indianen omhelzen door de aanraking met den neus; meestal kussen zij

echter dan ook de lippen. Als het neusgat is zamengetrokken (zooals

bij het rieken) en de Indiaan ziet naar iemand op een afstand, dan

leidt dit tot eene digter omhelzing. Vreemdsoortige verhalen doet men

van het fijne reukorgaan der Indianen; men zegt dat zij daardoor de

kleeding van hunne meesters en meesteressen kunnen onderscheiden en dat

minnaars elkander's wederzijdsche gevoelens ontdekken. Onderkleederen

worden verwisseld, die ondersteld worden met de hartstogten der

eigenaars doortrokken te zijn. In weêrwil van den monnik, besnijden

de Indianen heimelijk hunne kinderen. De banaan-boom (Balete, Ficus

Indica) wordt als heilig beschouwd. Zij branden er wierook onder, dat

zij onder verschillende voorwendsels van de monniken verkrijgen. Hoe

vreemd zijn de gebruiken der afgodendienst met Christelijke geboden

vermengd! Dit is niet alleen het geval op de Philippijnen. Een

van Dr. Gutzlaff's erkende bekeerlingen te Hong-Kong was gewoon te

zeggen, dat om den zendeling genoegen te doen hij een anderen God--der

Christenen--bij dien gevoegd had, welken hij vroeger aanbad, en ik

ben bekend met heimelijke bezoeken in heidensche tempels die Chinezen,

welke Christenen waren, bragten wanneer zij op het punt stonden eene

belangrijke zaak te ondernemen. «Men kan het vervloekte geloof niet

van hen verwijderen--zegt de geestelijke--dat de geesten van hunne

voorouders in de bosschen en onder de wortels van bamboes leven en dat

deze goed of kwaad over hen kunnen verspreiden. Zij willen hun offers

brengen; en al onze boeken en predikatiën kunnen de indrukken niet

wegnemen, die een oud man bij hen achterlaat, welken zij «een wijze»

noemen.» «De geestelijken» zegt de Mas «gelooven dat dit bijgeloof

vermindert; ongetwijfeld verbergt de Indiaan het zooveel mogelijk voor

zijn' biechtvader, maar ik zelf heb mij meermalen overtuigd dat het

bestaat en dat het invloed uitoefent.» Wie, die eenigzins bekend is

met de ligtgeloovigheid van deze minder beschaafde klassen, en niet

deze alleen, maar ook onder ons zelven, kan zich dan ook verwonderen

over den «godsdienstigen geest» van den Philippijnschen Indiaan? En

zelfs de geestelijken zelve zijn met die zwakheid behebt, zoodat een

Philippijnsche geestelijke Mallares, niet minder dan 57 moorden in de

stad Magalan beging of veroorzaakte, in de overtuiging dat hij daardoor

zijne moeder tegen betoovering zou beschermen. Mallares werd in 1840

geëxecuteerd en in zijn rapport betuigt de fiscaal zijn afschuw van

de «ongeloofelijke en barbaarsche bloedverkwisting van dit monster.»

«De Indiaan kent geen middenweg» zegt onze geestelijke, «vraag naar

laauw water, dan brengt hij het kokend; zegt gij dat het te heet is,

dan krijgt gij het ijskoud. Hij leeft in een kring van uitersten. Hij

heeft behagen in uw ongeduld en wanneer gij u over hem ergert, dan

schatert hij uit dat hij zijn meester kwaad heeft gemaakt. Wanneer

men den Indiaan wil vertoornen, moet men geene notitie van zijne

streken nemen. De scherpzinnige man onder hen weet dat de Indiaan en

de rotting (voor zijne bestraffing) steeds zamen opgroeijen. Zij hebben

een ander spreekwoord: «De Spanjaard is een vuur en de Indiaan sneeuw;

de sneeuw bluscht het vuur uit.» Een der geestelijken verhaalt dat zijn

bediende tot hem zeide: «Gij zijt een nieuweling en duldt te veel,

als ik kwaad doe, moet gij mij straffen. Kent gij het spreekwoord

niet: «De Indiaan en de rotting groeijen zamen op?» Zij lasteren en

miskennen God als hunne gebeden niet verhoord worden en voeren eene

taal, die inderdaad afschuwelijk zou zijn, wanneer men niet weet

hoe onverstandig zij zijn en hoe onmogelijk het hun is zich naar den

Goddelijken wil te gedragen.»

Er bestaan eene menigte godsdienstige treurspelen, bijzonder een in

het Tagaleesch, dat het lijden en den dood van Christus voorstelt;

maar deze godsdienstige voorstellingen en vergaderingen geven

aanleiding tot ergerlijke tooneelen en misbruiken en doen menig

onwettig kind het levenslicht aanschouwen. De priesters hebben

meestal zulke voorstellingen in den nacht verboden en drijven soms

zulke vergaderingen, met de zweep in de hand, uit elkander; op andere

tijden worden de zangers betrapt en gestoord in hunne droevige klagten

of ...... in hunne genoegens.

Het is aardig de tegenstrijdige meeningen der monniken aangaande

hunne kudden te lezen. De een zegt: «Hunne biecht is valsch; zij

bekennen nooit iets anders dan drie zonden: 1o. dat zij niet getrouw

zijn ter kerk gegaan; 2o. dat zij vleesch eten gedurende de vasten

en 3o. dat zij een valschen eed hebben gedaan.» Een ander berigt:

«Geen Spanjaard kan vromer en godsdienstiger zijn dan de Indianen

van Manilla in hunne biecht. Zij gehoorzamen de onderrigtingen, die

men hun geeft, en ik heb dezelfde goede berigten van verscheidene

geestelijken onder vele Indianen in de provinciën.» Ongetwijfeld

zou de geestelijke statistiek curieus zijn, wanneer men die kon

verkrijgen. Van Lilio berigt de geestelijke dat van de 1,300 personen,

die belasting betalen, 600 in 1840 nooit gebiecht hebben en deze

plaats is niet een van de onverschilligste. Te Vigan gingen van

30,000 inwoners, niet meer dan 500 à 800 ter kerk (volgens de Mas),

behalve bij het jaarlijksche feest van de Maagd, patrones van de

plaats. Pater Augustijn geeft luide zijne verontwaardiging te kennen

omtrent de biecht: «De helsche Macchiavel Satan--zegt hij--heeft

hen iets geleerd, dat even goed voor hun ligchaam als slecht voor

hunne ziel is, namelijk om elkander wederkeerig hunne gebreken en

misdrijven te bekennen en die, al zijn zij van nog zoo ernstigen aard,

voor den geestelijken vader, voor den Spaanschen alcalde te verbergen,

niettegenstaande hunne persoonlijke twisten en, zooals zij ze noemen,

doodvijandschap; zoo dat zij geene grootere beleediging kennen dan

den pater of den alcalde te verhalen wat in de plaats gebeurt; dit,

zeggen zij, is mabibig, de afschuwelijkste zonde, inderdaad het eenige,

dat zij als zoodanig beschouwen.»

De monniken spreken over het algemeen gunstiger van de vrouwen, dan

van de mannen. Zij zijn vromer, onderdaniger, welwillender om naar hare

geestelijke vaders te luisteren. Een hunner zegt: «Wanneer het geheele

menschdom van eene enkele paauwenveêr zou afhangen, die een Indiaan

voor zijn' hoed noodig had, dan zou hij al de menschen opofferen. Zij

vreezen niet voor den dood, maar dat is eene groote weldaad van het

Goddelijke Wezen, dat weet hoe zwak zij zijn; zij spreken van den

dood, zelfs bij een' stervende, alsof het niets ware. Wanneer zij tot

schavotstraf veroordeeld zijn, betoonen zij dezelfde onverschilligheid

en rooken hunne cigaar met de gewone bedaardheid. Hun antwoord aan

den hen bedienenden priester is in den regel: «Ik weet dat ik ga

sterven. Ik kan het niet helpen. Ik ben slecht geweest, het was de

wil van God, die mij dit lot heeft beschoren.» Maar met den dood

voor oogen slapen en eten zij even gerust. «De boom moet zijn vrucht

dragen,» vervolgt onze geestelijke, «God heeft in zijne wijsheid

vele menschenstammen geschapen, even als Hij verscheidene soorten

van bloemen doet ontspruiten, en eindelijk getroostte ik mij met de

onverschilligheid der Indianen omtrent al hetgeen wij zouden doen;

met het oog daarop kon ik ze als was naar mijn goedvinden rigten.»

Over het algemeen heb ik onder deze Indiaansche stammen

niet een gevonden, die zich door intellectuele begaafdheden

onderscheidde. Eenige weinigen wisten iets van werktuigkunde; een paar

waren vrij goede beeldhouwers; ik ontwaarde overigens eene algemeene

liefde voor de muziek en zelfs eenige waardering van de verdiensten

van Europesche componisten, maar men moet er bijvoegen dat er ook

niets of weinig gedaan wordt voor de ontwikkeling van de begaafdheden,

die de Indiaan bezit; het veld van openbaar onderwijs is even beperkt

door godsdienstigen als officielen invloed, en de zamenleving onder de

meer vermogende klassen, waarnaar de Indiaan alleen kan opzien, staat

verre beneden die van het Spaansche schiereiland. De letterkunde wordt

weinig beoefend; de nieuwsbladen zijn meer met levensgeschiedenissen

van heiligen en verhalen of berigten van godsdienstige feesten

opgevuld, dan met de grootste gebeurtenissen in de politieke wereld. De

Spanjaarden zijn nooit beroemd geweest om hunne groote onderzoekingen

of activiteit, maar het is te hopen dat de manana, waarnaar alles

wordt verwezen, eindelijk een hoy dia zal worden.

Men zegt van den Indiaan dat hij meer vier- dan tweevoetig

is. Zijne handen zijn groot en de toonen aan zijne voeten gebogen,

daar hij geoefend is in het klimmen op boomen en andere dergelijke

bezigheden. Hij is als een amphibie en brengt den meesten tijd in het

water door. Hij is ongevoelig zoo wel voor de brandende zon als voor

den verkwikkenden regen. De indrukken, die hij ontvangt, zijn slechts

een overgang en hij herinnert zich flaauw voorbijgaande of plaats

gehad hebbende gebeurtenissen. Vraagt men hem naar zijnen ouderdom,

dan kan hij niet antwoorden. Wie waren zijne voorouders? Hij weet

het niet en bekommert er zich niet over. Hij ontvangt geene gunsten

en kan dus niet ondankbaar zijn; hij bezit weinig ambitie en kan dus

niet ongerust wezen; hij heeft weinig behoeften en is dan ook nooit

jaloersch of afgunstig; hij bemoeit zich niet met de zaken van zijn

buurman en let ook dikwijls op de zijne niet, zijne hoofdondeugd is

luiheid; dat is zijn geluk. Het werk dat hij moet verrigten, doet

hij met weêrzin. Hij is over het algemeen gezond, en is hij eens

ongesteld, dan geneest hij zich met kruiden, waarvan hij de stoppende

of laxerende eigenschappen ondervonden heeft. Hij gebruikt geen zeep om

zich te wasschen, noch mes om zich te scheren; de rivier is zijn bad,

en zijne haren kamt hij uit met eene schelp; hij behoeft geen klok om

den tijd te weten; tafel, stoelen, borden, messen ontbeert hij bij

zijn' maaltijd; een hacha of groot mes en een zak hangen gewoonlijk

om zijn lijf; hij kent geene andere muziek dan het kraaijen van zijn'

haan en acht een schoen even overtollig als een handschoen of een das.

Ik heb onder de Indianen niet dien voortdurenden afkeer van

vreemdelingen ondervonden, waarvan Mallat gewaagt, en die vooral tegen

Engelschen zou gerigt zijn. Integendeel zag ik dat vele Engelschen,

die op de Philippijnen gevestigd waren, veel vertrouwen en genegenheid

ondervonden en ik heb mestizen en Indianen hooren zeggen dat zij veel

meer vertrouwen in de handelseerlijkheid van Engelschen stellen,

dan in die van eenige andere natie. Ik ben getuige geweest van de

vriendschappelijkheid, waarmede het oude Spaansche spreekwoord «Paz

con Ynglaterra y con todo el mundo guerra» in groote vergaderingen

van de Filipinos is aangehaald. Er is dan ook geene natie, die

meer dan Engeland tot de welvaart van den Spaanschen Archipel heeft

bijgedragen. In den loop van dit ons verhaal zal men blijken genoeg

zien van de goedheid, die men aan Engelschen betoont.

De Spanjaarden--het is meermalen gezegd--hebben zeer bescheiden en

met goed geluk van het «divide et impera» onder de Indiaansche stammen

gebruik gemaakt als een middel om hun eigen gezag te bewaren. Het is

dan ook eene waarheid dat onder de meer verwijderde stammen weinig

sympathie bestaat; maar dat hunne scheiding en verwijdering door

de Spaansche staatkunde is bewerkt, wordt tegengesproken door het

feit dat in Binondo bijna 1/3 van de inwoners Indianen van verre

provinciën zijn.

Het aantal Spanjaarden is klein, dat van de gewapende inlanders groot,

wanneer er een opstand tegen het bestuur mogt ontstaan, maar ik geloof

dat daartoe geene de minste neiging bestaat. Laatstelijk werden de

Tagalesche soldaten naar een vreemd land (Cochin-China) in werkelijke

dienst opgeroepen en in een' strijd gewikkeld, waarin het Spaansche

belang niet zeer te onderscheiden is. Geene klagten werden omtrent hun

gedrag gehoord, ofschoon zij aan vele ontberingen blootgesteld waren.

Er bestaat eene aardige gewoonte onder de landlieden in het

binnenland. Kleine houten bakjes ziet men daar buiten staan of uit de

vensters van de choza hangen, waarin men onder plantaan-bladeren,

spijzen of vruchten vindt uit den tuin achter het huis. Iedere

reiziger, die voorbijgaat, voorziet zich daaruit van het noodige,

wanneer hij arm is, betaalt hij daarvoor niets; anders geeft hij

zulk eene vergoeding als hij noodig oordeelt. Geen zweem van verwijt

treft den persoon, die, zonder dat hij kan betalen, van de goedheid

gebruik maakt. Deze gastvrije ontvangst is het meest algemeen in de

minst bevolkte plaatsen en herinnerde mij aan het water en de lamp,

die ik in de graven van de heilige Muselmannen vond, welke op die

wijze zich van de menschlievende pligt kweten of hunne volgelingen

deden kwijten, om in de dorre woestijnen die aangename en treffende

welkomstgroeten te geven aan den dorstigen en vermoeiden reiziger.

De tact of kunst van navolging is sterk onder de Indianen

en vergemakkelijkte de pogingen der monniken, maar men vindt

zeer verschillende en uiteenloopende berigten omtrent hunne

bekwaamheden. Die van Pampanga, Cagajan, Pangasinan, Ilocos en Zebu

moeten dapper, edelmoedig, werkzaam zijn en somtijds veel kunstsmaak

ten toon spreiden. De liefde en uitoefening der muziek is algemeen en

ik zag eenige merkwaardige staaltjes van beeldhouwkunst, maar op de

schilderkunst werd mijne aandacht niet gevestigd, en de voorbeelden

van volhardende studie tot eenig vak waren zeer weinige. Als bedienden,

staan de Tagalezen in alle opzigten beneden de Chinezen; als soldaten

worden over het algemeen gunstige berigten omtrent hen gegeven. De

Indianen, te Manilla gevestigd, moeten de ergsten van hunne stammen

zijn. Het lijdt geen twijfel dat in de groote steden het meeste

graauw verblijf houdt, maar tegelijkertijd huisvesten daarin dan

ook de grootste verdiensten. De hoffelijkheden, die ons als hunne

gasten werden betoond, waren eindeloos; er was geene moeite te groot

om ons genoegen te doen. Veel kon wel is waar niet anders dan aan

de leiding van de priesters en de tegenwoordigheid der autoriteiten

worden toegeschreven, maar wij ontvingen toch duizende blijken van

ongedwongene goedheid, die door geen' invloed van buiten konden

zijn bewerkt.

Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden · 第 13 / 58 题