BESTUUR, ADMINISTRATIE, ENZ.

Aan het hoofd van het bestuur van den Philippijnschen Archipel staat

een kapitein- en Gouverneur-Generaal, die te Manilla, de hoofdstad

der eilanden resideert, en deze niet mag verlaten zonder toestemming

van den Souverein van Spanje. Naast het bestuur over Cuba, is 't het

belangrijkste en meest winstgevende ambt dat het kabinet van Madrid

kan wegschenken en was het helaas meestal eene der prooijen, die

betwist werd door de ongelukkige en door de voorheerschende, politieke

partij genomen werd. Het was dan ook eene treurige bezigheid voor

mij de collectie portretten na te gaan van al de geregeerd hebbende

Gouverneurs-Generaal en zoovele lijsten te zien die op toekomstige

aanvulling wachtten,--welke de muren versierden van de schoone

vertrekken die ik in het paleis bewoonde. Sedert 1835 hebben vijf

tijdelijke en elf definitieve benoemingen tot Gouverneur-Generaal

plaats gehad. Sommigen hunner bekleedden hunne magt slechts weinige

maanden, en werden ten gevolge van ministriële verandering te

Madrid, vervangen. Onder andere hooge ambten moet ik opmerken,

dat sedert 1830 slechts twee aartsbisschoppen geregeerd hebben,

terwijl men rekent dat de hoofden van de departementen tien jaren

in functie blijven. De schadelijke gevolgen, die zulk een onzekere

toestand in het hoogste bestuur op de algemeene belangen heeft, zijn

onberekenbaar. De herhaalde en plotselinge veranderingen en benoemingen

komen dan ook in geenen deele overeen met de begrippen van monarchaal

en erfelijk bestuur, maar veeleer met de republikeinsche instellingen

van de Westersche volkeren, en de langzame ontwikkeling der onmetelijke

hulpbronnen van deze schoone eilanden is dan ook voorzeker voornamelijk

toe te schrijven aan deze afwisselingen in het hoogste bestuur.

De titels van den Kapitein-Generaal beslaan een bladzijde en omvatten

de gewone werkzaamheden van het bestuur, met uitzondering van het

gezag over de vloot, dat aan den Spaanschen Minister van Marine is

opgedragen, en van eene eenigzins beperkte magt in geestelijke zaken,

hetgeen een uitvloeisel is van de uitsluitende vestiging van het

Roomsch-Katholieke geloof.

De Luitenant-Gouverneur, die de plaats van den Kapitein-Generaal bij

diens dood inneemt, wordt de Segundo Cabo of tweede opperhoofd genoemd.

De Philippijnsche eilanden zijn in provinciën verdeeld, die ieder

onder het toezigt van politiek-militaire gouverneurs, of alcaldes

mayores staan, meestal burgerlijke personen.

Wanneer het Gouvernement militair is, oefent een

adsistent-luitenant-gouverneur, die den graad van doctor in de regten

moet hebben verkregen, de eerste regtsmagt (de primera instancia) uit,

doch de alcaldes vereenigen dit gezag in hunne eigen personen. Beiden

beschikken in hunne provinciën over het militaire gezag en hebben het

toezigt over de inning der inkomsten, onder verantwoordelijkheid aan

den algemeenen administrateur der belastingen.

De provinciën zijn verdeeld in pueblos (steden of dorpen); aan

het hoofd van elk staat een inlandsche Indiaan of mesties, die

gobernadorcillo (verkleinwoord van Gouverneur) wordt genoemd. Hij

wordt in de uitoefening zijner functiën bijgestaan door inlandsche

luitenants en alguacils, wier aantal van de hoegrootheid der bevolking

afhangt. Dit ligchaam, dat, als het verzameld is, de principalia van

de pueblo wordt genoemd, beslecht alle kleine geschillen van politie

of burgerlijke kwestiën tusschen de inlanders waar het de regten van

personen en eigendommen geldt. In districten waar de Chinezen of hunne

afstammelingen in vrij grooten getale zich bevinden (waar zij onder den

naam van Sangleyes bekend zijn) staat men deze toe, onder bijzondere

magtiging van het Gouvernement principalia uit hun midden te kiezen,

die aan hun Indische regtspraak niet onderworpen zijn. Deze principalia

zijn waarlijk door 't volk gekozen overheidspersonen en zijn er vooral

belast met de geestelijkheid in alle zaken te assisteren die op de

openbare eeredienst en de geestelijke magt betrekking hebben. Zij

beslissen kwestiën, die tot twee taïls goud of 44 zilveren dollars

bedragen. Zij trachten licht te verspreiden over criminele zaken, wier

behandeling aan het provinciale opperhoofd zijn opgedragen; werken

mede tot inzameling van de koninklijke inkomsten, kondigen de bevelen

van het Gouvernement onder het volk af en mogen eene geringe doch

bepaalde belasting heffen ten einde hunne waardigheid op te houden.

Behalve deze, heeft men in iedere pueblo zekere beambten, die Cabezas

(hoofden) de Barangay worden genoemd. Een barangay is eene verzameling

van de hoofden van familiën of van personen die belasting betalen;

het aantal dezer lieden bedraagt gewoonlijk 40 à 50. Deze staan

onder speciaal toezigt van den cabeza, die in hun midden moet wonen

en onder borgtogt, de aan den Staat verschuldigde belastingen moet

innen. Hem is opgedragen geschillen te vereffenen en vrede en rust

te bewaren, de verschillende posten onder de leden van den barangay

te verdeelen en de belastingen op te zamelen om den gobernadorcillo

of diens plaatsvervanger te betalen. De cabeza's worden tevens als

de procuradores of regtsgeleerden van deze kleine gemeenten beschouwd.

Er bestaat bijna geen twijfel dat de benoeming in vroegere tijden

erfelijk was en er zijn zelfs nog plaatsen waar het erfregt wordt

gehandhaafd. Over het algemeen echter heeft eene verkiezing plaats,

en wanneer eene vacature ontstaat, stelt de gobernadorcillo met de

andere cabeza's een kandidaat aan de opperste magt voor; hetzelfde

geschiedt wanneer de vermeerderde bevolking de benoeming van een

nieuwen cabeza noodzakelijk maakt. De cabeza's, hunne vrouwen en

eerstgeborenen, die mede de belastingen moeten innen, zijn zelve van

de betaling daarvan vrij.

In sommige provinciën worden de cabeza's slechts voor drie jaren

gekozen, waarna zij deel uitmaken van de principalia en den titel van

Don erlangen. Ik herinner mij dat op eene plaats waar de principalia,

die hare hulde kwam aanbieden, uit meer dan 70 personen bestond. Het

Gouvernement klaagt over het toenemend aantal van die lieden, die van

het betalen van belasting verschoond zijn, en ik meen dat men thans

maatregelen beraamt om het privilegie eenigermate te beperken.

De verkiezing van den gobernadorcillo heeft jaarlijks op den 1sten

April plaats. Er heerscht dan meestal een buitengewone drukte,

daar men allerwege naar dit ambt haakt, dat wezenlijk gewigtig,

populair en invloedrijk is. Drie kandidaten worden gesteld, waarvan

een reeds de betrekking van gobernadorcillo moet bekleed hebben, en

aan het oordeel van het Gouvernement onderworpen op of vóór den 15 Mei,

terwijl de nieuw benoemde den 1sten Junij in functie treedt. Er heeft

intusschen wel eens eene verandering van den datum plaats, daar waar,

zooals in de tabaksdistricten, het tijdstip der verkiezing op dat

van den oogst valt.

Het hoofd der provincie leidt gewoonlijk de verkiezingen, en de

voornaamste geestelijke wordt hiertoe mede uitgenoodigd. Bij hunne

afwezigheid, kan een inlandsche Spanjaard door de opperste magt

daartoe aangewezen worden.

Voor iedere pueblo zijn 13 kiezers--de gobernadorcillo en 12

inwoners--waarvan de helft de laatstgenoemde betrekking moet hebben

bekleed en cabezas moeten geweest zijn, terwijl de andere helft in

de uitoefening dezer functiën is; zij moeten tevens erkende goede

middelen van bestaan hebben; bedienden worden uitgesloten en ook

diegenen welke tot criminele straffen zijn veroordeeld.

Voorts wordt vereischt dat de gobernadorcillo een inlandsche Indiaan

of mestizo is, een inwoner van de plaats waar hij fungeert en boven

de 25 jaren oud; dat hij de ondergeschikte posten van luitenant

of cabeza bekleed heeft; dat zijne boeken in orde zijn en hij

geen land in eigendom van de gemeente of geen monopolie (estanco)

van het Gouvernement heeft. Gelijke voorwaarden bestaan voor den

1sten luitenant en de voornaamste (inlandsche) magistraten, die

ter beslissing van kwestiën benoemd worden aangaande het zaaijen,

de politie en het vee. Deze magistraatspersonen moeten den rang van

gobernadorcillo bekleed hebben. Wat betreft de mindere regterlijke

ambtenaren en hunne assistenten, maakt de gobernadorcillo, voordat hij

zijne functiën nederlegt, eene lijst op die aan de autoriteit voor de

verkiezingen wordt voorgelegd; en na den pastoor (cura) en het commité

der verkiezingen gehoord te hebben, keurt de president de lijst goed

ter verzending naar het opperste gezag; vindt hij echter tweedragt

en verdeeldheid van meeningen onder de voor hem geplaatste partijen,

dan is hij zelf gemagtigd kandidaten voor te stellen.

Van al de handelingen wordt proces-verbaal opgemaakt, dat door den

president, den pastoor (als hij tegenwoordig is), de kiezers en den

notaris wordt geteekend en naar het opperbestuur wordt verzonden,

behalve in de aan de hoofdstad grenzende provinciën. De president

mag in het proces-verbaal ook doen opnemen zijne aanmerkingen en het

antwoord daarop. Bij een decreet van 1850 werd de algemeene invoering

van dit stelsel bevolen. Het schijnt mij wel toe de vermelding waard te

zijn en aan te toonen hoevele goede elementen van een wijs bestuur in

de populaire instellingen van de Philippijnsche eilanden gelegen zijn.

De Chinezen uit de hoofdstad mogen Christelijke bekeerden uit hun

midden, onder voorzitterschap van den alcalde-major van Manilla, kiezen

voor de ambten van gobernadorcillo, 1sten luitenant en voornaamsten

alguacil (baljuw). De ondergeschikte regterlijke ambtenaren worden

bilangos genoemd en door den gobernadorcillo bij diens benoeming

verkozen. Het innen van belastingen van de Chinezen is niet aan hunne

principalia overgelaten, maar geschiedt door den alcalde-major of

opperhoofd. Een ambtenaar is belast de Chinezen te classificeren en

de op te brengen belastingen te schatten naar het vermogen van den

belastingschuldige, die een zoogenaamd patente industrial heeft.

De gobernadorcillo's en regterlijke ambtenaren hebben zitting in

tegenwoordigheid van de provinciale hoofden, die de parochiale

geestelijkheid aanmanen hun met verschuldigde achting en eerbied

te behandelen.

Mallat, wiens geographische geschiedenis der Philippijnen in 1846

is gepubliceerd, merkt op, dat van alle door de Europeanen gestichte

koloniën, deze streken welligt het minst bekend en het meest waardig

zijn om bekend te worden. Het aantal eilanden waaruit de archipel

bestaat; hunne groote uitgestrektheid en grenzelooze verscheidenheid;

de vooruitgaande bevolking van velen; de aard van het klimaat; de

bewonderenswaardige vruchtbaarheid van den grond; de onuitputtelijke

rijkdom aan heuvelen, valleijen en vlakten--dat alles biedt de

beschaving en haar verzachtenden invloed overvloedige belooningen aan.

Maar wat betreft de «nijvere gewoonten» der inlanders,--daaromtrent

kan ik, evenmin als Mallat, hoop voeden. Het is juist het gebrek aan

deze «industriële gewoonten» onder 4 of 5 millioen inwoners, dat de

Philippijnen zoozeer ten achteren heeft gehouden.

Java onder het bestuur der Hollanders en Cuba onder de Spaansche

regering, bieden, zonder twijfel, veel gunstiger tooneelen aan dan de

Philippijnen; maar vele van de zwarigheden die de Kapitein-Generaal

van Manilla ondervindt, zoowel op godsdienstig terrein als op

maatschappelijk gebied, hinderen den Gouverneur-Generaal van Batavia

niet; het eiland Java, het meest productive van Neêrlandsch-Indië,

heeft met al die moeijelijkheden niet te kampen en men kan niet zeggen,

dat zelfs Sumatra en Borneo met het voordeeligste der Philippijnsche

eilanden gelijk gesteld kunnen worden.

Vele gebreken, die thans op den weg van verbetering zijn, moet men

toeschrijven aan den aard van de oorspronkelijke verovering en aan

het vroegere bestuur der Philippijnen. In Amerika en de West-Indiën

spreidden de militaire veroveraars al hunne magt ten toon, terwijl het

bezit en de plundering van nieuw grondgebied door het Spaansche hof

werd aangemoedigd en door den Spaanschen aanvaller werd begeerd. Geheel

anders echter was de staatkunde in de Philippijnen, waar slechts

een klein korps soldaten door ijverige zendelingen werd vergezeld,

wier doel het veeleer was de Indianen te bekeeren en tot Christenen te

maken, dan hen te plunderen en uit te roeijen. Deze monniken verkregen

langzamerhand een grooten invloed over de Indianen. De belangen van

den handel zijn steeds door de Hollandsche kolonisten in aanmerking

genomen en onder Britsche avonturiers is het handels-element steeds

naauw verbonden geweest met het verlangen naar grondgebied. Bij

de Spanjaarden daarentegen moet men erkennen dat het godsdienstige

doel--welke de waarde daarvan dan ook zij--nooit verlaten of vergeten

is. Geestelijk gezag en magt zijn in de Philippijnen doorweven met de

staatsmachine van het Gouvernement en ook in het dagelijksche leven

worden die ten toon gespreid.

Zulk een geestelijke werking heeft betrekkelijk weinig op de

Philippijnen uitgerigt. De ontwikkeling, die de innerlijke emancipatie

aan zoovele Protestantsche landen en hunne onderhoorigheden heeft

gegeven, is nog tot slechts weinige katholieke koloniën doorgedrongen;

doch die emancipatie is inderdaad dan ook niet over een te brengen

met de meer strenge begrippen en leerstellingen van Rome. Doch in

het geval van de gelukkigste poging tot kolonisatie door de Britten,

zijn de inlandsche stammen of geheel verdwenen of smelten weg,

terwijl de vermenging van Spaansch en vreemd bloed in de Spaansche

koloniën niet alleen de vermeerdering der inlandsche bevolking heeft

mogelijk gemaakt, maar zelfs niet in staat is geweest hun nationaal

karakter te veranderen of meer te doen dan dit gering te wijzigen. De

katholieken hebben zich ongetwijfeld daarop beroemd, dat Francis de

Xavier en zijne volgelingen meer voor de Roomsche kerk wonnen in het

Oosten dan Luther of Calvin daarvan ooit in het Westen hadden ontnomen;

doch de waarde der veroveringen, vergeleken bij die van de verliezen

en opofferingen, zou, wel beschouwd, de schaal meer ten gunste van

de Protestanten doen overhellen.

Ongetwijfeld geven de groote verwijdering der Philippijnen van

Europa en de moeijelijke en weinige communicatie aan de plaatselijke

autoriteiten eene grooter onafhankelijkheid in haar bestuur dan

dit haar anders vergund zou zijn; bij den dood van een Gouverneur

was algemeen de aartsbisschop zijn opvolger; zijne nabijheid bij het

Gouvernement en gedurig verkeer daarmede versterkten natuurlijk zijne

eigene magt en die van alle geestelijken, die hem ondergeschikt waren.

In de vroegere tijden der Europesche kolonisatie intusschen

deden de Portugezen, die wangunstig waren op alle Europesche

tusschenkomst buiten de hunne met natiën ten Oosten van de Kaap,

al het mogelijke, om te voorkomen dat eene andere vlag dan die van

Lusitanië in de Oostersche wateren zou worden gezien. Ten opzigte van

de zendelingszaken intusschen liepen hunne inzigten nog al ineen met

die van de Spaansche priesters, en hunne handelingen kwamen met die

der Spanjaarden overeen, vooral in zoo verre zij beide hunne rigting

kregen van den hoogepriester te Rome. Men moet echter niet vergeten

dat, welke vorderingen het Christendom reeds in de Philippijnen gemaakt

heeft, de vervolgingen, rampen, teleurstellingen en de dood van zoo

menigen Christen leeraar in Japan waarschijnlijk te wijten is aan den

kwalijk geleiden ijver van de Portugesche Evangeliepredikers in deze

nog afgelegener streken. Het is goed voor de belangen der waarheid

evenzeer als voor die van handel en beschaving, dat in de laatste

tijden een geest van meerdere gematigdheid en verdraagzaamheid met

den vooruitgang van den Europeschen invloed in het Oosten is gepaard

gegaan.

Het betrekkelijk kleine aantal Spaansche kolonisten in de Philippijnen

zou hen niet in staat stellen, zelfs wanneer dit in hun voornemen ware

gelegen, hetgeen niet zoo schijnt geweest te zijn, zich onnoodig

te mengen in de gebruiken der Indianen, of in hunne wijze van

administratie of bestuur, uitgezonderd in zooverre hunne bekeering

tot het Christendom de invoering van Christelijke grondregelen noodig

maakte, terwijl de monniken hunne werking gereedelijk bepaalden tot de

maatschappelijke gewoonten van het volk en hierin, even als zij tot nog

toe doen, vele der voorvaderlijke vormen van administratie en bestuur

eerbiedigden, die sedert onheugelijke tijden onder hen bestaan hadden.

Men heeft zich bespiegelingen voorgesteld--en Mallat wenscht zulk

eene gebeurtenis vurig--dat in den loop van tijden de Philippijnen de

dominerende politieke magt van de Oostersche wereld zouden worden en

aan hunnen overheerschenden invloed den Nederlandschen Archipel, de

Stille Zee, Australië en zelfs China en Japan zouden onderwerpen,--dat

Manilla zelfs bestemd zou zijn de grootste haven van de Oostersche

en Zuid-Oostersche wereld te worden. Mallat gaat zelfs verder;

hij zegt: «Manilla kan zelfs gemakkelijk het centrum van den in-

en uitvoer van den geheelen aardbol worden.» Het zal zich met eene

eenigzins minder schitterende toekomst moeten te vreden stellen. Zijne

handelsbetrekkingen mogen zich ver uitstrekken en de Spaansche

archipel kan in waarde toenemen en zijnen invloed versterken; doch in

de groote ontwikkeling van de handelsbetrekkingen in de Oostelijke

wereld zullen de Philippijnen zich met matige, ofschoon belangrijke

voordeelen moeten vergenoegen, zelfs onder de beste administratie en

de wijste staatkunde.

De tropische gewesten lokken geene duurzame kolonisten uit het

Westen. De vreemde koopman komt om zich eene wat hij noemt evenredige

fortuin te verschaffen en daarna weder te vertrekken; de hoogste

openbare ambtenaar is onder of boven, maar nooit van het volk. Alles

waarop gelet moet worden is het populaire element. Waaruit zijn de

millioenen zamengesteld en hoe kan men ze analyseren? Er is geene

reden te vermoeden dat zij naar politieke magt of souvereiniteit

zullen haken. Hunne voorouderlijke gewoonten zouden geene algemeene

organisatie toelaten. De verschillende stammen en geslachten zouden

nimmer in één nationaal ligchaam vereenigd kunnen worden of één

inlandsch hoofd erkennen. Alle orde en bestuur onder hen is locaal;

uitgezonderd onder en voor hunne meesters hebben de verschillende

eilanden geenerlei of weinig verkeer onderling. De Tagalees en de

Basajer stemmen niet met elkander overeen. Misnoegen zou wanorde

veroorzaken, die, zoo zij niet gecontroleerd werd, tot anarchie,

niet tot een behoorlijk bestuur zou leiden.

De Philippijnen zijn vrij van den vloek der slavernij. De tijd zal

het vraagstuk oplossen of de arbeid van den vrijen man op den duur

met dien van den slaaf kan vergeleken worden, vooral in de tropische

gewesten, allen echter, die «vooruitgang» in de wereld zien, wenschen

de afschaffing van de slavernij en meenen dat de beschaving en het

Christendom, de uitroeijing van dien gruwel eischen.

Hoe het zij, de Philippijnen hebben veel aan het moederland opgebragt,

en doen dit nog, vooral boven de bepaalde belasting, situado

genaamd. Spanje heeft in zijne groote verlegenheid meermalen de hulp

der Philippijnen ingeroepen en het is alleen aan het crediet van de

opvolgende Gouverneurs-Generaal te danken, dat, welke wanorde ook in de

finantiën van het moederland heerschte, zij die van de Philippijnsche

schatkist afhankelijk waren, weinig reden tot klagen hadden, en terwijl

het schiereiland in gevaarlijke botsingen gewikkeld was, voor zijne

onafhankelijkheid en zelfs voor het blijven bestaan van de natie werd

de algemeene rust van de koloniën voldoende gehandhaafd; de gewone

loop der zaken werd nu en dan wel verstoord, doch dan voor korten tijd.

Men zou denken dat geene wettelijke regeling de magt van den

Onderkoning of Kapitein-Generaal bepaalt; maar telkens wanneer eene

belangrijke kwestie aanhangig is, moet men zich tot Madrid wenden;

dan ziet men dat de teugels van het bewind over dezen uitgestrekten

Archipel eigenlijk in handen zijn van het Spaansche Kabinet, dat niet

bij magte is groote misbruiken tegen te gaan of eenige belangrijke

hervorming in te voeren. De Gouverneur-Generaal moest eene meer

uitgestrekte magt hebben, natuurlijk altijd onder persoonlijke

verantwoordelijkheid voor de uitoefening daarvan. Daar hij,

zoo men een geschikt persoon kiest, in de plaatsen zelve meer zou

weten, dan de vreemdelingen daarbuiten, zou zijn bestuur ook om die

meerdere kennis vertrouwen verdienen. Te regt zegt een Castiliaansch

spreekwoord: «mas sabe el loco en su casa que el cuerdo en la agena»

(een gek weet meer van zijn eigen huis dan een wijze omtrent dat van

een ander). Hij moest eene ruime bezoldiging ontvangen, opdat ook

de oorzaken van verdenking uit den weg geruimd zouden worden. Hij

moest omgeven zijn door een raad, uit bekwame mannen bestaande. Zulk

een ligchaam moest natuurlijk vele zaken behandelen en tot eene

plaatselijke machine worden om bouwstoffen te verschaffen voor eene

verbeterde administratie als overzigten en statistieke opgaven van het

land en de bevolking, hetgeen tot eene meer doelmatige verdeeling van

provinciën, districten en pueblos zou leiden. Een eenvoudig wetboek

van burgerlijk en strafregt zou een groote zegen zijn en moest, in

zoover de belangen van het regt dit zouden vorderen, gegrondvest zijn

op de zeden en gewoonten van het volk, terwijl het een plaatselijk

administratief bestuur onder de inlanders zou moeten vestigen, altijd

in zooverre dit met het belang overeenkomstig was.

Niets zou heilzamer voor de belangen van Manilla zijn, dan een krachtig

comité voor publieke werken dat zich speciaal zou bezig houden om de

middelen van gemeenschap gemakkelijker te doen worden. De kosten en

moeijelijkheid van vervoer zijn de voornaamste beletselen voor de

ontwikkeling van 's lands hulpbronnen en de langzame voortgang van

de weinige werken, die nog ondernomen zijn, is ontmoedigend voor

degenen die hoop geven, en teleurstellend voor hen, die verwachten

er voordeel van te trekken. In vele provinciën zijn de bruggen

in ellendigen toestand en de wegen meestal onbegaanbaar. Zelfs op

het volkrijke eiland Panay vertraagt de zeer kostbare en vervelende

gemeenschap het vervoer van producten naar de hoofdstad en belemmert

natuurlijk de ontwikkeling van den handel. Er ontbreekt--hieraan

is niet te twijfelen--veel leidend talent en speciale kennis, die

de nieuwere wetenschap kan verschaffen. Daar de bouw van bruggen

meestal aan de ruwe handwerkers wordt overgelaten, die in dienst van

de Spaansche beambten zijn, of wel aan de leiding der monniken wier

algemeene grondstelling het stare super antiquas vias is, kan het

geene verwondering baren dat men zoovele voorbeelden ziet van ruwen,

onveiligen en onoogelijken bouw. Bovendien moet eene raming van de

kosten der voorgestelde plannen naar de hoofdstad worden gezonden en

dan is het naauwelijks anders te verwachten dan dat men ook hierbij,

even als bij alles, eene kortzigtige en zeer kostbare spaarzaamheid

zal ontmoeten. De uitgaven overtreffen daarbij bijna altijd de

gemaakte raming; het werk wordt dan gestaakt en soms geheel ter

zijde gelegd. Er zijn geene geldmiddelen en de staatkunde evenmin

als de vaderlandsliefde zullen die bezorgen. Zelfs wanneer hij sterk

geprikkeld wordt, gaat de Indiaan langzaam voort; bij hem bestaat

uit zich zelf geen ijver voor de bevordering van het algemeene

welzijn. Er bestaat geen drang van buiten om de autoriteiten tot

verbeteringen aan te sporen en daardoor is daarop weinig te hopen,

behalve van directe administrative werking.

Ik kan naauwelijks met stilzwijgen voorbijgaan aan het romantische werk

van de la Gironière [9], daar dit het onderwerp van veler gesprekken

op de Philippijnen was. De schrijver had daar 20 jaren gewoond, maar

volgens de ondervinding van hen, die er meer dan tweemaal twintig jaren

waren gevestigd, vond ik weinig bevestiging van de vreemde verhalen

die hij ons in zijn zonderling werk opdischt. Hij hield zijn verblijf

op een der Philippijnsche eilanden, tijdens ik die bezocht en ik meen

dat hij toen nog op het landgoed woonde dat hij vroeger--doch zooals

men mij zeide, thans niet meer--bezat [10]. Ik bezocht zijn «Paradijs»

niet, maar had een aangenaam gesprek met een Franschen heer, die

thans zijne betrekking vervult. Ik trof niets van de buitengewone

woestheid aan, waarmede de la Gironière zelf zegt omgeven te zijn,

en het antwoord op de vragen die ik aan de naburige autoriteiten deed

omtrent de juistheid zijner schilderingen van het Indiaansche karakter,

was meestal een schouder ophalen of een glimlach en eene verwijzing

naar mijne eigene ondervinding. Maar de heer de la Gironière heeft

welligt naar de eer gehaakt van een' Bernardin de St. Pierre of een

Defoe en gedacht dat een paar romaneske en tragische opluisteringen

de belangrijkheid van zijn persoonlijk drama zouden verhoogen. «De

geheele wereld is een schouwtooneel», en als een acteur op dat tooneel,

achtte de heer de la Gironière zich misschien geregtigd tot eenige

overdrijving in zijne beschrijving, vooral als op het door hem gekozen

«tooneel» de wonderen van zijnen arbeid konden voorgesteld worden.

Wat betreft de la Gironière's wonderbare ontmoetingen en ontkoming

van menschen en beesten; zijne tegenwoordigheid op feesten, waaronder

de lekkernijen menschelijke hersentjes waren, die de jonge meisjes in

het sap van suikerriet doopten, waarvan hij niet dronk, maar dat zijne

bedienden gebruikten: zijne ontdekkingen van handen van inlanders, die

tot voedsel waren toebereid; zijne mededeelingen dat de ruwe Indianen

uitgewerkte verhalen in de gevernisde taal van een fantastischen

roman doen; zijne uitgestrekte bezittingen; zijn ongeloofelijke

invloed op woeste bandieten en wreede wilden;--dat alles moet op

zijne waarde geschat worden. Ik beken in de la Gironière's werk met

eene verwondering twee «getuigschriften» te hebben gevonden van de

heeren Dumont d'Urville en Admiraal la Place, waarin zij, onder meer,

een verhaal geven van het broeijen van eijeren door bepaald daartoe

aangewezen mannen. Zij zagen, even als ieder ander, in de dorpen aan

de Pasig-rivier, verbazende hoeveelheden eenden en waren «verstomd»

wanneer zij bedachten hoe zulk eene menigte kon worden voortgebragt;

later vernamen zij echter dat dit wonderbare feit werd uitgevoerd door

«luije Tagalesche Indianen» die zich op de eijeren legden, welke in

asch geplaatst worden. De geduldige lieden eten, drinken, rooken en

kaauwen hun betel; terwijl zij zorgen de teedere schilletjes niet te

beschadigen, nemen zij voorzigtig de kiekentjes weg, wanneer zij uit

zijn. Nu moet men toch vragen wie voor het breken zorgt als de luije

Tagalezen slapen en, zoo onze waarde getuigen een oogenblik hadden

nagedacht, zouden zij het geweten hebben dat, zoo al de inwoners zich

nergens anders mede bezig hielden als met het eijeren broeijen, zij

naauwelijks voldoende zouden zijn het «verbazende» aantal kiekens

uit te broeijen, die zich aan de oevers van de Pasig bevinden. De

uitbroeijing wordt verkregen door de plaatsing van warme padieschillen

onder en boven de eijeren; dan worden zij in vormen gelegd en een

linnen doek over de schillen uitgespreid. Het komt er dan slechts

op aan de noodige temperatuur te behouden; één man is voldoende om

te zorgen voor een groot aantal vormen, waaruit hij de kiekentjes

haalt, als zij zijn uitgebroeid en die in groepjes naar den waterkant

brengt. De verschillende woningen zijn door bamboeschuttingen van

elkander gescheiden, maar er is bijna geen hut, die aan den waterkant

staat zonder hare patero (of broeijerij).

Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden · 第 11 / 58 题