De algemeen aangenomen theorie omtrent de vorming van de Philippijnen
is, dat zij allen deel uitmaakten van een uitgestrekt primitief
vasteland, dat door eene omwenteling in de natuur werd doorgebroken, en
dat deze eilanden de verspreide stukken van dat vasteland zijn. Buzeta
onderstelt dat de overige eilanden van Luzon werden losgerukt. [8]
De Indianen hebben eene traditie, volgens welke de aarde op de
schouders zou zijn gedragen door een reus, die vermoeid geworden
door zijnen zwaren last, haar in den oceaan wierp, waardoor niets
boven water bleef dan de bergen, die tot eilanden werden tot heil
van het menschdom.
Ik stel mij niet voor eene uitgebreide geographische beschrijving van
de Philippijnsche eilanden te geven. Uit de twee lijvige deelen van
Buzeta leert men de kleinste bijzonderheden kennen, waardoor ik met de
verschillende localiteiten ben bekend geworden. De feiten, die ik in
den loop van mijne persoonlijke opmerkingen verzameld heb, betreffen
voornamelijk de eilanden Luzon, Panay en Mindanao. De meer algemeene
berigten zijn ontleend aan Spaansche autoriteiten op de plaats zelve
of heb ik gevonden in Spaansche boeken, door mij geraadpleegd. Ik
kan niet vermoeden dat men het tegenwoordige werk als compleet of
volledig zal beschouwen, doch het zal althans eenigzins de kennis
kunnen vermeerderen, die men reeds van deze streken heeft.
De uitgestrektheid van den Philippijnschen Archipel bedraagt ongeveer
300 mijlen van het noorden tot het zuiden en 180 van het oosten
tot het westen. Hij omvat een ontelbaar aantal eilanden, waarvan
de meeste groote eene Spaansche of mestizen bevolking hebben. Eene
reeks onregelmatige bergen loopt midden door allen. Die, welke
als de Caraballos in Luzon bekend zijn, worden door onafhankelijke
stammen van afgoden dienende Indianen bewoond en strekken zich tot
ongeveer 60 mijlen uit. Verscheidene groote rivieren ontspringen in de
Caraballos. Aan den kruin van den berg Cabunian, die zeer moeijelijk
te beklimmen is, bevindt zich een graf dat door de heidensche
Igorottes wordt vereerd. Op verscheidene eilanden vindt men groote
meeren, waarvan sommige gedurende den regenmousson zeer uitgestrekt
worden. Deze overstroomingen zijn natuurlijk voordeelig voor het gewas,
daar zij groote plekken land vruchtbaar maken. Mindanao, hetgeen «man
van het meer» beteekent, ontleent zijn' Indischen naam aan het tal
binnenwateren, even als de benaming la Laguna door de Spanjaarden
is aangenomen ter aanduiding van de provincie, die aan het meer
of de baai grenst. In het laatste district vindt men vele minerale
en warme bronnen, waaruit eene der gemeenten den naam van Los Banos
(de baden) heeft verkregen. Een dezer bronnen heeft op de plaats waar
zij ontspringt eene temperatuur van 67° Reaumur. Zij worden dikwijls
bezocht door de inwoners van Manilla. In de gemeente Mainit heeft
men ook warme bronnen.
Het klimaat van de Philippijnen onderscheidt zich weinig van dat van
de meeste andere tropische streken in het Oosten. Het wordt in een
Spaansch spreekwoord aldus beschreven:
Seis meses de polvo,
Seis meses de lodo,
Seis meses de todo,
dat is: «zes maanden stof, zes maanden modder, zes maanden van alles»,
ofschoon men mag aannemen dat het regensaizoen een half en het drooge
jaargetijde mede een half jaar duurt. Intusschen heeft men, zooals het
versje zegt, menige maand van onzekerheid, waarin de vocht het gewone
drooge saizoen vervangt en zoo omgekeerd. Van Junij tot November echter
is het land overstroomd, zijn de wegen grootendeels onbegaanbaar en
is het reizen in het binnenland moeijelijk en onaangenaam. Zelfs in de
maand December vonden wij in verschillende districten van Luzon, zooals
wij vroeger hebben medegedeeld, plaatsen, waarin men de rijtuigen moest
verlaten en de dragers van den palanquin tot hunne enkels in den modder
zakten, even als andere plaatsen waar wij ons genoodzaakt zagen een
nieuwen weg door de bosschen te banen. De hitte is te drukkend om op
het midden van den dag eenig vermoeijend werk te verrigten, zoodat de
siesta gewoonlijk van 1 tot 3 ure plaats heeft; vóór en na dien tijd
worden bezoeken afgelegd en zaken gedaan. De aangename avondtijd levert
intusschen gezellig verkeer op. De voornaamste lieden hebben hunne
tertulias, waarop gasten van 8 1/2 tot ongeveer 11 ure welkom zijn.
Het verschil in de warmte bedraagt zelden meer dan 10° Reaumur; het
maximum der hitte is 28° à 29°, het minimum 18° à 19°. Winterkleederen
zijn bijna nergens noodig.
Het verschil tusschen den kortsten en langsten dag is 1 uur 47 min. 12
sec. Den 20sten Junij gaat de zon te Manilla op ten 5 uur 33 min. 12
sec. en gaat ten 6 uur 26 min. 48 sec. onder; den 20 December gaat
zij ten 6 uur 26 min. 48 sec. op en ten 5 uur 33 min. 12 sec. onder.
De regen valt te Manilla minstens 84 duim en op zijn meest
114. Hagelbuijen zijn zeldzaam. Geen berg is hoog genoeg om een
«sneeuwkruin» te vertoonen; de hoogste, Banaho, verheft zich 6 à
7,000 voet boven de oppervlakte van de zee.
Even als alle andere tropische klimaten worden ook de Philippijnen
door de gewone rampen bezocht, die de woeste elementen aanbrengen
om die linie, welke de gordel der wereld wordt genoemd. Hevige
orkanen brengen vreesselijke verwoestingen aan; typhons bedekken
de kusten met wrakken; rivieroverstroomingen en buitengewone regens
vernielen de producten der aarde, terwijl langdurige droogten even
noodlottig zijn voor den landbouw en zoo vaak de hoop van zoovele
gezinnen teleurstellen. Aardbevingen doen het land schudden,
werpen de sterkste gebouwen omver en vernielen menschelijk werk;
vulcanische bergen overstroomen de aarde met hunne stroomen brandend
lava. Zwermen sprinkhanen verslinden dikwijls al wat groen is op den
grond en epidemische ziekten slepen zeer vele duizenden ten grave. Ook
de verwoestingen, die door brand veroorzaakt worden, zijn dikwijls
niet minder vreesselijk, omdat het grootste gedeelte der huizen van
ontvlambare stoffen zijn gebouwd. Wanneer zulk een ongeluk plaats
grijpt, verspreidt het zich dan ook met verwonderlijke snelheid en
daar hier geene genoegzame middelen van blussching zijn, wordt daarbij
meermalen eene geheele bevolking van huis en have beroofd.
Vooral gedurende de afwisseling der moussons zijn de stormen dikwijls
schrikbarend en gaan zij vergezeld van zeer hevige regens, bliksem
en donder. Wanneer dit 's nachts plaats heeft, wordt de duisternis
nog grooter. Menigeen verliest zijn leven door een bliksemstraal die
hem treft, en huizen worden dikwijls door de hevige stroomen weggerukt.
Bagyo is de Indische benaming voor orkaan. Deze hevige uitbarstingen
worden gewoonlijk 's morgens aangekondigd door een dunnen
rookenden mist, die zich op de bergen vertoont; deze pakt zich
zamen, verduistert, vereenigt zich eindelijk in dikke wolken en
breekt, vóórdat de dag nog verloopen is, in al zijne hevigheid en
vernielingskracht uit, zoodat hij 1 1/2 à 2 uren blijft voortwoeden. De
heer de Gentil zegt dat in de heete luchtstreek de wolken, die de
meest vernielende orkanen te weeg brengen, zich niet hooger dan 400
ellen loodregt verheffen.
De grootste der vulkanen is de Mayon in Luzon. Hij heeft den vorm
van een suikerbrood en volkomen als een kegel. Zijn basis beslaat
verscheidene mijlen in de provinciën Albay en Camarines en hij is
een der meest uitstekende voorwerpen en landteekenen, die men uit
de zee kan zien. Er stijgt voortdurend rook uit op, die wel eens van
vlammen vergezeld gaat, terwijl het onderaardsche gerommel dikwijls
op een' afstand van verscheidene mijlen hoorbaar is. Het land in den
omtrek is met zand en steenen bedekt, die de krater op verschillende
tijden uitgebraakt heeft. De Alcalde heeft eene beschrijving gemaakt
van eene in 1767 plaats gehad hebbende uitbarsting, die tien dagen
duurde, gedurende welken tijd een rookzuil, wiens basis ongeveer
40 voet in middellijn was, opsteeg; eene lava rivier werd gedurende
twee maanden op eene breedte van 120 voet uitgestort. Groote schade
werd daarbij aan de naburige dorpen toegebragt. De lavastroom werd
omstreeks eene maand later door ontzaggelijke waterstortingen gevolgd,
die of de beddingen van de bestaande rivieren uitbreidden of nieuwe
kanalen vormden in hun stroomen naar de zee. De stad Malinao werd
geheel vernield, even als een derde gedeelte der stad Casana. Vele
andere dorpen werden insgelijks geteisterd; bosschen werden onder
het zand begraven, dat huizen en menschelijke wezens overstroomde. De
verwoestingen strekten zich over meer dan 6 mijlen uit.
Bij eene uitbarsting te Buhayan, op 60 mijlen afstand van Zamboanga,
op het eiland Mindanao, die in 1640 plaats greep, werden groote
steenmassa's op een' afstand van 2 mijlen geslingerd. De asch viel
in de Molukkos en op Borneo. Zamboanga lag in eene dikke duisternis
gehuld. Op de vaartuigen in zee werd het licht ontstoken, doch
ook dit licht werd door de zandwolken verduisterd. De berg, waarin
de uitbarsting ontstond, verdween en in zijne plaats werd een meer
gevormd, dat zich nog daar bevindt ter herinnering aan de schrikbarende
gebeurtenis. De wateren van het meer waren geruimen tijd wit van de
asch. Te Manilla had men het geraas van de uitbarsting gehoord.
Ongeveer 20 mijlen van Manilla is de provincie Batanga gelegen. In
eene der baaijen bevindt zich een eiland, dat de inlanders Binintiang
Malagui noemen en dat merkwaardig is door zijne schoonheid, zijne
verscheidenheid van gewas en het groote aantal dieren, dat men er
vindt. Het oostelijke gedeelte van het eiland vormt een berg, welks
uitgedoofde krater zigtbaar is in den vorm van een ontzaggelijk
grooten gespleten kegel. De kanten van den berg zijn door groote
kanalen vernield, waar langs de lavastroomen moeten hebben geloopen. De
zijden zijn bedekt met ijzer- en zwavelachtige deelen en puimsteen,
die het opstijgen moeijelijk maken. Aan de zuidzijde is hij echter
wel toegankelijk; langs dien kant bereikt men den mond van den
krater, wiens omvang meer dan drie mijlen bedraagt en wiens diepe
en woeste uithollingen verbazingwekkende bewijzen opleveren van de
beroeringen, die in vroegere dagen dit gedeelte der aarde moeten
hebben geschokt. Een Spaansch schrijver zegt dat het er uitzag «als
een vreesselijke vloek door Satan tegen de godheid uitgebraakt.» Men
vindt nog eenige teekenen van het verledene in den rook, die uit den
afgrond opstijgt, maar het karakteristieke van de plaats is vooral
het contrast tusschen de reusachtige brokstukken en ruïnen van de
natuur aan de eene zijde, en de buitengewone lieftalligheid en rijke
verscheidenheid op andere gedeelten van het landschap. Wanneer men
met koorden om het lijf gebonden in den krater afstijgt, bereikt men
op eene diepte van ongeveer 600 voet een groot vlak; hier vindt men
vier kleinere kraters; uit een daarvan stijgt voortdurend, en uit de
anderen van tijd tot tijd rook op; men kan er echter niet bijkomen
door de weekheid en de hitte van den grond. Ten oosten bevindt zich
een meer, waaruit een stroom rondom de kraters over zwavelbedden loopt,
die de kleur van smaragden aannemen. Vroeger was dit meer in kokenden
toestand; tegenwoordig is zijne temperatuur iets hooger dan de gewone;
zilver wordt in zijne nabijheid onmiddellijk zwart. Voortdurende
aardbevingen veranderen het uitzigt van den krater en zijne omstreken,
zoodat iedere nieuwe beschrijving van eene vroegere verschilt. De
Indianen hebben grootsche denkbeelden van den mineraal rijkdom, die de
berg in zijnen boezem verbergt; de zwavelmijnen werden weinige jaren
geleden met vrucht geëxploiteerd, toen een wel bekend natuurkundige
(Lopez, sedert overleden) het Spaansche Gouvernement groote sommen
aanbood voor het regt van monopolie, om de mijnen in het district
Taal te exploiteren.
Den 21sten September 1716 hoorde men een geraas als dat van het
vallen van zwaar geschut uit den Taal vulcaan en scheen de berg over
eene uitgestrektheid van drie mijlen naar Macolot in een' staat van
ontvlamming te verkeeren. Reusachtige stroomen kokend water en asch
werden uitgeworpen, de aarde werd aan alle kanten geschokt, de wateren
van het meer werden onstuimig en overstroomden den oever; dit duurde
drie dagen. Het water werd zwart en de zwavelachtige reuk verpestte het
geheele district. In 1754 had eene nog heviger uitbarsting gedurende
acht dagen plaats, waarmede vreesselijke ontploffingen, schokken,
duisternis en zulke dikke stof- en aschwolken gepaard gingen, dat
daarmede al de huizen te Manilla, op een' afstand van 20 mijlen,
overdekt werden. Groote steenmassa's, vuur en rook, spuwde de berg
uit. Het meer kookte al borrelend. Stroomen jodenlijm en zwavel liepen
over het district Bongbong. De krokodillen, haaijen, tonijnen en alle
groote visschen werden in de rivier gedood en dreven naar de oevers,
terwijl zij de lucht verpestten. Men zegt dat de onderaardsche en
atmospherische donders op een' afstand van 800 mijlen van den vulkaan
werden gehoord, en dat de wind de asch naar ongeloofelijke afstanden
voerde. Te Panay was het midden op den dag volslagen donker. Eene
menigte pueblos werden geheel vernield en daaronder Sala, Janavan,
Lipa en Taal: andere plaatsen van denzelfden naam zijn later op
grooteren afstand van den berg gesticht.
Lopez geeft eene beschrijving van zijn' togt naar den krater. Hij
hield gedurende acht dagen 100 man bezig tot vervaardiging van een
touwladder om af te dalen. Hij zegt dat de krater ovaal is en twee
mijlen in middellijn heeft; dat het meer in den krater door vlakken
en vasten grond is omringd, dat er zich een diepe bres in bevond,
die kortelings in vuur had gestaan: er was zwavel genoeg om een er
aantal schepen mee te laden. Hij zag een kubiek stuk porphier van 20
à 25 voet in het vierkant. De wand van den krater is aan alle zijden
loodregt; die aan de noordzijde is 1,200 voet hoog en de laagste ruim
900 voet. Hij meent dat de zuidzijden van porphier zijn. 's Nachts,
op de helft van den weg, zag hij «duizend millioenen» pitten, waarvan
het gaz onmiddellijk ontvlamde, wanneer het in aanraking kwam met den
atmospheer en hij hoorde vele kleine ontploffingen. De wateren van het
meer werden met zwavelzuur bezwangerd en 12 pond water leverde, wanneer
het gedistilleerd was, een' minerale oplossing van 21 pond gewigt op.
Men vindt vele merkwaardige spelonken op de Philippijnen. Ik
vertaal hier eene beschrijving van eene in de provincie Tondo. Twee
steenbergen zijn vereenigd en aan den rand vindt men den weg,
die naar een tak van de hoofdrivier leidt. Ter regterzijde is eene
spelonk, wier voorzijde naar het zuiden gekeerd is. Aan de opening
ziet men meestal kronkelgewas, doch in den vorm van een' boog, en
daar zij geheel van marmer is, levert dit, vooral bij zonneschijn,
een heerlijk uitzigt op. Men treedt binnen door een hoogen, gladden,
natuurlijken muur als de façade van eene kerk, waarover eene holte
kapelvormig ligt. Het pad binnen in is vlak, ongeveer 4 yards breed
en 6 hoog, doch op sommige plaatsen eenigzins lager. Het dak stelt
eene menigte bevallige figuren voor, die veel op afhangende ananassen
gelijken, welke door de voortdurende afdruiping van het water worden
gevormd. Sommigen zijn bijna 2 el lang en schijnen in regelmatige
groeven te zijn gehouwen; anderen zijn in den vorm van pyramiden,
wier grondslagen tegen het dak rusten. Bogen, waardoor men en van
boven en van beneden kan doorgaan, vindt men onder deze merkwaardige
werken. Niet ver van de deur is een door de natuur gevormde trap,
waarmede men in eene groote kamer komt; aan de regterhand vindt men
een anderen weg, die naar een tweede trap leidt, waar langs men naar
de hoofdcommunicatie gaat. Een zeer groot aantal vleêrmuizen hangen
met een' vleugel tegen de zoldering. Ofschoon sommige paden modderig
zijn, is de grond over het algemeen van steen, en geeft een hollen
klank van zich af alsof er gangen onder liepen. Wanneer men de spelonk
ruim 200 el ver is binnengedrongen, verneemt men een groot geraas, dat
eene heldere rivier veroorzaakt, aan wier zijde de spelonk voortloopt
onder een half cirkelvormig dak. In de groote spelonk zijn meerdere
kleine gewelven en uitstekende punten, die een grootsch aanzien en
een Gotischen vorm hebben. De stroom loopt van het noordwesten naar
het zuid-oosten.
De vreesselijke verwoestingen en veranderingen door aardbevingen te
weeg gebragt, zijn nergens opmerkelijker dan op de Philippijnen. Daar
hebben zij bergen omver geworpen, valleijen opgevuld, uitgestrekte
vlakten verwoest; zij hebben een' weg van de zee naar het binnenland
en van de meeren naar de zee gebaand. Er bestaan vele legenden van
deze omkeeringen op de aarde, doch de verhalen van de latere rampen
kunnen als waar aangemerkt worden. De aardbeving van 1796 vooral was
ijzingwekkend. In 1823 werden vele kerken te Manilla, benevens de
hoofdbrug, de barakken en een aantal particuliere huizen vernield,
terwijl eene bres van bijna 4 mijlen in de lengte werd geopend. Al
de inwoners vlugtten naar de velden en de zes in de haven liggende
vaartuigen werden stuk geslagen. Men heeft nooit eene juiste opgaaf
erlangd van het aantal slagtoffers. In 1828, tijdens eene andere
aardbeving, verkregen de lampen zulk een' schok, dat zij een boog van
4 1/2 voet beschreven; de groote hoeksteenen van de hoofdpoort der
stad werden uitgerukt en de klokken begonnen van zelve te luiden. Deze
aardbeving duurde 2 à 3 minuten en haalde de muren van verscheidene
kerken en andere gebouwen omver, doch ging zooals gewoonlijk van
onderaardsch gerommel vergezeld.
Er bestaat te weinig gelegenheid om wetenschappelijke opmerkingen te
doen omtrent aardbevingen, die de menschen verrassen en gewoonlijk
zooveel schrik verwekken, dat men daarvan geene juiste en authentieke
bijzonderheden kan mededeelen. Een heer, die te Manilla verschillende
tijdmeters had verzameld, ten einde de buiging der hoeken en den loop
der slingering na te gaan, beweert, dat bij de ligte aardbevingen
van 20 en 23 Junij 1857, waarbij de thermometer op 88° stond, de
rigting van den eersten schok van het N. N. O. naar het Z. Z. O. was,
de duur 14 sec. en de slingering van den tijdmeter 1 1/2 graad; dit
geschiedde ten 2 uur 0 m. 40 s. op den 20sten Junij. Bij den tweeden
schok was de rigting van het N. O. naar het Z. W.; de duur 26 sec;
de slingering van den tijdmeter 2°; de tijd 2 uur 47 m. (mede op
20 Junij). De derde schok was van het Z. W. naar het N. gerigt; hij
duurde 15 sec. en de grootste slingering bedroeg 6°, doch gedurende
eene minuut merkte men ligte bewegingen op en beliepen de slingeringen
van 2 tot 3/4°; hij viel voor ten 5 uur op den 23sten Junij.
De aardbevingen hebben groote veranderingen in de aardrijkskundige
ligging der Philippijnen gebragt. Bij die van 1627 verdween een der
hoogste bergen van Cagajan. In 1675 ontstond op het eiland Mindanao
een doortogt naar de zee en werd eene groote vlakte overstroomd. Ook
op Luzon hebben achtereenvolgende aardbevingen eene reeks van rampen
te weeg gebragt.
Landziekten zijn zeldzaam op de Philippijnen. Afgaande koortsen en
chronische roode loop behooren tot de gevaarlijkste ziekten. Tweemaal
heeft zich de cholera op de eilanden vertoond: in 1820 en in
1842. Elephantiasis, melaatschheid en het St. Anthony's vuur zijn
de plagen der Indianen, en de wildere stammen in het binnenland
lijden aan verschillende huidziekten. De berri-berrie is algemeen en
noodlottig. Venus-ziekten zijn algemeen verspreid, doch gemakkelijk
te genezen. Onder de Indianen worden gewassen tot geneesmiddelen
gebruikt. Chinesche kwakzalvers hebben veel invloed. In het uitroeijen
van sommige tropische ziekten, kan geen Europeaan met de inlanders
wedijveren. Zij genezen de schurft met groote behendigheid en moeten
ook geneesmiddelen hebben voor longziekten. Hunne pleisters hebben
voor uitwendige wonden eene goede uitwerking. Zij gebruiken nooit
lancet of bloedzuigers. Heelkunde is natuurlijk onbekend.
Over het algemeen waren op de Philippijnen eenige personen uit
Europa, die met goed gevolg de geneeskundige praktijk hebben
uitgeoefend. Vreemdelingen mogen er hun beroep uitoefenen, na vooraf
de magtiging van het Spaansche Gouvernement te hebben verkregen;
doch de inlanders wijken zelden van hunne eigene eenvoudige wijze
van behandeling van de algemeene ziekten op de eilanden af en in
die gedeelten waar geene of weinig Spaansche bevolking is, vindt men
niemand, wien een heelkundige operatie kan worden toevertrouwd. De
plantenwereld verschaft eene groote verscheidenheid van geneeskruiden,
die het instinct of de ondervinding van de Indianen hebben leeren
gebruiken en die waarschijnlijk over het geheel even doeltreffend zijn
als de meeste krachtige geneesmiddelen, die de Europesche wetenschap
aanwendt. Quinine, opium, kwik en arsenicum zijn de wondermiddelen op
het veld van Oostersche ziekten en het vroegtijdige en juiste gebruik
daarvan stuit den loop van de ziekte over het algemeen.
Ik trof op het eiland Panay den practiserenden docter Lefevre aan,
dien ik meer dan 20 jaren vroeger in Egypte had gekend en die een der
moedige mannen was, welke met kracht streden tegen de bijgeloovige
massa, die den besmettelijken aard van de Oostersche pest bespot en
wantrouwt aan de deugdelijkheid van de quarantaine-bepalingen, die zoo
geheel nutteloos, kostbaar en nadeelig zijn. Hij stelde mij eenige
opmerkingen ter hand, die hij in 1840 te Bombay had gepubliceerd,
waar vaartuigen aan een quarantaine-onderzoek onderworpen waren. Hij
verzekert dat de pest slechts op bijzondere jaargetijden, bij zekeren
bepaalden toestand der atmosfeer ontstaat en ook dan wanneer kwade
dampen door de ontbinding van bedorven voorwerpen verspreid worden;
dat landziekten onbekend zijn in die streken waar men geschikte
voorzorgmaatregelen neemt omtrent den gezondheidstoestand; dat strenge
koude of zware hitte den voortgang van de pest stuit; dat zij de
meeste verwoestingen aanrigt als dampen en dierlijke en plantaardige
zelfstandigheden het grootste gedeelte van de zuurstof absorbeert;
eindelijk dat de pest nergens ontstaat of zich verspreidt waar de lucht
zuiver is. Ik verheugde mij na zulk eene langdurige ondervinding de
zaak nog eens met hem te kunnen bespreken en ik zag met genoegen dat
hij meer en meer gesterkt was in zijne vroegere meening daaromtrent,
door langdurig verblijf in die streken, waar land- en epidemische
ziekten een besmettelijk karakter hebben, schoon zij niet van den aard
der Levansche pest zijn. Dr. Lefevre bevestigt dat de quarantaine nooit
in het minste het gevaar van de pest verminderd of hare verwoestingen
gestuit, maar veeleer de voortplanting daarvan heeft bevorderd. Hij
beklaagt de doofheid en ongeloofelijkheid van diegenen, welke «duizend
onbetwistbare feiten» niet kunnen overtuigen en besluit aldus: «Indien
ik niet met bijzondere zorg de pest had bestudeerd te midden van eene
epidemie, en zonder meer voorzorgen dan het gevaar vereischte,--indien
ik, ten gevolge van de verschrikkelijke bezoeking in Egypte van 1835,
niet zoo herhaaldelijk bij elk geval tegenwoordig ware geweest,--indien
ik eindelijk sedert dien tijd mij niet met warmte aan de voortdurende
studie van deze ziekte, aan de geschiedenis der plagen waarmede de
wereld reeds is geteisterd en aan het onderzoek van alle soorten
van tegenwerpingen had gewijd--zou ik mijne opinie niet zoo bepaald
vooropgesteld hebben,--eene meening aan welker gegrondheid ik geen
oogenblik twijfel.»
Men kan niets anders dan, ten opzigte van de geographische ligging
van deze eilanden, getroffen worden door de ontzagwekkende stilte en
de uitstekende schoonheid van hunne nog oorspronkelijke bosschen,
die zoo zelden nog doordrongen zijn en hunne kronkelwegen, die nog
geen menschelijke voet heeft betreden. Niets stoort daar de stilte
dan het gegons der insecten, het gezang der vogelen, het gehuil
der wilde dieren, het geruisch der bladeren, het vallen van oude
takken. Het is alsof het gewas zich ongestoord en zonder toezigt
weelderig voortplant. Slingerplanten klimmen van boom tot boom op;
schoone orchideën hangen van de stammen en takken. Men vraagt, waarom
is zooveel schoonheid, zooveel luister in het niet gelaten? Maar
is het inderdaad zoo? Voor den Schepper moet de beschouwing zijner
werken, zelfs waar zij voor het menschelijke oog onzigtbaar blijven,
aangenaam zijn en deze half verborgen, half ontwikkelde schatten
zijn slechts afgezonderde stapelplaatsen, die den mensch overgelaten
zijn te exploiteren; zij zullen de nieuwsgierigheid opwekken en de
nasporingen van latere eeuwen beloonen. De mensch zwerve waar ook,
hij exploitere zooveel hij wil; hij moge weetgierig en vindingrijk
zijn, overal vindt hij, alom zal er steeds boven en rondom hem een
oneindig en door tallooze geslachten heen onuitputtelijk veld tot
bearbeiding voor de toekomst zijn.