GESCHIEDENIS.

Eenige weinige schetsen van de levensgeschiedenis van sommige

kapiteins-generaal van Manilla zullen voldoende zijn om het algemeene

karakter van het Gouvernement luister bij te zetten, dat, op eenige

merkwaardige uitzonderingen na, zacht en vaderlijk schijnt te zijn

geweest, terwijl de Indianen, wanneer zij niet strengelijk behandeld

worden, blijken zeer onderdanig, gehoorzaam en gewillig te zijn. De

onderwerping van de wilde stammen in het binnenland is niet zoo goed

geslaagd als men zich had voorgesteld, maar de land- en zeemagt, die

ter beschikking van den kapitein-generaal staan, waren altijd gering,

wanneer men de uitgebreidheid van zijn gezag daarbij in aanmerking

neemt. Inderdaad moest men dan ook van vele veroveringen afzien door

de ongelijkheid van krachten om die te maken. De geestelijke invloed,

onder de afgodische stammen gevestigd, is zeer zwak, wanneer hij

in aanraking komt met de gebruiken van het Mohammedanisme, zooals

op het eiland Mindanao, waar het fanatisme der Muselmannen bijna

even sterk is, als onder de katholieken zelven. Geschillen tusschen

kerk en Staat konden bezwaarlijk vermeden worden daar, waar beiden

naar eene overheerschende magt streefden; en die twisten hebben

menigmaal geleid tot het vergieten van bloed en de ontbinding van

het Gouvernement. Wederkeerige afgunst bestaat tegenwoordig nog en

daar de monniken in hetgeen de belangen van het volk raakt, somtijds

zich tegen de inzigten van de civiele magt verzetten, heeft deze zich

dikwijls te beklagen, dat zij door de plaatselijke geestelijkheid

wordt gedwarsboomd of in geringe mate ondersteund.

Terwijl ik kortelijk de namen van de kapiteins-generaal zal in

herinnering brengen, aan wie het bestuur over de Philippijnen was

opgedragen, zal ik tevens eenige weinige episoden aanhalen uit de

geschiedenis van het eiland, waardoor men zich een denkbeeld zal

kunnen maken van den aard van het bewind, en die den toestand van

het volk beter zullen doen begrijpen.

Miguel Lope de Legaspi, een Biscajer, die den titel van veroveraar

der Philippijnen droeg, was de eerste Gouverneur en werd in

1565 benoemd. In 1571 nam hij bezit van Manilla en stierf

het daarop volgende jaar, naar men zegt, door lusteloosheid en

teleurstelling. Tijdens het bestuur van zijnen opvolger, Guido de

Lavezares deden chinesche zeeroovers een' inval in de stad; hij

verjoeg hen en verkreeg daarvoor vele eerbewijzingen van zijnen

Souverein, Philips II. Francisco de Saude stichtte in Camarines de

stad Nueva Caceres, die hij naar zijne geboorteplaats noemde. Hij

was een zeer ijverzuchtig man, die een' Sultan van Borneo afzette en

een' anderen op den troon plaatste en van den Koning van Spanje niet

minder dan magtiging vroeg om China te veroveren. Hem werd echter

een weinig minder eerzucht en het behoud van den vrede met naburige

natiën aanbevolen. Rinquillo de Penarosa ontnam Cagajan aan een'

Japanschen zeeroover en stichtte Nieuw-Segovia en Arévalo in Panay;

zijn neef volgde hem op en stak, ter eere van zijne nagedachtenis,

de St. Augustijner kerk in brand. De vlam strekte zich tot de stad

uit, die grootendeels werd vernield. In 1589, tijdens de regering

van Santiago de Vera, werden de eenige twee schepen, die den handel

met Nieuw-Spanje onderhielden, door een orkaan in de haven van

Cavite vernield. De volgende Gouverneur, Gomes Perez Dasmarinas,

zond zendelingen naar Japan die later gedood werden. Hij stelde

zich aan het hoofd van eene expeditie naar Moluco, doch bij het

verlaten van de haven van Mariveles werd zijne galei van de overige

vaartuigen gescheiden; het chinesche scheepsvolk stond tegen hem op,

vermoordde hem en vlugtte in zijn vaartuig naar Cochin-China. Zijn

zoon Luis volgde hem als Gouverneur op. Een Franciscaner monnik, die

de ongelukkige expeditie van zijnen vader had vergezeld, zeide hem

dat hij zijne acte van aanstelling zou vinden in eene kist, waarmede

de Chinezen in de provincie Ilocos waren geland; inderdaad vond hij

dien en de titel van den zoon werd daardoor erkend. Francisco Tello

de Guzman, die in 1596 de regering aanvaardde, was even ongelukkig

in zijne pogingen tot onderwerping van de inlanders op Mindanao,

als een zijner kapiteins, die belast was met de verdrijving van de

Hollanders uit Mariveles.

In het jaar 1603 kwamen drie chinesche Mandarijnen te Manilla aan. Zij

zeiden dat een Chinees, dien zij als gevangene medebragten, den

Keizer had verzekerd, dat het eiland Cavite uit goud bestond; dat

hij met zijn leven voor de waarheid van dit gezegde had ingestaan,

en zij nu gekomen waren om zich hiervan te overtuigen. Nadat men hen

bij den Gouverneur had gebragt, verlieten zij spoedig Manilla om voor

zich zelve Cavite te gaan onderzoeken. Al ras verspreidde zich nu

het gerucht, dat er een inval op de Philippijnen door een Chineesch

leger van 100,000 man beraamd was, en een Chinees, Eng Kang genaamd,

dien men als een trouw vriend van de Europeanen beschouwde, werd

voor een gedeelte met de verdediging belast. Een aantal Japanezen,

erkende vijanden van de Chinezen, werd met het vertrouwen van

den Gouverneur vereerd; zij deelden aan de Chinezen mede, dat het

Gouvernement eene zamenspanning vermoedde. Inderdaad bestond er

een complot en men zeide dat de Chinezen een' opstand beraamden en

voornemens waren de Spanjaarden te vermoorden op den St. Francis

feestdag. Eene Philippijnsche vrouw, die met een' Chinees leefde,

gaf den stedehouder van Quiapo kennis van het plan, die daarop den

Gouverneur waarschuwde. Eene troep der zamenzweerders was op een

halve mijl afstands van Manilla verzameld, en Eng Kang werd nu met

eenige Spanjaarden afgezonden om de beweging te onderdrukken. De

poging mislukte, en later bleek dat Eng Kang een der hoofden van den

opstand was geweest. Des avonds vielen de Chinezen Quiapo en Tondo aan

en vermoordden daar vele inlanders. Zij werden door 130 Spanjaarden

te gemoet gegaan, waarvan de meesten om het leven werden gebragt. De

opstandelingen zonden hunne hoofden naar Parian, dat zij veroverden,

terwijl zij de stad Manilla uit Dilao belegerden. Het gevaar maakte

de inspanning der Spanjaarden nog grooter en de geestelijken namen

hierin een werkdadig deel. De Chinezen poogden de muren te beklimmen,

doch werden teruggedreven. De monniken verklaarden, dat St. Francis

in persoon was verschenen om hen aan te moedigen. De Chinezen

trokken toen terug, doch de Spanjaarden verlieten de hoofdstad,

verbrandden en vernielden Parian en vervolgden de vlugtende Chinezen

tot Cabujao. Intusschen rukten nieuwe versterkings-troepen aan en men

joeg de Chinezen tot de provincie Batangas na, waar zij op nieuw werden

aangevallen en verstrooid. Men zegt dat van de 24,000 opstandelingen

slechts 100 ontkwamen, die men naar de galeijen zond. Ongeveer 2,000

Chinezen, die zich niet met den opstand hadden ingelaten, werden op

vrije voeten gesteld. Eng Kang werd onthoofd en zijn hoofd in eene

ijzeren kooi ten toon gesteld. Eerst drie jaren na dezen opstand,

kreeg het hof van Madrid er kennis van.

Pedro de Acunha veroverde na de demping van dezen opstand, Ternate

en voerde den Koning weg, doch stierf plotseling in 1606, nadat hij

vier jaren geregeerd had. Cristobal Tellez vermeesterde, gedurende

den korten tijd zijner regering, eene nederzetting der Japanezen in

Dilao. Juan de Silva bragt in 1609 versterking van de Europesche

troepen met zich en maakte, in het zevende jaar zijner regering,

groote toebereidselen om de Hollanders aan te vallen, doch stierf na

eene korte ziekte. In 1618 kwam Alonzo Fajardo in de Philippijnen,

met conciliatoire bevelen voor de inlanders, bij wie hij zich populair

maakte. Hij strafte een' opstand in Buhol, zond eene missie naar

Japan, die echter niet slaagde, en doodde zijne vrouw in eene vlaag

van jalouzij. Hij had hare ontrouw vermoed en overviel haar eens 's

nachts in een huis, waar zij gewoonlijk rendez-vous aan haren minnaar

had gegeven, en in eene kleeding, die geen twijfel meer omtrent hare

schuld overliet. De Gouverneur liet een priester ontbieden, beval hem

haar de sacramenten toe te dienen, en bragt haar toen, niettegenstaande

de beden van den geestelijke, met zijn eigen dolk ter dood. Dit had

in 1622 plaats. Neerslagtigheid maakte zich van hem meester en hij

stierf in 1624. Twee Gouverneurs regeerden daarop ad interim. In

1626 kwam Nino de Tabera aan de regering. Hij bragt 600 man met zich

mede, verdreef de Hollanders en zond Olaso, een soldaat, die om zijne

heldendaden in Vlaanderen beroemd was, tegen de Jolo-Indianen, doch

Olaso leed eene volkomen nederlaag en keerde daarna naar Manilla terug.

In 1630 had eene zonderlinge gebeurtenis plaats. Het heilige sacrament

werd uit eene glazen vaas uit de hoofdkerk gestolen. Een algemeene

vastendag (rogativa) werd bevolen; de aartsbisschop toog barrevoets,

met asch bedekt en een touw om den hals uit zijn paleis om te trachten

te ontdekken waar de vaas verborgen was. Toen echter al zijne pogingen

mislukten, waren de pijnigingen van den heiligen man zoo hevig en

zijne smart zoo ondragelijk, dat hij onder den ramp bezweek. Zijne

dood had een hevigen strijd ten gevolge tusschen de geestelijke en

burgerlijke beambten.

In 1635 kwam een aantal rijke, bekeerde Japanezen aan, die zich

aan de gruwelijke vervolgingen onttrokken, welke de Christenen in

Japan hadden te verduren, maar eene menigte Katholieke zendelingen

spoedden zich daarentegen naar dat land, ten einde de martelaarskroon

te verdienen. Een andere merkwaardige geestelijke twist greep in

dien tijd plaats. Een uit Europa aangekomen commissaris beval, dat

al de monniken die baarden droegen met zendingen naar China en Japan

zouden belast worden, terwijl de geschoren monniken op de Philippijnen

zouden blijven. De aartsbisschop verzette zich daartegen, omdat de

pauselijke bevelen geene regelen omtrent de baarden inhielden. Hevige

geschillen ontstonden ook door de uitoefening van het regt van

asijl voor misdadigers, die hetzij tegen de militaire of wel de

burgerlijke autoriteiten in verzet waren gekomen. De aartsbisschop

excommuniceerde--de kommandant der artillerie kwam in opstand. De

aartsbisschop legde hem straf op,--de apostolische vicaris bevestigde

het vonnis. De Audiencia vernietigde het, en nu werd de bisschop van

Camarines als scheidsregter opgeroepen; deze sprak hem vrij. Men

kwam in hooger beroep en eene der partijen werd beschuldigd den

Heiligen Vader te hebben gelasterd. De Jezuïten voegden zich bij de

tegenpartij van den aartsbisschop, die al de monniken bijeenriep;

deze legden de Jezuïten eene boete op van 4,000 dollars. De Gouverneur

verdedigde de Jezuïten en eischte de intrekking van het vonnis binnen

zes uren. Hiermede liep de twist niet ten einde, maar ten slotte

maakte men onderlinge schikkingen op voorwaarden, die de partijen

elkander stelden.

De rampen, die de opstand van Eng Kang te weeg bragt, belette de

Chinezen niet in de eilanden, en bijzonder in de provincie Laguna

door te dringen, waar een andere opstand, waaraan 30,000 Chinezen

moeten deel genomen hebben, in 1639 ontstond. Zij verdeelden zich

in guerillas, die het land verwoestten, doch werden in het volgende

jaar tot onderwerping gebragt; 7,000 hunner gaven zich vrijwillig

over. Spaansche geschiedschrijvers zeggen dat de haat, die de Indianen

de Chinezen toedroegen, hen uit hunne gewone bedaardheid deden ontwaken

en zij buitengewonen ijver en werkzaamheid aan den dag legden bij de

uitroeijing van de aanvallers.

In de twisten tusschen de inlanders en de Spanjaarden werden zelfs

de zendelingen niet altijd gespaard, terwijl de Spanjaarden dikwijls

verraden werden door die personen, waarin zij het meeste vertrouwen

stelden. De zware afpersingen en belastingen, die men die Indianen

onder Fajardo oplegde, leidde tot een opstand in Palopag, waarbij de

Jezuïtische geestelijke vermoord en het klooster en de kerk verwoest

werden. De beweging verspreidde zich over verscheidene eilanden en vele

gevangenen te Caraga werden vrij gelaten om een' Indiaan gevangen te

nemen, Dabao genaamd, die zóó goed zijne zending vervulde, dat toen de

Gouverneur bij de forteres kwam om de krijgsgevangenen op te eischen,

Dabao zich van Zijne Excellentie meester maakte en hem onthoofdde,

met behulp van de gevangenen een aantal Spanjaarden, die zich in de

nabijheid en waaronder zich priesters bevonden, vermoordde, zoodat

niet meer dan zes, en daaronder een Augustijner barrevoets gaande

monnik, ontkwamen en naar de hoofdstad vlugtten. Toen nu echter

versterking van troepen uit Manilla aanrukte, gaven de Indianen zich

over, onder belofte eener algemeene vergiffenis. «Deze belofte--zegt

de Spaansche geschiedschrijver--werd niet nagekomen; de leiders van

den opstand werden integendeel opgehangen en eene groote menigte

Indianen gevangen gezet.» De Gouverneur-Generaal echter «keurde de

verbreking van eene in naam des Konings gedane belofte niet goed»;

hij beval dat de Spaansche aanvoerders gestraft en de zich nog in de

gevangenis bevindende inlanders losgelaten zouden worden.

In 1645 hadden gedurende twee maanden vreeselijke aardbevingen

plaats. In Cagajan werd een berg het onderste boven gekeerd en eene

geheele stad aan zijnen voet bedolven. Waterstroomen en modderregens

overstroomden een aantal plaatsen. Alle openbare gebouwen in de

hoofdstad werden vernield, uitgezonderd het klooster en de kerk

der Augustijnen en die der Jezuïten. Zes honderd personen werden te

Manilla onder de ruïnen van hunne huizen bedolven en 3,000 menschen

moeten bij deze ramp het leven hebben verloren.

De Lara onderscheidde zich door zijne godsdienstige gevoelens. Bij

zijne komst in 1653 weigerde hij aan te landen, voordat de bisschop

hem voorafgegaan was en den grond heiligde, dien hij betrad. Hij

vierde een jubilé op gezag van den Paus, waarbij het land van «alle

misdaden, wanbedrijven en vloeken» werd gezuiverd, waardoor het sedert

zoovele jaren besmet was. De aartsbisschop, staande op een plat-forme

te Manilla, zegende de eilanden en hunne bewoners in tegenwoordigheid

van eene tallooze menigte. Verzoeningen, belijdenissen, vergiffenissen

volgden op deze «gewijde dagen»; doch de zegeningen schenen weinig

voordeel te hebben aangebragt, daar zij door aardbevingen, stormen,

oproer, ongestrafte zeerooverijen, kortom, om de woorden van een'

Spaansch schrijver te gebruiken, «door een webbe van ongelukken en

rampen» gevolgd werden. Men zond zendelingen uit om de Mohammedanen te

bekeeren, doch zij werden ter dood gebragt, terwijl menige bekeerling

verrader werd. Kung Sing, het hoofd van de zeerooversbende, die

Formosa veroverd en 1,000 jonken met 100,000 man onder zijne bevelen

had, had eene zending naar Manilla uitgevaardigd, waardoor hij de

onderwerping van de eilanden aan zijne magt liet vragen, of anders met

een onmiddellijken inval dreigde. Deze bedreiging bragt een algemeene

schrik te weeg; men beval al de Chinezen het land te verlaten, doch zij

verzetteden zich hiertegen en nu werden zij bijna allen vermoord. «Het

is verwonderlijk--zegt de Mas--dat na zulke herhaalde nederlagen een

enkel Chineesch schip nog op de Philippijnen heeft durven komen.» Zij

moesten die slagen op verschillende tijdperken van hunne landslieden

verdragen, ofschoon het zeker is dat zij dikwijls de donderbui op hunne

eigene hoofden hebben doen neêrkomen. De Lara, dien men van omkooping

had beschuldigd, werd met eene boete van 60,000 dollars gestraft;

hem werd vergiffenis geschonken en hij keerde naar Spanje terug,

waar hij geestelijke werd en te Malaga, zijne geboortestad, stierf.

De «godsdienstige» de Lara vond in zijnen opvolger een man van een

geheel ander karakter. Het was Salcedo, een Belg van geboorte, die

in 1663 werd benoemd. Hij twistte met de priesters, beboette den

aartsbisschop en veroordeelde hem tot ballingschap; liet hem staan

terwijl hij hem ten gehoore ontving, en beleedigde hem daarna, en bij

den dood van den aartsbisschop, die weinige maanden later plaats had,

werden er groote fiestas gegeven en daarbij de heilige dienst «de

Profundis» ter eere van den afgestorvene verboden als onvereenigbaar

met de burgerlijke festiviteiten. De inquisitie kwam later tusschen

beide, en hare agenten bijgestaan door eene oude vrouw, die de

sleutels bewaarde, drongen in het paleis waar zij den Gouverneur

slapende vonden, hem ketenden in boeijen en als gevangene naar het

Augustijner klooster bragten. Daarop scheepten zij hem in naar Mexico,

doch onderweg stierf hij. De koning van Spanje veroordeelde echter

deze handelingen; hij verklaarde de eigendommen van hen die daartoe

medegewerkt hadden, verbeurd en stelde de erfgenamen van Salcedo

weder in het bezit van al hetgeen hem ontnomen was.

Manuel de Leon verkreeg in 1669 eene groote reputatie onder de

geestelijken. Hij regeerde acht jaren en vermaakte zijne goederen aan

obras pias (liefdadige werken of instellingen). Zijn voorganger, Manuel

de la Pena Bonifaz (tijdelijk aangesteld), had geweigerd zijn gezag

over te geven. Hij werd nu als opstandeling beschouwd, zijne goederen

verbeurd verklaard en zijne inhechtenisneming bevolen, doch hij zocht

eene schuilplaats in het klooster der Recoletos, waar hij stierf. Er

ontstond een twist tusschen de adspiranten naar het tijdelijke bestuur;

de daartoe benoemde oefende zijn gezag slechts zes maanden uit. Hij

werd bij zijnen dood opgevolgd door zijnen mededinger, die in 1678 door

Juan de Vargas Hurtado werd vervangen. Omstreeks dezen tijd hadden er

groote geschillen plaats tusschen de geestelijkheid en de burgers. Er

werd eene excommunicatie tegen den Gouverneur uitgevaardigd; hem werd

bevolen iederen feestdag in de kathedraal en de kerken van Parcan en

Binondo barrevoets en met een touw om den hals te verschijnen. Hij

weigerde zich aan zulk eene onteering te onderwerpen en leidde nu

een eenzaam leven aan de oevers van rivieren, geheel van de wereld

afgetrokken, tot dat men hem vergunning gaf zich naar Nieuw-Spanje

te begeven; hij stierf echter van verdriet op de reis.

Men moet, wanneer men de gebeurtenissen op de Philippijnen nagaat,

in de gedachte houden dat de eenige geschiedschrijvers de monniken

zijn, en dat hunne goedkeuring of veroordeeling wel niet als een

onpartijdig en billijk oordeel kan aangemerkt worden. Hurtado wordt

door hen van vele despotische handelingen beschuldigd; zij zeggen dat

hij, ten einde zijne plannen te doen gelukken, de monniken met den

hongerdood dreigde en door wachten verhinderde dat men voedsel in de

kloosters bragt; dat hij zich in verkiezingen van geestelijken mengde

en de inhechtenisneming beval van Bonifaz, dien hij vervolgde en die

zijn onmiddellijke tijdelijke voorganger was geweest; deze vlugtte

naar een klooster der Recoletos (barrevoets gaande Augustijners)

en werd door hen beschermd. De Jezuïten ontkenden zijne aanspraak

op bescherming, doch gedurende de geschillen stierf Bonifaz en

thans openbaarde zich een ander voorbeeld van de haatdragendheid

van het odium theologicum en van de eenheid en harmonie waarop de

kerk van Rome somtijds boogt als gevolgen van hare onfeilbaarheid. De

aartsbisschop twistte in dien tijd met de burgerlijke regtbanken, tot

wie hij zijne mandamus rigtte, en wier vertoogen hij beantwoordde met

hen te herinneren dat alle wereldlijk gezag aan dat der geestelijken

onderworpen was. De aartsbisschop werd in arrest genomen en door de

Audiencia tot ballingschap veroordeeld. Hij werd gedwongen zich in

zijne ambtelijke kleederen naar het vaartuig te begeven, dat hem naar

Pangasinan voerde. De Dominikaners, tot wier orde de aartsbisschop

behoorde, slingerden daarop hunne excommunicatiën en censuur, terwijl

troepen naar het klooster werden gezonden om te beletten dat men de

klokken luidde, en door alarm te maken het volk zou verzamelen. De

provinciaal, die het meest aan dezen tegenstand had deelgenomen,

werd met andere monniken naar Spanje gebannen. Toen zij gereed

stonden te vertrekken, beval de deken de tegenwoordige soldaten de

voeten van den provinciaal te kussen en hem alle eer te bewijzen,

terwijl hij zijne zegeningen over de monniken uitsprak. Te midden

van deze verwarring kwam een nieuwe gouverneur (Curuzcalegui) in

1684 aan het bewind, die zich voor de geestelijkheid partij stelde,

ten gunste van den verbannen aartsbisschop oordeelde en diens regter

tot ballingschap veroordeelde. Een hunner vlugtte naar het Jezuïten

collegie, een heiligdom, doch werd door de troepen gevat. Dit maakte

in lang geen einde aan de twisten, waarvan het vervolg te ingewikkeld

en te min belangrijk is, om het hier verder na te gaan.

In 1687 zond de Koning van Spanje een commissaris om een onderzoek

in te stellen naar de onlusten, die op de Philippijnen heerschten. De

Paus had de partij opgenomen voor de meest hevigen der geestelijkheid

en Pardo (de aartsbisschop), die zich dus in zijne hartstogtelijkheid

aangemoedigd zag, verklaarde de kerken der Jezuïten ontwijd, waarin

de ligchamen der burgers waren begraven, die tegen de monniken

hadden geoordeeld. Hun stoffelijk overschot werd opgegraven, doch

de meeste regters, die de regten van den Staat tegen de geestelijke

invallen hadden verdedigd, waren gestorven vóórdat de commissaris

aankwam, en gelukkig voor de openbare orde, overleed de oproerige

prelaat zelf ook in 1689. Curuzcalegui stierf hetzelfde jaar. Na

eene korte tijdelijke tusschenregering (gedurende welke Valenzuela,

de Spaansche Minister, die door Karel II naar de Philippijnen was

gebannen, op zijne terugreis te Mexico door den trap van een paard

werd gedood) werd Fausto Cruzat y Gongora in 1690 met de waardigheid

van Gouverneur bekleed. Zijn bestuur is zeer merkwaardig door den

finantiëlen voorspoed. Het duurde elf jaren, want zijn opvolger,

Domingo de Zubalburo, ofschoon in 1694 benoemd, kwam eerst in 1701

aan. Hij verbeterde de haven, doch werd door den Koning van Spanje

ontslagen, omdat hij een Pauselijken legaat à latere had toegelaten

zonder hem zijne geloofsbrieven af te vragen. De Audiencia vorderde

ze van hem, waarop de legaat antwoordde dat hij verbaasd was dat zij

het wagen durfden zijn gezag in twijfel te trekken. Hij verschrikte

het volk door deze verklaring en ging voort een collegie te stichten

in den naam van St. Clement. De Koning was zóó verstoord, dat hij

bevel gaf om het gebouw te vernielen; voorts legde hij de Oidores

(regter) eene boete van 1,000 dollars op en ontzette den deken van zijn

ambt. Martin de Ursua y Arrimendi kwam in 1709 en stierf diep betreurd

in 1715; hij stuitte de toevloeijing van Chinezen en verzoende dus

volksvooroordeelen. De tijdelijk aangestelde Gouverneur, José Torralba,

werd beschuldigd van diefstal uit 's lands schatkist tot een bedrag

van 700,000 dollars. Een koninklijk bevel gelastte hem 40,000 dollars

terug te geven en te waarborgen; hieraan echter niet voldoende, werd

hij, in boeijen geklonken en gevangen gezet. Later werd bevel gegeven

hem naar Spanje te zenden, doch hij stemde er in toe 120,000 dollars te

betalen. Hij had de middelen niet en stierf als een bedelaar. Fernando

Bustillo (Bustamente) landde in 1717 aan. Hij besteedde groote

sommen aan nuttelooze gezantschappen en leefde op een grooten en

verspillenden voet. Hij stelde finantiële hervormingen in het werk en

liet een aantal personen, die geld aan den Staat verschuldigd waren,

gevangen nemen. Hij maakte zich ook van eenige der voornaamste inwoners

van de hoofdstad meester, dreigde de regters, die naar het klooster

vlugtten en daar bescherming zochten. Torralba kwam in gunst bij hem;

hij verloste hem uit de gevangenis en gebruikte hem om de magt van de

Audiencia te ondermijnen, door hem met zijn gezag te bekleeden. Hij

beval dat, op het lossen van een stuk geschut, al de Spanjaarden

zich naar het paleis zouden begeven; arresteerde den aartsbisschop,

het kapittel der hoofdkerk en verscheidene prelaten en geestelijken,

waarop een oproer ontstond; eene massa volks ijlde naar het paleis

en doodde den Gouverneur en zijn' zoon, die zijnen vader ter hulpe

gesneld was. Francisco de la Cuesta werd tot het bestuur geroepen. De

nagelaten kinderen van Bustillo werden naar Mexico gezonden, en de

Audiencia maakte een rapport van het gebeurde aan den Koning op,

die Toribio José Cosio y Campo benoemde en degenen liet straffen,

die den dood van den vorigen Gouverneur hadden veroorzaakt, doch

door den invloed van een' Franciskaner monnik bragt men Cosio er toe

herhaaldelijk uitstel te verleenen, zoodat niets gebeurde van hetgeen

bevolen was. In 1729 werd het bestuur overgedragen op Fernando Valdes

y Tamon, die de militaire inrigtingen hervormde en eene expeditie tot

verovering van het eiland Palaos zond; doch deze poging mislukte en in

1739 werd hij opgevolgd door een' Vlaminger, Gaspar de la Torre. Hij

behandelde den fiscaal Arrojo zóó gestreng dat hij daarvan stierf. Hij

werd gemelijk, neêrslagtig en in zich zelven gekeerd en stierf in

1745. De bisschop van Ilocos, vader Juan Arrechedera, volgde hem als

Gouverneur op en de Sultan van Jolo, die gedoopt wenschte te worden,

bragt hem een bezoek te Manilla. De aartsbisschop, wien de zaak werd

opgedragen, verklaarde dat de Sultan door de Dominikaner monniken

van Panogui in den schoot der kerk was opgenomen. De markies van

Obando kreeg in 1750 het bestuur in handen. De aartsbisschop, dien

hij deed vervangen, had van het Spaansche kabinet bevel ontvangen

de Chinezen van de eilanden te verdrijven; doch hetzij uit eerlijke

overtuiging dat de tenuitvoerlegging van dit bevel de belangen van de

Philippijnen zou schaden, waaromtrent hij zeer juist oordeelde--of

wel (zooals de inlanders willen) uit eene zekere genegenheid voor

de Chinezen, stelde hij, onder verschillende voorwendsels, de

openbaarmaking van het koninklijk bevel uit. Obando wikkelde zich

in twisten met de Muselmansche inwoners van Mindanao, waartegen hij

niet was opgewassen. Hij besloot den Sultan van Jolo te herstellen,

doch toen hij Zamboanga bereikte, beschuldigde hij den Sultan

van ontrouw (infidencia), zond hem naar Manilla en liet hem in

de gevangenis zetten. De Mohammedanen kwamen hiertegen op. Obando

verlangde het bevel tegen hen te voeren. De Audiencia maakte echter

bezwaar den persoon des Gouverneurs bloot te stellen. De expeditie

mislukte en de onlusten namen toe. Hij legde het bewind neder in

een slechten gezondheidstoestand en stierf op den terugweg naar zijn

vaderland. Pedro Manuel de Arandia kwam in 1754 aan het bestuur. Hij

bestreed de Mohammedanen (of Mooren, zooals de Spaansche schrijvers

ze gewoonlijk noemen) met eenig succes. Hij koesterde het voornemen

den Sultan van Jolo te herstellen, doch liet zich in twisten met

de geestelijkheid in en zijne handelingen vonden afkeuring bij het

Spaansche Hof. Zijne onpopulariteit wekte droefgeestigheid bij hem

op en ten gevolge daarvan stierf hij in 1759. Ofschoon hij zijne

goederen voor liefdadige doeleinden vermaakte, vermoedde men dat het

aanzienlijke bedrag van de waarde daarvan, 250,000 dollars, een gevolg

was van de oneerlijke administratie, door hem gevoerd. De bisschop

van Zebu, en daarna de aartsbisschop van Manilla, Manuel Rojo, voerden

tijdelijk het bewind na den dood van Arandia. Rojo gaf Manilla in 1762

aan de Britten over [6]. Hij werd gevangen genomen en stierf in 1764

in den kerker, naar men wil van verdriet en schaamte. Simon de Anda

Salazar, een der regters van de koninklijke Audiencia werd met het

bestuur belast tijdens de Engelschen de hoofdstad in bezit hadden,

en vestigde zijn gezag te Pampanga, waar hij zelf het bewind voerde

tot de komst van Francisco de la Torre, die voorloopig door de kroon

werd benoemd en door tusschenkomst van Anda, Manilla van de Britten

wederkreeg. José Raon kwam in 1766 aan het bestuur.

De Sultan van Jolo, die door de Engelschen op zijn troon hersteld was,

veroorzaakte veel schade op het eiland Mindanao aan Raon, die niet

in staat was zijne landslieden te beschermen. Er werd besloten tot de

verdrijving der Jezuïten en dit geheime plan kwam den Gouverneur ter

oore. Hij werd beschuldigd van ontijdige openbaarmaking, en verdacht

eene portefeuille met belangrijke documenten te hebben verborgen. Men

beval zijne gevangenzetting in zijn eigen huis, waar hij stierf.

Een der geschiedschrijvers van de monnikenorde geeft het volgende

verhaal van de wijze waarop de weêrspannige Indianen werden behandeld:

«Arza begaf zich met den invloedrijken bijstand van de Augustijner

monniken en van de (talrijke) getrouwen naar Vigan en herhaalde daar

wat hij te Cagallan had verrigt; hij had meer dan honderd personen

laten ophangen en daaronder Dona Gabriela, de vrouw van Silang, eene

mestiza, die malas manas (slechte streken) had en niet minder dapper

dan haar man, die notaris was,--benevens een groot aantal cabecillas

(oudsten van familiegroepen), die naar de bergen van Alva vlugtten;

wat het overige gepeupel van deze weêrspannige menigte betreft,

vergenoegde hij zich ieder hunner 200 geeselslagen te geven en hen

te pronk te stellen. Hij zond 3,000 Ilocos zegevierend en met een

rijken buit naar Pangasinan. Dit gebeurde in 1763 [7].»

Na de verovering van Manilla door de Britten, vermoedde men natuurlijk

dat zij de verschillende oproeren, die op deze gebeurtenis volgden,

aanmoedigden. Het onstuimige en despotische karakter van Anda, die

het bestuur over de eilanden aanvaardde, haalde hem vele vijanden op

den hals en hij schijnt al die oppositie tegen zijne willekeurige

handelingen als de bewijzen van verraderlijke verhoudingen

met de Engelschen te hebben beschouwd. Ongetwijfeld werd hunne

tegenwoordigheid met vreugde begroet, vooral door de Muselmansche

bevolking van de zuidelijke eilanden, die daarin eenige hoop zagen

van het Spaansche juk bevrijd te worden, doch zelfs de Philippijnsche

geschiedschrijvers doen de Britsche autoriteiten regt wedervaren en

merken op dat zij de zeerooverijen van hunne bondgenooten straften,

zonder aanzien des persoons. De Spanjaarden echter moedigden Tenteng,

een Mohammedaanschen dato (hoofdman), aan om de Britten aan te

vallen, wier bezetting in Balambangan door ziekte van 400 tot 75 man

infanterie en 28 man cavalerie was verminderd. Dit was echter--zegt

de Mas--«bloot in de verwachting van buit te verkrijgen.» Zij slopen

's nachts uit de wouden naar de Engelschen terwijl deze sliepen,

staken hunne huizen in den brand en vermoordden allen op zes na,

die met den Engelschen kommandant in eene boot ontkwamen. Daarop

heschen zij de witte vlag en spaarden het leven van geen' enkelen

Engelschman, die aan land gebleven was. De Mohammedanen maakten zich

van eene menigte wapenen en geld meester. De Sultan van Jolo en

de dato's, die de wraak van de Engelschen duchtten, ontkenden elk

aandeel in de zaak, doch toen Tenteng Jolo bereikte en zijne buit

aan de autoriteiten overleverde, «meenden zij dat er thans wapenen

en geld genoeg waren om èn Spanjaarden èn Engelschen af te weren»;

zij verklaarden Tenteng als een held, die wel gehandeld had met zijn

vaderland. Weinige maanden later verscheen een Britsch oorlogschip

en verkreeg zooveel schadeloosstelling als in dit geval mogelijk was.

Anda had zooveel roem verworven door zijnen weêrstand tegen de

Engelschen, dat zijn souverein hem tot belooning eene menigte

eereteekenen schonk en hem tot Raadsheer van Castilie benoemde. In

1770 keerde hij als Gouverneur naar Manilla terug. Hij liet zijnen

voorganger, verscheidene regters, den Gouvernements-secretaris, een'

kolonel en andere personen in hechtenis nemen. Sommigen zond hij

naar Spanje, terwijl hij anderen uit de hoofdstad verbande. Hij liet

zich met geestelijke geschillen in, had vele kwellingen te verduren

en begaf zich eindelijk naar de verblijfplaats van de Franciskaner

monniken, waar hij in 1776 stierf. De Mas zegt met opzigt tot dit

tijdperk: «Gedurende meer dan twee eeuwen hadden de Philippijnen

aan de Spaansche kroon zulk eene opeenstapeling van twisten,

moeijelijkheden en uitgaven veroorzaakt, dat de ministers meer en

meer er op aandrongen de kolonie op te geven, doch de katholieke

monarchen konden nooit medewerken tot het verlies van al de zielen,

die men in deze streken reeds gewonnen had en die men nog hoopte te

winnen.» Na eene korte tusschenregering van Pedro Sarrio, kwam José

Basco in 1778 tot het bestuur. Hij vestigde het tabaksmonopolie,

zond drie regters naar Europa en noodzaakte andere beambten de

hoofdstad te verlaten, doch na drie jaren den Gouverneurszetel te

hebben bezet, keerde hij naar Spanje terug, alwaar de Regering hem

een ander ambt opdroeg. Pedro Sarrio werd op nieuw tijdelijk met het

gezag belast. Felix Berenguer de Marquina kwam in 1788 aan en regeerde

zes jaren. Hij werd beschuldigd van omkooping, doch de koning sprak

hem vrij. Rafael Maria de Aguilar werd in 1793 benoemd.

In 1800 raadpleegde de Gouverneur-Generaal den assessor over de

handelwijze jegens de Muselmansche zeeroovers in acht te nemen, die

de haven van Manilla waren binnengekomen. Hij ontving het volgende

antwoord, dat niet van grootspraak is vrij te pleiten.

«Het wordt tijd dat al de wenschen des Konings worden vervuld en dat

deze eilanden ophouden leenpligtig te zijn aan een verachtelijken

mohammedaan. Laat hem de schrikbarende bezoekingen gevoelen van een

volk, wiens roem reeds zoo dikwijls is gesmaad en beleedigd, doch dat

zijn onregt heeft verborgen en verdragen om des te beter zijne wraak

ten uitvoer te willen brengen; zuiver de kroon van den smet waardoor

zij in deze haven en ten aanzien van zoo menige Europesche natie

door het lage gepeupel (canalla) is bevlekt. De herhaalde rampen der

Indianen schijnen de Spanjaarden ongevoelig te hebben gemaakt; doch is

er een man, getuige van de smart, den moord, den ondergang van zoovele

gezinnen, wiens ziel niet vervuld is met een' dorst naar wraakneming

op den vernieler, op den verwoester? Wanneer het onze vrouwen, zonen,

vaders of broeders waren geweest, met welken aandrang zouden wij de

autoriteiten niet uitgenoodigd hebben om de misdadigers te straffen

en onze vrijheid te herstellen? De regtvaardigheid, het medelijden,

de pligt van uw geweten, waarop dat van den Koning steunt, dat alles

roept om wraak. Ten eeuwigen dage zal degene herdacht worden, die

ons van het juk bevrijdt, dat ons sedert eeuwen knelt!»

In 1805 werd een tractaat gesloten tusschen het Gouvernement van

Manilla en den Sultan van Mindanao. De Minister van Staat van den

laatste was een Mexicaansche deserteur; de ambassadeur der Spanjaarden

een Mexicaansche veroordeelde. Men behandelde hem inderdaad gestreng,

want, nadat hij het tractaat had gemaakt, beval men hem den termijn

van zijne bannelingschap te vervullen.

In 1811 brak eene zamenzwering in Ilocos uit, waar een nieuwe god door

de Indianen werd geproclameerd onder den naam van Lungao. Ter zijner

eere werd eene hierarchie van priesters gesticht. De eerste pogingen

van deze waren om de afgodendienaars te Cagajan te bekeeren en hen

te nopen de partij tegen de Spanjaarden op te nemen. Vooral droegen

zij haat toe aan de Katholieke zendelingen, doch de berigten, die

deze geestelijken aan de autoriteiten gaven, stelden deze in staat

den opstand te fnuiken en de leiders te straffen.

In 1819 werd Manilla door de cholera bezocht. Hiervan was het gevolg

dat vreemdelingen en Chinezen werden vermoord; men beschuldigde

hen toch, en vooral de Engelschen, dat zij de bronnen vergiftigd

hadden. Diefstallen en andere buitensporigheden volgden op deze

misdaden. Te vergeefs trokken patrouilles door de straten. De roof en

moord werden gestaakt toen er geene slagtoffers meer te vinden waren,

doch de Spanjaarden en hunne eigendommen werden gespaard.

Onder het bestuur van Martinez, in 1823, had een nieuwe opstand

plaats, aan het hoofd waarvan Novales stond, een bewoner van Manilla,

in Spaansche dienst. Meer dan 800 soldaten namen aan de beweging

deel. Zij maakten zich meester van het paleis, vermoordden den

luitenant des Konings en zouden waarschijnlijk het Gouvernement hebben

overrompeld, zoo er eenige organisatie of eenheid onder de bende hadde

geheerscht. Maar eenige moedige mannen verzamelden tallooze personen

rondom zich, die getrouw aan den Koning en zijne partij waren. Soldaten

rukten aan; de aanvallers wankelden; het onstandvastige volk begon

de revolutionaire leiders te wantrouwen, zoodat Novales met een stuk

geschut en ongeveer 300 à 400 volgelingen werd achtergelaten. Men

overmeesterde hem; hij vlugtte, doch was genoodzaakt zich over te

geven. Onmiddellijk voor een' krijgsraad gebragt, verklaarde hij

geene medepligtigen te hebben, doch alleen de leider der troepen te

zijn geweest, waarop hij denzelfden dag met een zijner sergeanten

werd doodgeschoten. Hierna werd eene amnestie geproclameerd, nadat

20 onder-officieren waren geëxecuteerd.

Eene ernstige muiterij ontstond te Tajabas gedurende het korte bestuur

van Oraa (1841--43). De Spanjaarden zeggen dat dit het werk was

van een' Tegalees, Apolinano genaamd, leekbroeder van het klooster

van Lucban, die nog geene 20 jaren oud was en eene broederschap

(Cofradia) stichtte, die zich uitsluitend tot inlandsche Indianen

bepaalde. De zaak was niet bekend geworden, zoo de bijeenkomsten

van de Cofrades niet den argwaan had opgewekt. De aartsbisschop

ontbood den Gouverneur-Generaal om deze vergaderingen te beletten,

die op sommige plaatsen door de autoriteiten gewettigd waren. Er werd

bevel gegeven tot inhechtenisneming van Apolinano, waarop hij naar

de bergen vlugtte; 3,000 Indianen voegden zich daar bij hem, en nu

verspreidde zich te Manilla het gerucht dat hij te Igsavan het vaandel

van den opstand had geplant. De Alcalde-major, vergezeld door twee

Franciscaner monniken, eenige troepen en twee kleine stukken geschut,

rukten hierop naar de verraden opstandelingen. Deze schoten op de

Spanjaarden en doodden den Alcalde. Toen deze tijding in de hoofdstad

werd aangebragt, verzamelde zich eene krijgsmagt van 800 man. Men zegt

dat de door Apolinano bezette positiën ongenaakbaar waren, doch hij

had de aan de Indianen gedane beloften niet gehouden, dat er wonderen

ten hunnen voordeele zouden plaats grijpen. Slechts weinigen gingen de

Spanjaarden te gemoet en de meesten daarvan werden nog gedood, terwijl

de overigen de vlugt namen. Bijna zonder verlies van hunne zijde,

lieten de Spanjaarden meer dan 240 Indianen op het slagveld achter en

namen 200 gevangen. Apolinano, die eene rivier wilde overtrekken, werd

door twee zijner eigen lieden gegrepen, gebonden en aan de autoriteiten

overgeleverd. Men beschuldigde hem dat hij naar de waardigheid van

Koning over de Tegalezen haakte. Hij bezwoer echter dat het doel

zijner Cofradia zuiver godsdienstig was. Den 4den November 1841 werd

hij doodgeschoten. De Mas, die hem kende, zegt dat hij een bedaard,

eenvoudig jongman was, die niets van het heldhaftige van een held of

gelukzoeker had. Hij verrigtte huiselijke bezigheden in het klooster

van Lucban, en voor zoover bekend is, was de eenige grond waarop

zij verdacht werden, dat hij geene Spanjaarden of Mestizen in zijne

godsdienstige broederschap opnam, maar het is niet met grond aan te

nemen dat zoovele levens op een bloot vermoeden zouden zijn opgeofferd.

Tusschen 1806 en 1844 volgden niet minder dan 14 Gouverneurs

elkander op. Onder hen is opmerkenswaardig Narciso Claveria, die

van 1844-49 regeerde. Hij vermeerderde de Spaansche bezettingen bij

het eiland Balanguingui. Eene zijner verklaringen vond veel bijval;

hij zeide «Spanje te hebben verlaten, terwijl het door burgerkrijg

werd geteisterd, doch hier geen onderscheid te zullen maken tusschen

zijne landslieden op grond van verschil in politieke gevoelens en geen

anderen titel te zullen erkennen als dien van Español y Caballero

(Spanjaard en man van eer).» Sedert is Ramon Montero Gouverneur

ad interim geweest en wel in 1853, 1854 en 1856. De markies van

Novaliches kwam in 1854 aan het bestuur, doch regeerde slechts

ongeveer 8 maanden. Don Manuel Crespo kwam in November 1854 en de

tegenwoordige Gouverneur-Generaal, Don Fernando de Norzagaray, den

9den Maart 1857 aan.

Het is opmerkenswaardig, dat gedurende den tijd dat 78 Gouverneurs

aan het bestuur waren, slechts 22 aartsbisschoppen elkander hebben

afgewisseld, zoodat het gemiddelde tijdperk van het burgerlijk

bestuur vier jaren, dat van het geestelijke bewind elf en een half

jaar bedroeg.

Een Bezoek aan de Philippijnsche Eilanden · 第 7 / 58 题