OUDE OÏRCONDEN.

Ik zoude hier bepaaldelijk mijne beschouwingen omtrent het voormalig en

hedendaagsch Vianen hebben geëindigd, ware het niet, dat aan mij op het

onverwacht, en nadat ik mijne brochure reeds ter perse had gegeven,

van eene zeer geachte hand het navolgend uittreksel was gezonden,

hetwelk een belangrijk licht verspreidt over het doorluchtig geslacht

der Graven Van Brederode.

Ik heb verkozen, eenigzins tegen den vorm te zondigen, die men bij de

uitgave van eenig boekwerk pleegt in acht te nemen, en er alzoo niet

toe kunnen besluiten, dit uittreksel achterwege te laten. Hetzelve

zal niet weinig de waarde mijner brochure verhoogen. De zoodanige

mijner lezers, die zich gaarne verdiepen in de aloude geschiedenis

van hun Vaderland, en die den roem hunner voorvaderen op hoogen prijs

stellen, zullen er mij en den geachten inzender dank voor weten; het

werk toch van Professor Paulus Voet is niet in aller handen; en menig

inwoner van Vianen (ik bedoel de zoodanige, die weetgierigheid aan

gevoel en smaak paren) zal, wanneer hij dit uittreksel zal gelezen

hebben, voortaan met heiligen eerbied den gewijden grond betreden,

op welke voor eeuwen het slot Batenstein gesticht was en de omstreken

zijner stad bewandelen, die vroeger het tooneel waren van zooveel

krijgsbedrijven, van zooveel heldendaden. Hel genoemde uittreksel

worde dus als bijlage aan mijn geschrift toegevoegd en vulle aan het

gebrekkige, het onvolledige, hetwelk in hetzelve mogt opgemerkt worden.

UITTREKSEL

UIT ZEKER TRACTAAT, GEINTITULEERD:

OORSPRONK, VOORTGANK EN DAADEN

DER

DOORLUGTIGE HEEREN

VAN

BREDERODE,

BIJEENGESTELD

DOOR

PAULUS VOET,

der rechten Proffessor in de accad. tot Utrecht, en Raadspersoon in

de kamer van Justitie 's lands Vianen.

'T UTRECHT

bij Johannes van Waesberge, Boekverkooper over 't Stadhuis, Ao. 1656.

Pag. 145.

Vianen is een plaisante stede, liggende op een vierkante forme met

sterke hooge muuren, en poorten voorzien. Welke muuren met ronde

torenen, hier en daar bezet, gelijk men in oude tijden placht te doen,

niet oncierlijk gesterkt zijn Is omcingeld met eene breede graft,

en heeft buiten dezelve rontom eene fraaije wandelinge met boomen

bezet. Sulks dat men op de meeste plaatsen onder de schaduwe van het

looff schuilende, van der sonnenhitten des somers bevrijd werd. T'

heeft eene bekwaame geleegendheid aan de linkerzijde van de riviere

de Lek, tegen over Vreeswijk, anders de Vaart genaamd. En word ten

Noorden van dezelve Rivier bezet, die door eenen ingang de haven

maakt, zo dat de schepen, zoo wanneer het water tamelijk hoog is,

tot in 't midden van de voorstede aanleggen. Ten Oosten, Westen,

en Zuiden, werd het becingeld met vruchtbare koornvelden, weiden

en boomgaarden. Een plaatse daar de lijfftocht, in overvloed is,

en voortst alles wat tot onderhoud noodig is, bekwamelijk van alle

plaatsen toegevoerd, ook voor redelijken prijs werd bekomen. En die

het vermakelijk leven zoekt, zoo door de gelegenheid der omliggende

Landerijen, als het op en afvaren der voorbij zeilende schepen, 't

doortrekken der rijzigers kan het nergens bekwamer vinden. Brengt mede

geen gering vermaak aan den mensch het wel beplante bosch, alwaar de

boomen op rijen met menigte wederzijdsch tegen den anderen overgezet,

een aangenaam perspectief den gezichte vertoonen; Daar bij komt het

Rijgersbosch, 't gezang van allerhande klein gevogeltje, de ooren

met een aangenaamheid vermakende. En dat te verwonderen is, evenals

of 't was 't middelpunt van de vereenigde Provincien, men kan daar

van daan in het gezichte krijgen, zoo wanneer den Hemel klaar is,

omtrent de een en twintig steden, met poorten, muuren en grachten,

voorzien. En geen plaats bekwamer, waar van daan zoo te water als te

Lande, de principaalste steden des Lands kennen bereisd worden. Die

zig daar aan liet gelegen zijn, zoude op een Zomersche dag, daar van

daan konnen bezoeken omtrend twaalff zoo steden, als stedekens, en

's avonds tot Vianen maaltijd houden.

Deze plaats heeft onder zich verscheidene dorpen en gehuchten, als

Lexmond, eertijds Laxmond geheeten, Heijkop, Boekoop, Lakerveld,

Tienhoven, en Marekerk, door zijne Paardemarkt, 't gansche Land door

vermaard. Is daarenboven voorzien, met een sterk slot, Batestein

genoemd, 't welk van verre door de grootheid van 't gebouw zig opdoed.

Omtrent den oorsprong van dezen naam ben ik curieus geweest, en

meinde daarom dit slot Batestein te zijn genoemd, om dat het tot nut

en dienste der stede was gebouwd, zijnde als de sterkte deszelfs, 'T

welk even zoo veel te zeggen is, als ter baate. Gelijk sommige alzoo

den oorsprong des woords Batavieren verklaren, omdat ze aan de rivier

t' naarder bate, eene bekwaame woonplaats uitgevonden hadden. En dan

zoude het bijvoegsel stein, den nederlanders beteekende stevigheid,

daarbij gesteld zijn, om te kennen te geven, dat het uit steen,

of stein opgebouwd is, tot een sterkte off Burcht.

Doch uit verhaal van eenige anderen onderricht zijnde, hebbe deeze

mijne gissinge aan een zijde gesteld. Men verteld dat Gijsbert van

Vianen, ten wijve hadde Beatrix, op het nederlandsch in 't kort gezegd

Baate, dewelke een dochter was van Johan, de negentiende Heere van

Egmond, deeze hadde eene Suster die jonger was dan zij, getrouwd

aan Geraerd Heere van Culenborch, van dewelke zij als van een opper

vrouwe te Leen ontvong het Slot van Vianen, doen ter tijd buiten de

stads muuren in den Boomgaard gelegen. Ende niet konnende lijden,

dat zij die een oude suster was, van haare jongere, het slot te leen

zoude ontvangen, beweegt haren Man, om het oude slot af te breeken,

en binnen de muuren van Vianen, een nieuw op te maken. 'T welk ook is

geschied, en omdat zulks ter baate en bede van Baate was gedaan, wierd

het nieuwe slot, Batenstein genoemd, door bijvoeging van het woordeke

stein, 't welk men gewoon is aan sloten en adelijke Huizen te voegen.

[4]Dit slot is te heerlijker door eene bijgevoegde Toren, van een zeer

groot vierkant en dikte en hoogten hebbende in het 't Nederlands de

benaminge van Simpols toren; Is doen opmaken bij Gijsbert van Vianen,

Ridder omtrent den jare Duizend drie honderd en twee en zeventig,

en dat tot kosten des graven van St. Pauwels in Artois. Deze wierd in

een slach in het land van Gulick bij Gijsbert van Vianen, overwonnen

en gevangen tot Vianen gevoerd, en moestte tot zijn rantsoen, zoo

veel geven, dat deze Toren konde gebouwd worde; En nadien in de

Nederduitsche spraak St. Pauwels, in 't kort gezegd word Sintpol

off Simpol, ook in Artois eene stede genaamd word Simpol, en de

Grave Simpol, zoo gebeurden 't dat de Toren met des Graffs losgeld

gemetseld, Simpols toren genaamd wierd.

Niet verre van Vianen, omtrent duizend schreden, is een stedeken,

indien men zijne privilegien inziet, Ameiden genoemd, op een

scheutweegs nabij de Rivier de Lek; al van ouds bij de schrijvers van

den jare dertien honderd twee en tachtig, ten aanzien van het slot

Termeiden bekend. Voor dezen wierd het genoemd Hazelaer, omdat de

Heeren, Van Hazelaar hetzelve van Guido Bisschop van Utrecht te leen

ontvangen hadden. 'T zelve genoeg door de situatie, en alzoo door de

natuur gesterkt, is bij liste des Bisschop van Utrecht op den jaare

vijftien honderd zeven en twintig ingenomen. De oorzaak en maniere

daarvan zal ik in 't kort verhalen. Hendrik van Brederode, hadde eenige

vluchtelingen van Utrecht tot Vianen, komende, vrijgelijde gegeven, en

vergunt, en onder zijne bescherming genomen. En als die van Utrecht,

door brieven, ook den Bisschop door afgesanten, niet en vorderden,

beraatslagen om het kasteel Termeiden in te nemen. En dewijle dat

niet zonder bloedstortinge geschieden konde, indien men zulks met

geweld deden, besluiten het met lagen te krijgen.

[5]Alsdan den opziender des Kasteels, met zijn volk daar af was

gegaan, in de naaste plaatse, ten dienste, zoo komen daar twee, in

Cellebroers gewaad, om niet bekend te werden, en geklopt hebbende

aan de poorte, worden door de Meijdt, die dezen handel onbekend

was, ingelaten. Bezetten straks den ingang, tot dat de anderen, die

daar omtrent haar versteken hadden, te voorschijn kwamen; Stooten

alzoo de Meijdt, met eenige wijnige die tot bewaringe des Kasteels

gebleven waren, daar uit. Soo haast en kwam dit geruchte niet tot

Vianen, off Brederode, een kloekmoedig heer, zendt gezanten aan

den Bisschop, met dewelke hij tot noch toe vrede en vriendschap

hadde onderhouden. [6]De gezanten nadat ze vele woorden met den

Bisschop hadden gewisselt, tot krakeelens toe, en haar over het

aangedaan ongelijk beklaagd; doenden deze woorden bij: «dat het

niet genoeg voor hem (te weten den Bisschop) en scheen, gesmoord

te hebben dat twistvier, 't welk hij onder de zijnen gehad hadden,

ten zij hij ook de naastgelegene heeren door een schijn van regt

tergde en tot den oorlog als uitdaagden. Zeiden vorder bereid te

zijn, indien het kasteel niet weder geleverdt wierdt, dit ongelijk

te verdragen, nadien het haar niet gelegen kwam de zaake met de

wapenen te bepleiten.» Waarop den Bisschop tot antwoord gaff, dat

hij niet eer zijn volk van den kasteele zoude lichten, voor dat

Brederode de vluchtelingen geboden hadde, uit zijn land te moeten

overtrekken. Evenwel zoo heeft den Bisschop, vreezende dat Brederode,

zoo van zijne vrienden, als van den grave van Holland hulpe mogte

verzoeken, en alzo met Krijgsluiden 't Sticht invallen, zijn volk

van het slot doen afgaan, en is met Brederode bevredigd.

Deze Landstreke van Vianen etc. nu beschreven met hare onderhoorige

plaatsen, hoewel gelegen in het begrip van de vereenigde provincien,

is nochtans ten aanzien van het recht van Jurisdictie, en Leene,

tot op dezen huidigen dage geen Provincie onderworpen; Ook met de

Provincie van Holland, alhoewel het aan de eene zijde die palen van

Holland raakt.

Nadien het land van Arkel voor dezen niet onder Holland, maar eene

bijzondere Heerschappije geweest is. Sulks dat ook van oude tijden

aff, niet blijken zal, onder de Hollandsche afdeilinge 't Land van

Vianen ooit te zijn vervat geweest.

[7]Hierom gebeurden 't dat wanneer de graven van Hollandt tegens

die van Utrecht, offte anderen ten oorloch trekkende, de Heeren

van Vianen, niet onder hare Leenmannen, maar onder de meede

hulpers gesteld hebben. Zoo steld Willem Grave van Holland in den

jare dertienhonderd ses en vijftig den Heer van Vianen met die

van Montfoort en IJsselstein, onder zijne hulperen, en vrienden,

waarom ook, zoo wanneer den oorlog ontstond tusschen de Stichtsche en

Hollanders, die van Vianen voor neutrale luiden gehouden wierden. Mede

de Hollanders tot Vianen zomtijds, als in een neutrale plaatse,

met hare vijanden, om den vreede te treffen gehandeld hebben.

En dit is de reden waarom dat boven de Memorie van menschen, die

van Vianen, eene hooge kamer offte Hoff van Justitie gehad hebben,

en noch hebben, zonder dat van dezelven ooit voor dezen aan den

Hoogen Raad tot Mechelen off aan den Hove van Holland, te appeleren,

toegelaten is. Alleen heeft men daar overig het middel van suppliceren,

off revisie verzoeken, aan den Opperheer dier plaatsen, dat noch meer

is, zijnde die van Vianen verscheide malen, van wegen 't Hoff van

Holland, bij edicte gedagvaard, hebben ook anders geen dagvaardigen

willen aannemen. En indien eenige Bode zich verstoutede die van Vianen

off van wege den Hoogenraad tot Mechelen, off van wege den Hove van

Holland te roepen, off iets te plegen, 't gene mocht naa indracht

harer Opperheerschappij smaken, hebben dat nooit geleden. In zoodaniger

voege, dat ten tijde van Philippus de tweeden, Hendrik van Brederode,

den deurwaarder van den hoogen rade, van Mechelen gezonden, om iets tot

Vianen ter executie te stellen, in de gevangenisse geworpen heeft. En

heeft deze zijne daad als strekkende tot bewaringe zijnes rechtst

kloekmoedelijk voor den Koning gedefendeerd. Die indien voor den

Fiscaal eenige actie waren geboren geweest, tegen Brederode, dezelve

veel ligt zoude hebben doen intenteren. Dat ik daar niet bij en doe

het exempel van den voorleden jaare dat den Drossaard der stede, dede

apprehenderen, den Deurwaarder van den hove, van Holland, omdat hij

tot Vianen zijne Commissie wilde voltrekken, en is ten laatste noch

uit de gevangenisse geraakt en ontkomen, door de onvoorzigtigheid der

bewaarders. Dat ik nu niet en verhaale alle acten van Souverainiteit

bij de Heeren van Vianen van tijd tot tijd gepleegt, zonder iemands

verhindering, als op haar eigen authoriteid de naburige Princen en

Heeren den oorloch aan te zeggen; wederom te zoenen, en verbonden te

maken. Munte te slaan met de wapenen van Vianen en de beeltenissen

derzelver Heeren. Brieven van pardon, gratie, Remissie, Beneficien van

Inventaris, Cessie, letteren van Respijt, en attirminatie te verleenen;

Wellen en Constitutien omtrent de munte, Pauselijke exercitien,

sterke bedelarijen, de jacht, verbondene goederen erfenissen, en

besterffenissen, verschillende van de wetten der naburige provincien

uit te geven. En volgens dezelve constitutien, sententien in de

hooge kamere aldaar te wijzen, dewelke in Holland zouden tegenspreken

bij requisitoiren zijn ter executie gesteld. Waarom die van Vianen

nooit gevolgt hebben, omtrent de Successien ab intestato, offte

het Hollandsche Aardoms off Schependomsrecht, offte de Polijticque

ordonnantien van den jare vijftien honderd, en tachtig off negen en 't

negentig. Waarom ook de graven van Holland ende hare Stedehouderen de

Heeren van den Lande Vianen, altoos voor vrije Heeren zoo expresselijk

als stilzwijgende erkend hebben.

En Carel de Vijfde, die niet over en gaff, dat hij met eenig schijn van

recht na zig konde trekken, heeft menigmaal door pracktijken gezocht

het land van Vianen, onder Holland te brengen, belovende hetzelve

tot een Graaffschap te willen verheffen, zoo wanneer de Heeren van

Vianen, onder 't Hollandsche gebied, zouden willen staan. Alle welke

stellingen met veele anderen des noods zijnde bij te brengen, ik voor

deeze reijse niet en zal off bewijsen, off uitbreiden, niet anders

voor gehad hebbende, als een kort historisch verhaal van eenige alhier

op te stellen, om den nieuwsgierigen leezer te voldoen.

Een Vluchtige Blik op het oude en hedendaagsche Vianen · 第 26 / 28 题