De predikant van Duijll.
Toen in het jaar 1807 de diepgeleerde Cornelis Swaving, de man,
die meer dan één hem aangeboden Hoogleeraarsambt met nederigheid en
als met zijne eigene verdiensten onbekend, had van de hand gewezen,
de man, van wien de jaarboeken van Teijlers Godgeleerd Genootschap
zouden kunnen getuigen, hoe menigmaal hij voor zijne voortreffelijke
beantwoording van uitgeloofde prijsvragen met den gouden eerpenning
en daar aan verbonden roem is bekroond geworden, als Predikant te
Naarden stierf, gaf weinig tijds daarna de niet minder geleerde
Hendrik Herman Donker Curtius, in leven Predikant te Arnhem eene
levensbeschrijving van hem in het licht, welke hij met deze woorden
deed eindigen, «en deze man stierf te Naarden!» wanneer ook eenmaal,
dat spade zijn moge! de assche van den waardigen Van Duijll tot die
zijner vaderen zal zijn vergaderd, dan voorzeker ook zal de lofrede,
die op hem zal worden gehouden met de woorden mogen eindigen, «en
deze man stierf te Vianen.»
Gerrit van Duijll werd als Student tot Evangelie-dienaar gevormd door
het onderwijs van mannen, als Rhunkenius, Van de Wijnpersse, Lusac,
Rau, Broes en Van der Palm, Hoogleeraren aan 's lands Hoogeschool
te Leiden.
Na volbragte studien werd hij in het jaar 1799 beroepen tot Predikant
te Beusichem, daarna in het jaar 1808, als zoodanig te Hoogeveen in
Drenthe en eindelijk in het jaar 1815, als Herder en Leeraar te Vianen,
in Zuid-Holland, terwijl hij in den loop van zijne vijftigjarige
Evangeliedienst, beroepings-brieven ontving uit Wasperveen, in Drenthe
en Schoonhoven in Zuid-Holland en hem de Koninklijke collatie van
Assen werd aangeboden.
Gedurende ruim vijf en dertig jaren al zoo vervulde Van Duijll het
Prediktambt met ijver en naauwgezetheid, leerende en stichtende,
volgens de zuivere leer van het Christendom en verkondigende in
welsprekende en overtuigende kanseltaal Jezus en dien gekruist;
dat hij in die voortreffelijke hoedanigheden vele, die afgedwaald
waren tot den herdersstal heeft terug gebragt, spreekt van zelve;
hoe hoog moet hem het hart niet kloppen, wanneer hij, aan den avond
van zijn leven op zijne tot op heden volbragte loopbaan terug ziet.
Men kan en mag Van Duijll onder de geleerden tellen. Hij is de
latijnsche taal volkomen magtig en heeft de voornaamste schrijvers
in dezelve gelezen; hij vereenigt diep gevoel met kiesschen smaak; in
het gezellig verkeer is hij onwaardeerbaar, vrolijke scherts, voor zoo
verre die in zijne betrekking pas geeft, is hem eigen, en, als humorist
zoude men hem bij Swift, of Laurence Sterne kunnen vergelijken.
Dat Van Duijll beoefenaar der dichtkunst is, moge blijken uit de
voortbrengselen zijner muse, die ik hier zal aanhalen.
Toen hij nog Predikant te Hoogeveen zijnde, gedurende eenigen tijd op
zijne eerste standplaats Beusichem vertoefde, werden aldaar bij den
noodlottigen watersnood in het jaar 1809, achttien lijken, droevige
slachtoffers van dien vreeslijken ramp in één en hetzelfde graf
begraven. Eene gedenkzuil werd op hetzelve opgerigt. Van Duijll,
diep getroffen over den treurigen dood, die de ongelukkigen in
den vloed gevonden hadden, en die gedeeltelijk tot zijne vroegere
gemeente hadden behoord, boezemde zijn leedgevoel uit in de volgende
dichtregelen, die op den kolom uitgehouwen aan de nakomelingsschap
het treffende van den ramp, maar niet minder het dichterlijk genie
van den waardigen Geestelijke verkondigden.
Hier rust in 't somber graf een achttien tal van lijken,
De prooi des watersvloeds, het kenmerk van den nood,
Diens onvergeetbren nachts, die dijk en dam deed wijken,
Toen het ijs, door storm gevoerd, verwoesting spreidde en dood.
Toen huis, en berg en schuur, daar dreven op de golven,
Toen koe en paard en mensch daar zonken in dien plas,
Toen zelfs de laatste hoop scheen in dien vloed bedolven,
Zoo God met Vorst en Volk ons niet ten redder was.
Toef hier een wijle tijds, aanschouw deez' vruchtbre oorden,
En zeg «'t geen is en was, 't is alles ijdelheid»
Neen, stort een dankbre traan, zoo ze ooit uw oog bekoorden,
Daar 't al in zaal'ger oord, den vriend der deugd verbeidt.
Toen hij in den jare 1810 te Hoogeveen het leeraarsambt vervulde en
Lodewijk Napoleon, die te dier tijd over het Koninkrijk Holland den
vredelievenden scepter zwaaide, het Landschap Drenthe bezocht, en
ook Hoogeveen met deszelfs tegenwoordigheid vereerde, maakte mede Van
Duijll, als Predikant zijne opwachting bij den Vorst, die te regt een
vader zijner onderdanen mogt genaamd worden, die overal hulp toebragt,
waar het pas gaf, en overal, waar hij kwam, sporen zijner weldadigheid
achter liet. Van Duijll, gevraagd, of hij ook iets in het belang zijner
gemeente begeerde, gaf de behoefte derzelve aan een werkhuis te kennen,
in hetwelk behoeftige gehuisvest en verpleegd mogten worden, die met
de handen den kost konden verdienen.
Lodewijk gaf gehoor aan de doeltreffende voordragt van den waardigen
Leeraar en schonk twintig duizend guldens tot dat edel doel; Van Duijll
stichtte het gebouw, en ten einde den roem van den weldadigen Vorst
te vereeuwigen, vervaardigde hij het navolgend dichtstuk, hetwelk hij
in den voorgevel van hetzelve op eenen daartoe ingevoegden marmersteen
deed uithouwen.
Door 't liefderijk geschenk van Hollands eersten Koning,
Vindt hier de schaamle wees en zwakke grijs een woning,
Terwijl de nijverheid uit dankbaarheid en pligt
Den vaderlijken Vorst de schoonste eerzuil sticht.
Voorts treft men van Van Duijll meer dan een voortreffelijk dichtstuk
in onderscheidene maandwerken van vroegere dagen aan.
Op den 29 December 1849 verjaarde Van Duijlls vijftigjarige
Predikdienst, die op den 4 Maart 1850 door de ringbroeders en meer
andere gasten van rang en aanzien in zijne woning plegtig gevierd werd.
De gemeente bood aan den grijzen Christen-Leeraar, onder meer andere
geschenken eenen in zilver gemonteerden prachtbijbel aan, versierd
met symboolen, op de Godsdienst toepasselijk.
Een in de kalligraphie begaafd jongeling Jonkheer Rom Kraijenhof
vervaardigde ter eere van den nestor der Evangeliedienaars een
voortreffelijk penneschrift op het halve eeuwfeest van 's mans
Predikambts vervulling toepasselijk, in hetwelk het genie en de smaak
van den kunstenaar doorstralen.
Ten slotte moet hier worden aangeteekend, dat Vianen aan den Predikant
Van Duijll het leggen van de Schipbrug over de rivier de Lek te danken
heeft, die de stad met het daar tegen over liggend grondgebied der
Provincie Utrecht verbindt.
Toen Van Duijll bij de grondlegging van de Wilhelmina's Sluis te
Vianen, zich mede onder de door den nu wijlen den Inspecteur Generaal
van den Waterstaat, den Heer Jan Blanken Jansz. tot het bijwonen
dier plegtigheid genoodigden bevondt, had hij de eer, aldaar mede den
Gouverneur der Provincie Utrecht, Baron Van Tuijll van Serooskerken,
onder de genoodigden te ontmoeten. Deze zich beklagende over de
moeijelijkheid en langwijligheid der overvaart over de rivier de Lek
vóór de stad Vianen, merkte Van Duijll aan, dat het dan nu welligt het
oogenblik zoude zijn, om dit bezwaar door het leggen eener Schipbrug
uit den weg te ruimen, daar al de autoriteiten tegenwoordig waren,
die deswege een voorstel aan Z. M. den Koning, Willem I konden doen.
Zulks gaf aanleiding tot een mondgesprek tusschen den Heer Gouverneur
van Zuid-Holland, Graaf Van der Duijn van Benthorn en Maasdam, nu mede
ten grave, en welgemelden Inspecteur Generaal, bij hetwelk mede het
advies der daar bij tegenwoordige Heeren Mr. Maurits Cornelis van Hall,
President der Arrondissements-Regtbank te Amsterdam en Mr. Willem
Boudewijn Donker Curtius van Tienhoven, destijds Lid van de Tweede
Kamer der Staten Generaal, en President van het Hoog-Geregtshof,
nu van den Hoogen Raad der Nederlanden, werd ingeroepen.
Het voorstel werd met algemeene stemmen goedgekeurd, de voordragt werd
met spoed en aandrang aan den Koning gezonden en in Maart 1840 rolden
reeds de rijtuigen en gingen de voetgangers over den nu gelegden
Schipbrug; aan Van Duijll intusschen mag men de mérite van het à
propos dank weten, welke hem door niemand betwist kan worden.