HET OUDE VIANEN.

Groote mannen, die in vroegere eeuwen te Vianen zijn geboren

en ook in de laatst afgeloopene aldaar het eerste levenslicht

aanschouwden, en, hetzij, daarna gestorven, of als nog in leven

zijn, ook de zoodanige, die in deze stad, gedurende eenigen tijd

hun verblijf hebben gehouden.

Men zal, wanneer men de geschiedenis van vroegeren en lateren leeftijd

raadpleegt, de opmerking maken, dat, niet zelden Godgeleerden,

Staatsmannen en Krijgshelden, van uitstekende verdiensten, en de

zulken, die met meer dan gewonen goeden uitslag zich, hetzij op

de schilderkunst toegelegd, de dichtkunst beoefend, of zich door

letterkundigen roem in de geleerde wereld onderscheiding verworven

hebben, in kleine steden of vlekken, of op onaanzienlijke dorpen

geboren werden. Werd niet onze onsterfelijke Boerhave, die zich door

zijne diepe ervaring in de geneeskunst eene Europeêsche vermaardheid

heeft verkregen, in het dorp Voorhout, nabij Leiden, ter wereld

gebragt? Was niet Stratford aan den Avon, de wieg en bakermat van

Albions voortreffelijksten dichter William Shakespeare, en mag niet

het nederig Brouwershaven er trotsch op zijn, dat het aan den Prins

onzer Vaderlandsche dichters, en den als staatsman zoo uitstekenden

Raadpensionaris Jacob Cats deszelfs aanzijn gaf? Staat het niet daarom

o groote Rembrand! bij de roemvermelding der zonen van Appelles, met

gouden letteren geboekstaafd, en getuigen nog niet, ten huidigen dage,

en doek en paneel, wie eenmaal Hollandsch eerste schilder was, maar

werd gij ook niet juist daarom, in onderscheiding van de overige leden

van uw geslacht van Rijn bijgenaamd, omdat het zoo schilderachtig aan

dien stroom gelegen dorpje, het bevallig Koudekerk, het te vertellen

weet, dat gij eenmaal als knaapje aan des Rijnstrooms boorden speeldet

en gindsche boerenwoning u als zuigeling had zien geboren worden.

En gij o Joure! vroeger naauwlijks opgemerkt onder de geringste van

Frieslands gehuchten, zoudt gij u niet verheffen op uwen Borger,

uitstekend godgeleerde, voortreffelijk kanselredenaar en dichter

tevens, gij Vlissingen op uwen Bellami, niet minder dan Borger,

der zanggodinnen voedsterzoon?

En gij o Lekstad; zoo beroemd in de geschiedenis van ons Vaderland,

zoudt ook gij geen roem mogen dragen op voortreffelijke mannen,

die, zoo vele eeuwen geleden, u hunne geboorteplaats mogten noemen,

werd gij niet vereeuwigd door uwe Brederodes, te genoegzaam in

's lands historie blaân vermeld, dan dat ik nog vernieuwde lauwren

aan hunnen krans zoude behoeven te hechten, waart gij het niet, die

reeds in het jaar 1583 aan Jacobus Triglandius het eerste levenslicht

deed aanschouwen! uit Roomsch-Katholijke ouders geboren, en in die

zelfde godsdienst opgevoed, ging hij al rasch tot de protestantsche

geloofsbelijdenis over, hij aanvaardde ter zelfder tijd het predikambt

en werd in den jare 1606 te Stolwijk en daarna in 1610 te Amsterdam tot

Leeraar beroepen. In beide gemeenten achtereenvolgende verkondigde hij

het Evangelie tot in 1634, met zoo veel roems, en ontwikkelde zich al

meer en meer als zulk een welsprekend kansel-redenaar, dat curatoren

der Hoogeschool te Leiden, hem met algemeene goedkeuring, den eersten

leerstoel in de godgeleerde faculteit aanboden; steeds betoonde hij

zich een ijverig tegenstander der Remonstrantsche gevoelens te zijn,

en verwierf zich als zoodanig, onder zijne geloofsgenooten geenen

geringen aanhang.

Op één en zeventigjarigen ouderdom verliet hij in het jaar 1654

het tooneel dezes levens; de geleerde Johannes Coccejus sprak zijne

lijkrede uit en vermeldde in dezelve al die uitstekende hoedanigheden,

die den waardigen Triglandius versierd hadden; van hoogst belangrijken

inhoud zijn de godgeleerde werken, die hij heeft nagelaten; hij schreef

kerkelijke geschiedenissen (gerigt tegen J. Uittenbogaert). Leiden

1650--de trina Dei gratia. Amst. 1636--de Episcopatu Contra Nicolaum

Videlium--Amst. 1642 en nog ten huidigen dage worden niet zelden

's mans geschriften geraadpleegd.

Niet minder geleerd, dan Triglandius, was Wilhelmus Janszoon,

(Janssonius), bijgenaamd van Vianen, ten einde; op deze wijze den naam

van zijne geboorteplaats van geslacht tot geslacht te doen overgaan;

vroeger Hoogleeraar in de wijsbegeerte in het collegie van het Castrum

te Leuven, werd hij daarna ter zelfder stede, eerst Plebaan van de

St. Pieterskerk aldaar, en later Hoogleeraar in de Godgeleerdheid,

hij stichtte eene beurs in het collegie van het Castrum ééne in dat

van Standonck en twee in het groote collegie; hij stierf op den 20

November 1529 en werd in de St. Pieterskerk te Leuven begraven.

Ik doe hier het grafschrift volgen, bij hetwelk hij als van zich

zelven gewagende, aldus sprekend wordt ingevoerd.

Urbe Viana ortus, Guilielmus nomine magna,

Castrensem rexi sedulitate scholam,

Hinc doctor legis divinae, pabula Pastor,

Praebueram, Pavi, qui sacra templa Petri,

Pauperibus moriens, studiisque alimenta reliqui,

Plurima, apud superos, hinc mihi parte quies.

Het was ook de groote Daniel Heinsius die, na volbragte staatkundige

loopbaan, den avond van zijn leven te Vianen heeft gesleten; het

schijnt intusschen, dat hij nog vóór zijnen dood gedurende eenige

tijd te Leiden zijn verblijf heeft gehouden, alwaar hij op den 25

Februarij 1655 is overleden, waarom hij in de kerk te Vianen is

begraven, blijkt wel uit de grafzerk, onder welke zijne assche rust,

maar niet uit de geschiedenis, immers schrijver dezes heeft daarvan

geene sporen kunnen vinden.

Heinsius was geboren te Gend, op den 30 Mei 1580. Hij werd gehouden

voor den geleerdsten en vindingrijksten dichter der zeventiende

eeuw; de nederduitsche letterkunde heeft door hem eenen bijzonderen

voorrang boven de Duitsche verkregen, maar meer nog dan dichter was

Heinsius groot als Staatsman; hij woonde in de jaren 1618 en 1619 als

afgevaardigde der Staten-Generaal de Dordsche synode bij; hij mogt

zich beroemen, de vriend van Scaliger en Dousa te zijn. Gustaaf Adolph,

Koning van Zweden, benoemde hem om zijne veelvuldige geleerde schriften

tot zijnen geschiedschrijver, en Paus Urbanus VIII noodigde hem uit

naar Rome, om van zijn geleerd onderhoud voordeel te kunnen trekken.

Wij moeten hier ter plaatse mede gewag maken van den in de wijsbegeerte

en de wis- en sterrekunde zoo ervarenen Jan Frederik Hennert, die

na verkregen eervol ontslag als Hoogleeraar aan de universiteit te

Utrecht, gedurende eenen geruimen tijd zijn otium cum dignitate te

Vianen heeft doorgebragt en daarna weder naar Utrecht terug gekeerd, op

den 30 Maart 1810, in het 80ste jaar zijns levens aldaar is ontslapen.

Te regt mag ook Vianen zich verheffen, de geboorteplaats te zijn

geweest van Willem Anton Ockerse, wiens staatkundige loopbaan, in de

vroegere dagen van omwentelingen en staatsberoeringen te wel uit de

geschiedenis van dien tijd bekend is, dan dat de bijzonderheden daarvan

ter dezer plaatse behoeven herhaald te worden, het moge intusschen

gezegd zijn, dat hij in dat belangrijk tijdvak zich steeds als man

van eer, en met regtschapenheid heeft gedragen. Hij zag te Vianen het

eerste levenslicht in het jaar 1760 en ontsliep te 's Gravenhage op den

19 Januarij 1816. Menigvuldig en van hoogstbelangrijken inhoud zijn de

door hem geschrevene werken, dezelve dragen den stempel van grondige

kennis, juist oordeel, scherpzinnigheid, onpartijdigheid, zachtheid en

liefde; wij noemen hier als eenige onder allen, de resultaten van zijn

zestig jarig leven, zijne karakterkunde, en meer andere geschriften;

de naam van Ockerse is mede tot de nakomelingschap overgegaan, door

de letter- en dichtkundige verdiensten van 's mans waardige zuster,

Vrouwe Antoinetta Ockerse, weduwe J. P. Klein. Hare oden en elegien,

de gedachten bij het graf van Robbert Blair, en de bijbel, eene

bron van Goddelijk onderrigt voor den mensch in zijne dagelijksche

levensbetrekkingen, hebben heerlijke proeven opgeleverd van haar rein,

godsdienstig gevoel en hare bekwaamheid ook in den prozastijl. Zij

was geboren in 1763, en overleed te Leiden op den 25 December 1828.

Na nu van de dooden gewaagd te hebben, rust op ons nog de taak,

vermelding te doen van twee waardige mannen, die Vianen hunne vaderstad

mogen noemen, ik bedoel Mr. Maurits Cornelis van Hall en Mr. Johannes

op den Hooff.

Maurits Cornelis van Hall! wie is er, onder de zoodanige, die

menschenwaarde, regtsgeleerdheid, statenkennis, letterkunde en

archaeologie, gevoel en smaak voor de dichtkunst, en wat meer zegt,

adelaarsvlugt in de beoefening derzelve, op hoogen prijs weten

te schatten, wie is er onder de zoodanige, die dien naam niet met

eerbied noemt?

Maurits Cornelis van Hall werd op den 4 Februarij 1768 te Vianen

geboren; niet lang was het met Van Hall, als knaapje, ludere par impar,

equitare in arundine longa; al rasch en naauwlijks den jongelings

leefdtijd ingetreden, ontbrandde in hem de zucht naar de wetenschappen,

en, het studia adolescentiam alunt werd zijne leuze.

Hij verliet dan ook spoedig zijne vaderstad, en toog op naar de

Hoogeschool, alwaar hij zijne studiën aanvaardde; dat hij ijverig

en naauwgezet was in het woekeren met zijnen tijd, kan niet betwist

worden, hoe zoude ook het gebouw van zijnen uitstekenden roem zoo

hoog kunnen zijn opgetrokken geworden, wanneer de fundamenten niet

goed gelegd waren; wars van alle uitspattingen, der studerende jeugd

meermalen eigen, liet hij nimmer eenig collegie onbezocht en schonk

het grootst gedeelte van den dag aan letterkundigen arbeid, en hij

mogt de gulden spreuk, die ook die was van eenen eerbiedwaardigen

Romein de zijne maken nulla dies sine linea; Van Hall was student,

zoo als men zulks behoort te zijn, en hij ontving den doctoralen

hoed met luister. Eerevol betrad hij den weg, die naar den tempel

van Themis leidt. Hij werd advokaat; dat hij onder deze een der

voortreffelijkste was van zijnen tijd, getuigen de jaarboeken der

Amsterdamsche pleitzaal.

Demosthenes zijner eeuw sprak hij voor de mannen van het regt, zoo als

weleer Cicero voor de beschrevene vaders sprak, en de Dejotarussen en

Catilina's vonden in hem, deze eenen warmen verdediger, gene eenen

moedigen bestrijder, zoo als eertijds die van het oude Rome eenen

zoodanigen in hunnen Marcus Tullius vonden.

Van Hall was Patriot in de verhevene beteekenis van het woord, zoo

als het den echten vaderlander kenmerkt, republikein, zoo als het,

tijdens de Romeinsche adelaren den optogt der legioenen openden, de

Scaevola's, de Brutussen, de Metellussen waren. Van Hall was de vriend

des volks, het volk bragt hem wederkeerig eene onbepaalde hulde toe.

Toen eenmaal in het volkrijk Amsterdam een geweldig oproer dreigde

uit te barsten, en het teugelloos gemeen wet en regt met voeten zoude

hebben getreden, steeg Van Hall te paard, drong door de menigte heen

en kluisterde, door éénen wenk, de hyéne der anarchie in onverbreekbare

banden.

Zoo onwaardeerbaar nuttig was Van Hall voor zijn vaderland!

Van Hall was geschiedschrijver en dichter; geschiedschrijver als

Tacitus, dichter als Flaccus.

Wie, die geschiedkunde waardeert, en dichtkunst op hoogen prijs stelt,

heeft niet gelezen, wat Van Hall geschreven heeft?

Wij noemen, onder vele zijner geschiedkundige werken, het leven van

den Admiraal van Kingsbergen, de verdediging van Graaf Hendrik van

Brederode en het echt klassiek werk, over den dood van Plinius den

jongeren, zoo noodlottig bedolven onder de lavastroomen en aschregens,

toen door deze de uit marmer en graniet gebouwde steden Herculaneum

en Pompeji overstelpt werden.

Van Hall was dichter!

Hoe--viert hem dan geen Jubellied,

Der voor zijn harp geknielde menigt,

Die, als ten eedlen kamp vereenigd,

Hem de offers van haar hulde biedt?

Maar neen, verganklijk is 't arduin

Een eerzuil rijst in onze harten

Die de almacht van den tijd zal tarten.

Geen welkbre lauwer sier zijn kruin!

Voorzeker Pindarus van Nederland! is zulk een' eerzuil in onze

harten voor u gerezen! deze toch is duurzamer dan metaal; (aere

perennius). Wat al schatten van dichterlijk genie zijn niet in uwe

menigvuldige werken verborgen! En hoe veel verscheidenheid kenmerkt

niet dezelve! Minder verdienste heeft de dichter, die zich tot één

genre van poëzij bepaalt, Van Hall vereenigde in zich alle.

Milton en Tasso, Dante en Petrarca, Flaccus en Maro, kweelde hij

dan eens lieflijk op zijne veldfluit een teeder herderslied (gracili

modulatus avena), bezong hij dan weder het zalig en rustig landleven,

terwijl hij meermalen, door geestdrift vervoerd, beurtlings met sterke

kleuren menschelijke hartstogten en daden wist af te malen, of als

een andere Tyrtaeus een krijgslied aanhief, of zich in de dagen der

kruistogten verdiepende, als minnezanger vermomd, voor de geliefde

van zijn hart, de snaren zijner luit wist te tokkelen.

Steeds pogende nuttig te zijn, en bevorderlijk aan al wat het gebouw

der Maatschappij tot Nut van het Algemeen konde schragen, maakte

hij zich bijzonder verdienstelijk als hoofdbestuurder derzelve;

voortreffelijk waren zijne redevoeringen, door hem bij de opening

der algemeene vergaderingen dier Maatschappij uitgesproken:

Van Hall was een man van eene groote zelfstandigheid; hij bleef zich

zelven, als staatsman gelijk, onder de republiek en het staatsbewind,

en onder den zachtmoedigen scepter van Lodewijk den Goeden (eenen

tweeden Louis le debonnaire voorwaar!) en in dat hagchelijk tijdvak,

toen de man van Corsika zijne proconsuls en satrapen, als zoo vele

gieren, op ons vaderlijk erfdeel deed nederstrijken, om 's dwingelands

noodlottige bevelen uit te voeren, en goed en bloed van een wel eer

zoo gelukkig volk aan den overheerscher cijnsbaar te maken.

Onwrikbaar als de ceder, deed hij de staatsorkanen om zich heen woelen;

en het mogt van hem gezegd zijn; si fractus illabatur orbis, impavidum

ferient ruinae!

Van Hall had zich zelven gevormd, van daar die manhafte taal, die

hij wist te spreken, als het pas gaf; Van Hall, was steeds Van Hall,

en hij mogt zeggen:

'k Ben 't al mij zelf verpligt, en niets aan kunst'narijen.

Zoo ver Van Hall tot in de dagen der verlossing van het Fransche juk,

de laatste dagen van 1813.

Toen in die laatste dagen, in die dagen die zulk een belangrijk

blad beslaan, in de geschiedenis van den man des bloeds, de zon van

voorspoed voor dezen begon te tanen, toen overwinning op overwinning

op de Fransche adelaren het weldadig bestier eener regtvaardige

voorzienigheid kenmerkten, toen de vlammen van het Kremlin in de oude

stad der Czaren bloedrood ten hemel stegen en de slaande hand Gods,

bij den terugtocht over de Beresina lijken op lijken stapelde, was het

naauwlijks, dat hij zich met de vlugt konde redden, en knarsetandende

van woede het paleis der Tuilleriën bereiken.

Al spoedig waren ook de verbondene mogendheden Parijs binnen gerukt,

en hadden den verwaten dwingeland in onverbreekbare ketenen geslagen;

de afstand van de kroon werd te Fontainebleau geteekend, nog eenige

weinige uren, en de Northumberland kliefde de baren en bragt Bonaparte

naar Elba over. Van dien oogenblik af aan dagteekende zich ook

Neêrlands bevrijding.

De laatst overgebleven telg van den Vijfden Willem, door vroegere

Fransche overheersching, achttien jaren geleden uit zijn vaderland

verdreven, en gedurende die tijd als balling rondgezworven, verliet

het gastvrij verblijf hetwelk der Britten edelmoedigheid hem op het

vorstelijk Hampton-Court had aangeboden.

De drie mannen in de geschiedenis der Nederlanden met eerbied genoemd,

de nooit volprezen Gijsbert Karel, benevens de Graven Van der Duin

en Van Stirum vergezelden Oranje naar de voorvaderlijke stranden;

de geliefde Prins aanvaardde als Souverein Vorst het roer van Staat,

en aanvankelijk met deze waardigheid bekleed werd hij kort daarna

als Neêrlands eerste Koning uitgeroepen.

Uit alle oorden des lands toog men op naar 's Gravenhage, en verdrong

zich telken reize met toenemende geestdrift in de gehoorzaal, om aan

Willem den Eerste gepaste hulde toe te brengen.

Maurits Cornelis van Hall bleef mede niet achter; de roem zijner

verdiensten was hem vooruitgegaan en toen hij aan den Vorst werd

voorgesteld, was het dezen reeds bekend, wie Van Hall was.

Minzaam was de ontvangst, en niets vuriger verlangende dan aan hem

eenig blijk van onderscheiding te geven, benoemde de Vorst hem, bij

de instelling der Orde van den Nederlandschen Leeuw, tot Ridder dier

Orde, en bood den verdienstelijken man daarna het lidmaatschap in de

tweede Kamer der Staten Generaal aan, voor welk eereblijk Van Hall

moest bedanken, om dat dringende beletselen daarvoor in den weg waren.

Intusschen nam Van Hall meer en meer in gunst bij den Koning toe. In

1831 werd hij Staatsraad en President van de Arrondissements Regtbank

te Amsterdam, en het is tot op den huidigen dag, dat hij, inmiddels

tot Commandeur der Leeuwen-Orde verheven, het voorzitterschap, hem

opgedragen, met gepaste waardigheid bekleedt.

Zoo mogt ik dan Van Hall malen, ik mogt vermelden, wie hij was,

van zijne jeugd af, tot in zijnen grijzen ouderdom, ik mogt het voor

de nakomelingschap in de geschiedrol van ons vaderland doen bewaard

blijven, dat Vianen ook aan dezen grooten man het eerste levenslicht

heeft doen aanschouwen.

Maar hoe wuft zoude mijne eerbetooning zijn aan Van Hall, als

Regtsgeleerden, als Staatsman, als Geschiedschrijver en als Dichter,

wanneer ik bij dezelve niet voegen mogt, Van Hall, heeft zich gedurende

de tijdvakken van zijn leven, steeds betoond een geloovig Christen

te zijn.

Eindigen wij deze onze vermelding van waardige en verdienstelijke

mannen, die in vroegere eeuwen, en ook nog in de laatst afgeloopene,

als zoo vele paarlen aan de kroon van Vianens stedemaagd schitterden,

met gewag te maken van den voortreffelijken Regtsgeleerden,

Mr. Johannes op den Hooff.

Ook deze strekte, na volbragten akademischen leeftijd, al rasch der

Amsterdamsche pleitzaal ten sieraad en gaf gedurende dat tijdvak

vroeg reeds blijken van die krachtige ontwikkeling, die hem meer

en meer kenmerkte en van hem verwachten deed, dat eene nog meer

verhevene loopbaan hem verbeidde; hem werd dan ook al spoedig eene

plaats aangewezen in de Tweede Kamer der Staten Generaal. 's Mans

diepe ervaring in de zaken van het regt deed het van hem te gemoet

zien, dat hij nog in hoogeren kring aan zijn vaderland nuttig konde

zijn. Meermalen als verdediger der wet opgetreden, werd weldra de

eervolle taak hem opgelegd, de handhaver derzelve te worden. De Koning

benoemde hem tot vice-President van den Hoogen Raad der Nederlanden,

voorwaar eene bijzondere onderscheiding, alzoo de overige Raadslieden

in die aanzienlijke vergadering alleen uit leden van Geregtshoven,

of Regtbanken werden gekozen. Hoe Op den Hooff de waardigheid van

zijn ambt weet te handhaven, en hoe eervol hij den tabbaard draagt,

zal hem wel door niemand worden betwist; de edele zelfsvoldoening van

naauwgezette pligtsbetrachting doet zijne borst nog hooger kloppen,

dan het ridderlint hetwelk die borst versiert.

Gaan wij nu van het oude tot het hedendaagsche Vianen over; wij

zullen, boven eenige andere rubrieken, die welligt tot teregtwijzing

kunnen verstrekken den gepasten voorrang geven aan de godsdienstige

gezindheden, en wel in de eerste plaats aan de Godsdienst der

Hervormden, welke door den waardigen Predikant Van Duijll verkondigd

wordt.

Een Vluchtige Blik op het oude en hedendaagsche Vianen · 第 12 / 28 题