Den Gottesacker will ich mir
Zum liebsten Ort erwählen.
Toen ik onlangs in diepe mijmering verzonken, ronddwaalde in de
omstreken der stad, bragt mij mijne wandeling onverwacht in de
nabijheid der Begraafplaats.
Ik trad de laan binnen, die tot dezelve leidt: met heiligen eerbied
naderde ik, en als van zelve kwamen mij de woorden van een der
Evangelische gezangen in de gedachten:
Stille rustplaats van Gods dooden
'k Denk aan u met zoete vreugd,
Eindpaal van verdriet en nooden
Rustplaats na den strijd der deugd.
Zouden wij voor 't sterven beven,
Sidd'ren voor den jongsten nood?
Jezus liet voor ons het leven--
Jezus overwon den dood.
Ik dacht aan de dagen mijner jeugd, toen ik in het bevallig gelegen
Oostfriesche stadje Aurich verblijf houdende, menigmaal, bij het
vallen van den avond ter poorte uittrad, en mijne schreden naar den
Gottesacker rigtte.
Den Gottes-acker! hoe eigenaartig en gevoelvol uitgedrukt! ja de
Duitschers verstaan dit volkomen.--Boven den hoofdingang leest men
deze woorden:
«Hier ruhen sie, und sind in frieden
Und leben ewig sorgenlos.»
Men gevoelt zich alzoo reeds in eene eerbiedige stemming, vóór dat
men door de arkaden den doodenhof is binnengetreden; deze stemming
was dan ook steeds de mijne en werd verhoogd, wanneer ik mij op de
begraafplaats zelve bevond.
Eenvoudig, maar smaakvol is haar aanleg; hier en ginds een boschje,
in hetwelk een gedenkteeken verscholen ligt, dan weder heuvelachtig
aangebragte gronden, met graszoden overdekt en op dezelve in schuinsche
rigting, en bevallige onevenredigheid, grafzerken, met opschriften,
die tot het hart spreken en een onafgebroken memento mori opleveren,
dan sarcophagen, obelisken, half gebroken kolommen, als overblijfselen
van eenen bouwval, tusschen beide treurwilgen en cypressen, door
zacht ruischende abeelen afgewisseld, in één woord, alles wat, onder
symbolische teekenen, aan dood en graf, aan opstanding en eeuwigheid
herinnert.
Plegtig is steeds aan dezen heiligen oord de omwandeling der
treurenden: hier ontmoet men eenen verlaten echtgenoot in diep gepeins
verzonken en tranen stortende bij de grafstede eener innig geliefde
gade, ginds bevallige knaapjes, de veldviooltjes en madeliefjes en
het zoo eenvoudig schoone vergeet-mij-nietje, vroeger op der ouderen
graf door hen geplant, met het water uit een naburig beekje drenkende,
en in gedachteloos kinderspel den vlinder willende verschalken, die
op een der lieve bloempjes neergestreken, van daar naar het verblijf
der gezaligden deszelfs vlugt scheen te willen nemen; elders eene diep
bedroefde weduwe in zacht wegsmeltende toonen eene hymne aanheffende,
nabij den lijksteen eens ontslapenen echtvriends.
En op eenen afstand van al dezen rouw, van al die tranen, als op
den achtergrond, de doodgraver ijverig bezig met het delven van
eenen grafkuil en ons doende denken aan het treffend lied van den
gevoelvollen Hölty:
«Grabe, Spade, Grabe
Alles was ich habe
Dank ich Spade dir.»
«Reich und arme Leute
Werden meine Beute
Kommen einst zu mir.»
Dat ik vervuld met deze herinneringen ook droevig aangedaan, den
Sparrendreef binnen trad, spreekt van zelve; ook daar betreuren nu
en dan gevoelige harten, in diepen weemoed, hunne geliefde dooden,
ook daar zijn gedenkteekenen opgerigt, die van achting en eerbied
voor dierbare ontslapenen getuigen; daar onder dat altijd groenend
sparrenlover slapen aanzienlijken en geringen den doodslaap, derwaards
gaat menigmaal ter beêvaart een geacht geneesheer en betreurt daar
met zijne kinderen eene dierbare echtgenoot en moeder, daar worden
nog ten huidigen dage door naastbestaanden en vrienden tranen gestort
op de graven van dierbare betrekkingen, daar bragt een eerbiedwaardig
inwoner der stad, diep gebukt, doch christelijk gelaten tevens onder
den ramp, die hem trof, op eenen en denzelfden dag, twee hartelijk
beminde dochteren ten grave, die op dien akker der dooden den dag
des oogstes verbeiden. En koud is naauwlijks de aarde, die, nog
maar luttel tijds geleden, tot eenen grafterp gevormd werd, die het
dierbaar overschot dekt eener teedere maagd, weleer de vreugde en
hoop eener nu rouwdragende moeder. Gewis zullen eerbiedige berusting
in Gods wil, en onderwerping aan den altijd wijzen raad des Heeren,
de tranen droogen dier edele vrouwe, die ook door vroegere wegen
van beproeving gelouterd, steeds Gode wist te zwijgen en ook nu den
lijdenskelk, haar door Gods vaderhand toegereikt, zal weten te drinken.
Gewis zal zij ook nu troost vinden, daar waar dezelve alleen te vinden
is; het dierbaar evangelie zal haar die troost weten te schenken.
Zalige troost voorzeker, inzonderheid dan, wanneer eene treurende
moeder als deze, uit de volheid haars harten haar kind de woorden kan
toezingen, die vroeger een onzer zoo smaak- als gevoelvolle dichters
[3] gezongen heeft
«Nu, daar van aardsche kluisters vrij,
Uw ziel in blanke lichtkleedij,
De hallels stemt met de Eng'lenscharen,
Zal 's Vaders ééngeboren Zoon,
Uw kinderlijk geloof ten loon,
U 't hemelsch Kanaan openbaren,
En als het laatst bazuingeschal
De dooden voor zijn zetel zal
Vergaad'ren tot het jongst gerichte
Zult gij, met neêrgebogen kniën,
Hem, d' eerstling uit de dooden zien,
Van aangezicht tot aangezichte.»
Maar waartoe hier als uitsluitend van dooden uit den aanzienlijken
stand gewaagd? Rusten dan ook niet onder gindsche pijnboomen vele
geringen, die op deze aarde onopgemerkt waren, maar onder welke
voorzeker ook vele brave, vele deugdzame, vele godvreezende gevonden
worden, of zullen ook deze niet te gelijk met hen, die in hun leven
met het ridderkruis versierd waren, verschijnen voor den throon van
den onzienlijken, voor dien throon, voor welken gene geslachtwapenen,
noch brieven van adeldom, maar alleen braafheid en deugd gelden.
Ik mag Sparrendreef niet verlaten, zonder eenen krans van cypressenloof
te hebben nedergelegd op het graf van Christiaan Swaving, die
gedurende zoo vele jaren, als kundig arts, aan zoo vele lijders
hulp heeft toegebragt, van Swaving te vroeg aan de maatschappij en
aan zijn talrijk huisgezin onttrokken; maar het voegt ons niet, de
wegen der Voorzienigheid te berispen; God nam hem weg, zijn einde
was vrede: zacht ruste zijne assche! Steeds herinneren zich zijner
zijne nagelatene betrekkingen en noemen liefdevol den naam van hunnen
echtgenoot en vader.