Toen ik, eenige maanden geleden, de residentie verliet, en mij met
mijn huisgezin naar Vianen begaf, ten einde mij aldaar met ter woon
neder te zetten, en ik alzoo met diep leedwezen mijne menigvuldige
vrienden en betrekkingen moest vaarwel zeggen, vrienden, hartelijke,
welmeenende vrienden, onder welke er gevonden werden, met welke ik
ruim zes en dertig jaren had omgegaan, was er menig een, die mij,
bij het aandoenlijk afscheid nemen, belooven deed, eens te schrijven,
hoe het mij te Vianen beviel, en in het algemeen eenige bijzonderheden
nopens het stadje, aan den Lekstroom gelegen, mede te deelen.
Tot mijne schaamte moet ik bekennen, dat ik, op weinige uitzondering
na, geene brieven, ten boven bedoelden einde heb doen afgaan, en dat
men te vergeefs op mijne berigten gewacht heeft.
Ten einde nu op eene doelmatige wijze dit hoogst laakbaar verzuim
goed te maken, kwam ik op de gedachte eene brochure over Vianen
in het licht te geven, en dezelve aan het publiek in het algemeen,
en aan mijne vrienden in het bijzonder aan te bieden.
Ik heb getracht, steeds de waarheid in het oog te houden, en aan
mijne schetsen den vorm eener uitspanningslektuur te geven.
Vianen heeft in vroegeren en lateren tijd vele inderdaad groote
mannen opgeleverd, gaarne kweet ik mij van den aangenamen pligt,
derzelver roem te vermelden. Wie brengt niet met zelfvoldoening hulde
toe aan de zoodanige, die nog ten huidigen dage der maatschappij ten
sieraad strekken, en wie zoude zich het streelend genoegen ontzeggen,
de nagedachtenis te vereeren van hen, die nog bij den laten naneef
met eerbied zullen genoemd worden. De tafereelen, die ik omtrent het
Vianen, zoo als het thans is heb opgehangen, zijn wel met eenigzints
levendige kleuren geschilderd, maar het net gebouwde stadje, de
bevallige omstreken en de herinnering aan den grijzen voortijd gaven
aanleiding tot den bloementooi, welke ik aan dezelve geschonken heb.
Wat ik van Van Duijll, van Stuart, en van Van Weigerden schreef, is
waarheid, zuivere waarheid, niet minder hetgeen ik van het Instituut
van de Jonkvrouwen Bullot en La Cave, en van den kundigen Pianist
Dietz vermeldde, ook durve ik de echtheid waarborgen, van het door
mij in de verdere rubrieken in de derde afdeeling voorkomende, ter
neder gestelde.
Men leze met toegevendheid--de roede der Kritiek spare mij, en doe
het mij niet al te zeer ten verwijt strekken, dat ik tot op heden,
mijne lezers op meer ernstige en voorzeker meer gewigtige en nuttige
vruchten van mijne pen onthaald hebbende, nu voor eene enkele reis van
dezen weg ben afgedwaald, maar is zulks niet meer malen met schrijvers
en vertalers het geval geweest en nog? en schreef niet reeds voor bijna
twee honderd jaren, de groote Van den Vondel aan zijnen afwezenden
vriend? «Een zelve saisoen is jaerlix hetzelve niet; en vruchten en
bloemen, uit eenen zelven struik en steel gesproten, verschillen
dikwils niet luttel.» Vloeide niet bij Madame des Houlieres, die
gevoelvolle dichteres van de zestiende eeuw, uit eene en dezelfde
pen hare paraphrasen van sommige van Davids Psalmen, en hare rondeau
«entre deux draps.» Was niet de dichter van de ode aan God, ook die
der ballade Alrick en Aspasia, en Bilderdyck! en Schiller! et tutti
quanti! en zoude men het dan ook mij niet ten goede houden, dat ook
ik eens afdwaalde?
En nu aan mijne vrienden en aan het publiek heil!
Geschreven in den Zomer des jaars 1850.