I.

Het was na het galadiner op het slot te Sigismundingen, waar de

keizerlijke familiën van Liparië en Oostenrijk vereenigd waren, om de

verloving van den hertog van Xara met de aartshertogin Valérie te

vieren. Het was in September: de dag was zwoel heet geweest, en in den

avond was de broeiwarmte nog blijven hangen in de lucht.

Men was juist van tafel opgestaan en de stoet der vorstelijke personen

ging door een galerij naar de receptiesalons terug. Al de

balkonvensters der hel verlichte galerij stonden open: onder, als in

een afgrond van stroomlandschap, vloeide de Donau, ruischend tegen de

rotsen aan, waarop het slot met zijne talrijke kleine punttorens omhoog

was getrokken. De bergen trokken een somber violetten omtrek van

toppen-lijn aan tegen de heldere lucht, die telkens hel was van

electrische glanzingen, als van geluidloos weêrlicht. Het bosch stond

somber zwart, schaduwachtig, opglooiend met de piek-toppen van zijn

sparren tegen de bergen aan; in de verte lagen kleine huisjes verward

in den avond, als een uitgespreid dorpje, met hier en daar een klein

geel licht.

De keizer van Liparië bood den arm aan de moeder der bruid, de

aartshertogin Eudoxie; dan volgden de keizer van Oostenrijk met de

keizerin van Liparië, de aartshertog Albrecht met de keizerin van

Oostenrijk, Othomar met Valérie... Even drukte Valérie Othomars arm en

trok zich met hem uit den stoet terug.

—Het was zoo warm in de eetzaal: vergeef me, sprak zij tot Othomars

zuster, de aartshertogin van Karinthië, die met een harer

Oostenrijksche neven volgde, en haar glimlach vroeg de aartshertogin

door te gaan. De anderen volgden: de vorstelijke genoodigden, de

adjudanten, de hofdames: zij glimlachten tegen de keizerlijke

verloofden, die in een der open vensterbogen ze lieten voorbij gaan.

Zij bleven alleen in de galerij, staande voor het open raam.

—Ik heb behoefte aan lucht, sprak Valérie met een zucht.

Hij antwoordde niet. Zwijgend stonden zij samen te staren op het

avondlandschap. Hij droeg de Uhlanen-uniform van het regiment dat hij

in Oostenrijk commandeerde en een nieuwe orde starrelden met de anderen

mede op zijn borst: die van het Oostenrijksche Gulden Vlies. Zij scheen

ouder geworden dan zij te Altseeborgen was, in haar roze zijden

avondtoilet, met groote, zeer licht groene fluweelen pofmouwen, een

dichtgekroesden witte-struisveêrenrand om het open corsage en om den

sleep.

—Wil ik je even alleen laten, Valérie? vroeg hij zacht.

Zij knikte, weemoedig glimlachend, van neen. Een onbedwingbare emotie

scheen hare borst zenuwachtig op en neêr te doen hijgen.

—Waarom, Othomar? vroeg ze. Ik ben des nachts al genoeg alleen met mijn

gedachten. Laat me er maar zoo min mogelijk alleen meê...

Zij stak hem in eens hare hand toe:

—Vergeef je aan je aanstaande keizerin haar gebroken hart? vroeg ze, in

eens, met een grooten snik.

En haar bleek, vermagerd gezicht wendde zich geheel naar hem toe, met

een paar oogen, als van een verwonde ree. Een onbedwingbaar gevoel van

medesmart bracht zijne ziel in eene plotselinge opvolging: hij drukte

hare hand vast, en wendde zich af, om niet te weenen.

Hij zag naar buiten. Somber romantisch verhieven zich enkele, der van

hier zichtbare, punttorens in den electrischen lichtenden ether. Onder

hen, romantisch, ruischte de Donau. De bergen waren als het landschap

uit een ballade. En geen ballade, geen roman klonk er tusschen hunne

harten. Het proza der noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid was alleen

de harmonie, die hen verbond. Maar deze harmonie, ook verbond hen in

werkelijkheid, bracht hen samen, deed hen elkander begrijpen, met

elkander meêvoelen en meêleven. Zij waren nu even alleen, en eerlijk

peilden hunne oogen elkaâr in de zielediepte. Geen veinzen was noodig

tusschen hen beiden: zij zagen elkanders leed, trillend liggen in

elkanders hart, naakt.

Het was geen oproerige wanhoopspassie, die zij zagen. Zij zagen een

stil huiverigen weemoed; zij zagen die aan met groote starre oogen van

angst, zooals kinderen kijken als ze een spook meenen te zien. Dat

spook kwam voor hen uit het leven zelve: het leven zelve werd hun een

spookbestaan. Zijzelve waren schimmen, al voelden ze zich tastbaar, met

lichamen. Wat waren zij? Droomwezens met kronen; ze liepen en bogen en

deden en glimlachten, als ze moesten in den drom om hunne kronen. Zij

bestonden niet: eene vaagheid zweemde wel hunne droom-hersenen aan, dat

er iets bestaan kon, in andere natuurwetten, dan die van hunne sfeer,

maar in hunne sfeer bestonden zij niet...

Zijne hand had werktuigelijk gefrommeld aan papieren, die vlak bij hem

lagen op een vergulde spiegelconsole, tusschen twee der raambogen; het

ware eenige geïllustreerde tijdschriften, zeker door een kamerheer

vergeten. Hij nam er een op, om hun treurig stilzwijgen te vullen en

opende het. Het eerste wat hij zag was hunne eigene portretten.

—Kijk, zeide hij.

Hij toonde ze haar. Ze bladerden nu samen, zagen ook de portretten

hunner ouders, een afbeelding van het kasteel, een hoekje in het park

van Sigismundingen.

Toen lazen zij samen de aankondiging van hunne verloving; zij werden

eerst ieder beschreven, hij, een talentvolle prins, die veel goed deed,

in zijn land zeer populair, en hartelijk bemind door den

Oostenrijkschen keizer; zij, eene vorstin naar ziel en lichaam, geboren

om keizerin te zijn van een groot rijk, met ook zeer bijzondere

talenten. Heel Europa had op dit oogenblik de oogen op hen gevestigd.

Want hun huwelijk zoû niet alleen zijn eene vorstelijke verbintenis van

staatsbelang, maar ook een band leggen van innige harmonie; hun

huwelijk was een huwelijk uit liefde. Men had het soms wel anders

willen doen voorkomen, maar dit was niet juist. In Gothland, in den

huiselijken kring te Altseeborgen, hadden de jeugdige vorsten immers

elkander goed leeren kennen, was hunne liefde als eene idylle aan de

zee ontloken en had de hertog van Xara zelfs eens het leven gered der

aartshertogin, die zich met stormachtig weêr te ver in een roeiboot had

gewaagd. Hunne liefde was als een roman met een goed einde. Keizer

Oscar had zelve liever de grootvorstin Xenia tot kroonprinses van

Liparië gezien, en hechtte zeer aan eene verbintenis met Rusland, maar

hij had toegegeven aan de liefde van zijn zoon... En het artikel

eindigde, dat het huwelijk in October in het oude paleis te Altara zoû

voltrokken worden.

Zij lazen het samen, met hunne weemoedige gezichten, hunne groote

strakke oogen, die nog pijn deden van het staren in elkanders ziel.

Geene enkele opmerking kwam over hunne lippen na het artikel; zij

glimlachten alleen even met hunne twee navrante glimlachen; toen legde

hij het tijdschrift weêr neêr. En zij vroeg, met die vreemde kalmte,

waarmeê zij, verloofden, elkaâr poogden te leeren kennen:

—Othomar, heb jij niemand... lief?

Een gloed kwam over zijne wangen. Wist zij van Alexa?

—Ik heb wel gedacht, dat ik... iemand lief heb gehad, bekende hij; maar

ik geloof toch niet, dat het bepaalde liefde was. Ik geloof nu, dat ik

het element niet in me heb, met heel mijn ziel op te gaan in een gevoel

voor een enkele andere ziel: ik zoû niet weten hoe ik ze vinden moest,

die éene ziel, en ik zoû bang zijn me te vergissen, of me maar iets

wijs te maken... Neen, ik geloof niet, dat ik dat excluzieve gevoel

ooit zal kennen. Ik gevoel meer in me een groot, wijd, algemeen gevoel,

een immens medelijden, voor ons volk. Het is misschien wel vreemd van

me...

Hij zeide het bijna schuchter, als ware het een abnormaliteit, dat

algemeene gevoel, waarvoor hij zich schamen moest voor haar.

—Een groote liefde, legde hij nog eens uit, toen zij hem zwijgend aan

bleef zien, en hij maakte eene openende beweging met zijne armen; voor

ons volk...

—Voel je dàt? vroeg ze, in bevreemding.

—Ja...

Iets als een perspectief ging voor haar open, of er een verschiet van

licht gloorde aan het héele einde van hare zwarte droefheid, maar het

verschiet was zoo ver, zoó ver...

—Maar Othomar, sprak ze; dat is heel goed. Dat is heel mooi, zoo te

voelen!

Hij haalde de schouders op.

—Mooi! Hoe meen je? Ik voel het toch om al de ellende, die er is...

onder ons volk, het lagere, het laagste vooral. Als ze allemaal

gelukkig waren en overvloed hadden, had ik het niet te voelen. Waarom

is er dan iets moois aan?

Zij lachte even.

—Daar kan ik niet tegen op redeneeren, dat gaat me te ver. Ik heb nooit

over sociale toestanden nagedacht; ze hebben altijd zoo bestaan en...

en ik heb er niet over nagedacht. Maar ik voel alleen, met mijn

instinct van vrouw, dat het mooi is, dat je dat voelt, Othomar.

Zij greep zijne hand en drukte die, haar gelaat opgeklaard in een

glimlach. Toen zag zij, peinzend, het donkere landschap in, beneden

hen, en zij huiverde.

—Het wordt frisch, zei hij. Laat ons naar binnen gaan, Valérie; je vat

hier koû.

Zij voelde even aan haren blooten hals.

—Dadelijk, sprak ze.

Ze blikte naar beneden, naar den ruischenden Donau. Een damp begon van

den stroom op te stijgen en vulde het dal als met lichte strepen

mousseline.

—Kom, drong hij.

—Kijk, zei ze; hoe diep is dat, niet waar?

Hij zag naar beneden.

—Ja, antwoordde hij.

—Voel je geen duizeling? vroeg ze.

Hij keek haar angstig aan.

—Neen, dat niet; ten minste niet zoo dadelijk...

—Othomar, sprak ze fluisterend. Ik heb hier een heelen avond gezeten.

Telkens keek ik naar beneden, het was donkerder dan nu, en ik zag niets

dan zwart en het bruiste maar altijd door in die zwarte diepte. Het was

de avond, nadat onze verloving beslist was. Ik had zoo een pijn, ik heb

zoo geleden! Ik dacht, dat ik me al overwonnen had, maar ze lieten me

geen rust, en ik had alleen overwonnen, om opnieuw te moeten strijden.

Dat ik je vrouw moest worden kwam even onverwacht als... als mijn groot

verdriet gekomen was! Toen heb ik me zoo zwak gevoeld, omdat het me zoo

overstelpte, omdat ze me geen rust lieten. O, ze zijn zoo wreed

geweest, ze gaven me geen oogenblik, om op adem te komen. Voort moest

het maar weêr, voort! Toen heb ik me zwak gevoeld. Ik dacht, dat ik die

zwakte niet te boven zoû komen. Ik heb hier gezeten, uren lang, te

kijken naar den Donau. Het maakte me duizelig... Eindelijk dacht ik,

dat ik het besluit genomen had: om me te gooien naar beneden... Ik zag

me al wegdrijven, daar, daar, daar beneden, om het kasteel heen...

Waarom ik het niet gedaan heb? Ik geloof om... hèm, Othomar. Ik had hem

nog lief, ik heb hem nòg lief, al is het niet fier van me. Ik woû hem

niet straffen met mijn zelfmoord. Hij is zoo zwak, ik ken hem, het zoû

hem zijn leven lang vervolgd hebben...! Toen... toen, Othomar, ben ik

weggeloopen, en ik heb gebeden!!! Ik wist niet meer wat te doen!

Zij verborg haar gelaat vol smart in hare handen, met een grooten snik.

Zijne oogen stonden vol tranen; hij zag hoe ze sidderde. Een zijblik

vol angst sloeg hij op den diepen stroom beneden, die als roepend

bruiste...

—Valérie, stamelde hij ontzet; in Godsnaam, laat ons naar binnen gaan.

Het is hier te koud, en, en...

Zij zag hem angstig aan ook, met dolle oogen.

—Ja, laat ons weggaan, Othomar! fluisterde ze. Ik word hier bang: we

hebben dat zoo in onze familie; nog zooveel romantiek vloeit er in onze

aderen...

Zij nam zijn arm, zij gingen. Maar voor zij de suite der antichambres

zouden binnentreden, die leiden naar de salons, hield zij hem nog even

staande:

—Ik weet niet, of we elkaâr nog alleen zullen zien, voor je naar Lipara

terug gaat. En ik wou je nog voor iets bedanken...

—Waarvoor? vroeg hij.

—Voor... iets, dat tante Olga me zei. Voor..., dat je me gespaard

hebt... te Altseeborgen. Ik dank je, Othomar...

Zij sloeg haren arm om zijn hals en gaf hem een zoen. Ook hij kuste

haar.

En zij wisselden hunne eerste liefkoozing.

Majesteit · 第 37 / 52 题