Aan Zijne Allergenadigste Keizerlijke Hoogheid
Othomar, Hertog van Xara, te Lycilië.
Lipara, Imperiaal, April 18..
Mijn lieve Broêr!
Voor die vervelende couranten het je vertellen, wil ik je zeggen, dat
onze geëerbiedigde Vader en Keizer, mij van morgen, op mijn tienden
verjaardag, tot ridder van St. Ladislas geslagen heeft in de Ridderzaal
van het paleis. Je begrijpt, hoe trotsch ik er op ben. Van de
plechtigheid zal ik je maar niets vertellen, omdat je je die nog wel
herinneren zal. Ik was zeer aangedaan, zoo tusschen al die groote
ridders met hun lange, blauwe mantels, naar onzen Vader toe te wandelen
en te knielen voor zijn troon; ik had mijn nieuwe uniform aan van
luitenant van de Garde. De wapenkoning, de markies van Ezzera, hield de
ridderwet voor op een kussen, waarop ik den eed zwoer. Ik zal wel wat
klein geweest zijn, met mijn kleinen mantel—het kruis van St. Ladislas
was er echter even groot op als bij alle anderen—ik voelde dat zij
allen zoo op mij neêrkeken, en dat is geen prettig gevoel, als je de
held van den dag bent. Maar ik ben natuurlijk ook de jongste ridder,
dus mag ik wel wat kleiner zijn. Den degen, dien onze Vader mij gaf, is
dan ook wat kleiner dan die van de andere ridders, maar het gevest is
nog al mooi en schittert van kostbare steenen. Ik geloof echter, dat ik
de scheede van jouw degen mooier gecizeleerd vind, maar als ik achttien
jaar ben,—dat is dus over acht jaar!—krijg ik toch een anderen degen en
natuurlijk een anderen mantel ook.
Mama was vreeslijk ontsteld en zenuwachtig, toen zij van dien man
hoorde, die je heeft aangevallen, en ze woû hebben, dat je dadelijk
terugkwam, omdat het daar niet veilig scheen te zijn; en ze begreep
maar niet, dat dat niet kon. Maar veilig, wat is er nu veilig! In den
oorlog ben je toch ook niet veilig, en hier in het Imperiaal zelfs ook
niet. Aan die veiligheid moet je maar niet zooveel denken, vind ik,
maar natuurlijk: Mama is een vrouw, en daarom denkt ze anders dan wij.
De standjes en de staat van beleg maken haar ook zenuwachtig, maar ik
vind het wel aardig; het is nu alles militair, weet je? Die Von Fest is
een flinke vent; het zoû me plezier doen, hem eens de hand te schudden
en hem zelf te bedanken; nu ik dat niet kan doen, verzoek ik je
nadrukkelijk het voor mij te doen, en het vooral niet te laten. Je weet
zeker wel, door generaal Ducardi, dat Papa hem Commandeur van den
Rijksappel wil maken; wat jammer, dat we hem niet ridder van St.
Ladislas kunnen slaan, maar dan zoû hij natuurlijk Lipariër en geen
Gothlander moeten zijn.
Nu, lieve broêr, moet ik eindigen, want kolonel Fasti wacht mij voor de
schermles. Doe mijn beste groeten aan Herman en generaal Ducardi, en
groet de anderen voor mij; en wees zelf innig omhelsd door je
liefhebbenden broêr
Berengar.
Markies van Thracyna,
(Ridder van St. Ladislas.)