De Infantes van Carrión hadden met hunne echtgenooten ongeveer twee
jaar in Valencia gewoond, toen er iets ernstigs gebeurde. Op zekeren
dag, tijdens het middagrustuur, verbrak een leeuw, die gehouden werd
ten dienste van de arena, zijne tralies, en drong het paleis binnen. De
Campeador lag op een rustbank te slapen, maar al zijne onverschrokken
schildknapen schaarden zich om hem heen om hem te beschermen, behalve
de Infantes van Carrión, van wien de een achter de divan wegschoot,
terwijl de ander zóó haastig het paleis ontvluchtte, dat hij over den
boom van een druivenpers viel, en zijne kleeren scheurde. Door het
rumoer ontwaakte de Cid; hij stond op, liep rustig op den leeuw toe,
legde zijn vaste hand op den ruigen kop, en bracht het trotsche dier
naar zijn hok terug. De leeuw verzette zich niet; klaarblijkelijk
voelde hij in den Campeador zijn meester.
Toen de Infantes bemerkten, dat alle gevaar geweken was, verlieten
zij hun schuilplaats; zij zagen er zóó bleek en angstig uit, dat de
dappere volgelingen van den Cid niet konden nalaten te lachen. De
trotsche Grandes van het Noorden voelden zich daardoor diep beleedigd,
en in hunne harten ontwaakte de lust tot wraak.
Eenige dagen na deze gebeurtenis verspreidde zich de mare in de
hoofdstad, dat Abu Bekr, de aanvoerder der troepen van den Koning van
Marocco, naar Valencia optrok. De Cid en zijne strijders verheugden
zich over dit bericht; de Infantes van Carrión echter waren minder
verrukt over het nieuws, en zij beraadslaagden samen over middelen
om den strijd te ontloopen, en weer naar hun eigen grondgebied terug
te keeren.
Hier mist een gedeelte van het verhaal, maar uit het verder verloop
blijkt, dat de ontbrekende regels betrekking hebben op een proeve
van moed van ten minste één der Infantes, die, geprikkeld door de
beschuldiging van lafheid, zich wapende om met een Moor te strijden,
die hem echter op de vlucht dreef. Maar Pero Bermuez, die de gevoelens
van den Cid wilde sparen, doodde den Saraceen, en liet het voorkomen,
alsof de Infante het had gedaan.