De onsterfelijke balladen van Spanje zijn het onderwerp geweest van een
fellen strijd, en hun belangrijkheid noopt ons, er een afzonderlijk
hoofdstuk aan te wijden. Het tijdperk waartoe zij behooren in
aanmerking genomen, en hunne verhouding tot de grootere verhalende
gedichten, kunnen wij ze hier niet al te uitvoerig behandelen. Volgens
sommige autoriteiten zijn zij van nog ouderen datum dan verzen als de
Poema del Cid en Kronieken als van Alfonso den Wijze, terwijl anderen
als hunne vaste overtuiging te kennen geven, dat het grootste gedeelte
der ballades uit een lateren tijd stammen. Het schijnt mij toe, dat er
waarheid schuilt in beide veronderstellingen, en dat het hier zooals
dikwijls in de letterkundige zeevaart, verstandig is, den middenkoers
te houden. Volgens mijne opvatting zijn er vier verschillende typen
van Spaansche balladen:
1. die welke spontaan ontstonden in het Noorden van Spanje, eenigen
tijd nadat de Castiliaansche taal gevormd was, en die, wanneer wij
er al eenige overblijfselen van bezitten, waarschijnlijk zóó totaal
veranderd zijn, dat zij, die ze het eerst gezongen hebben, ze zelf
niet meer zouden herkennen;
2. balladen, die als kronieken uit de Cantares de gesta zijn
overgenomen;