V.

Terwijl ik mij nu gereed maak, dit laatste _Geertje_-artikel te

schrijven, weet ik mij weer vol van weifelend dralen. Want er zijn

boeken, die ons zijn als een huis vol van herinneringen, vol van ons

zelf. En zoo voel ook ik mij nu als iemand, die een hem lang vertrouwd

en lief geworden huis verlaten gaat. Dat, wat het zijne is, maar toch

ook--en hoe diep voelt hij dit!--van het huis, waarin het zóó lang zijn

mijmerend leven leefde, waarmee het één was geworden, is nu bijeen

gehaald uit alle kamers en hoeken, en tot den uittocht bereid. Hij-zelf

staat vol weemoed stil: zóó als het licht door die ramen viel en tot

iets eigens in zijn tintenschakeeringen en schaduwverdonkeringen, van

het oude huis èn van hem werd, zal hij 't nooit meer zien; het leven,

wat hij hier heeft doorleefd, is voor goed voorbij.... Schimmen van

menschen en verre herluidingen als echo's van lang verklonken geween en

gelach verbergen zich nu in dit huis voor eeuwig en voor goed in

vergetelheid, vóór de vréémde komt.... Ze herklonken en leefden nog in

een heel teer leven en onwezenlijk schemerbestaan, zoolang hij hier was,

om ze te zien en te hooren. Zij herleefden op zijn zwijgend en

nauw-bewust-willend gebod.... De vreemde, die na hem komt, zal hen niet

hooren en zien.... Het mooie huis, het zal ook om dien staan, en diens

leven zal erin lachen en weenen.... Van het verstorven gelach en geween

zal hij niets voelen.... En de heengaande [p.352] man voelt zich

onrustig en gejaagd: zou hij niets van het zijne hebben vergeten? Maar

plots glimlacht hij weemoedig en knikt, in begrijpen, tot zich-zelf:

ach, niet de _twijfel_, of hij iets van het zijne heeft _vergeten_,

maakt hem zoo onrustig, maar de _zekerheid_, dat hij _moet_ achterlaten,

wat hij _nooit vergeten_ zal, die maakt hem onrustig!... Want er zijn

dingen, die men niet meenemen kàn....

"Maar welaan, laat mij sterk zijn," denkt de heengaande man, "is het

niet schoon, dat menschenwèrk langer duurt dan menschenléven, en een

ander ervan zal genieten...."

En welaan, mijn werk moèt nu toch spoedig gedaan zijn, denk ik ... is

het niet schoon, dat zoovele anderen nog zullen leven en voelen mèt, ìn

dit boek, ieder op eigen wijs; dat het wéér-klinken zal hun gelach en

hun weenen, dat zij het bezit van hun ziel en de have van hun geest er

in zullen bergen, ja vermeerderen en wijzigen, al naar de schoonheid van

dit monumentale bouwwerk, van hun gevoel voor harmonie, van hun smaak en

fijn gevoel zal vorderen?... Al weet ook ik, dat wat ik nu achterlaat

van mij, gedoemd is, in vergetelheid te gaan.... Wat van mij saamgeweven

is met de stemming van het boek, wat er niet van los te maken is, en in

woorden geborgen, naar buiten te brengen; wat ik _te_

subtiel-individueel heb doorvoeld; wat ik _niet_ heb _kunnen_ zeggen en

wat ik niet _goed_ heb kunnen zeggen, dat alles blijft achter in

vergetelheid.... Laat mij nu nog beproeven, het zoo weinig mogelijk te

doen zijn.

* * * * *

Ik zal nu ik spreken ga van het leven van _Geertje_ in Maandag's huis,

natuurlijk veel ònbesproken moeten laten. Daartoe behoort o.a. de

voortreffelijke uitbeelding van Buurvrouw Tabbe, die altijd, bij

afwezigheid van zijn zuster, _Maandag's_ huishouden bereddert. Die

uitstekende instantanée'tjes van het kinderlijk-goedhartige, van het

naïef stuursche en heel dat klein-burgerlijk gedoente, mogen voor jelui

bewaard blijven tot de lezing van het boek-zelf. Ik zal mij hier bepalen

[p.353] tot het essentiëelst-karakteristieke der hoofdfiguren. _Geertje_

heeft haar grootvader geschreven en nu, tengevolge van dien brief, komt

hij bij haar, in _Maandag's_ huis:

--Groo'va!...

Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar

buurvrouw den vorigen dag met een--"Nou, ejuus dan," hoonend op

haar had neergekeken. Hij stond en niets bewoog aan hem. Geertje

zag de lange, smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder

zijn doorborenden strafblik sloeg zij de oogen neer, de lach kroop

weg van haar gezicht en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon,

tegen de stoffigheid van het huiswerk, een bonte schort met gaten

had aangedaan, die er nog hing van Maandag's zuster. Schielijk de

linkerhand naar achteren stekend om de strik te openen, wilde zij

met de rechter de schort al wegtrekken, maar de strik trok vast en

_de ijle beweging der rechterhand scheen een strijken over de

zwangere buik, als om weg te strijken._

Dit laatste door mij gecursiveerde is een _zeer fijne opmerking_

van den schrijver. Wij moeten namelijk begrijpen, dat

dit den grootvader zelf niet alleen een beweging van schaamte

toeschijnt, maar _Geertje-zelf_ hier voelt, dat die handbeweging

haar grootvader en oom zal doen denken, dat zij zich schaamt

voor haar zwangerschap; en dit kwetst haar fierheid. Zij

immers, zooals we weten, schaamt zich daarvoor niet, omdat

ze zich, in het diepst van haar wezen, schuldeloos voelt.

--Ben je alleen? bitste de vermaanstem.

--Ja Groo'va.

--_Het tocht hier_.

Dit kurk-droge en als versteend-ordelijke aan-kleinigheden-denken, op

dit oogenblik, karakteriseert weer den grootvader uitstekend!

Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging

zij sluiten.

--Gaat u niet zitten? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid.

In een wanhopige zelfteleurstelling voelde ze zich tòch

onthutst-doen.

--_Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje?_

Hier komt weer het hoogst ergerlijke in zulk een dogmatisch-verstrakte,

door eigen bravigheids-bewustzijn hoogmoedige en gevoellooze voor den

dag: _Hij_ mag zóó weinig ontroerd [p.354] zijn door den aanblik van z'n

mishandelde en vertrapte kleindochter; _hij_ mag zoo weinig fijn gevoel

bezitten, zoo weinig onbewusten eerbied hebben voor het leed en voor dat

hooge oogenblik van elkander weerzien, dat zijn eerste woord een

bevelhebberige verklaring kan zijn, dat "het tocht!"--_Zij_ daarentegen

moet zóó eerbied-geslagen door zijn tegenwoordigheid zijn, dat ze zelfs

het benul niet behoort te hebben hem een stoel aan te bieden!! Hoogmoed

en Trots, wel te onderscheiden van Ziele-hoogheid en Gevoel-van-

eigenwaarde, worden altijd door Dwaasheid begeleid, opdat naar den wil der

zachtmoedige en onophoudelijk-onderwijzende Natuur, deze beide plechtig-

voortstappende, geharnaste ridders, meenend een helm te torsen, een

zotskap dragen, gelijk Sancho Panza zijn scheerbekken, en aldus een

schouwspel van weerzinwekkende en waarschuwende belachelijkheid zullen

zijn....

Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die

hardheid, die haar altijd had gekwetst, waarover Groo'moe met

zachtheid placht te troosten. Nu was niet Groo'moe er, maar Oom.

--Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem,

koel, strak.

-- Heb je Groo'va vergeving gevraagd?

Oom! Die braaf dee, voor 'en wit voetje!...

Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend:

--Heb ù al om vergeving gevraagd?

--Ik? Ik heb me niet laten onteere!

--Nee, ù heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd!

Daarom liep ik laast uw huis uit, toen uw zwager m'en as hoer wou

gebruike....

Groo'va, die zich juist omgewend en de hand op een stoelleuning

gelegd had, strekte die uit met gebiedend gebaar:

--Stilte!

Juist als vroeger op school.

--Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel

vinden.

Toen Oom was heengegaan, zei Groo'va:

--Ga daar zitten.

Het wás háár stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving

Groo'va in Maandag z'en woning. Hij deed net als thuis tegen stoute

jongens, die hij in zijn kamer liet komen na schooltijd. De

meester, de berispende meester--anders was hij niet voor haar.

[p.355] Men zal de uitbeeldingskunst van dit geheele stuk moeilijk te

zeer kunnen prijzen. Het schoolmeesterlijke gedoe van Groo'va, Oom's

vleiërige kruiperigheid,het staat er alles voortreffelijkin. Maar vooral

opmerkelijk is Geer's koel, strak, snibbig en hard worden. Het lijkt mij

gewenscht hier even van de eigenlijke oorzaak daarvan te spreken: omdat

zachtmoedigheid en vergevingsgezindheid goddelijk, d.i. schoon en goed

zijn, wordt een mensch bij hun aanblik ontroerd en heeft hen

onmiddellijk lief. Beproevend hen na te volgen om zelf schoon en goed te

zijn, wendt hij zich tot hen en hoort, met een gelukkig gevoel in het

hart en heerlijke overgave, aan, wat zij hem te zeggen hebben. Maar

omdat hardheid en barschheid en wrok leelijk en gering-menschelijk zijn,

wordt een mensch bij hun aanblik onmiddellijk afkeerig van hen en zegt

meer of minder bewust in zichzelf: wat kunnen dezen, die zelf

klaarblijkelijk nog niets geleerd hebben, mij leeren? En _welk recht_

hebben zij, mij te leeren? Dan keert hij zich van hen af en sluit in

zich-zelf zich op. In den grond is het dus dezelfde oorzaak, die de

menschen een eerlijk man, als hij over eerlijkheid spreekt, aandachtig

doet aanhooren, maar hen een dief, als hij 't zelfde beproeft, doet

hoonen en nog dieper verachten.

Onverschillig schokte ze neer op den stoel en bleef, den rug naar

het raam, den linkerarm zwaar over den hoek van de tafel, den

rechter slap op den schoot, voorover gebogen zitten staroogen met

botte dofheid.

Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs haar.

Geduld had Groo'va niet kunnen leeren in al die jaren van jongens

bebrommen.

--Ik wácht, op wat je te zéggen hebt, Geertje!

Driftig met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten de

lippen.--_Dat was toch zoo'n malle gewoonte van Groo'va, net

iemand, die de soep te zout vindt_.

Dit door mij gecursiveerde zinnetje is uitstekend. In een loome

onverschilligheid, voor alles wat die dorre, niet-gevoelende, niet

begrijpende oude haar verder zeggen zal, is _Geertje_ nu tot een

toestand van koel-nuchter, minachtend-scherp observeeren gekomen. Een

gewoon en algemeen verschijnsel: terwijl overgroote eerbied het

waarnemingsververmogen [p.356] van den eerbiedige ten opzichte van den

geëerbiedigde verzwakt of krachteloos maakt--men ziet dit bijvoorbeeld

aan hen, die zóó eerbiedig tegenover de tradities onzer maatschappij

staan, dat zij zelfs haar ten hemel schreiende misdaden niet zien--wordt

bij afwezigheid van eerbied het waarnemingsvermogen zeer actief. In het

bijzijn van een als-meerdere-erkende, _verdoft_ het waarnemingsvermogen

vaak--en men ziet de weerspiegeling hiervan ook meestal onmiddellijk in

het _doffer, gevoileerd_-worden van den blik!--in het bijzijn

daarentegen van den als-mindere-geschatte, _verscherpt_ het

waarnemingsvermogen niet alleen, maar wordt de geheele geest als in een

vrij-wording en ontslaking verlevendigd. (Vandaar dan spot, scherts,

enz.). Het omgaan met geestelijk-voornameren heeft zeer zeker veel nut,

omdat 't het streven naar het goede, wat men _niet_ bezit, wakker maakt,

maar het omgaan met geestelijk-geringeren en -gelijken heeft niet minder

nut, omdat men in dien vrijeren omgang _zelf_ zich ontwikkelt, en

ontplooit wat men _wèl_ bezit.

--Zul je nu spreken!? Hoog was hij vóór haar.

Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik,

als te moe, langs hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen:

--Ik heb et u ommers al geschreven.

--Geschreven!?... Je brief was één weefsel van leugens. Bedrogen

heb je me, en al zoo lang! Mij en oom, zelfs Groo'moe nog! Als die

dit had moeten beleven! Niets dan de schand'lijkste zonde en

leugen. En dat een kind van zóóveel gebed. Ongelukkige! hebben wij

dat aan je verdiend!? Het loon voor zóóveel zorg en liefde. _Ons

kind onteerd op de schandelijkste wijs, in een zonde die God het

zwaarste straft_. Hij wil dat ik oude man zwaar beproefd word. Maar

jij bent behalve aan Hem, mij rekenschap schuldig van je

ondankbaar, snood gedrag. Je bent verleid, máár je was geen kind

meer! Die man heeft zich op de laagste, de gruwelijkste wijze aan

je vergrepen, maar....

--_Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten

eeuwigen dage, zal ik fan 'em houe, diè màn_!...

Het zou van een ontzaglijk gebrek aan inzicht getuigen, het

_subjectieve_ recht van den grootvader te ontkennen, om te spreken als

hij doet, van zijn standpunt, met zijn gebrek aan [p.357]

doorvoelingsvermogen, in zijn onwetendheid, maar van een minstens even

groot gebrek aan inzicht zouden wij blijk geven, indien we èn dat

standpunt, èn dat gemis van doorvoelingsvermogen èn die onwetendheid

niet scherp zouden laken, _in iemand, die zoo hoogmoedig als rechter

optreedt_. Ware hij niet geheel verkerkelijkt, verdogmatiseerd, de door

mij gecursiveerde zin van Geertje, die uitbarsting van haar innigste en

hoogste voelen zou hem tot inkeer gebracht en hem de oogen geopend

hebben. Hij zou ingezien hebben, dat tegenover zóóveel zielssterkte en

zóóveel zielsadeldom, wel het beste wat _hem_ paste, ware: te zwijgen,

liefdevol te helpen, en aan den Hoogsten Rechter, in Wien hij immers

gelooft, het oordeel en vonnis over te laten. Hadde hij al zijn teksten

op dat oogenblik vergeten en zich slechts deze uit _Job_ herinnerd: "Leg

uw hand op den mond, want God is in den hemel en gij op aarde, laten

daarom uw woorden weinige zijn," het ware hem beter geweest! Zie ik hier

_Geertje_ en haar grootvader tegenover elkaar staan, hoe herinner ik mij

het woord der Joodsche Wijzen--ja ik ben zeer hebreeuwsch van

avond!--"Er zijn _nieuwe_ kruiken, waarin _oude_ wijn is, en _oude_

kruiken, waarin zelfs geen _nieuwe_ wijn is."--In die uiting van

_Geertje_--ik kan er niet vaak genoeg uw aandacht op vestigen--vindt ge

opnieuw de bevestiging van wat ik zei, _den sleutel tot het begrijpen

van dit boek_: Geertje is _geen_ "verleid dienstmeisje," máár: een

heldin der liefde, een van die _zeldzame menschen, die de zeer groote

liefde kunnen voelen, en die door alle wisselingen van lot en jaren, die

liefde trouw blijven,_ Wie die eigenschap bezit, _al bezit hij geen

enkele andere van even hooge ontwikkeling_, behoort reeds _daardoor_ tot

de _psychisch-heel-grooten_.--Laten we het verder verloop van het

onderhoud overslaan, hoe uitstekend, hoe vol van dramatische spanning

dit ook moge zijn. Het mooiste laat ik onaangehaald, dat moet voor u

bewaard blijven in het boek. Zoo verhaal ik u ook niet, waarom Geertje

niet met haar grootvader meegaat, die immers gekomen is, om haar te

halen, en waarom zij, zich in afgrijzen van hem afwendend, bij Maandag

achterblijft. Slechts wil ik even het zinnetje aanhalen, waarin de

[p.358] schrijver vertelt, hoé de grootvader heengaat van Geertje, en

Maandag, den bultenaar, die hem den uitgang verspert en hem smeekt

Geertje niet zóó te verlaten, op zij duwt:

_Des_ langen ouden groote hand beroerde den schouder _des_

bultenaars, en zij opende met vastheid de deur.

De ongewone harkerige deftigheid en statigheid van deze constructie met

zijn "dessen" valt op, nietwaar? Wilt gij weten waarom zij hier zoo

uitmuntend is? Herinner u dan wat ik schreef bij mijne behandeling van

_De Familie Kegge._[12] Ik noemde daar het stukje, waarin Kegge's

smartvoelen, zoo uitmuntend, omdat: "_de eigenschappen van Kegge's

smartvoelen de afbeeldende woorden en zinsbouw (hebben) doordrongen,

gedrenkt, en daarmee een zijn geworden."_ Welnu, iets dergelijks is ook

hier het geval: het harkerig-stijve, het onvermurwbaar-harde der manier

van doen van den grootvader heeft ook hier de afbeeldende woorden

doordrongen en verhard. Ge _voelt_ en _hoort_ en _ziet_ daardoor alles

onmiddellijk, terwijl, indien er een _andere_ zin stond, die u nochtans

_hetzelfde_ zou _mededeelen_, ge er slechts een _verstandelijk begrip_

van zoudt krijgen!--Maandag, bij wien zij dus achterblijft, dien naar

het lichaam zoo wanstaltige en naar de ziel zoo rechtgeschapene--hoe

aandoenlijk is zijn hulpvaardigheid, hoe aandoenlijk zijn verzwegen

liefde voor haar. Een oogenblik, één oogenblik denkt hij, dat zij

wellicht in de toekomst een troost en een licht in z'n arme leven zal

kunnen zijn. Maar eens vraagt hij haar:

--Keu-je-n-um m'ar nie' fergaite?!

--Vergete!?!

Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nog dieper weg,

maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het

and're gevoel gaat.

Dat wat dieper in hem wegzinkt, ge begrijpt het, is zijn liefde. Hij

voelt, dat zij nooit iets voor hem kan zijn. Maar hij heeft dien trek

van alle hoogere, edele naturen, dat al veroorzaakt [p.359] hun het

goede en schoone zelf teleurstelling, hun bewonderingsvermogen voor dat

schoone en goede daardoor niet wordt geschaad. Vandaar, ìn zijn leed,

zijn geestdrift voor de prachtige liefde en persoonlijkheid van

Geertje!--

Bij het verhaal van Maandag's bezorgdheid over haar; zijn

niet-kunnen-begrijpen, dat Geertje zoo opgeruimd is, en hem met zoo'n

weldoende gezelligheid kan omringen; zijn angst dat zij dit alles maar

voorwendt, om er een noodlottig plan achter te verbergen, geeft de

auteur van die opgeruimdheid deze _prachtige_ psychologische

verklaring--te mooi, om er niet nadrukkelijk uw aandacht op te vestigen:

(De woorden waar het op aankomt, cursiveer ik.)

Nu Geer er was, hoefde hij den sleutel niet bij buurvrouw te

brengen, wanneer hij 's avonds uitging. Maar nooit had z'n woning

deze gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis.

Geregeld kreeg hij zijn koffie en thee, den kinderen ontbrak het

niet meer aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week

welhaast het nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed

als een rouw, die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder

de gewaarwording van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat

hij met snel-knippende straaloogen meer te soezen dan te werken aan

zijn schrijftafeltje, bij de kaars, die Geer er "verzonnen" had. En

op haar vraag:--"Wil u daar uw thee?" zei hij telkens gretig:--"Ik

kom."

Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer

aangegrepen door een vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar

_dit zijn hier was als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven

elders verliep_--en haar doen van den ganschen avond bleef hem een

raadsel, zoet ... máár angstig....

Ge begrijpt dat dit "elders" is: bij Heins, bij den man, dien zij voor

altijd liefheeft!--En nu datgene, wat ik, in het vorig hoofdstuk, een

fout noemde in de beelding der Maandag-figuur: het is onverklaarbaar,

althans mij is het niet gegeven geweest er een aannemelijke verklaring

voor te vinden, dat een man van zulk een noblesse, Geertje niet bij

tijds voor Heins waarschuwt, waarvoor hij ampel gelegenheid had.

Onbekendheid met de "moreele principes" van dat heer kan het niet

geweest zijn, schuchterheid evenmin; z'n verhaal o.a. dien avond, ten

huize van Heins, van die voorname mevrouw, [p.360] die haar man heeft

laten zitten en met een ander er van door is, bewijst het tegendeel. En

dus blijft _mij_ niet anders over dan het een fout te achten, een

barstje in de gaafheid van het' overigens zuivere beeld.

* * * * *

Hiermede is voltooid mijn behandeling van dit boek dat, als van zelf

ontstaan symbool van vertroosting, met de verheerlijking van het

socialisme en zijn strijders eindigt--een waardig einde....

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 70 / 78 题