Terwijl ik mij nu gereed maak, dit laatste _Geertje_-artikel te
schrijven, weet ik mij weer vol van weifelend dralen. Want er zijn
boeken, die ons zijn als een huis vol van herinneringen, vol van ons
zelf. En zoo voel ook ik mij nu als iemand, die een hem lang vertrouwd
en lief geworden huis verlaten gaat. Dat, wat het zijne is, maar toch
ook--en hoe diep voelt hij dit!--van het huis, waarin het zóó lang zijn
mijmerend leven leefde, waarmee het één was geworden, is nu bijeen
gehaald uit alle kamers en hoeken, en tot den uittocht bereid. Hij-zelf
staat vol weemoed stil: zóó als het licht door die ramen viel en tot
iets eigens in zijn tintenschakeeringen en schaduwverdonkeringen, van
het oude huis èn van hem werd, zal hij 't nooit meer zien; het leven,
wat hij hier heeft doorleefd, is voor goed voorbij.... Schimmen van
menschen en verre herluidingen als echo's van lang verklonken geween en
gelach verbergen zich nu in dit huis voor eeuwig en voor goed in
vergetelheid, vóór de vréémde komt.... Ze herklonken en leefden nog in
een heel teer leven en onwezenlijk schemerbestaan, zoolang hij hier was,
om ze te zien en te hooren. Zij herleefden op zijn zwijgend en
nauw-bewust-willend gebod.... De vreemde, die na hem komt, zal hen niet
hooren en zien.... Het mooie huis, het zal ook om dien staan, en diens
leven zal erin lachen en weenen.... Van het verstorven gelach en geween
zal hij niets voelen.... En de heengaande [p.352] man voelt zich
onrustig en gejaagd: zou hij niets van het zijne hebben vergeten? Maar
plots glimlacht hij weemoedig en knikt, in begrijpen, tot zich-zelf:
ach, niet de _twijfel_, of hij iets van het zijne heeft _vergeten_,
maakt hem zoo onrustig, maar de _zekerheid_, dat hij _moet_ achterlaten,
wat hij _nooit vergeten_ zal, die maakt hem onrustig!... Want er zijn
dingen, die men niet meenemen kàn....
"Maar welaan, laat mij sterk zijn," denkt de heengaande man, "is het
niet schoon, dat menschenwèrk langer duurt dan menschenléven, en een
ander ervan zal genieten...."
En welaan, mijn werk moèt nu toch spoedig gedaan zijn, denk ik ... is
het niet schoon, dat zoovele anderen nog zullen leven en voelen mèt, ìn
dit boek, ieder op eigen wijs; dat het wéér-klinken zal hun gelach en
hun weenen, dat zij het bezit van hun ziel en de have van hun geest er
in zullen bergen, ja vermeerderen en wijzigen, al naar de schoonheid van
dit monumentale bouwwerk, van hun gevoel voor harmonie, van hun smaak en
fijn gevoel zal vorderen?... Al weet ook ik, dat wat ik nu achterlaat
van mij, gedoemd is, in vergetelheid te gaan.... Wat van mij saamgeweven
is met de stemming van het boek, wat er niet van los te maken is, en in
woorden geborgen, naar buiten te brengen; wat ik _te_
subtiel-individueel heb doorvoeld; wat ik _niet_ heb _kunnen_ zeggen en
wat ik niet _goed_ heb kunnen zeggen, dat alles blijft achter in
vergetelheid.... Laat mij nu nog beproeven, het zoo weinig mogelijk te
doen zijn.
* * * * *
Ik zal nu ik spreken ga van het leven van _Geertje_ in Maandag's huis,
natuurlijk veel ònbesproken moeten laten. Daartoe behoort o.a. de
voortreffelijke uitbeelding van Buurvrouw Tabbe, die altijd, bij
afwezigheid van zijn zuster, _Maandag's_ huishouden bereddert. Die
uitstekende instantanée'tjes van het kinderlijk-goedhartige, van het
naïef stuursche en heel dat klein-burgerlijk gedoente, mogen voor jelui
bewaard blijven tot de lezing van het boek-zelf. Ik zal mij hier bepalen
[p.353] tot het essentiëelst-karakteristieke der hoofdfiguren. _Geertje_
heeft haar grootvader geschreven en nu, tengevolge van dien brief, komt
hij bij haar, in _Maandag's_ huis:
--Groo'va!...
Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar
buurvrouw den vorigen dag met een--"Nou, ejuus dan," hoonend op
haar had neergekeken. Hij stond en niets bewoog aan hem. Geertje
zag de lange, smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder
zijn doorborenden strafblik sloeg zij de oogen neer, de lach kroop
weg van haar gezicht en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon,
tegen de stoffigheid van het huiswerk, een bonte schort met gaten
had aangedaan, die er nog hing van Maandag's zuster. Schielijk de
linkerhand naar achteren stekend om de strik te openen, wilde zij
met de rechter de schort al wegtrekken, maar de strik trok vast en
_de ijle beweging der rechterhand scheen een strijken over de
zwangere buik, als om weg te strijken._
Dit laatste door mij gecursiveerde is een _zeer fijne opmerking_
van den schrijver. Wij moeten namelijk begrijpen, dat
dit den grootvader zelf niet alleen een beweging van schaamte
toeschijnt, maar _Geertje-zelf_ hier voelt, dat die handbeweging
haar grootvader en oom zal doen denken, dat zij zich schaamt
voor haar zwangerschap; en dit kwetst haar fierheid. Zij
immers, zooals we weten, schaamt zich daarvoor niet, omdat
ze zich, in het diepst van haar wezen, schuldeloos voelt.
--Ben je alleen? bitste de vermaanstem.
--Ja Groo'va.
--_Het tocht hier_.
Dit kurk-droge en als versteend-ordelijke aan-kleinigheden-denken, op
dit oogenblik, karakteriseert weer den grootvader uitstekend!
Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging
zij sluiten.
--Gaat u niet zitten? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid.
In een wanhopige zelfteleurstelling voelde ze zich tòch
onthutst-doen.
--_Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje?_
Hier komt weer het hoogst ergerlijke in zulk een dogmatisch-verstrakte,
door eigen bravigheids-bewustzijn hoogmoedige en gevoellooze voor den
dag: _Hij_ mag zóó weinig ontroerd [p.354] zijn door den aanblik van z'n
mishandelde en vertrapte kleindochter; _hij_ mag zoo weinig fijn gevoel
bezitten, zoo weinig onbewusten eerbied hebben voor het leed en voor dat
hooge oogenblik van elkander weerzien, dat zijn eerste woord een
bevelhebberige verklaring kan zijn, dat "het tocht!"--_Zij_ daarentegen
moet zóó eerbied-geslagen door zijn tegenwoordigheid zijn, dat ze zelfs
het benul niet behoort te hebben hem een stoel aan te bieden!! Hoogmoed
en Trots, wel te onderscheiden van Ziele-hoogheid en Gevoel-van-
eigenwaarde, worden altijd door Dwaasheid begeleid, opdat naar den wil der
zachtmoedige en onophoudelijk-onderwijzende Natuur, deze beide plechtig-
voortstappende, geharnaste ridders, meenend een helm te torsen, een
zotskap dragen, gelijk Sancho Panza zijn scheerbekken, en aldus een
schouwspel van weerzinwekkende en waarschuwende belachelijkheid zullen
zijn....
Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die
hardheid, die haar altijd had gekwetst, waarover Groo'moe met
zachtheid placht te troosten. Nu was niet Groo'moe er, maar Oom.
--Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem,
koel, strak.
-- Heb je Groo'va vergeving gevraagd?
Oom! Die braaf dee, voor 'en wit voetje!...
Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend:
--Heb ù al om vergeving gevraagd?
--Ik? Ik heb me niet laten onteere!
--Nee, ù heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd!
Daarom liep ik laast uw huis uit, toen uw zwager m'en as hoer wou
gebruike....
Groo'va, die zich juist omgewend en de hand op een stoelleuning
gelegd had, strekte die uit met gebiedend gebaar:
--Stilte!
Juist als vroeger op school.
--Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel
vinden.
Toen Oom was heengegaan, zei Groo'va:
--Ga daar zitten.
Het wás háár stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving
Groo'va in Maandag z'en woning. Hij deed net als thuis tegen stoute
jongens, die hij in zijn kamer liet komen na schooltijd. De
meester, de berispende meester--anders was hij niet voor haar.
[p.355] Men zal de uitbeeldingskunst van dit geheele stuk moeilijk te
zeer kunnen prijzen. Het schoolmeesterlijke gedoe van Groo'va, Oom's
vleiërige kruiperigheid,het staat er alles voortreffelijkin. Maar vooral
opmerkelijk is Geer's koel, strak, snibbig en hard worden. Het lijkt mij
gewenscht hier even van de eigenlijke oorzaak daarvan te spreken: omdat
zachtmoedigheid en vergevingsgezindheid goddelijk, d.i. schoon en goed
zijn, wordt een mensch bij hun aanblik ontroerd en heeft hen
onmiddellijk lief. Beproevend hen na te volgen om zelf schoon en goed te
zijn, wendt hij zich tot hen en hoort, met een gelukkig gevoel in het
hart en heerlijke overgave, aan, wat zij hem te zeggen hebben. Maar
omdat hardheid en barschheid en wrok leelijk en gering-menschelijk zijn,
wordt een mensch bij hun aanblik onmiddellijk afkeerig van hen en zegt
meer of minder bewust in zichzelf: wat kunnen dezen, die zelf
klaarblijkelijk nog niets geleerd hebben, mij leeren? En _welk recht_
hebben zij, mij te leeren? Dan keert hij zich van hen af en sluit in
zich-zelf zich op. In den grond is het dus dezelfde oorzaak, die de
menschen een eerlijk man, als hij over eerlijkheid spreekt, aandachtig
doet aanhooren, maar hen een dief, als hij 't zelfde beproeft, doet
hoonen en nog dieper verachten.
Onverschillig schokte ze neer op den stoel en bleef, den rug naar
het raam, den linkerarm zwaar over den hoek van de tafel, den
rechter slap op den schoot, voorover gebogen zitten staroogen met
botte dofheid.
Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs haar.
Geduld had Groo'va niet kunnen leeren in al die jaren van jongens
bebrommen.
--Ik wácht, op wat je te zéggen hebt, Geertje!
Driftig met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten de
lippen.--_Dat was toch zoo'n malle gewoonte van Groo'va, net
iemand, die de soep te zout vindt_.
Dit door mij gecursiveerde zinnetje is uitstekend. In een loome
onverschilligheid, voor alles wat die dorre, niet-gevoelende, niet
begrijpende oude haar verder zeggen zal, is _Geertje_ nu tot een
toestand van koel-nuchter, minachtend-scherp observeeren gekomen. Een
gewoon en algemeen verschijnsel: terwijl overgroote eerbied het
waarnemingsververmogen [p.356] van den eerbiedige ten opzichte van den
geëerbiedigde verzwakt of krachteloos maakt--men ziet dit bijvoorbeeld
aan hen, die zóó eerbiedig tegenover de tradities onzer maatschappij
staan, dat zij zelfs haar ten hemel schreiende misdaden niet zien--wordt
bij afwezigheid van eerbied het waarnemingsvermogen zeer actief. In het
bijzijn van een als-meerdere-erkende, _verdoft_ het waarnemingsvermogen
vaak--en men ziet de weerspiegeling hiervan ook meestal onmiddellijk in
het _doffer, gevoileerd_-worden van den blik!--in het bijzijn
daarentegen van den als-mindere-geschatte, _verscherpt_ het
waarnemingsvermogen niet alleen, maar wordt de geheele geest als in een
vrij-wording en ontslaking verlevendigd. (Vandaar dan spot, scherts,
enz.). Het omgaan met geestelijk-voornameren heeft zeer zeker veel nut,
omdat 't het streven naar het goede, wat men _niet_ bezit, wakker maakt,
maar het omgaan met geestelijk-geringeren en -gelijken heeft niet minder
nut, omdat men in dien vrijeren omgang _zelf_ zich ontwikkelt, en
ontplooit wat men _wèl_ bezit.
--Zul je nu spreken!? Hoog was hij vóór haar.
Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik,
als te moe, langs hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen:
--Ik heb et u ommers al geschreven.
--Geschreven!?... Je brief was één weefsel van leugens. Bedrogen
heb je me, en al zoo lang! Mij en oom, zelfs Groo'moe nog! Als die
dit had moeten beleven! Niets dan de schand'lijkste zonde en
leugen. En dat een kind van zóóveel gebed. Ongelukkige! hebben wij
dat aan je verdiend!? Het loon voor zóóveel zorg en liefde. _Ons
kind onteerd op de schandelijkste wijs, in een zonde die God het
zwaarste straft_. Hij wil dat ik oude man zwaar beproefd word. Maar
jij bent behalve aan Hem, mij rekenschap schuldig van je
ondankbaar, snood gedrag. Je bent verleid, máár je was geen kind
meer! Die man heeft zich op de laagste, de gruwelijkste wijze aan
je vergrepen, maar....
--_Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten
eeuwigen dage, zal ik fan 'em houe, diè màn_!...
Het zou van een ontzaglijk gebrek aan inzicht getuigen, het
_subjectieve_ recht van den grootvader te ontkennen, om te spreken als
hij doet, van zijn standpunt, met zijn gebrek aan [p.357]
doorvoelingsvermogen, in zijn onwetendheid, maar van een minstens even
groot gebrek aan inzicht zouden wij blijk geven, indien we èn dat
standpunt, èn dat gemis van doorvoelingsvermogen èn die onwetendheid
niet scherp zouden laken, _in iemand, die zoo hoogmoedig als rechter
optreedt_. Ware hij niet geheel verkerkelijkt, verdogmatiseerd, de door
mij gecursiveerde zin van Geertje, die uitbarsting van haar innigste en
hoogste voelen zou hem tot inkeer gebracht en hem de oogen geopend
hebben. Hij zou ingezien hebben, dat tegenover zóóveel zielssterkte en
zóóveel zielsadeldom, wel het beste wat _hem_ paste, ware: te zwijgen,
liefdevol te helpen, en aan den Hoogsten Rechter, in Wien hij immers
gelooft, het oordeel en vonnis over te laten. Hadde hij al zijn teksten
op dat oogenblik vergeten en zich slechts deze uit _Job_ herinnerd: "Leg
uw hand op den mond, want God is in den hemel en gij op aarde, laten
daarom uw woorden weinige zijn," het ware hem beter geweest! Zie ik hier
_Geertje_ en haar grootvader tegenover elkaar staan, hoe herinner ik mij
het woord der Joodsche Wijzen--ja ik ben zeer hebreeuwsch van
avond!--"Er zijn _nieuwe_ kruiken, waarin _oude_ wijn is, en _oude_
kruiken, waarin zelfs geen _nieuwe_ wijn is."--In die uiting van
_Geertje_--ik kan er niet vaak genoeg uw aandacht op vestigen--vindt ge
opnieuw de bevestiging van wat ik zei, _den sleutel tot het begrijpen
van dit boek_: Geertje is _geen_ "verleid dienstmeisje," máár: een
heldin der liefde, een van die _zeldzame menschen, die de zeer groote
liefde kunnen voelen, en die door alle wisselingen van lot en jaren, die
liefde trouw blijven,_ Wie die eigenschap bezit, _al bezit hij geen
enkele andere van even hooge ontwikkeling_, behoort reeds _daardoor_ tot
de _psychisch-heel-grooten_.--Laten we het verder verloop van het
onderhoud overslaan, hoe uitstekend, hoe vol van dramatische spanning
dit ook moge zijn. Het mooiste laat ik onaangehaald, dat moet voor u
bewaard blijven in het boek. Zoo verhaal ik u ook niet, waarom Geertje
niet met haar grootvader meegaat, die immers gekomen is, om haar te
halen, en waarom zij, zich in afgrijzen van hem afwendend, bij Maandag
achterblijft. Slechts wil ik even het zinnetje aanhalen, waarin de
[p.358] schrijver vertelt, hoé de grootvader heengaat van Geertje, en
Maandag, den bultenaar, die hem den uitgang verspert en hem smeekt
Geertje niet zóó te verlaten, op zij duwt:
_Des_ langen ouden groote hand beroerde den schouder _des_
bultenaars, en zij opende met vastheid de deur.
De ongewone harkerige deftigheid en statigheid van deze constructie met
zijn "dessen" valt op, nietwaar? Wilt gij weten waarom zij hier zoo
uitmuntend is? Herinner u dan wat ik schreef bij mijne behandeling van
_De Familie Kegge._[12] Ik noemde daar het stukje, waarin Kegge's
smartvoelen, zoo uitmuntend, omdat: "_de eigenschappen van Kegge's
smartvoelen de afbeeldende woorden en zinsbouw (hebben) doordrongen,
gedrenkt, en daarmee een zijn geworden."_ Welnu, iets dergelijks is ook
hier het geval: het harkerig-stijve, het onvermurwbaar-harde der manier
van doen van den grootvader heeft ook hier de afbeeldende woorden
doordrongen en verhard. Ge _voelt_ en _hoort_ en _ziet_ daardoor alles
onmiddellijk, terwijl, indien er een _andere_ zin stond, die u nochtans
_hetzelfde_ zou _mededeelen_, ge er slechts een _verstandelijk begrip_
van zoudt krijgen!--Maandag, bij wien zij dus achterblijft, dien naar
het lichaam zoo wanstaltige en naar de ziel zoo rechtgeschapene--hoe
aandoenlijk is zijn hulpvaardigheid, hoe aandoenlijk zijn verzwegen
liefde voor haar. Een oogenblik, één oogenblik denkt hij, dat zij
wellicht in de toekomst een troost en een licht in z'n arme leven zal
kunnen zijn. Maar eens vraagt hij haar:
--Keu-je-n-um m'ar nie' fergaite?!
--Vergete!?!
Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nog dieper weg,
maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het
and're gevoel gaat.
Dat wat dieper in hem wegzinkt, ge begrijpt het, is zijn liefde. Hij
voelt, dat zij nooit iets voor hem kan zijn. Maar hij heeft dien trek
van alle hoogere, edele naturen, dat al veroorzaakt [p.359] hun het
goede en schoone zelf teleurstelling, hun bewonderingsvermogen voor dat
schoone en goede daardoor niet wordt geschaad. Vandaar, ìn zijn leed,
zijn geestdrift voor de prachtige liefde en persoonlijkheid van
Geertje!--
Bij het verhaal van Maandag's bezorgdheid over haar; zijn
niet-kunnen-begrijpen, dat Geertje zoo opgeruimd is, en hem met zoo'n
weldoende gezelligheid kan omringen; zijn angst dat zij dit alles maar
voorwendt, om er een noodlottig plan achter te verbergen, geeft de
auteur van die opgeruimdheid deze _prachtige_ psychologische
verklaring--te mooi, om er niet nadrukkelijk uw aandacht op te vestigen:
(De woorden waar het op aankomt, cursiveer ik.)
Nu Geer er was, hoefde hij den sleutel niet bij buurvrouw te
brengen, wanneer hij 's avonds uitging. Maar nooit had z'n woning
deze gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis.
Geregeld kreeg hij zijn koffie en thee, den kinderen ontbrak het
niet meer aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week
welhaast het nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed
als een rouw, die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder
de gewaarwording van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat
hij met snel-knippende straaloogen meer te soezen dan te werken aan
zijn schrijftafeltje, bij de kaars, die Geer er "verzonnen" had. En
op haar vraag:--"Wil u daar uw thee?" zei hij telkens gretig:--"Ik
kom."
Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer
aangegrepen door een vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar
_dit zijn hier was als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven
elders verliep_--en haar doen van den ganschen avond bleef hem een
raadsel, zoet ... máár angstig....
Ge begrijpt dat dit "elders" is: bij Heins, bij den man, dien zij voor
altijd liefheeft!--En nu datgene, wat ik, in het vorig hoofdstuk, een
fout noemde in de beelding der Maandag-figuur: het is onverklaarbaar,
althans mij is het niet gegeven geweest er een aannemelijke verklaring
voor te vinden, dat een man van zulk een noblesse, Geertje niet bij
tijds voor Heins waarschuwt, waarvoor hij ampel gelegenheid had.
Onbekendheid met de "moreele principes" van dat heer kan het niet
geweest zijn, schuchterheid evenmin; z'n verhaal o.a. dien avond, ten
huize van Heins, van die voorname mevrouw, [p.360] die haar man heeft
laten zitten en met een ander er van door is, bewijst het tegendeel. En
dus blijft _mij_ niet anders over dan het een fout te achten, een
barstje in de gaafheid van het' overigens zuivere beeld.
* * * * *
Hiermede is voltooid mijn behandeling van dit boek dat, als van zelf
ontstaan symbool van vertroosting, met de verheerlijking van het
socialisme en zijn strijders eindigt--een waardig einde....