IV.

Heins zou de volkomen gewetenlooze erotomaan niet moeten zijn, die hij

is, indien hij zich _Geertje_ niet van den hals wilde schuiven zoodra

hij merkte, dat zij zwanger was en hem dus lastig kon worden. Voorwerp

van pleizier voor hem, en geen mensch die leeft óók om eigen volmaking

te benaderen, werpt hij haar weg, zooals men een oude jas wegwerpt. In

dit gedeelte van het werk breekt wel de laagheid van dezen man ten volle

open, als een etterende kanker, welks stank de lucht verpest, en welke

ieder, die het woekergezwel onbeschermd zou willen aanraken, met

infectie bedreigt. Maar evenals de wetenschap--meestentijds _niet_ door

_menschen_liefde, maar door liefde tot het _weten_ gedreven,--het

bereikt heeft, gevaarlijke smetstoffen te kunnen omvormen tot

voorbehoedende en genezende substanties, zoo is het der kunst

gegeven--haar, die evenmin door _menschen_liefde, maar liefde en drang

tot _scheppen_ wordt bewogen--uit ziektestoffen voorbehoed- en

geneesmiddelen te puren.

Máár, m'n lieve vrienden en vriendinnen, vóór ik verder ga, even dit:

begrijpt gij _mij_ wel, weet gij het wel goed, dat ik geen

"zedeprediker" ben, gij die dit weten _kunt_, die immers nu reeds sedert

eenige jaren mijne uiteenzettingen volgend, hebt kunnen verstaan, dat ik

niet tot die soort van menschen behoor, wier eerzucht of eenig ander

verlangen hen in de richting van het "zedepreeken" drijven kàn, maar tot

die [p.337] soort, wier verlangen hen slechts er naar doet streven, zoo

zuiver en schoon mogelijk de dingen te zeggen, die zij denken en zien,

en wier begeerte alleen kan zijn, juiste en zelfgevonden of hèrvonden

inzichten over kunst te verbreiden, opdat de menschen de waarde van

zulke inzichten voelen en de macht tot juist-inzien en -genieten in

zich-zelf aankweeken zullen? O, mocht ik in de overbodigheid dier vraag

kunnen geloovenl Want ik zou het héél verdrietig vinden, zoo ge mij voor

iemand hieldt, die zoo dwaas is, zich op een buitenmenschelijke

standplaats te willen stellen en mal-hoogmoedig van sexueele driften als

iets minderwaardigs te spreken. Evenals alles wat natuurlijk is, is ook

sexueele hartstocht in zich-zelf iets moois, maar evenals al het

schoone, dat buiten alle goede proportie staat tot het geheel, waartoe

het behoort, iets of alles van de macht tot het uiten zijner schoonheid

inboet, ja, iets hinderlijks en schadelijks wordt, zóó verliest ook de

sexueele hartstocht de schoonheid harer verschijning en schaadt en

hindert, indien zij buiten alle goede proportie in eens menschen ziel

aanwezig is. Wat nu is het voornaamste kenmerk van iets, dat buiten

goede verhouding tot zijn geheel staat? Dit: dat het niet _schijnbaar_

een ander deel verdringt en verdrukt, door het te _veredelen_[9], maar

het _werkelijk_ verdringt en verdrukt door het te _verlagen_ en te

_verkleinen_. En dat zien we dan ook hier gebeuren. De sexueele

hartstocht bij _Heins_ verlaagt het verantwoordelijkheidsgevoel, het

medelijden en de meest primitieve menschelijkheid in hem. Maar hierbij

blijft het niet. Want elkeen, in wiens ziel het eene deel het andere

verlaagt, die wordt _zelf_ een _verlager_. Zijn _leven-in-de-menschelijke-

samenleving wordt een beeld van het leven-in-zijn-ziel._ Zooals een deel

van zijn [p.338] wezen de andere verdrukt en schaadt, zoo verdrukt en

schaadt hij--een deel der menschelijke samenleving--de andere deelen.

Zóó als het sexueele in _Heins_ àl het andere in hem schaadt, zóó

schaadt Heins _Geertje_ en zooveel andere vrouwen. Gij ziet dus nu, dat

ik niet uit zedeprekerigheid dit sexueele in _Heins_ bij een kanker

vergeleek, maar alleen, omdat ik, droog en nuchter redeneerend, tot de

logische slotsom kwam, dat de sexualiteit in _die_ verhouding, in een

mensch, tot al het andere staande, bij een kanker, _die immers den

organischen weefsels hun levenssappen onttrekt_, nu eenmaal te

vergelijken ìs.

Maar waarom beweerde ik ook, dat het der kunst evenals der geneeskunde

gegeven is, uit ziektestoffen voorbehoedende geneesmiddelen te bereiden?

Wel, dit kondt gij reeds begrepen hebben uit hetgeen ik in mijn eerste

_Geertje_-artikel zeide: "dat kunst uitspreekt wat geen andere mond kan

uitspreken," maar toch, laat mij 't hier nog maar even verduidelijkend

uiteenzetten: Als gij het ongeluk hadt met een man als _Heins_ om te

gaan, dan zoudt ge voornamelijk opmerken--omdat ge jong zijt--hoe hij

"geniet." Maar veel vluchtiger zou het uw aandacht treffen, op hoe

ontzettende wijze hij anderen ongelukkig maakt. Ten eerste omdat de

eigen begeerten van uw jonge, krachtige lichaam, u onbewust ertoe zouden

brengen, voor het laatste de oogen te sluiten en u-zelf op allerhande

manieren te bepraten, dat 't "zoo erg niet is," ten tweede, omdat ge er

prijs op zoudt stellen, den "succesvollen" _Heins_ binnen uw

gezichtskring te houden, maar zijn slachtoffers niet alleen door den

aard van hun leed, dat zich wil verbergen, uit uw gezichtskring

verdwijnen zouden, doch ook zoo spoedig mogelijk door u _eruit

verwijderd_ zouden worden, omdat gij zelfs minachting voor _hen_ hebben

zoudt!!

Dáárom is een mensch als _Heins_ in _het leven_ de _smetstof_.

Maar nu komt de kunst en puurt daar het geneesmiddel uit: ge _wordt

gedwongen_ Heins te zien in zijn weerzinwekkendheid, het helpt u niet

dat ge de oogen sluit. Want ge ziet hem _nu_ niet met de oogen, ge ziet

hem met uw _ziel_. Het _leven_ [p.339] wordt door de meesten slechts

door de _oogen_ gezien, kunst _als zoodanig_ nooit anders dan door de

_ziel_. En deze heeft geen leden die ge sluiten kunt, met handen kunt ge

haar niet bedekken, en luiken noch duisternis sluiten iets voor haar af.

Dáárom is een man als Heins in _kunst_ het voorbehoedend _geneesmiddel_,

Want wat voor wezens zoudt gij moeten zijn, indien ge, ontroerd bij het

lezen van dit boek, u-zelf niet eerlijk en vast de belofte deedt: zulk

een misdaad zal ik nooit plegen, opdat, als ik zelf een huis zal hebben

gesticht en kinderen zal hebben op te voeden en te waarschuwen voor het

doen van zùlke daden, mijn toon niet onvast als die van een leugenaar

zal zijn, bij het herinneren: maar ik deed het zelf.... Dit mijn flinke,

gezonde jongens en meisjes uit het werkend volk zult gij ongetwijfeld

bedenken bij het lezen van dit werk. Gij in de allereerste plaats, wier

klasse opgaat uit het verleden als een ververschende waterstraal uit den

grond, gij zijt gekomen om te laven àl de bloemengeslachten van het

heerlijk-menschlijke, die dorgebrand en vertreden zijn. _Zie goed toe

wat ge doet_: gij zijt geboren om _iets schooners dan het verleden_ te

helpen stichten. En wat het verleden nu is en eens zal zijn, daartoe

behooren: de middeleeuwsche Heer met zijn recht-van-den-eersten-nacht;

de fabrieksheeren, die de meisjes in hun werkplaatsen dwingen tot hun

wil; de bourgeoisie-heertjes, die vóór ze rijke huwelijken doen en

"geachte burgers" worden, de kinderen der arme volkslagen tot publieke

vrouwen maken. Hoon u-zelf niet, door niet beter te zijn dan zij en als

zij te meenen dat armen de lustprooi der rijkeren zijn. Hun ondeugd is

verachtelijk, omdat zij _ondeugd_ is, de uwe zou het niet alleen zijn

omdat zij ondeugd, maar ook _belachelijk-van-dwaasheid_ ware. Gescheiden

door verren maatschappelijken afstand en vaak enorme weelde, als _zij_

waren van hun ondergeschikten, lijkt het te verklaren, hoe er iets als

een nevelige voorstelling in hun gedemoraliseerde hoofden was, dat zij

een hooger soort menschen dan die ondergeschikten waren en in hun recht,

zoo ze die offerden aan hun lust; maar zoo gij proletariërs-zelf [p.340]

zoudt meenen, dat uw dienstmeisje een geringer soort mensch dan uw

zuster is--wat bleef er ons dan over dan het hoofd in onze handen te

bergen om uw clownige bespottelijkheid, verdwazing en slechtheid niet te

zien. Neen, dan zoudt ge niet _iets schooners dan het verleden_ kunnen

stichten, om de eenvoudige reden, dat _gij-zelf helaas nog iets

leelijkers dan het verleden zoudt zijn_. Als eens de ontwikkeling van

het economische leven een betere maatschappij zal hebben doen groeien,

dan zal tevens een hoogere moraal verrijzen, wier idée zal zichtbaar

worden voor de oogen der besten, die dan leven, en die, ten slotte,

vertastbaard zal staan, als een open hof waar rechters zitten, midden

den geweldigen ringbouw van geheel het maatschappelijk zijn, en met zijn

torenspitsen rijzend dat te boven--want de ethische _leer_ eener

maatschappij rijst _altijd_ hooger dan haar ethische _werkelijkheid_--;

_als een open hof_, verstaat ge: waarheen iedereen zal _kunnen_ gaan

_die wil_, om geestesadeldom en goedheid te leeren. Of zij _willen_

zùllen, dat hangt óók van _u_ af, lieve vrienden. Van de economische

omstandigheden, van den _maatschappelijken ringbouw_, hangt slechts af

of zij zullen _kunnen_: of die ringbouw hun den weg naar den hof niet

_verspert_. Troost u niet met de gedachte: er zal dan minder verlokking

tot slechtheid zijn. Zeker, _deze gedachte is waar_, maar er zal

_genoeg_ verlokking overblijven, er zullen mogelijkheden ten goede en

ten kwade ontstaan, waarvan wij nu geen begrip hebben, en het _zal van

de harten en de zielen zelf afhangen, dan als in alle tijden, in hoe

verre de ethische leer werkelijkheid zal zijn. Alles_ moet _geleidelijk_

zich ontwikkelen, en gij moet nu met vasten wil, met jonge kracht, die

ontwikkeling aanvangen en volhouden. _Neemt u in acht!_ Er was nooit

heerlijker gelegenheid voor de menschheid, iets opperst-schoons te

bereiken--nooit zullen de smaad en de rampen grooter zijn, als die

gelegenheid wordt verzuimd. Uw klasse is het zaad, dat nog midden slijk

en wormen in den grond verborgen ligt, waarop de voeten stampen en de

monden spuwen. Neemt u in acht, opdat het niet verrot in den bodem, en

of nimmer ontspruit, òf opkomt [p.341] met dorrende knoppen en

verwelkend blad, daar de hemel en de zon en al de schepselen met

verheerlijkte gelaten, naar de ontluiking van een nieuw levenswonder van

schoonheid en van kracht uitzagen.... Opdat het dan niet in de wereld

worde als in een huis waar een kind wordt verwacht, en de lucht

trillende hangt van naderende vreugde, en de oogen der wachtenden zacht

en gedempt glanzen van een blijdschap, die zich nog niet geven kan, maar

straks, o, straks, uitstrálen zal en ... het kind wordt dood of misvormd

geboren en vervult de harten en het huis met rouw en schrijnend leed, om

de voor langen, langen tijd teleurgestelde verwachting....

Alles _groeit geleidelijk_. En, lieve vrienden, wat ik nu ga zeggen, dat

doe ik alweer niet uit zedeprekerigheid, maar omdat ik u beloofde in

mijn allereerst artikel, dat wij "dat leven samen zouden zien."[10]

Begrijpt het goed; het is niet voldoende, weerzin tegen een man als

Heins te voelen, om niet zooals hij te worden. Zelfbedwang,

menschenliefde, eerbied voor lot en levensgeluk van een medemensch, die

alle komen niet, om zoo te zeggen, kant en klaar uit den hemel gevallen.

Wie niet langzamerhand bij vele _kleine_ gelegen-heidjes gestreefd heeft

naar het bezit dier deugden, maar integendeel bij die _kleine_

gelegenheden het zelfbedwang, de menschenliefde en den eerbied voor het

levensgeluk van anderen onder den voet geloopen heeft, hij moet niet

denken, dat als de _groote_ gelegenheid komt, hij de verlokking daarvan

zal kunnen weerstaan. Niemand kan zeggen: nu, dit is zoo erg niet, dàt

doe ik, maar dáár is ook de grens, diè overschrijdt* ik nièt; hij moet

zorgen, zoover van daan te blijven van die grens, dat het _niet bij hem

kan opkomen_, haar te overschrijden. En iets dergelijks bedoelde

ongetwijfeld ook Wells, met zijne indertijd bij mijne behandeling van

_Het Voedsel der Goden_ geciteerde woorden: "_zooals gezonde gewoonten

van geest en leven de troon zijn_." Zonder zulke gewoonten geen vaste en

eervolle zetel in het leven, waarop men, veilig zittend, schouwen en

werken kan. Want zooals degeen, die zich altijd voorneemt _morgen_ iets

te doen, _nooit_ iets doet, [p.342] zóó laat degeen, die zich bij het

plegen van _vele lichte vergrijpen_ voorneemt, de _zwaardere_ na te

laten, ten slotte ook die zwaardere _niet_ na. En ge herinnert u wel uit

mijn behandeling destijds: Wells is een geniaal, een geestig en

fantasievol schrijver, maar toch geen--"zedepreeker"?

* * * * *

_Heins_ wil zich dus _Geertje_ van den hals schuiven. De kentering in

z'n manier van doen jegens haar wordt al wel voldoende door dit stukje

aangegeven:

Kijk Jan zitten kieskauwen. Zelf had ze maar effe naar de bakker

moeten loopen, omdat juffrouw Sefie het verdijde.... Got, stond-ie

nou al op!...

--Wil je eerst nog niet een kòpje?... Toe ... blijf nog

effetjes....

En zij drong zich tegen hem aan, de hand aan zijn stoel, dat hij

weer zou gaan zitten.

--Wou je zoo graag dat ze-n-'t wiste? Nou m'ar ik niet, hoor!

Hij beet het haar toe, nauw hoorbaar, heesch.

Geertje had zijn stoel gegrepen, beide haar handen omklemden de

leuning; zoo blééf z' overeind, schoon de grond om haar zonk.

Nu was hij al niet meer bij haar; de kamer was leeg en de deur

stond open--zij hoorde Sefie met het keukengoed kletsen.

God, wat was dit!... Had zij Hem verlóren?! Eens had zij gedroomd,

dat hij plots haar begaf, 't Kon toch niet in werklijkheid!?

Toch zou hij daar niet zoo spoedig in geslaagd zijn, als niet het

naïef-trotsche in _Geertje_ de onbewuste bondgenoot zijner laagheid ware

geworden. Het geëxalteerd-zijn kan zoowel iemand volkomen blind maken

voor de werkelijkheid, als zijn inzicht daarin tot een buitengewone

hoogte en wijdte opvoeren. Bij _Geertje_ hebben telkens beide plaats.

In 't onderhavige geval gebeurt het eerste: haar geëxalteerde toestand

maakt haar niet alleen blind voor het feit, dat haar liefdevoelen wel

edel in het complex van haar zielsvermogens is, maar uiterlijk als iets

onedels verschijnt, doch ook voor de voor haar nadeelige gevolgen, die

een bruusk openbaarmaken van haar liefdeleven hebben zal. En zoo werpt

ze 't de "Juffrouw" in 't gezicht, dat _Jan_ haar, _Geertje_, lief

heeft, dat ze [p.343] "zijn vrouw" is, en wordt zij het huis uitgezet.

De lezer moet er zich wel voor hoeden, in dit optreden van _Geertje_ de

onbeschaamdheid van het gemeene te zien. _Verre van daar:_ het is de

trots der onschuld, die zich, _intuïtief_, rein voelt. _Verstandelijk_,

als zij te rade gaat met wat haar van jongs af geleerd is, twijfelt

_Geertje_ zelf vaak aan haar onschuld, ja, gelooft zij aan haar schuld,

maar in haar hoogste oogenblikken, voelt haar _ziel_, dwars door de

telkens weer aanklagende tegenwerpingen van haar verstand, dat zij het

geluk en het heil der schuldeloosheid niet heeft verbeurd. Dit beweer ik

niet slechts, ik zal het u bewijzen:

Zij een zoon, een zoon van Jan....

Zij was uitgekleed, en als iederen avond, knielde zij neer voor

haar bed.

_En opeens doorstroomde haar moed, moed om het aan God te vragen,

haar liefde, schoon zondig, te willen zegenen, daar ze Jan zoo

innig liefhad; haar_ te vergeven, _zoo ze kwaad deed;_ en het haar

kind niet aan te rekenen--om Jezus' wil.

Wat zegt ge wel hiervan?! Wat mij betreft: ik herinnerde mij plotseling

Vondel's _Jozef in Dothan_: als de broeders Jozef in den put gesloten

hebben, zingen de engelen voor hem en hen onhoorbaar:

Het lust ons om dees duisternissen

Des puts, al 't hemelsch licht te missen:

Want zulke duisternissen zijn

Ons schoener dan de zonneschijn.

Wij willen hier een hemel stichten,

Verzien met aengenamer lichten

Dan aen het blaeuw gewelfsel staen....

Want, ook hier heb ik weer in de donkere diepte van _Geertjes_ leven de

engelen hooren zingen, en uw gehoor, vrienden, zou al zeer vergroofd

moeten zijn, zoo ge hun stem en ruischenden vleugelslag niet hoordet

althans in dit: (Het is in Oom's huis. Nacht. _Geertje_ ligt te bed).

Zij voelde de tinteling van een verlangen om met haar hand te

strijken over haar buik, om te tasten of zij iets leven gewaar

werd, om hèm maar heel zacht te streelen. Maar zij bleef

bewegingloos, [p.344] wijd de oogleden open, wetende _dat haar

oogen straalden van warm verlangen in 't zwart van den nacht._[11]

Toen trok zij zich uiterst voorzichtig iets dieper onder het dek en

met dankbaarheid werd zij zich bewust, dat de slaap weder over haar

kwam. Als kind en als jong-meisje had zij immers ook zoo dikwijls

wakker gelegen, 's nachts, angstig dat Groo'va het zou bemerken

door het kraken van 't ledikant of dat zij den volgenden morgen

niet tijdig zou beneden zijn, maar toch zalig zich voelende in dat

lekker vrij liggen staren en denken, vol plannetjes en illusies. Je

merkte niet, hoe prettig de slaap was, wanneer je niet een poos met

open oog in 't zwart zat te staren.... _En nu lag zij hier saâm met

haar kind! In haar sliep het als in een wieg, 't groeide, 't leefde

daar met haar mee. Nooit meer zou ze nu alleen zijn_--_altijd met

het liefste dat ze bezat.... Erg voorzichtig zou ze gaan doen. Zij

was immers kindjes' wieg. Daar had ze nooit nog aan gedacht_. Ze

had er maar op los gesjouwd, gedraafd en gebukt en getild en

gewreven, zonder één enkele maal te bedenken, dat die beweging hem

misschien pijn dee. Nu, voortaan zou ze anders leven! Tante moest

het werk maar doen....

En ziet ge wel, hoe nu de een, na de ander, de poorten van _Geertjes_

innerlijk worden ontsloten en hoe hier overal natuurlijk-schoons en

-kostbaars ontluikt. Is het wonder, dat _zij_ in _dien_ geestlijken

toestand levend nog altijd in haar afgod een god blijft zien. Bij haar

ellendige oom en tante in huis zwerft zij telkens de straat op, om Jan

te zoeken, eindelijk treft zij hem. En het volgend gesprek ontspint

zich:

--Zoo, zei ze zacht en stak haar hand toe.

--Waar ga jij heen? vroeg hij, als enkel verbaasd. Maar ze hoorde

schrik in zijn stem: hij begreep, dat ze hem was nageloopen.

Ze vertelde; zei dat z'er zoo uitzag, dat ze hem opgewacht had,

zich verscholen. De woorden floten uit schorre keel; ze drong de

linker vuist in de zij, tot een steun omdat alles daar bonsde; en

toch, telkens wanneer ze even had opgehouden met spreken, vond ze

nieuwe dingen te zeggen--_want hij zweeg, keek haar aan en zweeg,

keek met oogen die ook niets zeiden_.

--Wat ben je vreemd, dorst ze eind'lijk, wanhopig.

--Ik?... Hoedat?... vroeg hij traag, bijna stuursch.

In de door mij gecursiveerde woorden komt uit dat Heins _afwacht_, wàt

_Geertje_ hem doén, zèggen kan. Ook weet hij, [p.345] dat hij haar

hiermee uitput en ten derde wil hij haar, als in 'n vergetelheid van

heel het verleden, laten voelen, dat het is _afgedaan_, dat hij

feitelijk niets meer met haar te maken heeft.

Nu barstte ze uit. Nu kon ze niet langer.

--Toe Jan, doe toch zoo nie' mit me! Dat he'k niet verdiend! Je

martel me zoo! Spréék nou te minste. Zeg hoe of wat...!

--Wa' mot ik je zegge? 'k Begrijp je niet. Omda' we mekaar nou zijn

tegegekomme....

Zij wist al. Toch zei ze:

--Je zou me schrijven.

--_Ik jou schrijve?_... aarzelde hij. Toen opeens rad:--_Ja! A'k

gekund had. Maar na wat je Oom me gebakke heit_.

Bij de eerste door mij gecursiveerde woorden, weet Heins er nog geen

verontschuldiging voor te vinden, dat hij zijn belofte haar te

schrijven, niet gehouden heeft. Dus zal hij maar net doen, of hij zich

van die belofte niets meer herinnert. Maar daarna valt hem een

uitstekend voorwendsel in, waarvan hij gauw gebruik gaat maken. De

dialoog is hier _prachtig_!

--Oóm?... Wàt he't die?

Zij wou wel gelooven. Maar de vraag klonk als uit twijfel.

_Nu keek hij haar meer aan: oogen die durfden. Op een toon van:

maak me niets wijs_.

Hij voelt dat hij nu gewonnen spel heeft, dat hij met dat voorwendsel

een prachtige vondst heeft gedaan!

--Hé't ie jou daar niks van verteld?

--'k Zwéér je ... angstigde ze hem tegemoet.

Doch ze bedacht: och meent ie dàt? denkend aan de ruzie, die oom

gemaakt had, toen ie haar koffer was wezen halen. _En deze gedachte

verdofte haar blik tot een van aarzeling. Heins zag het:_

--Zie je! Je weet t'er wél van....

--Meen je, toen Oom me koffer gehaald he't?

--Je koffer? Wat? Och meid, je klèst.

--Anders weet ik van niks, verzekerde ze vurig.

Hij hield het ongeloof van den verongelijkte vol.

--Bei je d'er onkundig van, dat ik bij de kommesaris heb motte

komme?

--Jij bij de kommesaris! Waarvoor?

Maar haar toon was gedaald in het laatste woord en weer was [p.346]

haar blik vervaagd, want ze herinnerde zich wat Tante verteld had

en die haar gezegde van "de'n eenigsten weg."

--_Jok d'r toch niet om_! zei Jan fier.

* * * * *

Hoe voortreffelijk is dit alles: in de eerste door mij gecursiveerde

woorden komt uit, hoe een reine persoonlijkheid als die van Geertje,

zich-zelf niet betrappen kan op een zelfs onbewust-geuite onwaarheid of

zij wordt er verlegen om en verliest haar zekerheid; in de laatste door

mij gecursiveerde woorden: hoe een doortrapt-sluwe misdadiger als Heins

van dit aandoenlijke schuldbewustzijn gebruik maakt, om, zichzelf met

het _mom_ der schuldelooze deugd bekleedend, de schuld-gevoelende, reine

persoonlijkheid dieper in verwarring te brengen, te vernederen en te

intimideeren.

--'k Jòk niet. Tante he't me verteld, de dag dat Oom me koffer

gehaald he't, dat ie gedreigd had mit de peliessie....

--Nou dan!

--Ja maar da's ook al!

--Maar je wist 'er dan toch van! Nou, hij hep z'en bedreiging

volvoerd. D'er is 'en inspekteur in me winkel gekomme, en, daar me

bediende bij sting, vroeg-t-ie of ik us in de Pauwesteeg wou

verschijne; de kommesaris wou me spreke. Prettig, asje j'eige zaak

heb! 'k Schrok me n'en aap. Wist ik waar voor 't was!" In me schrik

he'k et bove verteld.... (Haar in de oogen ziend:)--_Ja, da' was

stom. Ik weet et wel_. Maar me bediende had toch niet gezwegen. En

dan ... 'k dàcht niet an ie's mit jou. 't Kon wat weze bij me

vrouws moeder, in de herberg, of mit een van me personeel.... Dat

dacht ik eig'luk ... dat t'er een wat gekle'st had.... Mit volk in

je dienst, sta je daaraan bloot.... Affijn, wist ik veel! Ik ben

gegaan.... Jawel, of ik Geertje Hendriks kende.

--_Wist ie me naam_?

--De vent wist alles!... _Ja, dat dank je nou aan j' Oom! Van je

femielje mo' je 't hebbe_.... Wat kon ik d'ar nou op zegge!... 'K

DOCH DADELEK AN DE MOGELEKHEID D A'K JE NOG US ZOU KUNNE TROUWE.

M'AR DE WET VERBIEDT 'EN HUWELIJK TUSSE MENSCHE DIE E ... OVERSPEL

HEBBE GEPLEEGD. BEKENDE-N-IK, NOU, 'T WAS VOOR EEUWIG NIE'

MOOG'LEK. OFFISJEELE BEKENTENIS!... 'k Heb alles geloochend, wat

j' Oom gezeid had....

--En?....

--[p.347] En niks. Toe kon ik gaan.

Er was even een stilte die zwaar lag. 't Warde, duizelde in

Geertje's brein. Heins voelde dat hij ijlings moest voortgaan:

--M'ar nou begrijp je wel, da'we voorlóópig niks motte beginne.

_Kan 'k je mit ie's helpe ... mit geld of zoo ...graag netuurlek._

DA' WEET JE WEL. MAAR WE MOTTE UIT MEKAARS BUURT BLIJVE. JUIST

VOOR LATER. OM NIKS TE BEDERVE. Want je begrijp, ze loere nou op

me.

Geertje wist niet meer wàt ze had begrepen.

De eerste door mij gecursiveerde woorden: van _Heins_ z'n standpunt was

dat juist een slimme zet. _Geertje_ heeft voor hem afgedaan. En het

beste wat hij nu doen kon, was bij z'n vrouw en schoonmoeder zoete

broodjes te bakken, door ze "openhartig" alles te vertellen, enz. enz.

Maar _Geertje_ moet hij 't doen voorkomen, alsof hij aan _haar_ zijde en

_tegenover_ zijn vrouw staat. Vandaar dat hij zegt 't 'n stommiteit van

zich-zelf te vinden.--In de door mij gecursiveerde woorden van Geertje,

ziet ge 't arme schepsel in haar volle naïveteit en schaamtevolle

bedeesdheid: hoe vreeselijk, dat die commissaris haar naam weet!! En de

ander grijpt nu onmiddellijk--in het daarop volgende kursieve--slim de

gelegenheid aan, om op Geertjes oom de schuld van hun elkaar niet kunnen

zien te schuiven en tusschen dien en haar te stoken. Maar pas daarna in

de door mij gespatiëerd [hier in hoofdletters, M.D.] gedrukte zinnen

verschijnt hij in z'n volle gewetenlooze sluwheid. De gehééle door mij

geciteerde dialoog is schitterend, maar hièrin is hij _allerprachtigst_

getypeerd. Van het daaropvolgende, door mij gecursiveerde, meent hij

natuurlijk niets; ten eerste rekent hij er op, dat _Geertje_ nu te

verlegen is iets van hem te vragen en als ze 't later mocht doen per

brief, welnu, dan antwoordt hij niet! Even later trouwens, als ze hem

vraagt of hij haar niet wil schrijven, zegt hij, dat hij dat niet kan

doen: "Oom kent ommers m'n handschrift!!" In de _laatste_ door mij

gespatiëerd [hoofdletters, M.D.] gedrukte woorden buit hij verder zijn

vondst van het "gevaar" eener "offisjeele bekentenis" uit!

Als _Geertje_ nu, troosteloos, van hem heen gaat, komt wel [p.348]

twijfel in haar op, maar ze slaagt er toch altijd weer in, dien weg te

redeneeren en als haar edele oom, na eerst _Heins_ voor den "commesaris"

te hebben gedaagd en 'n spiegelruit in z'n winkel te hebben

stukgeslagen, ten slotte bij hem in dienst treedt en zelfs--hij de oom

van de gedupeerde!--er op staat dat Geertje Heins "met rust zal late,"

dan denkt _Geertje_, over die laagheid van oom maar heenglijdend, dat

_Heins hem werk geeft, om zoodoende voor haar en hun nog ongeboren kind,

"zijn Ismael" te zorgen!_... Een ziel als die van _Geertje_ doet, om zoo

te zeggen, alles in 't groot, haar is het vermogen en de geaardheid der

innige geloovigen: alles wat God doet is ten goede, en zóó: alles wat de

man doet, in wien zij gelooft, dien zij liefheeft, is: om goed te doen,

is ten goede.--Nadat _Geertje_ doodziek is geweest en helle-angsten

heeft uitgestaan, omdat ze meende, dat de vrucht in haar lichaam is

gestorven en God dit als vreeselijkste straf, die een aanstaande moeder

kan treffen, over haar had beschikt, gebeurt er iets, dat haar

onvermijdelijk Oom's huis uitdrijft. Zooals ik in mijn eerste artikel

zei: indien wij _Geertje_ in het leven ontmoet hadden, wij zouden niet

alleen het flauwste begrip van haar adeldom missen, maar haar zelfs voor

een heel gewone "gemeene meid" houden. Maar zeer zeker is het te

verklaren, dat de platzinnelijke _Gerrit Holkers_ haar daarvoor houdt.

Hij wil haar geweld aandoen en nadat Tante haar broer hoonend en

treiterend tegen _Geertje_ heeft verdedigd, loopt deze 't huis uit en

vlucht naar _Maandag_.

* * * * *

Niet onverdeeld is door de critiek deze _Maandag_ als mensch-schepping

gunstig beoordeeld. Laat mij daarom onmiddellijk zeggen: _ik ben het met

de afkeurende meeningen niet eens_: Deze figuur is die van een

_uitzonderingsmensch_. Zij is dus: romantisch, maar zij is

_goed_-romantisch, omdat zij op een enkel vlekje na--waarover ik later

spreken zal--naturalistisch-zuiver gebeeld is. _Maandag_ is een

uitzonderingsfiguur, omdat hij daden doet van zóó edele natuur, dat

[p.349] een gewoon mensch ze zekerlijk niet zou doen, en hij is

naturalistisch zuiver geheeld, omdat niet alleen het geheel zijner

psyche van dien aard is, dat dergelijke daden er noodzakelijkerwijze uit

moeten voortvloeien, maar ook zijn levensomstandigheden daartoe het

hunne bijdragen. _Maandag_ is een kind uit een erfelijk belast gezin:

'n paar van z'n broers zijn jong gestorven; hij is 'n bultenaar; zijn

zuster, met wie hij samenwoont, een publieke vrouw, die telkens met 'n

ander er van door gaat en hem dan de verpleging harer twee jonge

bloedjes van kinderen overlaat. Zulke omstandigheden _kunnen_ iemand in

alle opzichten tijdelijk ten gronde richten. Woede tegen het door hem

onbegrepen Noodlot kan hem tot een ontkenner van alle bestaan in rein

geluk, van het nut en de schoonheid der deugd, van alle menschelijke

onbaatzuchtigheid en goedheid maken. Dat _kan_, zeer zeker, maar slechts

in het geval, dat zulk een persoonlijkheid nog niet die ontwikkeling

heeft bereikt, welke voor goed een zedelijk en geestelijk te gronde

richten door levensomstandigheden buitensluit. Heeft hij die wel

bereikt, dan werken juist ook zulke omstandigheden veredelend op hem. En

dit zal ook wel de zin zijn van het woord: "Hij die heeft, dien zal

gegeven worden, maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden zelfs

hetgeen hij heeft." Men herinnere zich slechts wat ik in mijn vorig

artikel bij de ontleding van Jan Niekerk's persoonlijkheid heb gezegd:

dat alles hem hindert en niets hem tot nut is, en merke dan op, dat dit

in tegengestelden zin voor _Maandag_ waar is. _Doordat_ Maandag zoo

_ongelukkig_ is, krijgt hij des te spoediger en dieper medelijden met

andere ongelukkigen, maar _geen_ haat tegen het "Noodlot" of het

"leven." Hij weet nu eenmaal, dat het feestelijk luchterlicht der

gelukkigen niet voor hem is, maar welaan, als de toch ook guldene schijn

van de knetterende olielamp der nederigen zijn bleeke hoofd en zachte

oogen komt bestreelen, zou hij dan niet dankbaar opzien en zijn oogen

laten drinken van dien glans? Er zijn veel menschen, die groote plichten

misvormen tot kleine, om ze des te gemakkelijker te

kunnen--verwaarloozen. Hij [p.350] is een van de weinigen, die kleine

plichten tot groote maakt, om maar van zijner liefde overvloed te kunnen

geven! Zoo gij u over de edele daden van zulk een man verwondert,

verwonder u ook erover, dat een zwangere baart, dat koren in halmen

opschiet en kunstenaars kunstwerken scheppen. Maar beter is het, dat gij

dit alles niet doet en uw leven besteedt aan het opvoeden van u-zelf.

Misschien komt er dan een tijd, dat gij u over zulk een man niet meer

verbaast, omdat gij hem terugvindt in--u-zelf!

* * * * *

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 68 / 78 题