III.

In het vorig hoofdstuk beloofde ik, u op een plaats te zetten, van waar

ge een vergezicht hebben zoudt. Welnu, ik hoop, dat ge na lezing van dit

stuk zult moeten erkennen, dat ik mijn belofte gehouden heb. Want,

jongere en oudere vrienden, zult ge het geen vergezicht noemen als ik

hier voor u laat oprijzen dat mooie verleden van uw kindsheid, nu al min

of meer ver verwijderd? Dat verleden, welks wellicht slechts vage

herinneringen u nog doen glimlachen, als ge kinderen spelen ziet....

O, natuurlijk, ge zult in het beeld, dat ik u zal toonen, niet uwe

_feitelijke_ jeugd herkennen, met háár voorvalletjes, gevoelens,

begeerten en schuchtere droomerijen, want gesteld dat gij tot diegenen

behoort, die zich op later leeftijd dit alles duidelijk en klaar kunnen

te binnen brengen, wat den meesten onzer waarlijk niet gegeven is, dàn

zéker zoudt ge spoedig door vergelijking tot de erkentenis komen, dat

kinderen evenzeer van elkaar verschillen als volwassenen.

Toch, de jonkheid van ons allen heeft iets gemeen: door de jaren-gangen

van ons later leven loopend, hooren we uit de verte blijde stemmen soms,

zien we een plotse sprankeling van licht glànzen uit de feestzaal onzer

jeugd, waarheen we nooit meer zullen keeren. 't Is dan of haar deur zich

éven opende en snel weer sloot, uitlatend-en-afsnijdend klanken van

feestgeroes, een helle straling van veel luchters. Maar duurde [p.228]

dat kort, één oogenblik, het duurde toch lang genoeg om ons als de geur,

het innigste onzer jonge jaren nog eenmaal te doen kennen; hoe benaderen

we dan opnieuw hun blijdschap en verdrieten. We staan even stil en

mijmeren in ons-zelf. Een glimlach ontstrakt zachtkens ons gezicht....

Dan gaan we weer verder door de soms donkere gangen van ons later

leven.... Het is ook die glimlach, waarvan ik u sprak, die ouderen

hebben als ze kinderen spelen of stilletjes droomen zien. Dan ging die

feestzaal, begrijpt ge, even open, het geluk der jonkheid heeft hun hart

geraakt.... Maar rijker, maar voller wordt ons dat heerlijke geschonken,

als een groot kunstenaar, zich verplaatsend in het kinderlijk denken en

voelen, dit voor ons beeldt. Ja, dan is het waarlijk, of 't ons vergund

werd te keeren op onze schreden, de wijde hal onzer jonge jaren nog

eenmaal binnen te gaan, onze oogen vol te laten stralen van haar licht,

de handjes der speelgenooten in de onze te houden en zelf weer de

heilige kinderen te zijn, in wier nabijheid al het leven op zijn reinst

en bevalligst en feestelijkst moet verschijnen. Ook dat nu heeft

Multatuli voor ons gedaan. Het beeld, dat ik u wilde toonen, is een brok

droomleven van zijn _Woutertje_. Toch--het schijnt mijn ietwat

onaangenaam lot te zijn, nooit iets onverdeeld te kunnen prijzen!--moet

ik u waarschuwen, dat dit schoone niet zoo volmaakt is geworden als we

't van 't genie van zijn schepper ongetwijfeld hadden mogen verwachten.

De schrijver heeft zich namelijk weer eens niet genoegzaam kunnen

bedwingen, zich niet, door zijn gebrek aan objectiviteit, kunnen

onthouden, brokjes van zìjn wijsheid, zìjn wijsgeerig denken in het

prachtig-gegeven droomleven van zijn _Woutertje_ te mengen. Ik zal u,

ouder gewoonte, zoowel op de heerlijke schoonheid als de fouten

opmerkzaam maken. En ge moet u nu maar, eens voor al, voornemen niet

boos op mij te zijn, omdat ik, door dit laatste te doen, zoo'n beetje uw

genot bederf. Want het is juist mijn doel, u er aan te wennen, geen

genot en zeker geen kunstgenot te willen, dan wat de keur van uw

allerzuiverst gevoel en rede kan doorstaan. Ook de hoogste verrukking,

die kunstgenot geeft, heeft niets gemeen met een roes [p.229] en met een

vertroebeling en verduistering der geestelijke, naar waarheid zoekende

krachten in ons, maar zij maakt in wisselwerking die krachten

integendeel sterker, edeler en meer doordringend.

* * * * *

Ziehier het bedoelde stuk:

Na _Glorioso_ namelijk, (_Glorioso_ is de naam van den

roover-roman, dien Wouter "gehuurd" heeft voor het geld, dat hem

het verkwanselen van zijn "Nieuwe Testament met Gezangen" opbracht,

v.C.) en de onmogelijkheid om dat boek waardig te vervangen,

(_Multatuli_ geeft hier natuurlijk _Woutertje's_ meening weer. Dat

hij dit doet zonder er eenige schertsende of spottende aanmerking

van zich-zelf aan te verbinden is voortreffelijk. Er ontstaat

hierdoor, èn blijft ongerept, een zekere fijne humor. v.C.) was-i

in de namiddagen die hij vrij had, onwillekeurig weergekeerd naar

de plek waar-i kennis had gemaakt met de boekerige roman-wereld, en

hoe grof ook de kleuren waren van 't eerste beeld uit die wereld

dat zich aan hem voordeed, ja, misschien juist òm de grofheid van

die kleuren, hij voelde zich daardoor zóó aangetrokken, dat-i

zich-zelf geheel veranderd voorkwam, en niet meer begreep hoe hij

ooit z'n genot had kunnen zoeken in die taartjes op den hoek.

Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hij droomde van

dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter

ontevreden maakten met z'n werkelijken toestand. Hij wilde graag

alles doen wat voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar 't

bidden zou zooveel beter gaan, meende hij, in 'n grot met kaarsen.

En wat het eeren van zijn moeder betrof, waarop deze altijd zoo

aandrong ... waarom had ze geen sleep, zooals die gravin? Hij had

z'n bijbel niet moeten verkoopen ... dat is waar ... ook zou-i 't

nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd ... maar dan behoorde hij

toch ook 'n kistje te hebben met dukaten, en 'n veer op z'n muts,

zooals in 't boek stond. (Merkt ge hier al niet, hoe uitstekend de

romantische neiging in den kindergeest, en vooral zooals zij moet

bestaan in dien van het nobele _Woutertje_, is weergegeven? v.C.)

Ook verveelde hem zijn broer Stoffel, en zijn zusters, en juffrouw

Laps, en huisdominee, en alles.

* * * * *

Dit verveeld worden door zijn familie en zijn omgeving ontstaat

_schijnbaar_ wel bij Woutertje naar aanleiding van [p.230] iets zeer

kinderlijks, maar de diepere en ware oorzaak is zijn veel hooger en

edeler beaanlegd zijn dan zijne omgeving, waardoor hij daarin niet op

zijn plaats is. Het is een dezelfde botsing--in kinderlijke

verhoudingen--als waarvan ik in het vorig hoofdstuk sprak: tusschen het

hoogere en lagere, het bijzondere en het alledaagsche.

En hij begreep niet, waarom de heele familie niet naar Italië ging,

om daar 'n behoorlijke rooverij optezetten. Maar Pennewip (de

schoolmeester, v.C.) hoefde niet mee, dacht-i, en Slachterskeesje

(een medescholier v.C.) ook niet.

't Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met zijn vers....

Alle Woensdagen namelijk leverden de leerlingen die 't minst

ondeugend waren geweest, en daarom waard gekeurd werden meetedingen

naar den lauwer der eer, een gedicht op 'n onderwerp dat de meester

had opgegeven. Wouter had ditmaal "_de deugd_" tot z'n deel

gekregen, niet zonder toespeling op z'n vroegtijdige verdorvenheid,

en den wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z'n

zedelijke verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwijls op de deugd

gerijmd, en hij vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo

vervelend, dat-i de vrijheid had genomen iets anders te behandelen,

en wel wat hem 't naast aan 't hart lag, de rooverij.

Dit gedicht en alles wat daardoor veroorzaakt wordt: de boosheid van

meester Pennewip, de ontzetting van Woutertje's familie, het optreden

van den dronken "huisdominee,"--dit betrekkelijk kleine deel van het

boek zou het al tot iets prachtig-geestigs maken. Je giert van het

lachen onder 't lezen, en tegelijkertijd ben je verrukt over de

levenswaarheid--op 'n paar stukjes na--der weergave!

Hij-zelf was, als alle schrijvers--en menschen--zeer ingenomen met

z'n werk. Hij hield zich overtuigd dat de meester dit ook wezen

zou, en hem om den wille der voortreffelijke uitvoering de

afwijking van de deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naar den

Burgemeester gezonden worden, die er kennis van geven zou aan den

Paus, waarna deze Wouter tot zich zou roepen, en hem aanstellen als

hoofdroover.

Hoe moet de schrijver niet doorgedrongen zijn geweest in het denk-voelen

van zijn Woutertje, om zoo schitterend dit echt-kinderlijke,

wild-fantastische luchtkasteelen-bouwen te hebben kunnen weergeven.

Wellicht is dat laten denken aan [p.231] den _Paus_ door dit

_protestantsche_ jongetje, dat _rilt_ als hij _Pater Jansen_ over

_Jezuiten_ hoort spreken, een fout. Wellicht echter zou men kunnen

zeggen, dat "Paus" voor het kind Woutertje niets meer dan een woord is

waaraan zich een vage, romantische voorstelling verbindt. Maar dit

laatste is, gezien de platte en bekrompen "godsdienstige" omgeving van

Woutertje, nièt waarschijnlijk.

Zoo droomde hij, en wierp hij strootjes in het water. (Hij staat

bij 'n slootje. In de nabijheid zijn twee houtzaagmolens.--Het

stukje wat nu volgt is allervoortreffelijkst. Er wordt nu niet

langer _van_ Wouter _verhaald_, maar zijn denken en handelen

worden, in hun natuurlijk verband, _gebeeld_. Ik geloof niet, dat

ik grooter bewondering voor iets kan gevoelen, dan voor dit

onovertrefbaar zich-ingeleefd-hebben in den kindergeest! Lees maar

eens verder! v.C.) Ze dreven langzaam voort, en verdwenen tusschen

de groen-bemoste balken. Onwillekeurig begon Wouter's verbeelding

verband te scheppen tusschen de richting der strootjes en zijn

indrukken. Daar ging de gravin met haar sleep, maar ze haakte aan

den kant en bleef steken in de modder. De kuische Amalia had geen

beter lot, en raakte verward in 't kroos. Nu Wouter-zelf:

(Wouter-zelf meegevoerd door zijn droomen, vereenzelvigt zich dus

ook met een strootje! Verrukkelijk van geniaal doorvoelen door den

schrijver, niet waar? v.C.) hij naderde Amalia's kroos, en juist

toen-i hoopte haar te redden uit haar gevangenschap, of die te

deelen zoo 't behoort, werd-i opgeslokt door 'n eend. Die daaraan

zeer verkeerd deed. Want het was Wouter's laatste strootje, en in

't geklapper van den molen hoorde hij duidelijk Amalia's verwijtend

geklaag:

Warre, warre, warre, wou,

Waar is warre, warre, wou....

Wouter die me redden zou?

Dit maakte hem verdrietig, en hij kon zich niet weerhouden een

steen te werpen naar de eend die door z'n gulzigheid oorzaak was

van Amalia's twijfel aan zijn riddereer. (Al maar door is de

kinder-fantasie uitstekend volgehouden! v.C.) De eend koos de beste

partij, en vertrok, na Wouter te hebben uitgescholden zoo goed hij

kon. Maar de molens schenen zich niet te storen aan de

gebeurtenissen van den middag en klapperden dapper voort. Wouter

hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en vergat weldra

Amalia en den Paus, om te luisteren naar de vertellingen die ze hem

deden. Om den lezer niet te brengen in de verkeerde meening dat er

iets bijzonders was [p.232] in de molens, haast ik mij te zeggen

dat ze knarden en knersden juist als andere houtzaagmolens, en dat

alles wat Wouter meende te hooren en te verstaan, niets anders was

dan de weerklank der aandoeningen in zijn eigen gemoed.

't Gebeurt meermalen dat we gelooven iets gewaar te worden van

buiten, wat voortkomt uit ons-zelf, en even dikwijls meenen wij

zelf iets te hebben uitgedacht, dat eigenlijk afkomstig is van 'n

ander.

Dit is 'n soort buikspraak die dikwijls aanleiding geeft tot

ongenoegen en vijandschap.

Dat beeld van de buikspraak is aardig, maar ook niet meer dan dat. Het

is nml. vrij onjuist. Men kan, een buikspreker hoorend, meenen dat een

ander dan hij gesproken heeft, maar nimmer dat men-zelf heeft gesproken,

noch, indien men het zelf heeft gedaan, meenen dat 'n ander, al of niet

buikspreker, het deed! Multatuli heeft hier misschien aan het

zoogenaamde "maagbrommen" gedacht, een nerveus verschijnsel naar ik

meen. Hierbij is 't wel mogelijk, dat men, zelf de geluidvoortbrenger

zijnde, meent dat een ander het is, en omgekeerd. In elk geval zou het

beter geweest zijn, indièn hij dááraan gedacht èn het gezegd had, al

ware het 'n tikje "onaesthetisch" geweest.

Wie 't snelste draait? Wel ... me dunkt ... neen ... gelijk

beginnen.... Zóó! Neen, de _Arend_ was vóór! Nogeens ... nu! Och,

weer verkeerd!

Hoe voortreffelijk Multatuli het denken, _den toon_ van het

_innerlijk-spreken_ kon beluisteren en weergeven!

Wie nu 't eerst boven is ... neen dat gaat niet ... nog eens ...

van die wolk af. _Morgenstond_, pas op ... (_Arend_ en

_Morgenstond_ zijn de namen van de houtzaagmolens, v.C.) mis weer!

Ik kan er geen oog op houden ... wat 'n gedraai!

Zoo, ben je moe? 'k Wil 't wel gelooven!

Als ik eens op zoo'n wiek zat ... ik zou me goed vasthouden ... wat

zou de molenaar gek kijken!

Waarom heet je _Morgenstond_? Heb je wat in den mond? En....

_Arend_ kun je vliegen? Wil je mij meenemen? _Ik_ zou wel willen

... wat 'n ruimte daarboven ... en geen school!

Hoe is toch de eerste school begonnen? Wat was er 't eerst ... 'n

school of 'n meester?

Maar die eerste meester moest toch op school geweest zijn ...

[p.233] en die eerste school moest toch 'n meester gehad hebben....

Of zou de eerste meester vanzelf....

Vanzelf? Neen, dat kan niet.

Met dat stukje over die "school" en dien "meester" begint onze schrijver

eruit te raken. Hij begint zijn houvast op Woutertje te verliezen en zet

daarom z'n eigen denken in de plaats van dat van Woutertje! Het is zijn

eigen wijsgeerig peinzen over het _Begin_ van het _Heelal_. Ik ontken

niet, dat Woutertje 't _kan_ gedacht hebben. Hij is 'n geniaal, 'n

buitengewoon kind. Maar in verband met 't _zeer slechte_, wat nu bijna

onmiddellijk volgt, waarin _niets_ van _Woutertje_ en _alles_ van

_Multatuli_ is, vermoed ik dat deze hier al begon subjectief te worden.

Kenje draaien vanzelf? Door den wind? kunje omkeeren,

andersom-draaien vanzelf? Doe 't eens, _Arend_ ... toe krijg den

_Morgenstond_ ... gauw, gauw ... pak 'm beet ... mooi!

Nu weer alléén, laat los ... los ... goed zoo.

Nu weer samen ... _karre, karre, kra, kra_ ... steek uit je armen

... neem me mee ... wil je niet? Goed, _Arend_! Zet je hoed op ...

wat fladderen die linten ... hoe heetje? Warre, warre, warre, wou

... ik kan 't niet helpen ... 't was die eend. Zeg, hoe heetje? (En

nu komt dat zeer slechte, waarvan ik zooeven sprak en waarop ik ook

in den aanvang van mijn artikel doelde, v.C.): _Fanne, Fanne, fan

fan_ ... heetje _Fan_? en jij, _Morgenstond_, hoe is je naam?

_Sine, sine, sine, si_ ... wat is dat voor 'n naam, _si_? Nu

tegelijk, komaan ... samen ... zingt 'n liedje samen:

_Fanne, fanne, fan, fan_....

_Sine, sine, si, si_....

_Fanne, sine, fanne, sine,_

_Fanne sine.... Fan ... cy...._

_Fancy_ ... wat meen je daarmee? Heetje _Fancy_? En ... wat is dat

... heb je vleugels?

Ja, "_d'Morgenstond_" en "_den Arend_" waren ineengesmolten, hadden

vleugels, en heetten _Fancy. Fancy_ nam Wouter op en voerde hem

mee.

De fantasie-figuur _Fancy_--het woord zelf beteekent verbeelding--speelt

een hoofdrol in Multatuli's werk. Soms is zij hem personificatie[11] van

het _Al_, het _Zijnde_; soms de [p.234] _Muze_: degeen, die hem zijn

werken influistert, hem inspireert; een ander maal: de

_Causaliteit._[12] In hun diepste beteekenis dekken trouwens deze

begrippen elkander, naar zijn meening. En de personificatie van déze

hooge, wijsgeerige begrippen, _dragend den naam, die zij uitsluitend in

zijn, Multatuli's, denken draagt_, laat hij nu verschijnen in het denken

van _het kind Woutertje_!! Teugelloozer uit den-band-springen is wel

niet mogelijk, ergerlijker knoeien met psychologie wel niet denkbaar. En

ziet ge 't nu zelf dat ik gelijk had, met in mijn _inleidend_

Multatuli-artikel te spreken van: "zijn ontzaglijk doorvoelings- en

uitbeeldings-vermogen, dat echter geschaad wordt door een groot gebrek

aan objectiviteit"? Want, hoe kon ik u zóó van dat vermogen doen

genieten, indien het niet ontzaglijk ware, en daarentegen tevens in de

gelegenheid zijn, op zùlke grove fouten te wijzen, als ik gedaan heb,

zoo het niet geschaad werd door een groot gebrek aan objectiviteit?!

Maar nu nog een ernstig woord, voor we voor ditmaal scheiden: de meeste

lezers hebben een weerzinwekkend hebbelijkheidje: ze onthouden wat er

voor leelijks over 'n schrijver door zijn bespreker is gezegd, maar wat

deze heeft geprezen, dàt vergeten zij! _Past daarvoor op! dat is iets

zeer leelijks, iets zeer gemeens_. Dat vindt z'n oorzaak in

_leedvermaak_, [p.235] in de, vaak onbewuste, _afgunst van het kleine op

het groote_, in het blij-zijn _omdat het groote toch ook smetten van

kleinheid_ heeft.... Ik doe u de fouten in schrijvers zien,

_uitsluitend_, om u _onderscheiden_ te leeren, en tot dat onderscheiden

behoort óók: het begrijpen, dat onze _middelmatigheid_ gemakkelijk

_kleine_ foutjes hebben kan, maar dat waar _groote_ gaven zijn, meestal

uiteraard óók groote gebreken zijn. Dit begrijpen zal ons ingetogenheid

leeren en ons van belachelijke waanwijsheid of leedvermaak verre doen

zijn.--

* * * * *

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 47 / 78 题