Na 't Hollandsch laagland met z'n gevaarlooze wegen, z'n kabbelende
rivieren, zijn gecultiveerde bosschen, z'n heldre dorpen met kerk en
torentje, z'n langzaam op-schemerenden ochtend en neerschemerenden
avond; na de Hollandsche wei met de haasteloos-mummelende koetjes; na de
Hollandsche binnenkamers met hun stoffage van begouwenaarde burgerheeren
en, meest 'n weinig houterig, vrijende jongelingen en jonge dochters, na
al dit gemoedelijke, zich-zelf gelijk blijvende en veilige--plots nu een
tropisch bergland, met ravijnen en neerdonderende stroomen, met
oerwouden, waar leeuw en tijger brullen, en gij, zoo ge u er waagt, de
beet en omkronkeling van slangen zult hebben te vreezen; een land met
rook-bepluimde vulkanen, wier inwendig vuur de wijngaarden en
olijfbosschen op de hellingen eerst koesterend doet zwellen van olie en
wijn, om dan, vroeg of laat den krater uitgebarsten, zijn eigen teelt te
vernielen in één brandende giftuitstrooming, door één slag; met dorpen,
des nachts vol zwoelheid van doffe geuren en zwaarmoedige deunen, waar,
daags, een wijsgeer u als bedelaar nadert, en wien ge voor een Grande
hieldt, een bedelaar blijkt; waar de liefde geen braaf-burgerlijke
vrijage, maar hartstocht en heet begeeren is; een land waar nauwelijks
afkeer zijn kan, of zij groeit tot haat. Een Indisch land, waar de
ochtend bruusk [p.218] den nacht afwerpt, als een mensch zijn kleed, en
de dag niet langzaam heengaat, maar zich snel het masker van den nacht
voorbindt, als had hij zich verlaat en schoot het hem plòts te binnen,
dat hij den wezens de rust moet gunnen, die onder de stralen van zijn
gelaat niet mogelijk is.... Een land, waar alles grillig, uitbundig en
snelwisselend is....
In minder woorden: na het talentvolle, het geniale; na het afgepaste en
zeer wel vermoedbare, het uitbruischend onberekenbare.... Ziedaar: na
_Hildebrand: Multatuli_![6]
* * * * *
Ik erken het volmondig: een geweldenaar als _Multatuli_, met zóó
vrouwelijke zachtheid als zijn gemoed bezat; een hater mèt zóóveel
liefde; een beeldstormer met dat ééne verlangen: plaats vrij te maken
voor zijn reuzenbouw van rechtvaardigheid en menschenmin en schoonheid;
zulk een met zóó groote fouten en ontzaglijke deugden, is voor de jeugd
vol gevaars. Want zijn deugden trekken haar maar aan voor korten tijd:
zóó deugdzaam te zijn is wel een tikje moeielijk! Maar zijn gebreken,
wellicht, in zekeren zin, niet minder grootsch en schoon van sterke
menschelijkheid, die zijn makkelijker en genoeglijker na te bootsen!
Zoo denken ten minste de mannen en vrouwen in den dop. _En dìt is het
gevaar._ Men moet het echter onder de oogen zien, men kan 't niet
mijden, tenzij men een bedeesd en braaf moederskindje is, dat aan
huiskamers en warme kachels, benevens beekjes, wolkjes en molentjes
dicht bij honk, zat genoeg heeft en nooit naar bergen en bergstroomen,
olijfbosschen en wijngaarden verlangt.
_Multatuli_ heeft in onze kringen, lang vóór de stichting van onzen
Bond, een geweldige rol gespeeld. En dit sproot nu juist niet voort uit
de bijzondere beschaving in die kringen, uit ontvankelijkheid voor het
subtiel-schoone en fijn-geestige--och och heere neen, ook hier heeft de
Bond bijna àlles te doen [p.219] gehad....--maar uit twee geheel andere
oorzaken. De eerste was, dat men in _Multatuli's_ werk zag een vrijbrief
voor, een rechtvaardiging van 'n soort gêne-looze en zich op zich-zelf
beroemende bandeloosheid; de tweede echter, van edele natuur: dat die
onontwikkelde, maar daardoor wellicht des te frisscher menschen voelden,
dat er iets nieuws, schoons, machtigs en van-kracht-heerlijks in hen
openbrak, door hem. Wilt ge weten wàt dat was?... 't Was hun
revolutionnair gevoel! Dat, vrienden, is misschien het mooiste in een
mensch. Het is 't opstandsgevoel tegen rechtsverdraaiïng en leelijkheid
in het leven. Dat wrokt en brandt in zoo'n jongen mensch. Toch brandt
het maar met 'n heel klein vlammetje dikwijls, maar het leven vraagt
daar niet naar, gooit elken dag weer nieuwe brandstof op, die door dat
kleine vlammetje _niet_ verteerd wordt.... Dat geeft een teveel, dat
geeft een drukking.... Zoo nu en dan schiet het vlammetje weer wat
hooger op, maar er zijn nog dompers: "fatsoen," traditie en
verkapitalistischt, vermaatschappelijkt, verwrongen kerkgeloof, en zoo
waar, zoo'n jongmensch gebruikt die dompers zelf! Dat heeft men hem zoo
geleerd. Tot daar plotseling zoo'n kerel, zoo'n reus bij hem binnenkomt,
en die vraagt hèm niet of hij 't goed vindt en ook niet aan "de menschen
die zooveel ouder en wijzer zijn dan hij," maar die slaat kort en goed
voor zijn oogen al z'n dompers stuk. En daar schiet zijn vlam omhoog en
gaat ze heerlijk branden.... En hij begrijpt dat die man een weldoener
van hem is ... o God, wat heeft z'n jong hart hem dan lief ... hij zou
hem om den hals wel willen vliegen.... Welnu, zulk een man was
_Multatuli_, en daarom hadden die verachte diamantslijpers hem zoo lief
en dwéépten met hem en omarmden hem.... Och neen, ze begrépen hem niet,
wat je _begrijpen_ noemt, geen denken aan; wat kunnen hun zijn
fijnheden, de rapheid zijner wendingen, het overdonderende zijner
strijdhaftige geestigheid geweest zijn; máár zij begrepen, zij voelden,
dat dit de stem was van hun eigen, gesmoorden haat; het ziende oog van
hun hulploos, onbestemd en blind verlangen; de sterke hand, die hun
tastende zwakke handen greep; zij zagen eindelijk eens [p.220] het
ongekende wonder van een héérlijk mensch, die máling had aan de
machtigen, aan de rijken; het wonder van een mensch, door wien een god
had mogen spreken, en die nochtans niet anders dan der àrmen en
verdrùkten mond wou zijn! Wat schatten van liefde en dankbaarheid heeft
hun ziel zich door hem verworven. Hoe hebben zij toen, in hun donker
leven, door hèm de hèilige geestdrift gekend. En wie weet, of niet hij
't was, die voor 't eerst dat mooi-menschelijke in hen wekte, welks
prachtige opvaart hun eenheid in den Bond verrijzen deed....
Maar met dat al: dwepers kunnen geen maat houden. En daarvoor wil ik u
behoeden. En trouwens, wat hun 't noodigste was, is het nog daarom u
niet. Gij behoeft niet meer gewekt te worden. Gij zijt wakker, daar ben
ik zeker van. En die brandstof in u, die voedt geen
persoonlijk-revolutionnair, geen klein-flikkerend vlammetje meer, maar
hij helpt mede-voeden dat zekere en klare licht, dat socialisme heet.
Daarom: gij zult en moet _Multatuli_ kalmer genieten, gij zult
onderscheiden leeren. En o, vóóral, gij moogt niet in de fout vervallen,
waarin zij vervielen:
... Een ieder mensch, een _mensch_, die met een Groote verkeert, voelt
vroeg of laat den drang, dien te gelijken. Die drang kan hem heilzaam,
maar ook onheilbrengend zijn. Heilzaam is zij hem, wanneer hij denkt:
Die groote mensch, dien ik zoo liefheb, is toch een mensch, hij moet dus
gebreken hebben. Laat ik oppassen dat ik niet, door mijn overgroote
liefde verblind, die gebreken overneem. Want die fouten, welke in 't
geheel van zijn ontzaglijke persoonlijkheid zoo gering lijken, zouden
mij, kleìne, verpletteren. Laat mij groeien en genieten van zijn
voortreffelijkheden. Maar laat mij ook hierin wijs zijn: laat mij hem
niet _nabootsen_ in zijn deugden, want naäpen, dat is het werk van apen;
de plicht en het verlangen van menschen is: blijde te zijn met, te
genieten van het goede; hun wijsheid: te weten dat dáárdoor hun wezen
van zelf groeit en _natuurlijk_ en _geleidelijk_ beter wordt. Wat voor
_uw_ wezen van _zijn_ voortreffelijkheid geschikt is, dat eigent het
zich van zelf toe, mits gij u maar zoover opwerkt, dat ge [p.221] die
voortreffelijkheid kunt begrijpen en beminnen. Maar nabootsen, _vooral
niet_! Een mensch, die van de zon geniet, moet daarom niet voor zon
willen gaan spelen, noch zich verbeelden, dat hij stralen schiet....
Om u nu reeds in dit inleidend stuk het onderscheiden van Multatuli's
deugden en gebreken makkelijker te maken, zeg ik dit: zijn deugden
waren: een sterk ontwikkeld bewustzijn van eigen hooge waarde; een
machtig revolutionnair sentiment; een onbegrensde menschenliefde: een
heftig begeeren naar waarheid (welke hij echter nog minder vaak kon
bereiken dan hij anders had gekund, wijl hij gehinderd werd, ten eerste:
door de bitterheid van zijn geest, ontstaan door het ondervonden
onrecht; ten tweede: door zijn groote menschelijke en
kunstenaars-ijdelheid, waardoor hij niet nalaten kon te "poseeren"); een
in-staat-zijn zich op te offeren en een onwrikbaar vasthouden aan wat
hij goed en recht achtte.
Zijn deugden, als kunstenaar, waren: een ontzaglijk doorvoelings-en
uitbeeldings-vermogen (dat echter geschaad werd door een groot gebrek
aan objectiviteit); een vlijmscherp taal-begrip; een buitengewoon
geestig vernuft (dat m.i. slechts overtroffen wordt, maar dan ook ver,
door den grooten _Heine_, van wien hij trouwens veel geleerd heeft); een
rijke fantasie.
Zijn gebreken, ik heb er reeds eenige genoemd, waren meest de keerzijden
van zijn deugden: een anarchistische neerhalingswoede (keerzijde van
zijn revolutionnair sentiment); een soms zeer lichtzinnig oordeelen over
alles, wat hij maar gemoette (keerzijde van zijn
uiterst-vlug-denken-kunnen); een soms enorme zelfoverschatting en
minachtend neerzien op de allergrootsten (keerzijden van zijn
hooggestemde zelfachting); een uittartende en pralerige opzichtigheid
(keerzijde van zijn heldenmoed).--Gij moet dus, ik herhaal 't, zeer
critisch tegenover hem staan, u voor kinderachtige naäperij, waartoe
deze suggestieve persoonlijkheid iemand makkelijk verleidt, zorgvuldig
bewaren en bovenal _dit_ goed begrijpen: dat de ontkennende, de
_negatieve_ houding van zijn geest, die _hem_ schoon stond, wijl hij
_groot_ was, en [p.222] _leefde in een tijd, die dat noodig had en 't
als 't ware zelf deed geboren worden_, u leelijk zou staan, niet alleen
wijl gij _niet groot_ zijt, maar omdat gij in een tijd leeft, die óók en
bovenal een _positieve_, een _bevestigende_ geesteshouding noodig heeft:
_het innig geloof in de waarachtigheid van het socialisme._ Vroeg _zijn_
tijd een ongebreideld, een naar eigen begeerte kampend mensch, _deze_
vraagt _gehoorzame soldaten_ voor het groote leger, dat strijdt in alle
landen voor menschenrècht en menschengelùk, soldaten nièt gedrild tot
tucht, maar uit eigen weten en eigen vrije keus de tucht verkiezend
boven tuchtelóósheid. Houdt ge u aan dit alles, wat ik u heb gezegd, dan
kunt ge zonder vrees dat oostersch-vreemde en prachtig land, dat
_Multatuli's_ werk is, bereizen en moedig de hellingen van dien
trotschen berg beklimmen, waarop bosschen vol van sappige vruchten
staan. Wat mij betreft, ik zal het nu bij deze, naar mij dunkt niet
ongemotiveerde, waarschuwing en uiteenzetting laten, en in de volgende
artikelen de _Geschiedenis van Woutertje Pieterse_, haar zooveel
mogelijk los makend uit de _Ideeën_ waarvan ze een deel is, zuiver
letterkundig behandelen, gelijk ik dat met Hildebrand's _Familie Kegge_
heb gedaan.[7]
* * * * *