HOE LITERAIRE KUNST GELEZEN EN GENOTEN MOET WORDEN[1] [p.206]

Ik wil nu met u spreken over literatuur, haar wezen, haar verhouding tot

eenige andere grootmachten van het geestelijk leven, het geluk en de

veredeling, die zij geeft en hoe deze in u komen kunnen. Wat ik daardoor

wellicht vermag, is: u haar te doen begrijpen met uw _verstand_. Het

geluk en de veredeling, waarvan ik sprak, zult ge echter niet deelachtig

worden voor gij haar zult begrepen hebben met uw _gevoel_. Is dat

gebeurd--tegelijkertijd zijn zij in u. En gij zult een rijkdom, een

troost, een toevlucht bezitten, wier weelde, wier innigheid, wier

beveiliging aan niets geleken kan worden, dat ge vóór dien bezat. Maar

ook het eerstgenoemd begrijpen is geen geringe winste, en zal voor

sommigen uwer allicht het middel blijken te zijn, het laatstgenoemde te

bereiken. Veel zal afhangen van uw aanleg, uw ernst, uw wil, uw al of

niet inzien van de waarheid, dat op dat hooger levensplan, waarop wij

allen toch wenschen, dat ge eens zult staan, dit begrijpen noodig is als

bróód, als wèrk. De bibliotheek-statistiek van onzen Bond is niet

bemoedigend. Ware die de steunstaf van mijn hoop, zij deed beter met

niet op weg te tijgen; zinnelijkheid en lust tot grof romannetjes-

geprikkel, verlangen naar verhit "geboeid"-zijn, deze, leert die

statistiek, zitten bij de massa uwer voor, zijn haar raadgevers bij het

boeken-kiezen. Maar mijn hoop [p.207] leunt op een anderen staf: de

adeldom van uw strijd, de worsteling uwer klasse. Die strijd is ook de

groote Drijver, die u drijft. Zelf edel, stoot hij u het edele van het

leven tegemoet. Hij de hijgend zwoegende, bezweet en zwart, worstelt uw

massa òp de hooge wegen, waar de blanke, lichte gedaanten staan:

Wetenschap, Kunst, Vrijheid. Gij moogt weerstaan of niet, hij stóót u

op. En telkens gaat zijn vorschersblik omhoog en zwaar ademend berekent

hij den afstand, de terugwenteling stuitend op zijn reuzenborst; dan

ziet hij weer naar ons, de medehoeders, mede-werkers, die in spanning

wachten of zij mogen helpen.... Soms mogen wij dan, een enkel maal

kunnen we.... Dit stuk wil zulk een hulp zijn.

* * * * *

Begin met dit goed te begrijpen: een voorwerp is altijd min of meer voor

_eenige_ doeleinden geschikt. Al naar uw inzicht, oogenblikkelijke

behoefte, of door noodzakelijkheid gedreven, zult ge 't voor een dier

doeleinden gebruiken, maar afgezien van waarvoor gij 't gebruikt zal het

_uit zijn eigen aard_ voor een of eenige van die verschillende

doeleinden _het meest_ geschikt zijn. En luister nu goed: wendt ge 't

aan, waartoe 't _het meest_ geschikt is, dan _ge_bruikt ge 't, wendt ge

't echter voor iets anders aan, dan _mis_bruikt ge 't. Ten overvloede,

zoo ik meen, zal ik u dit met een concreet voorbeeld verduidelijken: een

tafel, niet waar, kunt ge als tafel, maar ook als stoel, maar ook als

brandhout gebruiken! Behoef ik U nu te zeggen, dat ge hem alleen als

tafel gebruiken, als stoel of als brandhout slechts misbruiken kunt?!

Zoo is 't op stoffelijk, maar zóó ook op geestelijk gebied. Nemen we nu

ook een concreet voorbeeld op geestelijk gebied en kiezen we daartoe een

roman, _welke tevens een literair kunstwerk is_, Zoo'n roman dan is een

geschiedenis van zekere menschen. Die menschen, die natuurlijk ook

spreken in dien roman, verkondigen meeningen; het blijkt u, dat ge 't

eens zijt met die meeningen, of dat ge 't oneens zijt, ja, ze zelfs

verfoeit! Verder: de toestand, waarin de menschen in dien roman

verkeeren, schijnt u te pleiten vóór uwe overtuiging of

levensbeschouwing, [p.208] of wel daartégen; of: er worden door die

roman-menschen sexueele handelingen gepleegd, waarvan het meer of minder

uitvoerig relaas ùwe zinnelijkheid prikkelt. Waartoe moet die roman, die

dit alles doet, vertelt en bevat, _maar ook een kunstwerk is_, u nu

dienen? Moet ge blij zijn, omdat die roman-menschen meeningen

verkondigen, die met de uwe strooken, of treurig zijn om het tegendeel?

Moet ge verheugd zijn, omdat de toestand, waarin die roman-menschen

verkeeren, vóór uw levensbeschouwing pleit, of verdrietig en toornig,

wijl hij ertegen schijnt te bewijzen? Moet ge door 't relaas der

sexueele handelingen uwe zinnelijkheid làten prikkelen? _Of wel, moet ge

dien roman als_ KUNSTWERK _op u laten inwerken_ en dus ervan hebben:

dat hooge geestelijke genot, die veredeling, die vèr van kleine

blijdschap, vèr van toorn, vèr van verdrietelijkheid, vèr van

innerlijken strijd zijn: een zoete effenheid, toch niet zóó effen of zij

rimpelt heuveltjes van glinsterende verrukking op, als een deinend water

onder zonlicht?

Behoef ik U nog wel te zeggen, dat die roman, _die een kunstwerk is, het

meest uit eigen aard_ geschikt is, om _als kunstwerk_ te worden genoten

en dat ge hem dus _mis_bruikt en niet _ge_bruikt, zoo ge iets anders er

mee doet! En hoedt u voor misbruik van geestelijken rijkdom! Ge kent wel

het begin der schade, maar het verre einde niet: de algeheele verwarring

van denkbeelden, het ongemerkt-langzaam maar zeker verergerend gebrek

aan onderscheidingsvermogen, de verstomping en verblinding van het

verstand en het gevoel door eenzijdige ontwikkeling. Misbruik is

verspilling, en een opkomende en worstelende klasse heeft niets, geen

splinter zelfs, te verspillen.

* * * * *

"Maar," vraagt ge nu, "hoe bereiken we dit, zulk een roman als kunstwerk

te genieten. Wij erkennen, we voelen ons verheugd als het verhaal en de

toestand der menschen in het verhaal vóór onze levensbeschouwing, vóór

onze politieke inzichten, vóór de juistheid van ons geloof of ongeloof

pleiten, [p.209] toornig en verdrietig vaak bij het tegenovergestelde.

Ja, wij erkennen, dat er onder ons menigeen is, die leest, om zijn

zinnelijkheid te prikkelen. Zeg gij ons nu hoe we dit alles vermijden

kunnen en hoe we kunnen geraken tot dat hooge genot, dat gij bedoelt.

Want als gij zegt, dat deze onze blijdschap en onze toorn, dit ons leed

en ons verdriet niets met kunstgenot te maken hebben, ja, dat we dit

laatste zelfs kunnen hebben van een kunstwerk, welks geheele inhoud

lijnrecht tegen onze inzichten schijnt in te druischen, dan begrijpen

wij zelfs niet wàt kunstgenot is."

Welnu, ik verlang niets liever dan u dit alles duidelijk uiteen te

zetten. Juist met die bedoeling heb ik mij nu aan het werk gezet. En

indien ge maar welwillend en met volle aandacht naar mij luisteren wilt,

dan kàn ik 't ook. Want ik zeg niet quasi-bescheiden, dat ik 't méén te

weten, maar ik zeg stellig en vast, omdat ik 't aldus vòèl, dat ik 't

onwrikbaar zeker weet. Gij zult ook later inzien, dat de meening van

velen voor wie gij hoogen eerbied hebt en die dien eerbied ten volle

verdienen, met de mijne in strijd is. Maar daarom moogt ge nù niet aan

mij twijfelen, doch daar ik uw raadsman ben, aannemen wat ik zeg, tot

ge-zelf oordeelen kunt tusschen hen en mij. Bij eenigen uwer, begaafden,

zullen mijn woorden als een voleindende verheldering zijn. Zij zullen

plotseling veel in hun eigen voelen begrijpen, wat hun verstand tot nu

toe niet verklaren kon. Dezen hebben met hun gevoel begrepen, vóór zij

't met hun intellect konden doen. Bij de anderen zal mijn betoog echter,

gelijk reeds werd gezegd, slechts een begrijpen-met-het-verstand

veroorzaken, vóór ook dezen zich-zelf tot een begrijpen-met-het-gevoel

zullen gebracht hebben, zullen zij niet mogen oordeelen.

* * * * *

Zie eerst het onderscheid tusschen wetenschap en kunst: Wetenschap is:

het onderzoekende, betoogende en bewijzende. Kunst is: het

intuïtief-ontvangende en het in-schoonheid-en-blijdschap-herscheppende.

_Vraag daarom aan de kunst geen [p.210] onderzoek, geen betoog en geen

bewijs. Vraag haar schoonheid en afspiegeling van scheppingsvreugde

alleen_.

Wetenschap is het keurende, schiftende, scheidende. Kunst echter is het

alles-omvattende. _Verwonder u daarom niet, dat_ ALLES _wat bestaat in

haar verheerlijking wordt opgenomen_. Wat bestaat in de stoffelijke en

wat bestaat in haar eigen verbeeldingswereld. Zij herschept en

verheerlijkt--want dit is één voor haar--zoowel het kleine leven der

dieren. (_Maeterlinck_) als het supreme leven der onstoffelijke werelden

(_Dante_). Zij herschept en verheerlijkt een rottend lijk (_Velasquez_)

zoowel als het heerlijkst ontbloeien van jong leven (_Herman Gorter:

Mei_, bijv. en ontelbare Anderen.) Zij herschept en verheerlijkt de

diepste afgronden van het misdadige en zinnelijke denk-voelen (_Les

Chants de Maldoror_) zoowel als het tegelijkertijd heerlijke en

smartvolle zich verliezen in een ander, wat een zeer liefdevolle en

hooggestegene bereikt heeft (_Epipsychidion_ van _Shelley_). Gij ziet,

ik bewéér niet, dat zij dit alles doet, maar ik bewijs het u. Wat is

haar dan "onderwerp," wat zijn haar "meeningen" en "overtuigingen"! En

wat mogen zij u dan zijn, terwijl gij tot haar komt, gij, die haar wilt

genieten! Zij herschept het alles in vreugde en die vreugde is om hare

eigen scheppingskracht. _Die vreugde te hergenieten, dat is het

kunstgenot_. Ik zal u ook van deze stelling, voor zoover dat kan, een

verduidelijkend voorbeeld geven: In een vriendenkring, waartoe ik

behoorde, las een voor uit Gorter's _Mei_--Balders afscheid van Mei.

--De voorlezer was zoo door aandoening overmand, dat over zijn gelaat

die eigenaardige huiveringen bleekten en om zijn lippen die glimlach

van opperst en edel geluk was, welke aan de gelaatsuitdrukkingen van de

Verklaarden der middeleeuwen, in religieuse extase, doen denken. Toen

hij geëindigd had en vrijwel uitgeput en zwaar uitademend met gebogen

hoofd voor zich staarde, de edele glimlach tot een trek van

moeheid-door-geluk vervaagd, zei een der vrienden tot hem: "Jij had den

glimlach van het genie van den maker op je gezicht." En zoo was 't ook:

hij had 't opperst kunstgeluk gehad. Want, nog eens: Het opperst geluk,

door kunst te [p.211] verkrijgen, is: _het hervoelen van de verrukking,

die de schepper van het kunstwerk bij het scheppen had_.

* * * * *

Noodwendig moet nu echter, na dit alles te hebben gelezen, een twijfel

in u ontstaan. "Kunst verheerlijkt dus wat zij herschept," zoo zult ge

vragen, "kunst maakt dus mooier wat zij ziet, zij siert dus op, wat is

dat anders dan de dingen leugenachtig voorstellen?! Trouwens, zij moet

wel alles in een begoocheling zien, hoe kan zij anders, een rottend lijk

afbeeldend, een schoon kunstwerk maken!"

Dien twijfel zal ik nu van u wegnemen: Het zien der kunst ont-dekt de

hoogste door menschen te doorvoelen waarheid, maar ùw zien stelt u de

dingen leugenachtig voor. Gij ziet ze oppervlakkig, kent ze niet in hun

èchte, dièpe wezen, noch in hun samenhang met het andere; de kunst

echter ziet ze in hun menschelijk-erkenbaar diepste wezen, kent ze bij

intuïtie tot in dièn grond van hun aard èn in hun samenhang met het

andere.[2] _En overal, waar die diepste aard van een ding gekend en

allernauwkeurigst weergegeven wordt, is die_ WEERGAVE _en de_ DAAD

_van het_ WEERGEVEN: _Schoonheid. En die schoonheid is de

verheerlijking_.

Weer een voorbeeld: waarom zijt gij, die dit leest, zoo vaak

gedachteloos en zonder iets te voelen door uchtend- of avondschemering

gegaan en waarom zijt ge dan zoo verrukt en voelt zoo vreemde raadsels

in háár èn in u-zèlf, als een kunstenaar ze heeft herschapen? Omdat die

kunstenaar haar diepste essentie heeft doorvoeld en dat diepe wezen

heeft afgebeeld. Heeft hij die avondschemering nu vermooid en opgesierd?

Neen, neen, dan zoudt gij die beelding als een leugen voelen. Maar

integendeel, gij voelt, dat u nu eerst de oogen opengaan, dat ge pas nù

de wáárheid ziet. En ge bekent u-zelf, [p.212] dat hij haar heeft

gegeven, zooals zij wèrkelijk was, gij echter slechts, om eens zoo te

spreken, haar altijd aan 'r oppervlakte hadt gezien en dus niet, zooals

zij wèrkelijk was.

* * * * *

"Maar," zoo zult ge nu vragen, "als dit alles zoo is, waarom komt het

dan zoo dikwijls voor, dat één kunstenaar zich, bijvoorbeeld,

uitsluitend aangetrokken voelt tot het afbeelden van bloemen, 'n ander

tot het afbeelden van menschen, een derde weer zich alleen tot dieren

bepaalt. Hun moest toch alles even lief zijn, daar zij van alles, het

eigen, diepe wezen eens ontdekt, een kunstwerk scheppen kunnen? Maar dit

niet alleen: als deze kunstenaar zich dus al afwendt van het eene en die

van 't andere, hoe kunnen wij, niet-kunstenaars, dan in alles de

schoonheid zien en de blijdschap erom voelen?!" En ziehier mijn

antwoord: de gewoon-menschelijke neigingen van den kunstenaar, de graad

van ontwikkeling zijner psychische gaven zullen bepalen, dat voor het

verborgen, eigen, diepe wezen van het eene ding zijn oogen geopend, voor

dat van een ander ding zijn oogen gesloten zullen zijn, dit laatste zal

hij dus niet in kunst kunnen herscheppen. Met u is het echter anders

gesteld: van u wordt niet geëischt, dat gij de omhulde diepte van de

dingen in de natuur _ont_hullen zult. Van u wordt slechts geëischt, dat

gij dat diepe wezen zien zult _zooals het, reeds door den kunstenaar

onthuld, in een kunstwerk voor u staat_.

Indien een kunstenaar niet tot het kernwezen van bijv. menschen kan

doordringen, dan beteekent dit, dat de uiterlijke verschijningsvorm van

die menschen iets in zich heeft, wat hèm dat belet. Indien gij echter

een _kunst_afbeelding van menschen voor u krijgt, dan kan er in den

uiterlijken verschijningsvorm van die menschen niets zijn, dat U dit

belet, om de eenvoudige reden, dat--er geen alleen-uiterlijke

verschijningsvorm meer is en de innerlijke met volle openbaring van

kernwezen daarvoor in de plaats is getreden!

[p.213] Zoo meen ik u dus, voor zoover het mij in dit korte bestek

mogelijk was, te hebben aangetoond: het wezen van kunst; de aanwezigheid

van scheppingsvreugde bij het scheppen van een kunstwerk; dat het

hoogste kunstgenot het hervoelen van die scheppingsvreugde en het

beschouwen van de scheppingsdaad in haar bewegingen is; dat men daartoe

komt door de hooge waarheid van een kunstwerk in te zien; dat de

heerlijkheid en schoonheid van iets in kunst gebeeld, bestaan uit de

allernauwkeurigste, innigst-ware weergave van het meest eigene, diepe

van dat iets. Hiermede heb ik de hoofdzaken gerecapituleerd. Maar nog

niet heb ik u duidelijk genoeg gezegd, hoe ge u zelf opvoeden en

op-leiden kunt tot dat zóó-zien van een kunstwerk, tot dat zóó-hervoelen

der scheppingsvreugde. En dit zal ik nu doen.

* * * * *

Er is zeer veel overeenkomst tusschen een kunstenaar en den waarlijk

genietenden beschouwer van een kunstwerk: de kunstenaar beschouwt,

doorgrondt, herschept en voelt vreugde en evenzeer de

waarlijk-genietende beschouwer, ziet, doorgrondt, erkent ten slotte als

waar en voelt vreugde. Waar de wegen dus zoo parallel loopen en ten

slotte zelfs eindigen in hetzelfde punt, zal het ongetwijfeld groot nut

hebben, zoo we nauwkeurig en van nabij den weg van den kunstenaar

bezien. Ten eerste dus: hoe geraakt een kunstenaar ertoe den diepsten

aard van een wezen te zien? Door op dien tijd zich-zelf af te sluiten

voor het weten der begrippen, waarin de wetenschap: ethica, politieke

economie, enz. enz. haar waardebepaling van dat wezen heeft neergelegd.

Hij moet dieper zien dan de ethica, de politieke economie, enz. enz.,

hij moet de opperste, innigste, onvervreemdbaar-eigen waarde van dat

wezen zien, en de waarde-bepalingen van de ethica, de politieke

economie, enz. enz. kunnen hem slechts misleiden en verblinden. Hoe zou

zich die misleiding en verblinding, in hem, uiten? Hij zou zich afkeerig

of bewonderend, toornig of welwillend voelen. Dus niet onpartijdig en

objectief. [p.214] En hij moet wèl objectief zijn.[3] Ten tweede: wat

gebeurt er nu in hem, terwijl hij door objectief aanschouwen den

waarlijk-eigen aard van een wezen of ding erkend heeft? De drang

ontstaat in hem, om alles wat hij gezien heeft, te herscheppen. Terwijl

hij dit doet en, al doend, voelt te zullen slagen, is er een zeer hooge

en groote vreugde in hem, èn om de schoonheid van zijn erkennen èn om

die zijner macht, dat wat hij erkend heeft te herscheppen. _Het zijn

deze: de schoonheid van des kunstenaars erkennings- en

herscheppingsvermogen, en zijn vreugde daarover, die de eigenlijke

schoonheid van de bovengenoemde "allernauwkeurigste, innigst-ware

weergave" zijn en dus levens, nu ten diepsten grond gepeild, de eenige

waarachtige schoonheid van een kunstwerk uitmaken._[4]

Doet een kunstenaar dit willekeurig: zich-zelf sluiten voor al wat niet

is het doorvoelen van den eigen, diepsten aard van een wezen of ding?

Neen, dit is hem aangeboren, hij moèt dit doen. Het is hem aangeboren

alles te vergeten voor dit eene, terwijl hij aanschouwt en herschept.

Een opperst concentratievermogen van het denk-voelen wordt hier

vereischt. Zoo ergens, dan is hier het woord waar: "Niemand kan twee

heeren dienen." Geen mensch kan schrijven om den roem, geen om het geld,

geen om te hervormen en tegelijkertijd een kunstwerk scheppen. Alleen,

wanneer hij op het objectief aanschouwen van den diepsten, eigen aard

van een wezen of ding zijn geheele denk-voelen concentreert, kan hij 't.

En omdat dit concentratievermogen zoo uiterst sterk moet zijn, kan

niemand het door den wil verwerven, maar het moet van zelf aanwezig zijn

en integendeel den wil beheerschen. Dan is men kunstenaar.

_L'art pour l'art--De kunst om de kunst, d.w.z., dat de kunst

uitsluitend om haar-zelfs wille en zonder eenige bijgedachte of eenig

bijoogmerk gediend moet worden, is daarom een volmaakt juiste stelling_.

* * * * *

[p.215] Hoe moet gij nu, leerend uit het bovenstaande, handelen, om de

schoonheid van een kunstwerk te zien en de vreugde van zijn maker te

hervoelen?

Gij moet, gelijk hij, u-zelf sluiten voor alle die begrippen, waarvoor

hij zich sluit.

Waarom kunt gij dit _willekeurig_, terwijl hij dat toch niet kan? Omdat

er een ontzaglijk groot verschil is tusschen de benoodigde sterkte van

uw concentratievermogen en die van het zijne. Het zijne moet sterk

genoeg zijn, om door de misleidende omhulling, tot de kern van het te

herscheppen wezen of ding door te dringen. Voor het uwe biedt die kern,

door hèm onthuld, open en bloot zich aan. Het uwe volstaat dus met van

slechts zoo zwakken aard te zijn, dat het zich door ieder normaal mensch

willekeurig door oefening laat verwerven.

Wat moet gij dus, nu in bijzonderheden herhaald, _laten_?

Gij moet, bij het zien van een kunstwerk, _nalaten_ eraan te denken, wat

de zedeleer van den inhoud der voorstelling zegt, wat uw politieke

opvatting ervan zegt, wat uw economische ervan zegt. Gij moet u _niet_

laten beïnvloeden door het feitelijke der voorstelling: niet toornig

gestemd, niet welwillend gestemd en niet zinnelijk worden.

En wat moet gij dan _wel_ doen?

Gij moet u zoo volkomen mogelijk overgeven aan het denk-voelen, dat niet

dralen zal bij u op te komen, indien gij het bovenstaande slechts laat.

Wat is dit denk-voelen, in woorden uitgedrukt? Ongeveer dit: "Hoe

heerlijk waar en echt is deze voorstelling, hoe schitterend mooi en

juist heeft de kunstenaar dit gezien en weergegeven." Dan zult gij de

hooge vreugde hervoelen, die ook hij gevoeld heeft. En gij zult die

vreugde voelen om het vermogen van een ander! Want in u-zelf zult gij

juichen: Hoe blij ben ik en hoe in-gelukkig dat er zulk een mensch, die

dàt kan, bestaat, en hoe houd ik van dien mensch....

Wat is meer altruïstisch, wat veredelender dan dit....

Dàn zijt ge in wáárheid kunst-genieter.

* * * * *

[p.216] "Maar," zoo zult ge nu vragen, "als die stelling: "De kunst om

de kunst" juist is. Als wij door een kunstwerk bijvoorbeeld niet langer

het ongeluk van het proletarisch bestaan des te vlijmender mogen voelen,

niet langer ons laten aanvuren in onzen mooien strijd, doen wij dan wel

goed ons aan kunstgenot over te geven? Wij voelen als eersten plicht

onzen strijd te strijden, en alles wat ons daar niet in helpen kan

moeten wij laten."

En zeker, antwoord ik, met dit laatste hebt gij gelijk. Maar de zaak is,

waaraan gij niet denkt, dat juist het genieten van kunstgenot u helpen

zal in uw strijd. Telkens als gij zoo zult genoten hebben, zult gij een

beter mensch zijn geworden, al weet en voelt gij dat zelf niet dadelijk;

een beter mensch is een sterker mensch en hoe sterker hij is, hoe meer

hij vermag.

_Omdat uw strijd edel en goed is, helpt gij hem onwillekeurig strijden,

telkens wanneer ge iets goeds doet, wanneer gij zelf edeler wordt_.

_Als gij u rein houdt in woord en in daad, strijdt gij uw strijd! Als

gij u goed voedt, als gij uw maatschappelijk inzicht scherpt, als gij

eerlijk tegen vriend en vijand zijt, strijdt gij uw strijd. En als gij

kunstgenot voelt, rein en diep en onvermengd, dan niet minder strijdt

gij uw strijd_![5]

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 40 / 78 题