Ik wil nu met u spreken over literatuur, haar wezen, haar verhouding tot
eenige andere grootmachten van het geestelijk leven, het geluk en de
veredeling, die zij geeft en hoe deze in u komen kunnen. Wat ik daardoor
wellicht vermag, is: u haar te doen begrijpen met uw _verstand_. Het
geluk en de veredeling, waarvan ik sprak, zult ge echter niet deelachtig
worden voor gij haar zult begrepen hebben met uw _gevoel_. Is dat
gebeurd--tegelijkertijd zijn zij in u. En gij zult een rijkdom, een
troost, een toevlucht bezitten, wier weelde, wier innigheid, wier
beveiliging aan niets geleken kan worden, dat ge vóór dien bezat. Maar
ook het eerstgenoemd begrijpen is geen geringe winste, en zal voor
sommigen uwer allicht het middel blijken te zijn, het laatstgenoemde te
bereiken. Veel zal afhangen van uw aanleg, uw ernst, uw wil, uw al of
niet inzien van de waarheid, dat op dat hooger levensplan, waarop wij
allen toch wenschen, dat ge eens zult staan, dit begrijpen noodig is als
bróód, als wèrk. De bibliotheek-statistiek van onzen Bond is niet
bemoedigend. Ware die de steunstaf van mijn hoop, zij deed beter met
niet op weg te tijgen; zinnelijkheid en lust tot grof romannetjes-
geprikkel, verlangen naar verhit "geboeid"-zijn, deze, leert die
statistiek, zitten bij de massa uwer voor, zijn haar raadgevers bij het
boeken-kiezen. Maar mijn hoop [p.207] leunt op een anderen staf: de
adeldom van uw strijd, de worsteling uwer klasse. Die strijd is ook de
groote Drijver, die u drijft. Zelf edel, stoot hij u het edele van het
leven tegemoet. Hij de hijgend zwoegende, bezweet en zwart, worstelt uw
massa òp de hooge wegen, waar de blanke, lichte gedaanten staan:
Wetenschap, Kunst, Vrijheid. Gij moogt weerstaan of niet, hij stóót u
op. En telkens gaat zijn vorschersblik omhoog en zwaar ademend berekent
hij den afstand, de terugwenteling stuitend op zijn reuzenborst; dan
ziet hij weer naar ons, de medehoeders, mede-werkers, die in spanning
wachten of zij mogen helpen.... Soms mogen wij dan, een enkel maal
kunnen we.... Dit stuk wil zulk een hulp zijn.
* * * * *
Begin met dit goed te begrijpen: een voorwerp is altijd min of meer voor
_eenige_ doeleinden geschikt. Al naar uw inzicht, oogenblikkelijke
behoefte, of door noodzakelijkheid gedreven, zult ge 't voor een dier
doeleinden gebruiken, maar afgezien van waarvoor gij 't gebruikt zal het
_uit zijn eigen aard_ voor een of eenige van die verschillende
doeleinden _het meest_ geschikt zijn. En luister nu goed: wendt ge 't
aan, waartoe 't _het meest_ geschikt is, dan _ge_bruikt ge 't, wendt ge
't echter voor iets anders aan, dan _mis_bruikt ge 't. Ten overvloede,
zoo ik meen, zal ik u dit met een concreet voorbeeld verduidelijken: een
tafel, niet waar, kunt ge als tafel, maar ook als stoel, maar ook als
brandhout gebruiken! Behoef ik U nu te zeggen, dat ge hem alleen als
tafel gebruiken, als stoel of als brandhout slechts misbruiken kunt?!
Zoo is 't op stoffelijk, maar zóó ook op geestelijk gebied. Nemen we nu
ook een concreet voorbeeld op geestelijk gebied en kiezen we daartoe een
roman, _welke tevens een literair kunstwerk is_, Zoo'n roman dan is een
geschiedenis van zekere menschen. Die menschen, die natuurlijk ook
spreken in dien roman, verkondigen meeningen; het blijkt u, dat ge 't
eens zijt met die meeningen, of dat ge 't oneens zijt, ja, ze zelfs
verfoeit! Verder: de toestand, waarin de menschen in dien roman
verkeeren, schijnt u te pleiten vóór uwe overtuiging of
levensbeschouwing, [p.208] of wel daartégen; of: er worden door die
roman-menschen sexueele handelingen gepleegd, waarvan het meer of minder
uitvoerig relaas ùwe zinnelijkheid prikkelt. Waartoe moet die roman, die
dit alles doet, vertelt en bevat, _maar ook een kunstwerk is_, u nu
dienen? Moet ge blij zijn, omdat die roman-menschen meeningen
verkondigen, die met de uwe strooken, of treurig zijn om het tegendeel?
Moet ge verheugd zijn, omdat de toestand, waarin die roman-menschen
verkeeren, vóór uw levensbeschouwing pleit, of verdrietig en toornig,
wijl hij ertegen schijnt te bewijzen? Moet ge door 't relaas der
sexueele handelingen uwe zinnelijkheid làten prikkelen? _Of wel, moet ge
dien roman als_ KUNSTWERK _op u laten inwerken_ en dus ervan hebben:
dat hooge geestelijke genot, die veredeling, die vèr van kleine
blijdschap, vèr van toorn, vèr van verdrietelijkheid, vèr van
innerlijken strijd zijn: een zoete effenheid, toch niet zóó effen of zij
rimpelt heuveltjes van glinsterende verrukking op, als een deinend water
onder zonlicht?
Behoef ik U nog wel te zeggen, dat die roman, _die een kunstwerk is, het
meest uit eigen aard_ geschikt is, om _als kunstwerk_ te worden genoten
en dat ge hem dus _mis_bruikt en niet _ge_bruikt, zoo ge iets anders er
mee doet! En hoedt u voor misbruik van geestelijken rijkdom! Ge kent wel
het begin der schade, maar het verre einde niet: de algeheele verwarring
van denkbeelden, het ongemerkt-langzaam maar zeker verergerend gebrek
aan onderscheidingsvermogen, de verstomping en verblinding van het
verstand en het gevoel door eenzijdige ontwikkeling. Misbruik is
verspilling, en een opkomende en worstelende klasse heeft niets, geen
splinter zelfs, te verspillen.
* * * * *
"Maar," vraagt ge nu, "hoe bereiken we dit, zulk een roman als kunstwerk
te genieten. Wij erkennen, we voelen ons verheugd als het verhaal en de
toestand der menschen in het verhaal vóór onze levensbeschouwing, vóór
onze politieke inzichten, vóór de juistheid van ons geloof of ongeloof
pleiten, [p.209] toornig en verdrietig vaak bij het tegenovergestelde.
Ja, wij erkennen, dat er onder ons menigeen is, die leest, om zijn
zinnelijkheid te prikkelen. Zeg gij ons nu hoe we dit alles vermijden
kunnen en hoe we kunnen geraken tot dat hooge genot, dat gij bedoelt.
Want als gij zegt, dat deze onze blijdschap en onze toorn, dit ons leed
en ons verdriet niets met kunstgenot te maken hebben, ja, dat we dit
laatste zelfs kunnen hebben van een kunstwerk, welks geheele inhoud
lijnrecht tegen onze inzichten schijnt in te druischen, dan begrijpen
wij zelfs niet wàt kunstgenot is."
Welnu, ik verlang niets liever dan u dit alles duidelijk uiteen te
zetten. Juist met die bedoeling heb ik mij nu aan het werk gezet. En
indien ge maar welwillend en met volle aandacht naar mij luisteren wilt,
dan kàn ik 't ook. Want ik zeg niet quasi-bescheiden, dat ik 't méén te
weten, maar ik zeg stellig en vast, omdat ik 't aldus vòèl, dat ik 't
onwrikbaar zeker weet. Gij zult ook later inzien, dat de meening van
velen voor wie gij hoogen eerbied hebt en die dien eerbied ten volle
verdienen, met de mijne in strijd is. Maar daarom moogt ge nù niet aan
mij twijfelen, doch daar ik uw raadsman ben, aannemen wat ik zeg, tot
ge-zelf oordeelen kunt tusschen hen en mij. Bij eenigen uwer, begaafden,
zullen mijn woorden als een voleindende verheldering zijn. Zij zullen
plotseling veel in hun eigen voelen begrijpen, wat hun verstand tot nu
toe niet verklaren kon. Dezen hebben met hun gevoel begrepen, vóór zij
't met hun intellect konden doen. Bij de anderen zal mijn betoog echter,
gelijk reeds werd gezegd, slechts een begrijpen-met-het-verstand
veroorzaken, vóór ook dezen zich-zelf tot een begrijpen-met-het-gevoel
zullen gebracht hebben, zullen zij niet mogen oordeelen.
* * * * *
Zie eerst het onderscheid tusschen wetenschap en kunst: Wetenschap is:
het onderzoekende, betoogende en bewijzende. Kunst is: het
intuïtief-ontvangende en het in-schoonheid-en-blijdschap-herscheppende.
_Vraag daarom aan de kunst geen [p.210] onderzoek, geen betoog en geen
bewijs. Vraag haar schoonheid en afspiegeling van scheppingsvreugde
alleen_.
Wetenschap is het keurende, schiftende, scheidende. Kunst echter is het
alles-omvattende. _Verwonder u daarom niet, dat_ ALLES _wat bestaat in
haar verheerlijking wordt opgenomen_. Wat bestaat in de stoffelijke en
wat bestaat in haar eigen verbeeldingswereld. Zij herschept en
verheerlijkt--want dit is één voor haar--zoowel het kleine leven der
dieren. (_Maeterlinck_) als het supreme leven der onstoffelijke werelden
(_Dante_). Zij herschept en verheerlijkt een rottend lijk (_Velasquez_)
zoowel als het heerlijkst ontbloeien van jong leven (_Herman Gorter:
Mei_, bijv. en ontelbare Anderen.) Zij herschept en verheerlijkt de
diepste afgronden van het misdadige en zinnelijke denk-voelen (_Les
Chants de Maldoror_) zoowel als het tegelijkertijd heerlijke en
smartvolle zich verliezen in een ander, wat een zeer liefdevolle en
hooggestegene bereikt heeft (_Epipsychidion_ van _Shelley_). Gij ziet,
ik bewéér niet, dat zij dit alles doet, maar ik bewijs het u. Wat is
haar dan "onderwerp," wat zijn haar "meeningen" en "overtuigingen"! En
wat mogen zij u dan zijn, terwijl gij tot haar komt, gij, die haar wilt
genieten! Zij herschept het alles in vreugde en die vreugde is om hare
eigen scheppingskracht. _Die vreugde te hergenieten, dat is het
kunstgenot_. Ik zal u ook van deze stelling, voor zoover dat kan, een
verduidelijkend voorbeeld geven: In een vriendenkring, waartoe ik
behoorde, las een voor uit Gorter's _Mei_--Balders afscheid van Mei.
--De voorlezer was zoo door aandoening overmand, dat over zijn gelaat
die eigenaardige huiveringen bleekten en om zijn lippen die glimlach
van opperst en edel geluk was, welke aan de gelaatsuitdrukkingen van de
Verklaarden der middeleeuwen, in religieuse extase, doen denken. Toen
hij geëindigd had en vrijwel uitgeput en zwaar uitademend met gebogen
hoofd voor zich staarde, de edele glimlach tot een trek van
moeheid-door-geluk vervaagd, zei een der vrienden tot hem: "Jij had den
glimlach van het genie van den maker op je gezicht." En zoo was 't ook:
hij had 't opperst kunstgeluk gehad. Want, nog eens: Het opperst geluk,
door kunst te [p.211] verkrijgen, is: _het hervoelen van de verrukking,
die de schepper van het kunstwerk bij het scheppen had_.
* * * * *
Noodwendig moet nu echter, na dit alles te hebben gelezen, een twijfel
in u ontstaan. "Kunst verheerlijkt dus wat zij herschept," zoo zult ge
vragen, "kunst maakt dus mooier wat zij ziet, zij siert dus op, wat is
dat anders dan de dingen leugenachtig voorstellen?! Trouwens, zij moet
wel alles in een begoocheling zien, hoe kan zij anders, een rottend lijk
afbeeldend, een schoon kunstwerk maken!"
Dien twijfel zal ik nu van u wegnemen: Het zien der kunst ont-dekt de
hoogste door menschen te doorvoelen waarheid, maar ùw zien stelt u de
dingen leugenachtig voor. Gij ziet ze oppervlakkig, kent ze niet in hun
èchte, dièpe wezen, noch in hun samenhang met het andere; de kunst
echter ziet ze in hun menschelijk-erkenbaar diepste wezen, kent ze bij
intuïtie tot in dièn grond van hun aard èn in hun samenhang met het
andere.[2] _En overal, waar die diepste aard van een ding gekend en
allernauwkeurigst weergegeven wordt, is die_ WEERGAVE _en de_ DAAD
_van het_ WEERGEVEN: _Schoonheid. En die schoonheid is de
verheerlijking_.
Weer een voorbeeld: waarom zijt gij, die dit leest, zoo vaak
gedachteloos en zonder iets te voelen door uchtend- of avondschemering
gegaan en waarom zijt ge dan zoo verrukt en voelt zoo vreemde raadsels
in háár èn in u-zèlf, als een kunstenaar ze heeft herschapen? Omdat die
kunstenaar haar diepste essentie heeft doorvoeld en dat diepe wezen
heeft afgebeeld. Heeft hij die avondschemering nu vermooid en opgesierd?
Neen, neen, dan zoudt gij die beelding als een leugen voelen. Maar
integendeel, gij voelt, dat u nu eerst de oogen opengaan, dat ge pas nù
de wáárheid ziet. En ge bekent u-zelf, [p.212] dat hij haar heeft
gegeven, zooals zij wèrkelijk was, gij echter slechts, om eens zoo te
spreken, haar altijd aan 'r oppervlakte hadt gezien en dus niet, zooals
zij wèrkelijk was.
* * * * *
"Maar," zoo zult ge nu vragen, "als dit alles zoo is, waarom komt het
dan zoo dikwijls voor, dat één kunstenaar zich, bijvoorbeeld,
uitsluitend aangetrokken voelt tot het afbeelden van bloemen, 'n ander
tot het afbeelden van menschen, een derde weer zich alleen tot dieren
bepaalt. Hun moest toch alles even lief zijn, daar zij van alles, het
eigen, diepe wezen eens ontdekt, een kunstwerk scheppen kunnen? Maar dit
niet alleen: als deze kunstenaar zich dus al afwendt van het eene en die
van 't andere, hoe kunnen wij, niet-kunstenaars, dan in alles de
schoonheid zien en de blijdschap erom voelen?!" En ziehier mijn
antwoord: de gewoon-menschelijke neigingen van den kunstenaar, de graad
van ontwikkeling zijner psychische gaven zullen bepalen, dat voor het
verborgen, eigen, diepe wezen van het eene ding zijn oogen geopend, voor
dat van een ander ding zijn oogen gesloten zullen zijn, dit laatste zal
hij dus niet in kunst kunnen herscheppen. Met u is het echter anders
gesteld: van u wordt niet geëischt, dat gij de omhulde diepte van de
dingen in de natuur _ont_hullen zult. Van u wordt slechts geëischt, dat
gij dat diepe wezen zien zult _zooals het, reeds door den kunstenaar
onthuld, in een kunstwerk voor u staat_.
Indien een kunstenaar niet tot het kernwezen van bijv. menschen kan
doordringen, dan beteekent dit, dat de uiterlijke verschijningsvorm van
die menschen iets in zich heeft, wat hèm dat belet. Indien gij echter
een _kunst_afbeelding van menschen voor u krijgt, dan kan er in den
uiterlijken verschijningsvorm van die menschen niets zijn, dat U dit
belet, om de eenvoudige reden, dat--er geen alleen-uiterlijke
verschijningsvorm meer is en de innerlijke met volle openbaring van
kernwezen daarvoor in de plaats is getreden!
[p.213] Zoo meen ik u dus, voor zoover het mij in dit korte bestek
mogelijk was, te hebben aangetoond: het wezen van kunst; de aanwezigheid
van scheppingsvreugde bij het scheppen van een kunstwerk; dat het
hoogste kunstgenot het hervoelen van die scheppingsvreugde en het
beschouwen van de scheppingsdaad in haar bewegingen is; dat men daartoe
komt door de hooge waarheid van een kunstwerk in te zien; dat de
heerlijkheid en schoonheid van iets in kunst gebeeld, bestaan uit de
allernauwkeurigste, innigst-ware weergave van het meest eigene, diepe
van dat iets. Hiermede heb ik de hoofdzaken gerecapituleerd. Maar nog
niet heb ik u duidelijk genoeg gezegd, hoe ge u zelf opvoeden en
op-leiden kunt tot dat zóó-zien van een kunstwerk, tot dat zóó-hervoelen
der scheppingsvreugde. En dit zal ik nu doen.
* * * * *
Er is zeer veel overeenkomst tusschen een kunstenaar en den waarlijk
genietenden beschouwer van een kunstwerk: de kunstenaar beschouwt,
doorgrondt, herschept en voelt vreugde en evenzeer de
waarlijk-genietende beschouwer, ziet, doorgrondt, erkent ten slotte als
waar en voelt vreugde. Waar de wegen dus zoo parallel loopen en ten
slotte zelfs eindigen in hetzelfde punt, zal het ongetwijfeld groot nut
hebben, zoo we nauwkeurig en van nabij den weg van den kunstenaar
bezien. Ten eerste dus: hoe geraakt een kunstenaar ertoe den diepsten
aard van een wezen te zien? Door op dien tijd zich-zelf af te sluiten
voor het weten der begrippen, waarin de wetenschap: ethica, politieke
economie, enz. enz. haar waardebepaling van dat wezen heeft neergelegd.
Hij moet dieper zien dan de ethica, de politieke economie, enz. enz.,
hij moet de opperste, innigste, onvervreemdbaar-eigen waarde van dat
wezen zien, en de waarde-bepalingen van de ethica, de politieke
economie, enz. enz. kunnen hem slechts misleiden en verblinden. Hoe zou
zich die misleiding en verblinding, in hem, uiten? Hij zou zich afkeerig
of bewonderend, toornig of welwillend voelen. Dus niet onpartijdig en
objectief. [p.214] En hij moet wèl objectief zijn.[3] Ten tweede: wat
gebeurt er nu in hem, terwijl hij door objectief aanschouwen den
waarlijk-eigen aard van een wezen of ding erkend heeft? De drang
ontstaat in hem, om alles wat hij gezien heeft, te herscheppen. Terwijl
hij dit doet en, al doend, voelt te zullen slagen, is er een zeer hooge
en groote vreugde in hem, èn om de schoonheid van zijn erkennen èn om
die zijner macht, dat wat hij erkend heeft te herscheppen. _Het zijn
deze: de schoonheid van des kunstenaars erkennings- en
herscheppingsvermogen, en zijn vreugde daarover, die de eigenlijke
schoonheid van de bovengenoemde "allernauwkeurigste, innigst-ware
weergave" zijn en dus levens, nu ten diepsten grond gepeild, de eenige
waarachtige schoonheid van een kunstwerk uitmaken._[4]
Doet een kunstenaar dit willekeurig: zich-zelf sluiten voor al wat niet
is het doorvoelen van den eigen, diepsten aard van een wezen of ding?
Neen, dit is hem aangeboren, hij moèt dit doen. Het is hem aangeboren
alles te vergeten voor dit eene, terwijl hij aanschouwt en herschept.
Een opperst concentratievermogen van het denk-voelen wordt hier
vereischt. Zoo ergens, dan is hier het woord waar: "Niemand kan twee
heeren dienen." Geen mensch kan schrijven om den roem, geen om het geld,
geen om te hervormen en tegelijkertijd een kunstwerk scheppen. Alleen,
wanneer hij op het objectief aanschouwen van den diepsten, eigen aard
van een wezen of ding zijn geheele denk-voelen concentreert, kan hij 't.
En omdat dit concentratievermogen zoo uiterst sterk moet zijn, kan
niemand het door den wil verwerven, maar het moet van zelf aanwezig zijn
en integendeel den wil beheerschen. Dan is men kunstenaar.
_L'art pour l'art--De kunst om de kunst, d.w.z., dat de kunst
uitsluitend om haar-zelfs wille en zonder eenige bijgedachte of eenig
bijoogmerk gediend moet worden, is daarom een volmaakt juiste stelling_.
* * * * *
[p.215] Hoe moet gij nu, leerend uit het bovenstaande, handelen, om de
schoonheid van een kunstwerk te zien en de vreugde van zijn maker te
hervoelen?
Gij moet, gelijk hij, u-zelf sluiten voor alle die begrippen, waarvoor
hij zich sluit.
Waarom kunt gij dit _willekeurig_, terwijl hij dat toch niet kan? Omdat
er een ontzaglijk groot verschil is tusschen de benoodigde sterkte van
uw concentratievermogen en die van het zijne. Het zijne moet sterk
genoeg zijn, om door de misleidende omhulling, tot de kern van het te
herscheppen wezen of ding door te dringen. Voor het uwe biedt die kern,
door hèm onthuld, open en bloot zich aan. Het uwe volstaat dus met van
slechts zoo zwakken aard te zijn, dat het zich door ieder normaal mensch
willekeurig door oefening laat verwerven.
Wat moet gij dus, nu in bijzonderheden herhaald, _laten_?
Gij moet, bij het zien van een kunstwerk, _nalaten_ eraan te denken, wat
de zedeleer van den inhoud der voorstelling zegt, wat uw politieke
opvatting ervan zegt, wat uw economische ervan zegt. Gij moet u _niet_
laten beïnvloeden door het feitelijke der voorstelling: niet toornig
gestemd, niet welwillend gestemd en niet zinnelijk worden.
En wat moet gij dan _wel_ doen?
Gij moet u zoo volkomen mogelijk overgeven aan het denk-voelen, dat niet
dralen zal bij u op te komen, indien gij het bovenstaande slechts laat.
Wat is dit denk-voelen, in woorden uitgedrukt? Ongeveer dit: "Hoe
heerlijk waar en echt is deze voorstelling, hoe schitterend mooi en
juist heeft de kunstenaar dit gezien en weergegeven." Dan zult gij de
hooge vreugde hervoelen, die ook hij gevoeld heeft. En gij zult die
vreugde voelen om het vermogen van een ander! Want in u-zelf zult gij
juichen: Hoe blij ben ik en hoe in-gelukkig dat er zulk een mensch, die
dàt kan, bestaat, en hoe houd ik van dien mensch....
Wat is meer altruïstisch, wat veredelender dan dit....
Dàn zijt ge in wáárheid kunst-genieter.
* * * * *
[p.216] "Maar," zoo zult ge nu vragen, "als die stelling: "De kunst om
de kunst" juist is. Als wij door een kunstwerk bijvoorbeeld niet langer
het ongeluk van het proletarisch bestaan des te vlijmender mogen voelen,
niet langer ons laten aanvuren in onzen mooien strijd, doen wij dan wel
goed ons aan kunstgenot over te geven? Wij voelen als eersten plicht
onzen strijd te strijden, en alles wat ons daar niet in helpen kan
moeten wij laten."
En zeker, antwoord ik, met dit laatste hebt gij gelijk. Maar de zaak is,
waaraan gij niet denkt, dat juist het genieten van kunstgenot u helpen
zal in uw strijd. Telkens als gij zoo zult genoten hebben, zult gij een
beter mensch zijn geworden, al weet en voelt gij dat zelf niet dadelijk;
een beter mensch is een sterker mensch en hoe sterker hij is, hoe meer
hij vermag.
_Omdat uw strijd edel en goed is, helpt gij hem onwillekeurig strijden,
telkens wanneer ge iets goeds doet, wanneer gij zelf edeler wordt_.
_Als gij u rein houdt in woord en in daad, strijdt gij uw strijd! Als
gij u goed voedt, als gij uw maatschappelijk inzicht scherpt, als gij
eerlijk tegen vriend en vijand zijt, strijdt gij uw strijd. En als gij
kunstgenot voelt, rein en diep en onvermengd, dan niet minder strijdt
gij uw strijd_![5]