Het woord _didactisch_, vóór dit gedeelte van den bundel geplaatst, moge
veel van aard en bedoeling der navolgende opstellen benevens de
uitvoerigheid der daarin voorkomende analysen en de lengte der citaten
verklaren--zekere eigenaardigheden van stijl en inhoud: de gemeenzame
toon en de, feitelijk buiten het gebied der literatuurcritiek liggende,
min of meer moraliseerende uitweidingen, eischen, dunkt mij, willen zij
niet ontstemmend op een algemeen lezerspubliek werken, nog korte
toelichting. Deze opstellen, op een enkele uitzondering na, werden
geschreven voor en verschenen in _Het Jonge Leven_, het onder redactie
van den heer Henri Polak staande _ontwikkelingsblad_ van den A.N.D.B.
Houdt de lezer dit in het oog, dan zal hij zich nu ongetwijfeld zoowel
de aanwezigheid der bovengenoemde lichtelijk moraliseerende gedeelten
kunnen verklaren--immers tot mijn lezerspubliek behoorden ook _zeer
jonge lieden_, wien mijn gevoel mij drong het eene, dat zij al evenzeer
van noode hebben als het andere, niet te onthouden, terwijl ik hun dat
andere gaf--als den, hier en daar heerschenden, gemeenzamen toon, dien
ik mij zeker niet zou hebben veroorloofd tegen een algemeen publiek aan
te slaan, gesteld al, dat ik daartoe neiging zou hebben gevoeld, 't geen
niet waarschijnlijk is. Hoe geheel anders echter lag hier het geval!
Zelden heb ik bij het schrijven dezer opstellen het gevoel gemist, voor
een _vriendenkring_ te schrijven, en allerminst toen ik de zekerheid
kreeg, dat de _ouderen vooral_ [p.204] mijne artikelen met genegenheid
en aandacht lazen, een omstandigheid die mij bevestigde in de
overtuiging, dat zij ook buiten de grenzen van den A.N.D.B. een invloed
konden uitoefenen, die het doorvoelen en begrijpen van literatuur in ons
land, ten goede komen kan. En moge menigeen glimlachen bij de gedachte,
dat deze "vriendenkring" van lezers zeker wel niet onder de
twintigduizend menschen tellen zal, niet hij die de eensgezindheid in
den A.N.D.B. kent, de georganiseerde verwerkelijking van het zoo
moeilijk te verwezenlijken "Een voor allen en allen voor een", de
onderlinge trouw en het ver boven materieel winstbejag uitgaande gevoel
van saamhoorigheid; niet hij, die wel eens een "Bondsvergadering" heeft
bijgewoond, waar al die duizenden wel elkaar schenen te kennen, en als
vrienden zoo gemoedelijk-intiem, voor de opening der bijeenkomst in
rustig vertrouwen met elkander praatten; waar bij alle soms hooggestegen
verschil van meening, nooit de kalm-zekere genegenheid van de
blijmoedige gelaten verdween, nooit ook de joviale toon van hartige
volksboertigheid werd gemist, als wisten al die menschen wel, dat die
ruzietjes best en waarachtig wel als kleurige verzetjes op den effen en
diepen stroom hunner eensgezindheid mochten drijven en wat rook en roet
uitpuffen ook, wel ja--wat hinderde dat die breede en klare rivier! Hoe
vaak heb ik daar blijde van de naar het podium in den lichtglans
omhooggeheven gezichten gelezen die wellicht soms nauwelijks bewust maar
enorm sterk werkende zekerheid, hier schouder aan schouder met vrienden
en niets dan vrienden te staan, hier veilig te staan in éénheid en door
noest werken veroverde macht, hier heerlijk de menschen-waarde van
zich-zelf en zijn lotgenooten te voelen, herwonnen op broodnijd, plat en
bruut individualisme en concurrentie-haat.--Welnu, dit alles bedenkend,
zal, vertrouw ik, de lezer zich door het gemeenzame in den toon der hier
navolgende opstellen niet gekwetst voelen niet alleen, maar ook,
begrijpend, hoe het voortsproot bij den schrijver niet uit een zich
hooger voelen, doch uit een diepe en innige genegenheid, 't billijken,
dat hij uit piëteit voor eigen gevoel--de [p.205] eerste plicht eens
schrijvers!--het liet zoo het was.
Is hiermede mijn inlichtend woord tot den lezer van dit deel van den
bundel geëindigd, de overtuiging, dat "wie aan den weg timmert veel ...
bekijks heeft" legt mij de verplichting op, hier nadrukkelijk het
volgende te verklaren: zoo dit mijn werk een blijvend nut zal blijken te
hebben gebracht; zoo er harten door zijn opengebloeid in liefde tot het
schoone, geesten erdoor gebracht zijn tot het begrijpen en doorvoelen
van kunst, dan prijze men hen vooral, die de gelegenheid ertoe schiepen:
het Bestuur van den A.N.D.B. en in de allereerste plaats zijn
voorzitter, den Redacteur van _Het Jonge Leven_, mijn waarden en
geëerden vriend Polak, die door de ruime en hooge opvatting van zijn
taak, het rijke genot, voor mij aan mijn arbeid verbonden, zéér heeft
verhoogd en dus niet weinig tot het welslagen zal hebben bijgedragen;
doch zoo het mocht blijken te hebben gefaald, dan prijze men hen niet
minder, maar _lake uitsluitend mij_, die in volkomen onafhankelijkheid
schrijvend wat ik wilde, een van de kostbaarste gelegenheden, zij het
met de beste bedoelingen, zou hebben misbruikt.