II.[p.23]

Over het algemeen lijkt het mij geen symptoom van zielsrijkdom en

geestelijke aristokratie, genoodzaakt te zijn, zich van eigen tijd af te

wenden, om heul en troost en inspiratie bij de verleden eeuwen te gaan

zoeken, of in den vreemde pogen te winnen, wat het vaderland geweigerd

heeft. Het volk weet wel wat het zegt, als 't beweert, dat de rijkdom

het zich overal behaaglijk maken kan, al zegt het hiermede toch

tegelijkertijd iets méér dan het weet, want zou het wel vermoed hebben,

dat die waarheid vooral waarheid is in de sfeer van den geest?.... Ik

herinner mij uit een vroegere incarnatie, toen ik hard bezig was, mij

door het lezen van _shilling-shockers_ voor te bereiden op het ambt van

literair criticus, dat ik nu bekleed--en zoo ge deze opleiding ietwat

vreemd mocht vinden lezer, laat mij u dan zeggen: er voeren vreemder

wegen naar dit Rome, dat langs alle wegen te bereiken is! Levendig

schiet het mij te binnen, hoe sommige mijner huidige collega's, bij

wijze van college-loopen, dienst namen bij de toenmalige stadsreiniging;

weer anderen geloofden nimmer hun hoog doel te zullen bereiken, zoo ze

zich niet den heelen dag oefenden in scheelkijken, en nòg anderen

hovelingen werden, om de in ons "vak" zoo noodzakelijke hoofsche vormen

te leeren. Hèt verwonderlijke is mijns inziens dan ook niet, dat we

allen [p.24] trots die zeer ver uiteenloopende opleidingen toch tenslotte

vaklui zijn geworden, ofschoon dit weliswaar bij geen enkel ander métier

mogelijk zou zijn geweest, maar het verwonderlijke is, dat ge nu, na

zoovele eeuwen, bij den een nog altijd iets van de stadsreiniging, bij

den ander van het scheelkijken, en bij een derde eene waarlijk de

broekspijpen uitloopende hoffelijkheid terug vindt.... Ja, den hemel zij

dank: er gaat dan ook niets in 't heelal verloren!--nu, ik herinner mij

dan uit zoo'n shilling-shocker, dat Westerlingen een pyramide bezoeken

en een van 't gezelschap--het zal wel zoo'n magere, brutale miss zijn

geweest--in een onbewaakt oogenblik een verschrompelde lotusbloem uit

het borstfiligrain eener vorstelijke mummie trekt. Thuis gekomen krijgt

zij den zonderlingen inval eenige druppelen water op de vierduizendjarige

bloem te sprenkelen, en, mystisch wonder! waarvan zij-zelf griezelt en

huivert, de bloem lééft, straalt op, bloeit op, met al haar kleuren en

geuren.... Mijn lieve lezer, gij en ik, hebben wij niet zoovele

kunstenaars de lotusbloemen van de schemerend-blinkende borsten der in

hun koningsgraven verzonken Eeuwen zien rukken, hebben wij de

verschrompelden niet weder zien opleven onder den dauw van hun talent,

en vonden we dat niet een wonder, een mystisch wonder, tot--ik mij met

een huivering tot u wendde en zei: "Maar vindt ge 't óók niet een ietwat

griezelig wonder?" ... O vreemde bloemen, die de zon mijner dagen niet

heeft doen bloeien, o, geuren aan een anderen tijd, een ander geslacht

ontstolen, bloemen en geuren, waar ik geen recht op heb, ik wensch u

niet, gij zijt mij niet lief als de bloemen mijner aarde, mijner zon,

als de geuren mijner jaren. Mij levende behaagt het met door volte

weerstreefde, streelende en plukkende handen te wandelen in lévenden

bloementuin....

Ook herinner ik mij--en ach, lezer, ik ben zeer loszinnig vanavond: als

mijn ... woorden u wat verstrooid voor de voeten komen rollen, rijg gij

ze dan, bid ik u, aan het zilversnoer van uw vernuft.... Rijgt men dan

_woorden_ aan een _zilversnoer_? Ja zeker, als de bescheidenheid--gelijk

hier--[p.25] en nog eenige van die maatschappelijke deugden het gebieden,

is dat geoorloofd. Zij geven absolutie voor èlke kromspraak en voor vele

onwaarheden--ik herinner mij dus, en ditmaal uit déze incarnatie, een

zoogenaamden _Polk_, die, als hij in Antwerpen te bekend geworden was,

ging bedelen in Amsterdam en, als men hem daar weer te goed kende, ging

bedelen in Berlijn.... En ik herinner mij dat nú, omdat ik geloof, dat

een schrijver, die bij den genius van een vreemd land om gaven bedelt,

dat doet, omdat de genius van zijn vaderland hem te goed kent om hem

geschenken waardig te keuren en dat die genius van dat vreemde land, àls

hij wat geeft, dan heel òn-halfgoddelijk er ... in loopt!

Want, lezer, dat hoog gebaar van verlangen naar de middeleeuwen, dat

zich afwenden van eigen tijd, dat is _niet_ voornaam, en dat trekken van

het eene land naar 't andere, nog eens: dat doe je niet uit weelde. Als

gij tegenover een "afzichtelijken" bedelaar staat en ge rilt terug, denk

dan niet, dat ge voornaam zijt, maar als ge zijn "afzichtelijk" wezen

zoo diep begrijpt en doorvoelt, dat ge hem kunt naderen met liefde--dan

moogt ge denken, dat ge voornaam zijt! Want afkeer en weerzin en

leelijk-vinden zijn het deel van de geringen-van-geest en

liefdevol-begrijpen en schoon-vinden het deel der voornamen. En zoo ook:

als ge telkens nieuwe prikkels noodig hebt, om de macht tot

schoonheid-doorvoelen en schoonheid-scheppen in u op te wekken, dan zijt

gij betrekkelijk arm, en zoo ge die niet behoeft, weet dan, dat ge

betrekkelijk rijk zijt.... Maar hier verdriet mij mijn wankele gang,

allicht, dat de aanblik der voorbijglijdende mijlpalen mijner

paragrafen,[2] mij wat sterker en veerkrachtiger maakt.

[VAN OORDT: NAGELATEN WERK]

Adriaan van Oordt was een groot en een rijk kunstenaar en--ik mag dit

van een doode immers wel zeggen:--ge hadt zijn gelaat slechts behoeven

aan te zien, om te weten, [p.26] dat hij ook een groot mènsch was. Als

een man met zulk een gelaat in den kring van ons, gewone menschen,

treedt, dan valt er eene schuchterheid over ons en aarzelen even onze

sprekende stemmen, ja, het is alsof ons aller woorden, die op het punt

stonden elkander in vroolijk-drukke en familiare begroeting te

ontmoeten, haastig van weerszijden terug wijken, om een open ruimte van

eerbied te vormen. Want zijn gelaat had die uiterste zachtmoedigheid,

die _dreigend_ is, dreigend, omdat zij ontwapent en weerloos maakt,

dreigend ook, omdat ge voelt, dat, indien ge langer naar dit gelaat

staart, uw zelfbewustzijn, dat onweerhoudbaar aan vergelijkende studie

verslaafd is, u leelijke dingen zal toefluisteren over--u-zelf. Het was

ongetwijfeld geniaal, dat wil zeggen hoogst-natuurlijk, gezien van de

Natuur, dien man een gelaat te geven, dat bijna uitsluitend zijn hoogste

zielsessentie uitte, want, hadde zij dit niet gedaan, het werk van haar

schepsel zou heer werk beschaamd hebben: Van Oordt's arbeid is overal

_kunst_, dat is: weerspiegeling en uiting van het Onbewuste, goddelijk

tronend in de zielsdiepten. En dit _Nagelaten Werk,_ dat nu voor mij

ligt, is er een nieuw, een laatst, een diep ontroerend en volkomen

zuiver getuigenis van: "En dit alles, niettegenstaande hij bijna

uitsluitend historische kunst geschapen heeft?" vraagt gij mij

hier.--Ja, niettegenstaande dat feit was Van Oordt een groot en een rijk

kunstenaar. En ik zal u de schijnbare tegenspraak in mijn beweringen

ophelderen. Maar rust even: ziehier een nieuwe mijlpaal.

In een hoogst lezenswaardig, met liefdevolle en eerbiedige overgave

geschreven opstel zegt de _Gids_-criticus, de heer Scharten, dat de heer

Van Oordt een _middeleeuwsche ziel_ had en dat een, in het _Nagelaten

Werk_ opgenomen, stuk als _Een Pleiziervaart_, dat fijntjes humoristisch

het hoekig-linksche van een tusschen hedendaagsche Zondagsgangers

verzeild, naïef kunstenaar in 't ootje neemt, wel eene zijde van Van

Oordt's kunst blootlegt, die we nog niet kenden, maar dat de

aanwezigheid daarvan ons toch niet kan bekeeren van de meening, dat zulk

een stuk, bij langer leven van den [p.27] schrijver uitzondering zou

gebleven zijn en historische kunst hoofdzaak. En zoo oppervlakkig

beschouwd, schijnen de in dezen bundel opgenomen stukken _Roman-Begin_

en _Fragment uit Floris de Zwarte_ dezen beoordeelaar gelijk te geven.

Maar ook niet anders dan _oppervlakkig beschouwd_. Want zoo 't mij

geoorloofd zij--en hier wensch ik u de beloofde opheldering te

geven--tegenover de eene hypothese een andere te stellen: ik geloof niet

dat Van Oordt's neiging tot de middeleeuwen voortsproot uit het

middeleeuwsche--en dat zou, volgens mij, zijn: het voor indrukken van

zijn eigen tijd minder ontvankelijke en dus ongetwijfeld bekrompene

--zijner ziel; ik geloof, dat zij voortkwam uit zijn, helaas, behept

zijn met een uiterst broos en ziekelijk lichaam: daardoor verhinderd het

hedendaagsche leven in heel zijn stormigheid te ondergaan--gelijk wel,

al ware 't alleen uit plichtsgevoel, een edelen geest als de zijne, het

heerlijkst denkbare moet hebben toegeschenen--; dáárdoor verhinderd het

leven der gezonden mede te leven, deel te hebben in hun hopen en

vreezen, hunne vervoeringen en neerslachtigheden, hun uitbundigheid en

zelf-inkeer, wendde hij zich tot eene voorbijgegane wereld, die door de

zachte fluisterstemmen der boeken tot hem kon spreken in zijner

werkkamer omveiliging, gelijk zijn zwakke lichaam die behoefde. Want--en

moge dit mijne beweringen ondersteunen:--_een vurig sociaal-demokraat

als Van Oordt was_, kan zeer wel een universeel-aangelegden geest

bezitten, waardoor hij zoowel de ekonomische noodzakelijkheid en

geestelijke schoonheid der sociaal-demokratie als de schoone

noodwendigheid der middeleeuwen doorvoelt, maar zulk een _vurig

sociaal-demokraat_ kan _onmogelijk_ een geest bezitten, die hem zich

precieuslijk doet afwenden van de rumoerende en zweetende en zwoegende

hedendaagsche maatschappij, om in eenzaamheid de fantomen van een

begraven verleden te evoqueeren, _dat aan sociale rechtvaardigheid niet

rijker was_. Neen! Ware hem door een zekere bekrompenheid van geest de

schoonheid en het beteekenisvolle van het huidige leven gesloten en

ondoorvoelbaar gebleven, ik zoude hem geen groot en rijk kunstenaar

[p.28] hebben geacht, maar juist omdat het, mijns inziens, slechts de

bijkomstige omstandigheid zijner zwakke lichaamsgesteldheid was, die hem

verhinderde dat leven te ondergaan en te herscheppen, dáárom noem ik hem

een rijke en groote. Toch--laat ons dezen edelen afgestorvene eeren door

oprecht te zijn--niet alléén zijn ziekte, maar ook het bewustzijn, dat

hij in slechts geringe mate de gave van dialogiseeren bezat, heeft er

wellicht toe bijgedragen hem met des te meer vreugde een kunstsoort te

doen beoefenen, die deze gave niet zoozeer vereischt, als de het

hedendaagsche leven beeldende naturalistische romankunst dat doet. Want

ik mag mij niet weerhouden te zeggen, dat even sterk als zijn

verrukkelijk-beeldende beschrijvingskunst--zoowel van stoffelijke als

geestelijke momenten--mij voorkomt te zijn, even zwak lijken mij zijn

dialogen. Men behoeft maar het reeds zooeven genoemde _Een

Pleiziervaart_ als _In de Kroeg_--het verhaal van een

dronkemansruzie--en _Een Liefde in Limburg_ te lezen, om te merken, dat,

wat vele zwakke dialogen-samenstellers doen, ook hij niet nalaat: het

kruiden van hun niet zeer saprijk gerecht met een sterke en smakelijke

specerij: de geijkte, hoekige, hollandsche volksuitdrukkingen. Wie Wolff

en Deken kent, weet wat ik met dit kruiden bedoel, maar ziet hij 't daar

in de hoogste vervolmaking en slechts om zich-zelfs wil, bij Van Oordt

zal hij spoedig bemerken, dat die uitdrukkingen--niet bewust, maar

instinctief--in de dialoog zijn gebracht, om dier levenszwakte te

verbergen. Overigens, wij mogen onverdeeld dankbaar zijn voor dit

_Nagelaten Werk_, dankbaar, omdat de jong-gestorven schrijver daarmede

niet alleen zijn roem heeft bevestigd maar zelfs verhoogd.... Welk een

allervoortreffelijkste zegging van een buitengewoon subtiel doorvoelen

in dit:

En nu had hij benauwde alkoofgesprekken gehoord, geroken de

koffielucht en pomadegeurtjes van duffe achterkamers, waar _tot een

burgerlijke versiering de zonnestralen_[3] langs mottige vitrage

gelen bij het weeë rood en bij het uitgebloeide blauw der

kameromgeving.

[p.29] En welk een opperste genialiteit in deze beelding:

Zoo zie ik den weg weer opgaan, hooger en hooger in een

geestdriftige stijging, _en als hij op sprong staat zich over te

geven aan den val der gindsche daling_, glimt hij in de zon als een

lint van gele japansche zijde.

Hoe leeft, hoe rijst, hoe daalt de zee in _Een Zeereis_. De verhaalgang

zelf, met zijne zich weer verevenende bergen en dalen, met zijn

effenheid, die het bewogene, en het bewogene dat een effenheid is, lééft

als de zee; hoe welven de wijde luchten van den kunstenaarsgeest in een

koepelende overheersching daarboven. Welk een dramatisch vermogen, welk

een gang en een leven in dat _Fragment uit Floris de Zwarte_. Hoe

onschuldig een bevalligheid, wat ongerepte reinheid en zoete liefde

ontbloeien in _Een Liefde in Limburg_....

En laat mij nu maar verder van dit werk en zijn schepper zwijgen. Zijn

taak is volbracht. Hij wacht geen ander oordeel meer dan dat van het

Nageslacht, een rechter, die andere lof en andere zegening heeft te

vergeven dan wij. Maar ook gij, wiens tijdgenoot hij was--en ik zeg 't u

om uw-zelfswil--lees zijn werk, treed zijn wereld binnen. Maar vóór

dien, luister nog even naar mijn raad: hieraan zult gij ook dièr wereld

schoonheid, want natuurlijke-echtheid, kennen: Geen wezen, op een aarde

levend, bereikt dier grens, allen leven diep in haar atmosfeer besloten,

allen zijn zij van haar onscheidbaar, allen één geheel met haar--zóó, in

de door een kunstenaarsgeest geschapen wereld, overschrijdt geen der op

haar levende wezens haar grens, allen blijken zij aan haar gebonden,

allen zijn zij één met haar, allen gedrenkt in haar atmosfeer, allen

getint van haar kleuren.... En ten dage nu, dat ge uw gemoed rein en

vrij, uw geest blijde en schoonheidsbegeerig voelt, lees den al die

prachtige scheppingen van Van Oordt en verheug u, rijk en diep, om hun

omvangen en gedragen zijn door die ééne wereld van dien éénen geest....

[SCHARTEN-ANTINK: DE VREEMDE HEERSCHERS.]

Nu moet ik echter uw aandacht daarvan afleiden. Wij zullen ons dezen

keer--en ge hebt 't uit den aanvang van dit [p.30] opstel reeds

bemerkt--niet slechts hebben bezig te houden met schrijvers, die, om

dezen of genen reden, tijdelijken afstand tusschen zich en hun onderwerp

behoefden, maar ook met hen wien de ruimtelijke tusschen dat en hun

lezers verkieslijk scheen. En hierbij denk ik in de allereerste plaats

aan den roman _De Vreemde Heerschers, Een Verhaal van de Italiaansche

Meren_, door C. en M. Scharten-Antink, _fournisseurs de la cour_. Dezen

laatsten titel zult ge weliswaar door de prijzenswaardige nederigheid

der gelukkige bezitters niet op eenigen plek in het boek vermeld vinden,

maar, laat mij u zeggen, dat hij niettemin een zeer werkelijk bestaande

waardigheid representeert. De heer en mevrouw Scharten zijn het--gij

zult mij veroorloven steeds van den heer en mevrouw Scharten als éénheid

te spreken en niet die critici na te volgen, die voortdurend in dit

geval den zonderlingen waan schijnen te koesteren, dat wat de Heer

vereend heeft, de recensent mag scheiden!--het echtpaar Scharten is het,

niet voornamelijk wijl het _de_ erkende romanleverancier van _De Gids_

is, ook niet wijl het de onschuldige liefhebberij van meerdere zéér

voorname winkeliers heeft, een overvloed van kaartjes-met-uitheemsche-

woorden over hun étalagewaren te strooien en evenmin, wijl het 't eene

seizoen in _Soieries Françaises_, 'n ander in _Inverniciatura Italiana_

handelt en vermoedelijk 'n derde jaar in _High-life tailor-made

Dressing-gowns,_ maar nooit ofte nimmer in ordinaire hollandsche

katoentjes zal "doen"--neen, de heer en mevrouw Scharten zijn 't vóóral,

omdat zij er feilloos in slagen, alles waarin zij negotie drijven,

absoluut _hoffähig_ te maken, van de boerengeslachten van Cavarna af,

tot het lustige weeuwtje, "het Mayertje" toe, en dat wel op zoo'n

savante en kunstige manier, dat, als je gòed proeft, de boeren zoowel

als het Mayertje, trots de ingewikkeld desinfecteerende bewerking die

zij hebben ondergaan, toch nog, respektievelijk, naar boeren en naar een

cocotte smaken![4] Maar ge weet zoo min wellicht [p.31] wie de Cavarner

landlieden als het lustige weeuwtje zijn. Laat mij dus even een en ander

ordelijk vertellen. Onder de oppervlakte van dit boek-land laaien twee

machtige vuurstroomen--die ik in mijn gewone doen dramatische konflikten

zou noemen, maar mijn geest is op het oogenblik zóó in de Italiaansche

sfeer gevangen, dat ik van niets anders dan van Etna's en Vesuviussen

droom!--Van dit onderaardsche vuur leeft het geheele Schartensche land

met al zijn wezens, maar het kent er ook de lava-erupties en aschregens

[p.32] door, die het met een grauwe wade van leed en rampen bedekken.

Daar hebben we aan den eenen kant de Muzzo's, waarvan de ouderen

verlaten op den vaderlijken grond achterblijven, wijl de jongeren

verlokt door het vele geld-verdienen in Amerika, de een na den ander

daarheen vertrekken, om nooit weer terug te keeren: het eene konflikt

veroorzaakt door vreemden invloed. Daar hebben we aan den anderen kant

de invasie der Duitschers in Italië, die met hun flair voor zaken-doen

den landszonen de beste brokken voor den neus wegkapen: het tweede

konflikt. Ter eenre zijde dus: het kapitaal, dat het beste bloed uit het

land zuigt, ter andere: het kapitaal, dat het gewin uit het land trekt.

_Een beeld dus van het internationale kapitaal in onbewust

bondgenootschap alles dienstbaar makend aan zijn belangen_. En dat beeld

wordt er des te volkomener door en _blijkt zelfs rijk aan een ongezochte

symboliek_, als we erop letten dat _de roomsche priester Jacchini de

handlanger en adviseur van het duitsche kapitaal is_! Op deze tendenzen

der huidige samenleving de hand te hebben [p.33] gelegd, en ongetwijfeld

een _in-kunst-herscheppende_ hand, dàt is de _machtige verdienste_ van

de schrijvers van dit boek. Maar er is meer: naast de twee reeds

genoemde, hebben we, van veel minder beteekenis en op lager plan, doch

vol van menschelijkheid en waarheid, een derde dramatisch konflikt:

tusschen de beide dorpspatriciërs-families _Muzzo_ en _Taddeï, in

verband staande_ met de beide andere konflikten--en het dunkt mij goed,

met 't oog op het feit, dat de deugdelijkheid der compositie van dit

werk m.i. miskend is, op dit _verband_ den nadruk te leggen--want de

afgunst van het eene geslacht wordt voornamelijk gestimuleerd, doordat

de jonge Taddeï wèl uit Amerika naar het vaderland terugkeert--wat als

eervol geldt--en de jonge Muzzo's niet. Intusschen, beide

hoofdkonflikten zien we ten slotte uitsmeulen en met een wolk van moewe

berusting de menschen omnevelen, terwijl we vermoeden dat die afgunst

tusschen beide geslachten wel langzaam slijten zal, daar immers een

Taddeï met een Muzzo trouwt, maar--er is een vierde dramatische botsing,

die waarlijk hooge tragiek wordt, die waarlijk als een eruptie, een

brandend verderf, kraakt en woelt en dondert en aan den dag breekt. Dat

is de levenstragiek van den blinden _Zacharia Banfi_, een

_prachtig-gebeelde_ figuur. Deze man zag zich in zijn jeugd verdreven

van zijn vaderlijk erfdeel, een boerengoed, dat voor schuld verkocht

moest worden. Hij trekt naar het buitenland, naar Normandië, één idee in

zijn peins-wroetenden kop: sparen, sparen, sparen, om ééns het vaderlijk

erfdeel te kunnen terug koopen. De vrouw, met wie hij daarginds trouwt,

sterft, hij wordt blind en keert vereenzaamd naar zijn land terug. Daar

woont hij bij een nicht in de nabijheid van zijn erfgoed en loert, loert

in de lichtende duisternis van zijn oude, blinde hoofd, op een kans, het

land terug te winnen.... Luister:

Zijn blinde hand greep tusschen de plooien van buis en hemd, waar

hem een zeemen zakje op de borst hing.

"Vijftienduizend lire," zei hij gesmoord, "vijftienduizend lire,

met mijn bloed en mijn honger verdiend ... voor nog geen zes

moesten wij Fulmignano verkoopen ...; vijftienduizend lire ... en

toch zullen de Duitschers op Fulmignano blijven.... [p.34] de

Duitschers, die zijn als ongedierte ... waar er één is, daar zijn

er honderd ... honderd...."

De bleeke lippen sidderden, de kin trok als van een kind, dat

schreien gaat, hulpeloos-dood staarden de starre brilleglazen over

de binnenplaats....

De anderen, verschrikt, zaten stil.

En hij heeft gelijk: de Duitscher blijft op Fulmignano, vastgegraaid

houdt hij 't in zijn ijzeren vuist. En nu komt er een ander plan in

_Banfi_ op: een van die Duitschers, een broer van dien _Walther_, die op

_Banfi's_ "bloedeigen" erfgoed zit, heeft een bod op een groote albergo

in Cavarna gedaan, maar de koop is afgesprongen. Als die geldwolf daar

voordeel in ziet, dan zit 't er ook in, meent _Banfi_ en hij geeft een

deel i van het geld om hem te koopen: daardoor zullen de sommen gewonnen

worden, om _Fulmignano_, als de gelegenheid zich aanbiedt, en al wordt

het nog zoo duur, te heroveren. Maar eens de herberg gekocht, hoort hij,

waarom de koop indertijd is afgesprongen: op den top van den berg, aan

welks flank zijn nieuwe albergo ligt, komt het eindstation van de nieuwe

kabelspoor en daar laat Walther het grootsche _Kulm_-hotel bouwen, daar

zal de stroom van het vreemdelingengeld neerkletteren. Zijn albergo

wordt nu niets! Met welk een liefde is deze figuur gebeeld! Niet licht

zal ik dit psychologische fijnheidje vergeten:

"Niet kibbelen, kinderen, niet kibbelen," smeekte de blinde man,

_die altijd zoodra de stemmen kijvend werden, dubbel zijn

hulpeloosheid voelde van de gelaten niet te kunnen onderscheiden_.

Niet licht ook den tocht van den blinde naar Montagnola:

Als Zacharia weer door was gegaan en al schuifelend met den stok

voor zich uit, den mijlpaal had gevonden bij het zijpaadje, dat

hier zig-zag af, naar Montagnola terugvoert, hief hij het bleeke,

kleine gezicht, met de ronde, blauwe brilleglazen daarop, en

staarde of zijn gedachten iets zochten. Hij wist hier, aan den

akkerpunt, een perzikboompje te staan. Zijn stok stootte tegen het

hout, hij tastte met de hand, voelde de dunne ruige twijgen van den

nog jongen stam ... er was een bescheiden gezoem van bijtjes boven

hem.... Nu zag hij zich plots onder de roze bloesemende twijgen,

die overbogen, ver over den weg, en zijn oud en pijnlijk gezicht

verklaarde in een [p.35] zachte opgetogenheid. _Toen hij vóór noch

achter zich een gerucht langs den weg hoorde en zich onbespied kon

meenen, strekte hij voorzichtig de hand boven zijn hoofd, tot zijn

vingers het uiterste van een takje hadden gevonden, vingerde nog

voorzichtiger het takje langs, en de eerste zijigheid van een

bloesemblaadje kwam zijn vingertoppen beroeren_....

_Hij glimlachte. Hij zag de gansche helling, links van zich omhoog

de Monte Cavarne op, en de gansche helling rechts van zich omlaag,

naar het meer toe, en heel het verre verschiet rechtuit, waar

Noranco lag_,--_hij zag dat alles in één teeder gewemel van

honderden zacht-roze bloesemboomen, één broos gesprankel van roze,

glanzend aan het puur-blauw vuur van het meer, glanzend aan het

azuur van den hemel en aan het versche gras der

wijngaard-glooiingen,_--_heel dit lente-land, dat hij kende plekje

bij plekje, en dat hij plekje bij plekje vóór zich kon tooveren in

den geest_.--_"Che bellezza," zei hij zacht_.

Als hij met zijn nichtje Angelina en haar man in de herberg woont en

diep doorvoeld heeft, dat alle, alle opofferingen te vergeefs gebeurd

zijn, dan zien wij hem, een dag, aldus, en het is de laatste maal, dat

wij hem zien:

Onbeweeglijk bleef hij zitten.

Een zonderlinge ontroering was over zijn denken gedauwd, en zijn

starre afgetobd gelaat werd stiller in een vagen glimlach.

Zoo zat hij een langen tijd, turende in een schemer van vrede,

waardoor een zacht-goudene morgen gloorde.... Zacharia dacht aan

den dood....

O, doet dit alles niet huiveren van ontroering: van schoonheid-genieten

en medelijden?

Maar hoe liefdevol zijn ook de andere figuren in dit boek gebeeld.

Carlotta, de zachte zuster van den goeden, fijnen, gewetensvollen

pastoor van Cavarna, en Carmela, de flinke moeder van dat aardige

kereltje Massi; de trotsche Luigia, de moeder der Muzzo's; Ambrogio

Muzzo, de gegriefde, van zijn zonen beroofde vader, die ten slotte in

wanhoop den trotschen kop buigt en zijn dochter met een Taddeï laat

trouwen: in 's hemels naam ... hij heeft geen wil meer ... hij is òp. En

die joviaal-ronde pastoor van Montagnola. Maar het _Mayertje_, ofschoon

uitstekend _doorvoeld_, is niet zóó goed _gebeeld_: de schrijvers hebben

hier te zeer den objectieven verhaaltoon verlaten, zijn te nederbuigend,

te spottend, [p.36] te humoristisch geworden. Met den _Zoppo_, den uit

den treure preekenden vegetariër en theosoof vormt zij niettemin een

aardig kontrasteerend stelletje, waaraan we wel eens 'n fijn-comische

situatie te danken hebben. Maar bovenal valt "_'t Mayertje_" te

waardeeren, wanneer men deze figuur als compositorische waarde keurt.

Zij blijkt dan, dunkt mij, _van zelf_ te symboliseeren het

verachtelijkste gevolg van een in 'n betrekkelijk primitief land

binnendringende weelde, die weliswaar door het meerendeel harer

gevolgen, maar toch vooral door dit, een tot dan nog natuurlijk-levende,

landelijke bevolking langzaam corrompeert. In een van haar tallooze

minnehandels gebruikt _Madame Mayer_ een jong meisje uit het geslacht

der _Muzzo's_ als "postillon d'amour," welk kind op een van die

boodschaptochten door den "minnaar" van _het Mayertje_ wordt

verleid.... Hoe men dan ook dit boek als een verzameling van losse

tooneeltjes en tafereeltjes kan beschouwen is mij een raadsel. Zeer

zeker zijn de steunbalken in het bouwsel verborgen--en is dit niet fraai

en goed?--maar het dunkt mij wel wat zonderling van een bouwkundige, om,

wijl hij de einden niet door de muren ziet steken, te meenen dat die

balken er niet zijn!--En nu lezer! "Ben ik uitgegaan om te vloeken en

heb ik gezegend"? Neen, neen, ge vergist u, zoo ge dit meent, ik ben

geen Bileam, en al berijd ik soms 'n stokpaardje, ik zit nooit op 'n

"ezelebeest," zooals Couperus zou zeggen! Ik heb mooi gevonden en ik heb

gezegend, ik vind leelijk en ik vloek uit echte en diepe ergernis: _Wat

dit boek zegt_, dat zegt het voortreffelijk--een enkele, in de sfeer

van het geheel niet thuis hoorende metafoor, een enkel geaffecteerd

zinnetje daargelaten, heeft ook de taal die aangenaam stemmende

verzorgdheid, welke de gerechtvaardigde achting der schrijvers voor

eigen vermogens bewijst--maar in _'t verzwijgen_, daar zit 'm het

ergerlijke in. Niet voor niets hebben we de Fransche boeren van Zola en

de Balzac, de Hollandsche van Querido leeren kennen, en zouden deze

eveneens katholieke Italianen zoo heel anders zijn?... Geloove wie 't

kan, ik niet! Maar al hadden we ook niets van Zola'sche of andere boeren

gehoord, [p.37] dan nog zouden wij voelen, dat hier levenszijden

verzwegen of verdoezeld zijn. En indien dit _niet_ voortkomt uit zekere

zielsarmoede bij de schrijvers, een verfijningsontaarding, waardoor voor

hen die levensuitingen ondoorvoelbaar zijn geworden, een zelfde

zielsarmoede als die telkens nieuwe prikkels noodzakelijk voor hen

maakt, om tot scheppen te komen, dàn is het--en vindt men dit een

"insinuatie," dan bedenke men dat ik de plicht heb te zeggen wat ik denk

en ik bovendien hier niets tegen een jong schrijvertje "insinueer," maar

tegen machtige auteurs, die een stootje kunnen velen!--dàn is het: _wijl

zij fournisseurs de la cour zijn!_

[LOUIS COUPERUS: ANTIEK TOERISME.]

En ja, Couperus nu, over wiens "ezelebeest" ge mij zooeven hoordet

praten.... Diens _Antiek Toerisme_ verplaatst ons zoowel naar vreemde

landen als naar het verleden. En het is trots al de blinkende larifari,

een brok armoeïgheid geworden, welks aanblik je, van den weeromstuit, je

rug laat schurken op z'n bedelaarste bedelaars, tegen 'n boomstam aan.

Een schatrijk Romeinsch patriciër gaat met zijn van hem afhankelijken

oom op reis, om te beproeven zich af te leiden van zijn liefdesrazernij

--eerste rangs tooneelmalligheid!--voor eene hem ontrouw geworden en met

een matroos ervan doorgegane slavin. Terwijl hij op reis is en

inmiddels, gelukkig, liefde opvat voor een andere slavin, wordt hij

straatarm, doordat Tiberius al zijn goederen verbeurd verklaart.

Goddank! hij blijkt te groot van ziel om zich daar veel van aan te

trekken en gaat zich, vergezeld van zijn nieuwe geliefde, als

beeldhouwer vestigen te Kos, haar geboorteland.--Kijk, als ge nu een

boek ziet als een gastvrij huis, waar een even hoffelijk als geestrijk

gastheer u doet nederzitten aan zijn haard en het beste van zijn

geestelijk en stoffelijk bezit niet spaart, om u, zijn gast, te

gerieven, zoodat ge uw eigen wijs van leven een gelukkige pooze vergeet

en, door hem bekoord, geheel onbemerkt de zijne aanvaardt; als ge in een

voor u opengaand boek zulk een huis denkt te vinden--en welke gedachte

zou, zóó kort na het Dickens-jubileum natuurlijker zijn?--hoe komt ge

dan bij het betreden van dit Couperus-huis [p.38] bedrogen uit! De

gastheer ... de gastheer? Nergens te zien! Ge kijkt eens rond, en een

onaangenaam gevoel overvalt u: zijt ge op een tentoonstelling tegen

smaak-misleiding?.... Er scheen een blokkenvuur in den haard te branden,

maar even naderbij getreden, ontdekt ge, dat 't een kwalijk riekende

gashaard is met namaakblokken van asbesth. Een oude gloed van gobelins

aan de muren, en die, meendet ge, waren toch echt.... Och, och, alle

duivels, het is papier van zooveel de rol! Maar gelukkig! daar komen

tenminste menschen de kamer binnen. Ah, Lucius, ouë Romein, men ontmoet

een van jou slag niet elken dag. Mag ik eens nader kennis maken? Maar

pòe! Wat mankeert die vent! Die raaskalt, die speelt 'n bezetene....

Zeg, Jandorie en bij Jupiter, wou je mijn!.... Maar die oom Catullus en

die Kaleb, die lijken u nog al geschikte kerels, die schijnen u nog al

nuchter te zijn. En inderdaad: "Och weet u," zegt oom Catullus, u

vertrouwelijk onder den arm pakkend, "we binne acteurs, dacht u nou

heusch, da'we ... haha ... da'we Romeine ware ... maar komt ü dan uit

Purmerent as ik vragen mag.... An die Lucius had u dat toch wel dadelijk

kenne merken, die zal nog heel wat moete repeteere voor-ie toonbaar

is!... We binne het gezelschap-Couperus ... spele voor filmopname....

Maatschappij Holkema en Warendorf.... O maar daar is de directeur! dat

treft u!... Meneer Couperus! Meneer Couperus!... daar is 'n heer, die

dacht da'we, haha, da'we...." Maar meneer Couperus lacht niet van harte

mee; meneer Couperus trekt een gezicht als een boer die kiespijn heeft;

meneer Couperus herinnert zich, dat hij niet altijd als direkteur van

een bioscoopfilm-tooneeltroep het land afreisde; dat hij eens in zijn

grooter tijd een ontzaglijk Magiër was, die machtige geesten opriep, hen

bond in zijn ban, hen een lichaam schiep en ze voor de oogen der door

zijn mysterieuse grootheid verrukte menschen liet leven, léven!

Och, niemand verliest geheel zijn grooter Zelf: de figuren van Kaleb,

den gids, en van Catullus zijn gezèllig-goed. Dat gevalletje van het

slaafje Tarrar met zijn slangetjes is aardig [p.39] en lief. Die

beschrijving van den Witten Nacht is _fraai_ en wij geraken wel in de

stemming, we ontvangen wel een beeld van heel dat ontzaglijk grootsch

verleden ... jawel ... máár _de centrale fout van het werk is, dat de

menschen er om het décor zijn en niet het décor om de menschen_. Er

wordt _gespeeld_ met _menschelijkheid_. En de taal is verbijsterend

slordig! Het woord _immens_ komt bijvoorbeeld zoo vaak voor, dat ik er

minstens twee bladzijden dezer kroniek mee zou kunnen vullen. Dat is

gewoon bespottelijk, onbegrijpelijk-van-dwaasheid. (Men vergelijke eens

deze herhalingen uit nonchalance, met het telkens een zelfde woord

herhalen bij Van Oordt, zooals dat wel een enkelen keer in diens

_Nagelaten Werk_ voorkomt, om daarmee een zekeren subtielen indruk te

wekken!) Zelfs lezen wij ergens, dat iets niet "zoo _reuzig immens_ was"

als iets anders!! Ge meent, dat ik het heele zaakje niet zoo zwaar moest

opvatten? Inderdaad: de heer Couperus is tusschen twee geeuwen van

verveling en onmacht aan het spelletje van belletjes blazen gegaan,

weliswaar niet uit 'n Goudsche pijp, zooals kinderen dat doen, doch met

een heel kunstig in elkaar gezet toestel. Maar toch, dat maakt geen

werkelijk verschil.... Doch wilt ge nòg een spel, maar althans een

edeler spel van hem zien? Sla dan _Groot-Nederland_ van Maart[5] op.

Lees zijn verhaal van den moord door de Pazzi gepleegd op Giuliano de

Medici. Dat lijkt toch op scháákspel, nietwaar? Het bord is er daar, om

de een intellekt-leven verbeeldende bewegingen der stukken mogelijk te

maken: _het décor is er om de menschen_.... Neen, zéker: de groote

Couperus van weleer is niet heen voor goed; ik geloof: hij bereidt zich

voor op een schitterend heroptreden--de kleine Couperus houdt zoolang

het ongeduldig-trampelend publiek een beetje bezig.--

* * * * *

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 11 / 78 题