Over het algemeen lijkt het mij geen symptoom van zielsrijkdom en
geestelijke aristokratie, genoodzaakt te zijn, zich van eigen tijd af te
wenden, om heul en troost en inspiratie bij de verleden eeuwen te gaan
zoeken, of in den vreemde pogen te winnen, wat het vaderland geweigerd
heeft. Het volk weet wel wat het zegt, als 't beweert, dat de rijkdom
het zich overal behaaglijk maken kan, al zegt het hiermede toch
tegelijkertijd iets méér dan het weet, want zou het wel vermoed hebben,
dat die waarheid vooral waarheid is in de sfeer van den geest?.... Ik
herinner mij uit een vroegere incarnatie, toen ik hard bezig was, mij
door het lezen van _shilling-shockers_ voor te bereiden op het ambt van
literair criticus, dat ik nu bekleed--en zoo ge deze opleiding ietwat
vreemd mocht vinden lezer, laat mij u dan zeggen: er voeren vreemder
wegen naar dit Rome, dat langs alle wegen te bereiken is! Levendig
schiet het mij te binnen, hoe sommige mijner huidige collega's, bij
wijze van college-loopen, dienst namen bij de toenmalige stadsreiniging;
weer anderen geloofden nimmer hun hoog doel te zullen bereiken, zoo ze
zich niet den heelen dag oefenden in scheelkijken, en nòg anderen
hovelingen werden, om de in ons "vak" zoo noodzakelijke hoofsche vormen
te leeren. Hèt verwonderlijke is mijns inziens dan ook niet, dat we
allen [p.24] trots die zeer ver uiteenloopende opleidingen toch tenslotte
vaklui zijn geworden, ofschoon dit weliswaar bij geen enkel ander métier
mogelijk zou zijn geweest, maar het verwonderlijke is, dat ge nu, na
zoovele eeuwen, bij den een nog altijd iets van de stadsreiniging, bij
den ander van het scheelkijken, en bij een derde eene waarlijk de
broekspijpen uitloopende hoffelijkheid terug vindt.... Ja, den hemel zij
dank: er gaat dan ook niets in 't heelal verloren!--nu, ik herinner mij
dan uit zoo'n shilling-shocker, dat Westerlingen een pyramide bezoeken
en een van 't gezelschap--het zal wel zoo'n magere, brutale miss zijn
geweest--in een onbewaakt oogenblik een verschrompelde lotusbloem uit
het borstfiligrain eener vorstelijke mummie trekt. Thuis gekomen krijgt
zij den zonderlingen inval eenige druppelen water op de vierduizendjarige
bloem te sprenkelen, en, mystisch wonder! waarvan zij-zelf griezelt en
huivert, de bloem lééft, straalt op, bloeit op, met al haar kleuren en
geuren.... Mijn lieve lezer, gij en ik, hebben wij niet zoovele
kunstenaars de lotusbloemen van de schemerend-blinkende borsten der in
hun koningsgraven verzonken Eeuwen zien rukken, hebben wij de
verschrompelden niet weder zien opleven onder den dauw van hun talent,
en vonden we dat niet een wonder, een mystisch wonder, tot--ik mij met
een huivering tot u wendde en zei: "Maar vindt ge 't óók niet een ietwat
griezelig wonder?" ... O vreemde bloemen, die de zon mijner dagen niet
heeft doen bloeien, o, geuren aan een anderen tijd, een ander geslacht
ontstolen, bloemen en geuren, waar ik geen recht op heb, ik wensch u
niet, gij zijt mij niet lief als de bloemen mijner aarde, mijner zon,
als de geuren mijner jaren. Mij levende behaagt het met door volte
weerstreefde, streelende en plukkende handen te wandelen in lévenden
bloementuin....
Ook herinner ik mij--en ach, lezer, ik ben zeer loszinnig vanavond: als
mijn ... woorden u wat verstrooid voor de voeten komen rollen, rijg gij
ze dan, bid ik u, aan het zilversnoer van uw vernuft.... Rijgt men dan
_woorden_ aan een _zilversnoer_? Ja zeker, als de bescheidenheid--gelijk
hier--[p.25] en nog eenige van die maatschappelijke deugden het gebieden,
is dat geoorloofd. Zij geven absolutie voor èlke kromspraak en voor vele
onwaarheden--ik herinner mij dus, en ditmaal uit déze incarnatie, een
zoogenaamden _Polk_, die, als hij in Antwerpen te bekend geworden was,
ging bedelen in Amsterdam en, als men hem daar weer te goed kende, ging
bedelen in Berlijn.... En ik herinner mij dat nú, omdat ik geloof, dat
een schrijver, die bij den genius van een vreemd land om gaven bedelt,
dat doet, omdat de genius van zijn vaderland hem te goed kent om hem
geschenken waardig te keuren en dat die genius van dat vreemde land, àls
hij wat geeft, dan heel òn-halfgoddelijk er ... in loopt!
Want, lezer, dat hoog gebaar van verlangen naar de middeleeuwen, dat
zich afwenden van eigen tijd, dat is _niet_ voornaam, en dat trekken van
het eene land naar 't andere, nog eens: dat doe je niet uit weelde. Als
gij tegenover een "afzichtelijken" bedelaar staat en ge rilt terug, denk
dan niet, dat ge voornaam zijt, maar als ge zijn "afzichtelijk" wezen
zoo diep begrijpt en doorvoelt, dat ge hem kunt naderen met liefde--dan
moogt ge denken, dat ge voornaam zijt! Want afkeer en weerzin en
leelijk-vinden zijn het deel van de geringen-van-geest en
liefdevol-begrijpen en schoon-vinden het deel der voornamen. En zoo ook:
als ge telkens nieuwe prikkels noodig hebt, om de macht tot
schoonheid-doorvoelen en schoonheid-scheppen in u op te wekken, dan zijt
gij betrekkelijk arm, en zoo ge die niet behoeft, weet dan, dat ge
betrekkelijk rijk zijt.... Maar hier verdriet mij mijn wankele gang,
allicht, dat de aanblik der voorbijglijdende mijlpalen mijner
paragrafen,[2] mij wat sterker en veerkrachtiger maakt.
[VAN OORDT: NAGELATEN WERK]
Adriaan van Oordt was een groot en een rijk kunstenaar en--ik mag dit
van een doode immers wel zeggen:--ge hadt zijn gelaat slechts behoeven
aan te zien, om te weten, [p.26] dat hij ook een groot mènsch was. Als
een man met zulk een gelaat in den kring van ons, gewone menschen,
treedt, dan valt er eene schuchterheid over ons en aarzelen even onze
sprekende stemmen, ja, het is alsof ons aller woorden, die op het punt
stonden elkander in vroolijk-drukke en familiare begroeting te
ontmoeten, haastig van weerszijden terug wijken, om een open ruimte van
eerbied te vormen. Want zijn gelaat had die uiterste zachtmoedigheid,
die _dreigend_ is, dreigend, omdat zij ontwapent en weerloos maakt,
dreigend ook, omdat ge voelt, dat, indien ge langer naar dit gelaat
staart, uw zelfbewustzijn, dat onweerhoudbaar aan vergelijkende studie
verslaafd is, u leelijke dingen zal toefluisteren over--u-zelf. Het was
ongetwijfeld geniaal, dat wil zeggen hoogst-natuurlijk, gezien van de
Natuur, dien man een gelaat te geven, dat bijna uitsluitend zijn hoogste
zielsessentie uitte, want, hadde zij dit niet gedaan, het werk van haar
schepsel zou heer werk beschaamd hebben: Van Oordt's arbeid is overal
_kunst_, dat is: weerspiegeling en uiting van het Onbewuste, goddelijk
tronend in de zielsdiepten. En dit _Nagelaten Werk,_ dat nu voor mij
ligt, is er een nieuw, een laatst, een diep ontroerend en volkomen
zuiver getuigenis van: "En dit alles, niettegenstaande hij bijna
uitsluitend historische kunst geschapen heeft?" vraagt gij mij
hier.--Ja, niettegenstaande dat feit was Van Oordt een groot en een rijk
kunstenaar. En ik zal u de schijnbare tegenspraak in mijn beweringen
ophelderen. Maar rust even: ziehier een nieuwe mijlpaal.
In een hoogst lezenswaardig, met liefdevolle en eerbiedige overgave
geschreven opstel zegt de _Gids_-criticus, de heer Scharten, dat de heer
Van Oordt een _middeleeuwsche ziel_ had en dat een, in het _Nagelaten
Werk_ opgenomen, stuk als _Een Pleiziervaart_, dat fijntjes humoristisch
het hoekig-linksche van een tusschen hedendaagsche Zondagsgangers
verzeild, naïef kunstenaar in 't ootje neemt, wel eene zijde van Van
Oordt's kunst blootlegt, die we nog niet kenden, maar dat de
aanwezigheid daarvan ons toch niet kan bekeeren van de meening, dat zulk
een stuk, bij langer leven van den [p.27] schrijver uitzondering zou
gebleven zijn en historische kunst hoofdzaak. En zoo oppervlakkig
beschouwd, schijnen de in dezen bundel opgenomen stukken _Roman-Begin_
en _Fragment uit Floris de Zwarte_ dezen beoordeelaar gelijk te geven.
Maar ook niet anders dan _oppervlakkig beschouwd_. Want zoo 't mij
geoorloofd zij--en hier wensch ik u de beloofde opheldering te
geven--tegenover de eene hypothese een andere te stellen: ik geloof niet
dat Van Oordt's neiging tot de middeleeuwen voortsproot uit het
middeleeuwsche--en dat zou, volgens mij, zijn: het voor indrukken van
zijn eigen tijd minder ontvankelijke en dus ongetwijfeld bekrompene
--zijner ziel; ik geloof, dat zij voortkwam uit zijn, helaas, behept
zijn met een uiterst broos en ziekelijk lichaam: daardoor verhinderd het
hedendaagsche leven in heel zijn stormigheid te ondergaan--gelijk wel,
al ware 't alleen uit plichtsgevoel, een edelen geest als de zijne, het
heerlijkst denkbare moet hebben toegeschenen--; dáárdoor verhinderd het
leven der gezonden mede te leven, deel te hebben in hun hopen en
vreezen, hunne vervoeringen en neerslachtigheden, hun uitbundigheid en
zelf-inkeer, wendde hij zich tot eene voorbijgegane wereld, die door de
zachte fluisterstemmen der boeken tot hem kon spreken in zijner
werkkamer omveiliging, gelijk zijn zwakke lichaam die behoefde. Want--en
moge dit mijne beweringen ondersteunen:--_een vurig sociaal-demokraat
als Van Oordt was_, kan zeer wel een universeel-aangelegden geest
bezitten, waardoor hij zoowel de ekonomische noodzakelijkheid en
geestelijke schoonheid der sociaal-demokratie als de schoone
noodwendigheid der middeleeuwen doorvoelt, maar zulk een _vurig
sociaal-demokraat_ kan _onmogelijk_ een geest bezitten, die hem zich
precieuslijk doet afwenden van de rumoerende en zweetende en zwoegende
hedendaagsche maatschappij, om in eenzaamheid de fantomen van een
begraven verleden te evoqueeren, _dat aan sociale rechtvaardigheid niet
rijker was_. Neen! Ware hem door een zekere bekrompenheid van geest de
schoonheid en het beteekenisvolle van het huidige leven gesloten en
ondoorvoelbaar gebleven, ik zoude hem geen groot en rijk kunstenaar
[p.28] hebben geacht, maar juist omdat het, mijns inziens, slechts de
bijkomstige omstandigheid zijner zwakke lichaamsgesteldheid was, die hem
verhinderde dat leven te ondergaan en te herscheppen, dáárom noem ik hem
een rijke en groote. Toch--laat ons dezen edelen afgestorvene eeren door
oprecht te zijn--niet alléén zijn ziekte, maar ook het bewustzijn, dat
hij in slechts geringe mate de gave van dialogiseeren bezat, heeft er
wellicht toe bijgedragen hem met des te meer vreugde een kunstsoort te
doen beoefenen, die deze gave niet zoozeer vereischt, als de het
hedendaagsche leven beeldende naturalistische romankunst dat doet. Want
ik mag mij niet weerhouden te zeggen, dat even sterk als zijn
verrukkelijk-beeldende beschrijvingskunst--zoowel van stoffelijke als
geestelijke momenten--mij voorkomt te zijn, even zwak lijken mij zijn
dialogen. Men behoeft maar het reeds zooeven genoemde _Een
Pleiziervaart_ als _In de Kroeg_--het verhaal van een
dronkemansruzie--en _Een Liefde in Limburg_ te lezen, om te merken, dat,
wat vele zwakke dialogen-samenstellers doen, ook hij niet nalaat: het
kruiden van hun niet zeer saprijk gerecht met een sterke en smakelijke
specerij: de geijkte, hoekige, hollandsche volksuitdrukkingen. Wie Wolff
en Deken kent, weet wat ik met dit kruiden bedoel, maar ziet hij 't daar
in de hoogste vervolmaking en slechts om zich-zelfs wil, bij Van Oordt
zal hij spoedig bemerken, dat die uitdrukkingen--niet bewust, maar
instinctief--in de dialoog zijn gebracht, om dier levenszwakte te
verbergen. Overigens, wij mogen onverdeeld dankbaar zijn voor dit
_Nagelaten Werk_, dankbaar, omdat de jong-gestorven schrijver daarmede
niet alleen zijn roem heeft bevestigd maar zelfs verhoogd.... Welk een
allervoortreffelijkste zegging van een buitengewoon subtiel doorvoelen
in dit:
En nu had hij benauwde alkoofgesprekken gehoord, geroken de
koffielucht en pomadegeurtjes van duffe achterkamers, waar _tot een
burgerlijke versiering de zonnestralen_[3] langs mottige vitrage
gelen bij het weeë rood en bij het uitgebloeide blauw der
kameromgeving.
[p.29] En welk een opperste genialiteit in deze beelding:
Zoo zie ik den weg weer opgaan, hooger en hooger in een
geestdriftige stijging, _en als hij op sprong staat zich over te
geven aan den val der gindsche daling_, glimt hij in de zon als een
lint van gele japansche zijde.
Hoe leeft, hoe rijst, hoe daalt de zee in _Een Zeereis_. De verhaalgang
zelf, met zijne zich weer verevenende bergen en dalen, met zijn
effenheid, die het bewogene, en het bewogene dat een effenheid is, lééft
als de zee; hoe welven de wijde luchten van den kunstenaarsgeest in een
koepelende overheersching daarboven. Welk een dramatisch vermogen, welk
een gang en een leven in dat _Fragment uit Floris de Zwarte_. Hoe
onschuldig een bevalligheid, wat ongerepte reinheid en zoete liefde
ontbloeien in _Een Liefde in Limburg_....
En laat mij nu maar verder van dit werk en zijn schepper zwijgen. Zijn
taak is volbracht. Hij wacht geen ander oordeel meer dan dat van het
Nageslacht, een rechter, die andere lof en andere zegening heeft te
vergeven dan wij. Maar ook gij, wiens tijdgenoot hij was--en ik zeg 't u
om uw-zelfswil--lees zijn werk, treed zijn wereld binnen. Maar vóór
dien, luister nog even naar mijn raad: hieraan zult gij ook dièr wereld
schoonheid, want natuurlijke-echtheid, kennen: Geen wezen, op een aarde
levend, bereikt dier grens, allen leven diep in haar atmosfeer besloten,
allen zijn zij van haar onscheidbaar, allen één geheel met haar--zóó, in
de door een kunstenaarsgeest geschapen wereld, overschrijdt geen der op
haar levende wezens haar grens, allen blijken zij aan haar gebonden,
allen zijn zij één met haar, allen gedrenkt in haar atmosfeer, allen
getint van haar kleuren.... En ten dage nu, dat ge uw gemoed rein en
vrij, uw geest blijde en schoonheidsbegeerig voelt, lees den al die
prachtige scheppingen van Van Oordt en verheug u, rijk en diep, om hun
omvangen en gedragen zijn door die ééne wereld van dien éénen geest....
[SCHARTEN-ANTINK: DE VREEMDE HEERSCHERS.]
Nu moet ik echter uw aandacht daarvan afleiden. Wij zullen ons dezen
keer--en ge hebt 't uit den aanvang van dit [p.30] opstel reeds
bemerkt--niet slechts hebben bezig te houden met schrijvers, die, om
dezen of genen reden, tijdelijken afstand tusschen zich en hun onderwerp
behoefden, maar ook met hen wien de ruimtelijke tusschen dat en hun
lezers verkieslijk scheen. En hierbij denk ik in de allereerste plaats
aan den roman _De Vreemde Heerschers, Een Verhaal van de Italiaansche
Meren_, door C. en M. Scharten-Antink, _fournisseurs de la cour_. Dezen
laatsten titel zult ge weliswaar door de prijzenswaardige nederigheid
der gelukkige bezitters niet op eenigen plek in het boek vermeld vinden,
maar, laat mij u zeggen, dat hij niettemin een zeer werkelijk bestaande
waardigheid representeert. De heer en mevrouw Scharten zijn het--gij
zult mij veroorloven steeds van den heer en mevrouw Scharten als éénheid
te spreken en niet die critici na te volgen, die voortdurend in dit
geval den zonderlingen waan schijnen te koesteren, dat wat de Heer
vereend heeft, de recensent mag scheiden!--het echtpaar Scharten is het,
niet voornamelijk wijl het _de_ erkende romanleverancier van _De Gids_
is, ook niet wijl het de onschuldige liefhebberij van meerdere zéér
voorname winkeliers heeft, een overvloed van kaartjes-met-uitheemsche-
woorden over hun étalagewaren te strooien en evenmin, wijl het 't eene
seizoen in _Soieries Françaises_, 'n ander in _Inverniciatura Italiana_
handelt en vermoedelijk 'n derde jaar in _High-life tailor-made
Dressing-gowns,_ maar nooit ofte nimmer in ordinaire hollandsche
katoentjes zal "doen"--neen, de heer en mevrouw Scharten zijn 't vóóral,
omdat zij er feilloos in slagen, alles waarin zij negotie drijven,
absoluut _hoffähig_ te maken, van de boerengeslachten van Cavarna af,
tot het lustige weeuwtje, "het Mayertje" toe, en dat wel op zoo'n
savante en kunstige manier, dat, als je gòed proeft, de boeren zoowel
als het Mayertje, trots de ingewikkeld desinfecteerende bewerking die
zij hebben ondergaan, toch nog, respektievelijk, naar boeren en naar een
cocotte smaken![4] Maar ge weet zoo min wellicht [p.31] wie de Cavarner
landlieden als het lustige weeuwtje zijn. Laat mij dus even een en ander
ordelijk vertellen. Onder de oppervlakte van dit boek-land laaien twee
machtige vuurstroomen--die ik in mijn gewone doen dramatische konflikten
zou noemen, maar mijn geest is op het oogenblik zóó in de Italiaansche
sfeer gevangen, dat ik van niets anders dan van Etna's en Vesuviussen
droom!--Van dit onderaardsche vuur leeft het geheele Schartensche land
met al zijn wezens, maar het kent er ook de lava-erupties en aschregens
[p.32] door, die het met een grauwe wade van leed en rampen bedekken.
Daar hebben we aan den eenen kant de Muzzo's, waarvan de ouderen
verlaten op den vaderlijken grond achterblijven, wijl de jongeren
verlokt door het vele geld-verdienen in Amerika, de een na den ander
daarheen vertrekken, om nooit weer terug te keeren: het eene konflikt
veroorzaakt door vreemden invloed. Daar hebben we aan den anderen kant
de invasie der Duitschers in Italië, die met hun flair voor zaken-doen
den landszonen de beste brokken voor den neus wegkapen: het tweede
konflikt. Ter eenre zijde dus: het kapitaal, dat het beste bloed uit het
land zuigt, ter andere: het kapitaal, dat het gewin uit het land trekt.
_Een beeld dus van het internationale kapitaal in onbewust
bondgenootschap alles dienstbaar makend aan zijn belangen_. En dat beeld
wordt er des te volkomener door en _blijkt zelfs rijk aan een ongezochte
symboliek_, als we erop letten dat _de roomsche priester Jacchini de
handlanger en adviseur van het duitsche kapitaal is_! Op deze tendenzen
der huidige samenleving de hand te hebben [p.33] gelegd, en ongetwijfeld
een _in-kunst-herscheppende_ hand, dàt is de _machtige verdienste_ van
de schrijvers van dit boek. Maar er is meer: naast de twee reeds
genoemde, hebben we, van veel minder beteekenis en op lager plan, doch
vol van menschelijkheid en waarheid, een derde dramatisch konflikt:
tusschen de beide dorpspatriciërs-families _Muzzo_ en _Taddeï, in
verband staande_ met de beide andere konflikten--en het dunkt mij goed,
met 't oog op het feit, dat de deugdelijkheid der compositie van dit
werk m.i. miskend is, op dit _verband_ den nadruk te leggen--want de
afgunst van het eene geslacht wordt voornamelijk gestimuleerd, doordat
de jonge Taddeï wèl uit Amerika naar het vaderland terugkeert--wat als
eervol geldt--en de jonge Muzzo's niet. Intusschen, beide
hoofdkonflikten zien we ten slotte uitsmeulen en met een wolk van moewe
berusting de menschen omnevelen, terwijl we vermoeden dat die afgunst
tusschen beide geslachten wel langzaam slijten zal, daar immers een
Taddeï met een Muzzo trouwt, maar--er is een vierde dramatische botsing,
die waarlijk hooge tragiek wordt, die waarlijk als een eruptie, een
brandend verderf, kraakt en woelt en dondert en aan den dag breekt. Dat
is de levenstragiek van den blinden _Zacharia Banfi_, een
_prachtig-gebeelde_ figuur. Deze man zag zich in zijn jeugd verdreven
van zijn vaderlijk erfdeel, een boerengoed, dat voor schuld verkocht
moest worden. Hij trekt naar het buitenland, naar Normandië, één idee in
zijn peins-wroetenden kop: sparen, sparen, sparen, om ééns het vaderlijk
erfdeel te kunnen terug koopen. De vrouw, met wie hij daarginds trouwt,
sterft, hij wordt blind en keert vereenzaamd naar zijn land terug. Daar
woont hij bij een nicht in de nabijheid van zijn erfgoed en loert, loert
in de lichtende duisternis van zijn oude, blinde hoofd, op een kans, het
land terug te winnen.... Luister:
Zijn blinde hand greep tusschen de plooien van buis en hemd, waar
hem een zeemen zakje op de borst hing.
"Vijftienduizend lire," zei hij gesmoord, "vijftienduizend lire,
met mijn bloed en mijn honger verdiend ... voor nog geen zes
moesten wij Fulmignano verkoopen ...; vijftienduizend lire ... en
toch zullen de Duitschers op Fulmignano blijven.... [p.34] de
Duitschers, die zijn als ongedierte ... waar er één is, daar zijn
er honderd ... honderd...."
De bleeke lippen sidderden, de kin trok als van een kind, dat
schreien gaat, hulpeloos-dood staarden de starre brilleglazen over
de binnenplaats....
De anderen, verschrikt, zaten stil.
En hij heeft gelijk: de Duitscher blijft op Fulmignano, vastgegraaid
houdt hij 't in zijn ijzeren vuist. En nu komt er een ander plan in
_Banfi_ op: een van die Duitschers, een broer van dien _Walther_, die op
_Banfi's_ "bloedeigen" erfgoed zit, heeft een bod op een groote albergo
in Cavarna gedaan, maar de koop is afgesprongen. Als die geldwolf daar
voordeel in ziet, dan zit 't er ook in, meent _Banfi_ en hij geeft een
deel i van het geld om hem te koopen: daardoor zullen de sommen gewonnen
worden, om _Fulmignano_, als de gelegenheid zich aanbiedt, en al wordt
het nog zoo duur, te heroveren. Maar eens de herberg gekocht, hoort hij,
waarom de koop indertijd is afgesprongen: op den top van den berg, aan
welks flank zijn nieuwe albergo ligt, komt het eindstation van de nieuwe
kabelspoor en daar laat Walther het grootsche _Kulm_-hotel bouwen, daar
zal de stroom van het vreemdelingengeld neerkletteren. Zijn albergo
wordt nu niets! Met welk een liefde is deze figuur gebeeld! Niet licht
zal ik dit psychologische fijnheidje vergeten:
"Niet kibbelen, kinderen, niet kibbelen," smeekte de blinde man,
_die altijd zoodra de stemmen kijvend werden, dubbel zijn
hulpeloosheid voelde van de gelaten niet te kunnen onderscheiden_.
Niet licht ook den tocht van den blinde naar Montagnola:
Als Zacharia weer door was gegaan en al schuifelend met den stok
voor zich uit, den mijlpaal had gevonden bij het zijpaadje, dat
hier zig-zag af, naar Montagnola terugvoert, hief hij het bleeke,
kleine gezicht, met de ronde, blauwe brilleglazen daarop, en
staarde of zijn gedachten iets zochten. Hij wist hier, aan den
akkerpunt, een perzikboompje te staan. Zijn stok stootte tegen het
hout, hij tastte met de hand, voelde de dunne ruige twijgen van den
nog jongen stam ... er was een bescheiden gezoem van bijtjes boven
hem.... Nu zag hij zich plots onder de roze bloesemende twijgen,
die overbogen, ver over den weg, en zijn oud en pijnlijk gezicht
verklaarde in een [p.35] zachte opgetogenheid. _Toen hij vóór noch
achter zich een gerucht langs den weg hoorde en zich onbespied kon
meenen, strekte hij voorzichtig de hand boven zijn hoofd, tot zijn
vingers het uiterste van een takje hadden gevonden, vingerde nog
voorzichtiger het takje langs, en de eerste zijigheid van een
bloesemblaadje kwam zijn vingertoppen beroeren_....
_Hij glimlachte. Hij zag de gansche helling, links van zich omhoog
de Monte Cavarne op, en de gansche helling rechts van zich omlaag,
naar het meer toe, en heel het verre verschiet rechtuit, waar
Noranco lag_,--_hij zag dat alles in één teeder gewemel van
honderden zacht-roze bloesemboomen, één broos gesprankel van roze,
glanzend aan het puur-blauw vuur van het meer, glanzend aan het
azuur van den hemel en aan het versche gras der
wijngaard-glooiingen,_--_heel dit lente-land, dat hij kende plekje
bij plekje, en dat hij plekje bij plekje vóór zich kon tooveren in
den geest_.--_"Che bellezza," zei hij zacht_.
Als hij met zijn nichtje Angelina en haar man in de herberg woont en
diep doorvoeld heeft, dat alle, alle opofferingen te vergeefs gebeurd
zijn, dan zien wij hem, een dag, aldus, en het is de laatste maal, dat
wij hem zien:
Onbeweeglijk bleef hij zitten.
Een zonderlinge ontroering was over zijn denken gedauwd, en zijn
starre afgetobd gelaat werd stiller in een vagen glimlach.
Zoo zat hij een langen tijd, turende in een schemer van vrede,
waardoor een zacht-goudene morgen gloorde.... Zacharia dacht aan
den dood....
O, doet dit alles niet huiveren van ontroering: van schoonheid-genieten
en medelijden?
Maar hoe liefdevol zijn ook de andere figuren in dit boek gebeeld.
Carlotta, de zachte zuster van den goeden, fijnen, gewetensvollen
pastoor van Cavarna, en Carmela, de flinke moeder van dat aardige
kereltje Massi; de trotsche Luigia, de moeder der Muzzo's; Ambrogio
Muzzo, de gegriefde, van zijn zonen beroofde vader, die ten slotte in
wanhoop den trotschen kop buigt en zijn dochter met een Taddeï laat
trouwen: in 's hemels naam ... hij heeft geen wil meer ... hij is òp. En
die joviaal-ronde pastoor van Montagnola. Maar het _Mayertje_, ofschoon
uitstekend _doorvoeld_, is niet zóó goed _gebeeld_: de schrijvers hebben
hier te zeer den objectieven verhaaltoon verlaten, zijn te nederbuigend,
te spottend, [p.36] te humoristisch geworden. Met den _Zoppo_, den uit
den treure preekenden vegetariër en theosoof vormt zij niettemin een
aardig kontrasteerend stelletje, waaraan we wel eens 'n fijn-comische
situatie te danken hebben. Maar bovenal valt "_'t Mayertje_" te
waardeeren, wanneer men deze figuur als compositorische waarde keurt.
Zij blijkt dan, dunkt mij, _van zelf_ te symboliseeren het
verachtelijkste gevolg van een in 'n betrekkelijk primitief land
binnendringende weelde, die weliswaar door het meerendeel harer
gevolgen, maar toch vooral door dit, een tot dan nog natuurlijk-levende,
landelijke bevolking langzaam corrompeert. In een van haar tallooze
minnehandels gebruikt _Madame Mayer_ een jong meisje uit het geslacht
der _Muzzo's_ als "postillon d'amour," welk kind op een van die
boodschaptochten door den "minnaar" van _het Mayertje_ wordt
verleid.... Hoe men dan ook dit boek als een verzameling van losse
tooneeltjes en tafereeltjes kan beschouwen is mij een raadsel. Zeer
zeker zijn de steunbalken in het bouwsel verborgen--en is dit niet fraai
en goed?--maar het dunkt mij wel wat zonderling van een bouwkundige, om,
wijl hij de einden niet door de muren ziet steken, te meenen dat die
balken er niet zijn!--En nu lezer! "Ben ik uitgegaan om te vloeken en
heb ik gezegend"? Neen, neen, ge vergist u, zoo ge dit meent, ik ben
geen Bileam, en al berijd ik soms 'n stokpaardje, ik zit nooit op 'n
"ezelebeest," zooals Couperus zou zeggen! Ik heb mooi gevonden en ik heb
gezegend, ik vind leelijk en ik vloek uit echte en diepe ergernis: _Wat
dit boek zegt_, dat zegt het voortreffelijk--een enkele, in de sfeer
van het geheel niet thuis hoorende metafoor, een enkel geaffecteerd
zinnetje daargelaten, heeft ook de taal die aangenaam stemmende
verzorgdheid, welke de gerechtvaardigde achting der schrijvers voor
eigen vermogens bewijst--maar in _'t verzwijgen_, daar zit 'm het
ergerlijke in. Niet voor niets hebben we de Fransche boeren van Zola en
de Balzac, de Hollandsche van Querido leeren kennen, en zouden deze
eveneens katholieke Italianen zoo heel anders zijn?... Geloove wie 't
kan, ik niet! Maar al hadden we ook niets van Zola'sche of andere boeren
gehoord, [p.37] dan nog zouden wij voelen, dat hier levenszijden
verzwegen of verdoezeld zijn. En indien dit _niet_ voortkomt uit zekere
zielsarmoede bij de schrijvers, een verfijningsontaarding, waardoor voor
hen die levensuitingen ondoorvoelbaar zijn geworden, een zelfde
zielsarmoede als die telkens nieuwe prikkels noodzakelijk voor hen
maakt, om tot scheppen te komen, dàn is het--en vindt men dit een
"insinuatie," dan bedenke men dat ik de plicht heb te zeggen wat ik denk
en ik bovendien hier niets tegen een jong schrijvertje "insinueer," maar
tegen machtige auteurs, die een stootje kunnen velen!--dàn is het: _wijl
zij fournisseurs de la cour zijn!_
[LOUIS COUPERUS: ANTIEK TOERISME.]
En ja, Couperus nu, over wiens "ezelebeest" ge mij zooeven hoordet
praten.... Diens _Antiek Toerisme_ verplaatst ons zoowel naar vreemde
landen als naar het verleden. En het is trots al de blinkende larifari,
een brok armoeïgheid geworden, welks aanblik je, van den weeromstuit, je
rug laat schurken op z'n bedelaarste bedelaars, tegen 'n boomstam aan.
Een schatrijk Romeinsch patriciër gaat met zijn van hem afhankelijken
oom op reis, om te beproeven zich af te leiden van zijn liefdesrazernij
--eerste rangs tooneelmalligheid!--voor eene hem ontrouw geworden en met
een matroos ervan doorgegane slavin. Terwijl hij op reis is en
inmiddels, gelukkig, liefde opvat voor een andere slavin, wordt hij
straatarm, doordat Tiberius al zijn goederen verbeurd verklaart.
Goddank! hij blijkt te groot van ziel om zich daar veel van aan te
trekken en gaat zich, vergezeld van zijn nieuwe geliefde, als
beeldhouwer vestigen te Kos, haar geboorteland.--Kijk, als ge nu een
boek ziet als een gastvrij huis, waar een even hoffelijk als geestrijk
gastheer u doet nederzitten aan zijn haard en het beste van zijn
geestelijk en stoffelijk bezit niet spaart, om u, zijn gast, te
gerieven, zoodat ge uw eigen wijs van leven een gelukkige pooze vergeet
en, door hem bekoord, geheel onbemerkt de zijne aanvaardt; als ge in een
voor u opengaand boek zulk een huis denkt te vinden--en welke gedachte
zou, zóó kort na het Dickens-jubileum natuurlijker zijn?--hoe komt ge
dan bij het betreden van dit Couperus-huis [p.38] bedrogen uit! De
gastheer ... de gastheer? Nergens te zien! Ge kijkt eens rond, en een
onaangenaam gevoel overvalt u: zijt ge op een tentoonstelling tegen
smaak-misleiding?.... Er scheen een blokkenvuur in den haard te branden,
maar even naderbij getreden, ontdekt ge, dat 't een kwalijk riekende
gashaard is met namaakblokken van asbesth. Een oude gloed van gobelins
aan de muren, en die, meendet ge, waren toch echt.... Och, och, alle
duivels, het is papier van zooveel de rol! Maar gelukkig! daar komen
tenminste menschen de kamer binnen. Ah, Lucius, ouë Romein, men ontmoet
een van jou slag niet elken dag. Mag ik eens nader kennis maken? Maar
pòe! Wat mankeert die vent! Die raaskalt, die speelt 'n bezetene....
Zeg, Jandorie en bij Jupiter, wou je mijn!.... Maar die oom Catullus en
die Kaleb, die lijken u nog al geschikte kerels, die schijnen u nog al
nuchter te zijn. En inderdaad: "Och weet u," zegt oom Catullus, u
vertrouwelijk onder den arm pakkend, "we binne acteurs, dacht u nou
heusch, da'we ... haha ... da'we Romeine ware ... maar komt ü dan uit
Purmerent as ik vragen mag.... An die Lucius had u dat toch wel dadelijk
kenne merken, die zal nog heel wat moete repeteere voor-ie toonbaar
is!... We binne het gezelschap-Couperus ... spele voor filmopname....
Maatschappij Holkema en Warendorf.... O maar daar is de directeur! dat
treft u!... Meneer Couperus! Meneer Couperus!... daar is 'n heer, die
dacht da'we, haha, da'we...." Maar meneer Couperus lacht niet van harte
mee; meneer Couperus trekt een gezicht als een boer die kiespijn heeft;
meneer Couperus herinnert zich, dat hij niet altijd als direkteur van
een bioscoopfilm-tooneeltroep het land afreisde; dat hij eens in zijn
grooter tijd een ontzaglijk Magiër was, die machtige geesten opriep, hen
bond in zijn ban, hen een lichaam schiep en ze voor de oogen der door
zijn mysterieuse grootheid verrukte menschen liet leven, léven!
Och, niemand verliest geheel zijn grooter Zelf: de figuren van Kaleb,
den gids, en van Catullus zijn gezèllig-goed. Dat gevalletje van het
slaafje Tarrar met zijn slangetjes is aardig [p.39] en lief. Die
beschrijving van den Witten Nacht is _fraai_ en wij geraken wel in de
stemming, we ontvangen wel een beeld van heel dat ontzaglijk grootsch
verleden ... jawel ... máár _de centrale fout van het werk is, dat de
menschen er om het décor zijn en niet het décor om de menschen_. Er
wordt _gespeeld_ met _menschelijkheid_. En de taal is verbijsterend
slordig! Het woord _immens_ komt bijvoorbeeld zoo vaak voor, dat ik er
minstens twee bladzijden dezer kroniek mee zou kunnen vullen. Dat is
gewoon bespottelijk, onbegrijpelijk-van-dwaasheid. (Men vergelijke eens
deze herhalingen uit nonchalance, met het telkens een zelfde woord
herhalen bij Van Oordt, zooals dat wel een enkelen keer in diens
_Nagelaten Werk_ voorkomt, om daarmee een zekeren subtielen indruk te
wekken!) Zelfs lezen wij ergens, dat iets niet "zoo _reuzig immens_ was"
als iets anders!! Ge meent, dat ik het heele zaakje niet zoo zwaar moest
opvatten? Inderdaad: de heer Couperus is tusschen twee geeuwen van
verveling en onmacht aan het spelletje van belletjes blazen gegaan,
weliswaar niet uit 'n Goudsche pijp, zooals kinderen dat doen, doch met
een heel kunstig in elkaar gezet toestel. Maar toch, dat maakt geen
werkelijk verschil.... Doch wilt ge nòg een spel, maar althans een
edeler spel van hem zien? Sla dan _Groot-Nederland_ van Maart[5] op.
Lees zijn verhaal van den moord door de Pazzi gepleegd op Giuliano de
Medici. Dat lijkt toch op scháákspel, nietwaar? Het bord is er daar, om
de een intellekt-leven verbeeldende bewegingen der stukken mogelijk te
maken: _het décor is er om de menschen_.... Neen, zéker: de groote
Couperus van weleer is niet heen voor goed; ik geloof: hij bereidt zich
voor op een schitterend heroptreden--de kleine Couperus houdt zoolang
het ongeduldig-trampelend publiek een beetje bezig.--
* * * * *