Rotterdam--1907--W. L. & J. Brusse

Typ. Van der Want & Co. :: Amersfoort.

Het is niet om het boek zelf dat ik over "Een meisje-studentje" van

Annie Salomons enkele dingen wensch te zeggen, maar wel om den indruk,

dien het boek naar buiten maakt. Was het een minder belangrijk en

belangwekkend milieu, waarin het zich beweegt en ware dit minder

duidelijk naar het leven geteekend, dan zou het niet zóó zeer de

moeite waard zijn, de aandacht nogmaals op dit boek te vestigen. Maar

het is nu eenmaal zoo, dat alles wat vrouwelijke studenten betreft,

uitermate belangrijk wordt gevonden; dat ieder die "gelezen" wil

worden tegenwoordig, een studeerende vrouw tot heldin van het verhaal

maakt;--tot in de feuilletons zijn ze doorgedrongen--en hoe tuk zou men

dan wel niet zijn op een boek midden uit die afgesloten academiewereld

zelve voortgekomen, en zooveel stof gevend aan nieuwsgierigen, die

in eens heel wat verder worden toegelaten dan tot nu toe het geval

was. Nog zóó sporadisch is het verlangen tot meerdere openbaarmaking

van ons meer intieme leven, dat een enkele poging er toe met graagte

tegemoet gegaan wordt; dat zoo'n onschuldig romannetje heel wat

opschudding teweeg brengt.

En werkelijk, wanneer met ernst en toewijding een poging gedaan was

om uit het rijke leven dat wij genieten in onze studiejaren--een leven

zoo geheel verschillend van dat van andere vrouwen, meestal zoo geheel

uitgaand boven het milieu waar wij zelf uit voortkwamen;--wanneer met

liefde getracht was uit dat leven van ons, studeerende vrouwen, iets te

geven naar buiten met het doel anderer leven rijker te maken en mooier,

dan zou dat pogen met vreugde begroet mogen worden. Te veel toch leven

de studeerende meisjes op zich zelf, geven ze aanleiding om beschouwd

te worden als een afgezonderde categorie, en nauw aangesloten zouden

ze moeten staan in de rij van allen die bewust willen meewerken tot de

opheffing van den mensch. Maar als een geheel moesten ze daar staan,

niet als individuen, in de eerste plaats nauw aangesloten onder elkaar,

van elkaar leerend, elkaars inzicht ruimer makend, sàmen levend in die

jaren, waarin vriendschap het eigen leven zoo verruimt, ons zooveel

zachter en wijzer maakt.

Maar nog veel te weinig in aantal zijn de jaren, dat de vrouwen zich

afgewend hebben van den haar conventioneel toegewezen weg. Nog weinig

vruchtbaar kan er over gedebatteerd worden of ze al of niet geschikt

zijn voor het werk dat ze op zich namen; en al blijkt de ongeschiktheid

van de tegenwoordige vrouwen, zal daaruit besloten mogen worden tot

die van de toekomstige? Als er maar ernst is in het streven, dan kan

het falen van de enkelen geen verlies, maar soms winst zijn voor de

volgenden; als er maar één vaste lijn gevolgd wordt en opgebouwd wordt

in één richting. En hierin nu juist ligt de teleurstelling, die Ans

Salomons ons gaf met het uitgeven van haar boek. Hier is niet het

ernstig streven om van zich zelf of van anderen analyses te maken,

om meer te begrijpen of te doen begrijpen,--hier is eenvoudig een

geven van enkele feiten, zooals ieder oppervlakkig beschouwer ze om

zich heen zien kan hier in onze omgeving; zooals iemand praat over

dingen die hij wel meegemaakt heeft, maar waarvan hij het ware nooit

begreep. En eigenlijk gezegd, kunnen we anders verwachten: Wij die al

vele jaren van studie en omgang onder de vrouwelijke studenten gehad

hebben, herinneren wij ons nog onze opvattingen, onze meeningen en

oordeelvellingen uit ons eerste jaar? En voor zoover we ons daar

nog in terug kunnen denken, weten we niet hoe we veranderd zijn,

milder in ons oordeel geworden, ruimer in onze inzichten? En wie

is het hier die de buitenwereld vertellen zal van de vrouwelijke

studenten?--een eerste-jaartje, iemand die ook al vòòr ze aan de

academie kwam van meisjes-studenten schreef, eenvoudig weg alleen om

verhaaltjes te schrijven, en wellicht terwille van de aantrekkelijkheid

studenten makend van schoolmeisjes: want voor méér mogen we de daarin

geteekende figuren niet nemen. Zijn het meisjes-studenten geweest die

daar tot model dienden.... het pleit niet voor haar. Weinig studenten

bijv. in de wiskundige faculteit zullen zich zelfs uit hun eerste jaar

herinneren, dat ze 's avonds sommen maakten met potlood en passen

"die den volgenden dag af moesten zijn"? Maar toch geven ons die

eerste novelletjes van Ans Salomons een eigenaardige kijk op haar

boek. Weliswaar staat alles hier dichter bij ons; de studentenwereld

is reëeler geworden, maar over 't algemeen blijven de meisjes er uit

bakvischjes, met om zoo te zeggen geen begrip van ernstige studie--daar

wordt zelfs bijna niet over gesproken--wel weer over 't inprenten

van op te zeggen lesjes. In haar visie op studie is blijkbaar niets

veranderd door haar komen aan de hoogeschool; ze wist het vroeger ook

al, of liever.... ze weet er nu nog blijkbaar even weinig van als te

voren. Dáárvoor juist moeten we het studentenleven meegemaakt hebben,

om al onze eigen opinietjes en opvattingen omvergegooid te zien, om

kennis te maken met de meeningen van honderd anderen, uit allerlei

kringen voortgekomen, en onze eigen levensopvattingen daarin te

zien verzinken eerst, maar later weer boven te zien komen, verrijkt

met heel veel moois en ontdaan van heel wat kleingeestigheden en

vooropgestelde meeningen. Maar hier is geen tijd geweest voor bezinken

van het nieuwe, op de oude opvattingen is doorgebouwd en sterk worden

we in vele hoofdstukken herinnerd aan de schoolmeisjesverhaaltjes

uit de eerste periode.

Hier hebben we dus de omtrekken van de gedachtenwereld waarin het

boek ontstaan is, een gedachten wereld van een schoolmeisje, nog niet

ontgroeid uit haar vorige omgeving, en zich "af" voelend--meenend

niets meer te leeren te hebben van de ouderen die haar voorgingen

en die zoo weinig "interessant" waren. Lang niet zoo interessant

als de "jongens"--vandaar ook dat in het boek de "jongens" in

heel wat meer hoofdstukken voorkomen dan de "club"--die als wijs

en gewichtig-doenerij wordt op zij gezet, maar toch pour l'acquit

de conscience er wel weer eens bijgehaald wordt. Maar dan niet

wijs en gewichtig, maar integendeel vrij onnoozel, en--aan den

St. Nicolaasavond denkend--vrijwel als Spielerei.

Maar ik heb in het begin al gezegd, dat het mij niet om het boek

zelf te doen was; ieder moet zelf weten in hoever hij z'n eigen

gedachtenleven of phantasie openbaar wil maken. Maar het gaat hier

om méér, en dat is de indruk dien de buitenwereld van de wereld der

meisjes-studenten krijgt. Het is nog zoo nieuw, het trachten der

vrouw naar zelfbewustzijn, naar eigen vrijen weg van ontwikkeling,

en zeer zeker is er groote belangstelling hòe de eerste pogingen

verloopen. En zóó groot zijn altijd nog de moeilijkheden, dat het

best de moeite waard zou kunnen zijn te trachten een enkele op te

heffen, die door een onvoorzichtige opgeworpen werd. Ik wil niet

zeggen dat Annie Salomons niet naar het leven geteekend heeft; ik

weet niet in hoever ik dat zou mogen doen; maar wel weet ik, dat dit

boek niet opgevat mag worden als nu eens te vertellen hoe het leven

der vrouwelijke studenten is. En alle kans is er dat dit gebeurt,

waar nog zoo weinig werkelijk besef van ons streven is. Is het dan

niet van het grootste belang dat het weinige wat gehoord wordt,

een zoo juist mogelijk beeld geeft en niet een kleine minderheid

beschrijft, die voor het geheel niet staan kan? Zal niet iedereen het

boek van Ans Salomons ter hand nemen met het idee nu meer van "de"

meisjes-studenten te zullen leeren kennen? Zal niet ieder na het lezen

er van--niet beter wetend--"de" meisjes-studenten beoordeelen? En ik

moet zeggen: ik twijfel sterk of het oordeel gunstig zal vallen.

Prof. Blok in zijn jongste geschrift over vrouwelijke studenten

neemt ook haar boek als uitgang--ja, niet geheel--meer nog gaat hij

uit van eigen aanschouwing--maar ziet een hoogleeraar ons leven niet

van den buitenkant alleen? en versterkt haar boek--van een van ons

zelf, en dùs echt--niet al zijn opinies van meisjesachtigheid, van

onwetenschappelijkheid, van dilettantisme? Had het niet juist moeten

zijn, dat hij hierin vond de bestrijding zijner argumenten? Al zegt

hij zelf haar boek slechts als bijzaak te beschouwen, daarboven

eigen ondervinding te stellen, overal treft men aanhalingen aan,

overal worden haar uitspraken genomen om te bewijzen de juistheid

zijner inzichten. En 't is immers te gek, dat hier de uitspraken

van een eerstejaars zullen genomen worden als juistheden, dat

een dergelijk oppervlakkig romannetje zal gelden als basis tot

meerder begrijpen van het leven van vrouwelijke studenten. Ik

geloof niet dat de schrijfster het als zoodanig beschouwde, maar de

buitenstaanden nemen het wel degelijk zoo op. Als Prof. Blok spreekt

over de lichamelijke en geestelijke minderwaardigheid, over den

weinigen echt-wetenschappelijken zin, dan zal hij in Ans Salomons'

boek wel termen vinden om dit wàar te maken, maar niets wat hem

tegenspreekt. Van studie is in het boek geen spoor--zou ik bijna

zeggen--te vinden. Als veel naar het leven geteekend is, als hier

gegeven wordt de gedachtenkring, waarin de jongere meisjes-literatoren

zich bewogen, dan kan ik me begrijpen dat Prof. Blok--waar juist deze

zijn collegianten vormden--zijn uitspraken over vrouwelijke studenten

gegrond meent op eigen ervaring. "Een meisje-studentje" zal hem niet

dieper doen zien in het leven der meisjesstudenten. De uiterlijkheden

die hij waarnam zijn zeker juist--zéker is het begrijpelijk dat de

getrokken conclusies getrokken werden, maar er is zooveel méer nog te

zeggen, dan de schrijfster doet voorkomen--misschien of zelfs allicht,

geldt het niet voor allen--maar voor velen zeer zeker.

Waar de druk, waaronder de meeste meisjes studeeren, zoo groot is,

is het werkelijk geen wonder dat velen bezweken, d.w.z. hun kracht

overschatten; ze hadden zelf hun weg te vinden, meest zonder eenige

leiding. De beweging in deze richting onder de vrouwen is nog zoo

jong, is het wonder dat de eersten mannelijke kracht moesten hebben

om vol te houden en baan te breken? Waarlijk, de later komenden

weten niet hoe dankbaar zij ze moesten zijn, in stede van ze uit

te lachen en te bespotten, en zich er zoo op voor te laten staan

dat ze vrouwelijke zachtheid behielden,--behouden konden, zou ik

zeggen, dank zij de anderen die het ruwe werk durfden doen. Onder

de tegenwoordig studeerenden zijn ze schaars meer te vinden, "de

treurige wanschepsels van het feminisme." Voor de meerderheid der

vrouwelijke studenten bestaat er geen feminisme meer dat door dik en

dun gelijkheid wil prediken, waar geen gelijkheid is. Zeker zijn de

physieke vermogens van man en vrouw verschillend, is het voor een man

heel wat makkelijker regelmatig ingespannen arbeid te verrichten,

maar wel moeten hierbij niet vergeten worden de tegenwerkende

factoren die voor de meisjes golden en nòg voor een groot deel

gelden. Wat valt er nu reeds te zeggen van een volgend geslacht,

waarbij jongens en meisjes gelijke physieke opvoeding zullen genieten,

wanneer meisjes gewend zijn aan regelmatig gymnastiseeren en gehard

zullen worden. En al blijven er verschillen bestaan, het meisje zal

heel wat beter toegerust aan de universiteit komen dan nu nog het

geval is. Vraag daarbij eens hoeveel moeilijkheden een meisje van

nu nog te overwinnen heeft, eer ze mag studeeren--misschien is dit

de laatste jaren--nu het "gewoner" is, reeds afgenomen. Terwijl een

jongen aangezet wordt tot studie, voor zijn werk alles moet wijken,

moet een meisje het dikwijls met kracht doorzetten om te mogen werken,

en gaat alles in de huishouding voor boven haar werk. Vraag eens welk

deel van haar kracht gevergd wordt voor het geven van gezelligheid in

den huiselijken kring, voor het meedoen aan allerlei dingen, waaraan

zij zich niet onttrekken kan? Hoeveel meisjes hebben gezucht onder de

klacht dat er blijkbaar van haar gevergd werd, examens te doen zonder

studeeren, waar op zoo groot deel van haar tijd beslag gelegd werd? Hoe

weinigen waren er die zich aan de studie, aan het student-zijn mochten

wijden? Uit dezelfde kringen, waar het vanzelf sprekend was, dat een

jongen op z'n tijd naar de academie ging, met een goed jaargeld, en

alleen de verplichting eenigszins op tijd z'n examens te doen, bleven

de meisjes in huis, mochten hoogstens spoorstudent worden, moesten

alles zoo zuinig mogelijk doen, en moesten beschikbaar blijven voor

zooveel buiten haar studie om. Als we van de vrouw sprekend, de vrouw

uit het volk niet vergeten, dan krijgen we een geheel anderen kijk

op haar lichamelijke vermogens, maar de meisjes die aan de academie

komen, zijn van huis uit niet bestand meestal tegen de lichamelijke

vermoeienis, die van ze gevergd wordt, en die menig jongen ook niet

uit zou houden als hij er voor geplaatst werd. Om statistiek op te

maken moeten alle factoren in aanmerking genomen en ook onderscheid

gemaakt worden in de faculteiten, bijv. tusschen de rechtenfaculteit

met z'n weinige uren college en de philosophische met z'n jaren van

over de twintig uur college per week, waar nog bij komen de talrijke

middagen van praktisch laboratoriumwerk. Hier kwam het ook voor, dat

een hoogleeraar aan een meisje-student vroeg of het "haar" beurt ook

nog niet was, doelend op zenuwoverspanning onder.... haar mannelijke

collega's! Trouwens in deze en ook in de medische faculteit zal men

uit den aard der zaak de meeste kans hebben meisjes aan te treffen,

bij wie het om studie te doen is: het werk dat van ze gevorderd wordt

7 à 8 jaar lang is veel te zwaar en veel te ernstig om volgehouden

te kunnen worden waar het maar voor de aardigheid of omdat het mode

was, begonnen werd. Het groote percentage van meisjesstudenten in

de literarische faculteit mag m.i. geenszins tot de conclusie leiden

dat daar de meeste kennis omtrent "de" vrouwelijke student opgedaan

kan worden. Als men een kijkje neemt in de opgaven van de leden der

vrouwelijke studentenclub over enkele jaren geleden (ik spreek van

Leiden) dan zal men vinden dat de letterenfaculteit steeds eer minder

dan meer leden telde dan de overige faculteiten, de meerderheid bleef

dus buiten de vereeniging; wellicht waren daar ook velen onder, die

slechts voor een enkel uur college naar Leiden kwamen en dus maar

ten deele onder de studenten meegeteld mogen worden. En de club is en

moet zijn het middelpunt, de kern van het studentenleven der meisjes;

en wat daar buiten blijft staan, blijft buiten haar samenleving en

kan wel studeeren, maar leert niet begrijpen waar het om gaat. Hier

is juist, omdat de Vereeniging nog zoo jong is, de ideale zijde nog

zoo groot, het is nog zoo om ernstig samenwerken te doen, en wie een

ruimen blik op haar studie heeft en liefde voor haar werk, die zal

zich ook aansluiten.

In hoofdzaak was het mij in 't voorgaande te doen om de meestal niet

in aanmerking genomen, en weinig bekende factoren op den voorgrond

te brengen, die van het grootste belang zijn bij de bespreking der

schijnbare resultaten van het verschijnen der vrouw aan de academie. De

zaak is veel te gecompliceerd om zoo maar in eens uit te maken het

al of niet goed recht van het studeeren der vrouwen en de al of niet

minderwaardigheid van physieke en geestelijke vermogens. Trouwens deze

beide zijn moeilijk te scheiden, waar de omstandigheden voor de meisjes

tegenwerken en haar gezondheid benadeelen, volgt van zelf geringe

wetenschappelijke productie. Als de vele moeilijkheden in aanmerking

genomen worden die bij de meisjes zooveel meer van haar kracht vergen

dan bij de jongens het geval is, en die men alleen leert kennen,

wanneer men veel geleefd heeft in, en gehoord heeft van de particuliere

omstandigheden van werkelijk ernstig studeerende meisjes,--menigeen

zou verbaasd staan als ik cijfers noemde van het uiterst geringe, en

dikwijls nog zelf verdiende jaargeld, waar meisjes "het mee doen"--dan

kan men niet meer die tot nu toe nog betrekkelijk geringe productie

als bewijs nemen van geestelijke minderwaardigheid. En Prof. Blok

spreekt wel van "verschillende" vermogens, maar wanneer het gevolg is,

dat de vrouw alleen tot ondergeschikte betrekkingen, tot bijwerk zou

moeten komen, dan zijn we toch niet ver af van minderwaardigheid. Eerst

als we vele jaren verder zijn en de ernst niet weg zal gaan uit dit

streven der vrouwen; als de moeders van een volgend geslacht hun

meisjes den weg zullen wijzen in wetenschappelijk werk in plaats van

als "Go", door eigen ondervinding wijs geworden, ze verre te houden

van de Universiteiten, eerst dan zullen we resultaten kunnen zien,

die, geloof ik, meer algemeen het goed recht van dit streven aan

zullen toonen dan de enkele goede resultaten op het oogenblik nog

kunnen doen. Ja--misschien dat er een enkel vak blijven zou, waarin

de vrouw in 't algemeen minder wetenschappelijk werk kan leveren dan

de man, en als er zoo'n vak is, dan zou dit juist in de eerste plaats

"geschiedenis" kunnen zijn, waarvoor een bij uitstek objectieve blik

noodzakelijk is, en objectiviteit is nu eenmaal een eigenschap, waar

onze subjectieve vrouwen nog zoo weinig begrip van hebben. Of dit mee

veranderen zal, wanneer de vrouw geleerd zal hebben meer als mensch

in de maatschappij te staan?--

Eén ding is jammer, en ik kan dat niet voorbij gaan, waar ik

hier zoovele malen Prof. Blok's werk aangehaald heb, en dat is de

uitspraak van den hoogleeraar, als zou zelfmoord in de geschiedenis der

meisjesstudenten niet geheel onbekend meer zijn. Voor zoo ver ik weet,

is hier één geval van voorgekomen, en waar men de maatschappelijke en

familieomstandigheden kent, die van dat leven den achtergrond vormden,

en een resumé geven van alle mogelijke moeilijkheden die ik aanhaalde

als geldende voor de meisjes in 't algemeen; waar men weet hoe weinig

de uren waren dat zij voor een enkel college aan de academie kwam,

zoodat ze nauwelijks enkele maanden den naam van student kon dragen,

daar zal men waarlijk de schuld hiervan met geen mogelijkheid kunnen

schuiven op het studeeren der vrouw in 't algemeen.

Uit het geheele schrijven van Prof. Blok blijkt hoe gerechtvaardigd het

is op te komen tegen de gedachte als zou de roman van Annie Salomons nu

eens in werkelijkheid de uiting zijn van de vrouwelijke studenten zelf,

over haar academieleven; zij het ook dat de hoogleeraar niet uitgaat

alleen van haar boek, zooals ik ook reeds vroeger zei. Ook critici

heeft men slechts op te slaan om de uiting te vinden van wat vanzelf

sprekend bij ieder de indruk was: dat we hier te doen hadden met een

meisjes-student die zelf het studentenleven mee maakte en daaruit

vertelde, zoodat het beeld dat zij geeft, vrijwel den toestand weer

zal geven zooals die gevonden wordt aan onze Universiteiten. Zegt

niet Graadt van Roggen in de Amsterdammer: "Mejuffrouw Salomons is

zèlf studente, heeft in haar academische jaren natuurlijk een massa

ondervindingen en ondervindinkjes opgedaan omtrent het leven van den

student in het algemeen, van zijn studeeren en student-zijn, maar in

't bijzonder omtrent het wel en wee der jonge dames, die hetzij uit

liefde voor wetenschap, of .... mode zich der academische studie

wijden"? Spreekt niet Dr. C. H. Ph. Meyer in datzelfde blad van het

frissche openhartige boek van mej. Salomons? Moet niet ieder verbaasd

staan en een geheel ander inzicht in de zaken krijgen en nog eens

even wachten met zijn oordeel of veroordeel, als eens gezegd wordt

dat het een eerstejaars was die hier haar ondervindingen geeft,

zooals het een schoolmeisje was, die de vroegere episoden uit het

studentenleven van meisjes ten beste gaf. En nu neem ik haar niet

kwalijk dat zij dezen vlot geschreven roman uitgaf, die speelt in

haar omgeving, en dat zij niet verder gaat dan de oppervlakte van die

omgeving; ook niet dat ze misschien zelf niet weet dat ze ver blijft

staan buiten de werkelijke kern van studeerende vrouwen, maar waar men

alleen hàar hoort, moet terwille van het goed begrip, ook van anderen

kant iets gehoord worden, opdat men niet denken zal, dat wij allen

het eens zijn hiermee, en waarlijk geen dieperen grond in ons leven

voelen dan waarop haar figuren gaan. Het is niet voor mij zelf alleen,

maar uit naam van velen, dat ik opkom tegen het als algemeen geldend

opnemen van de uitspraken van Annie Salomons. Waarlijk, als er niet

meer ernst, niet meer degelijkheid gevonden werd, dan had men groot

gelijk ons komen op de hoogeschool met glimlachend schouderophalen

te begroeten en te denken: het zal van zelf wel weer verloopen deze

beweging, en de orde zal zich wel weer herstellen.

Twee punten zijn er waarop ik m'n aandacht nog speciaal concentreeren

wil, en dat is de verhouding der meisjes met haar mannelijke collega's

en haar verhouding onderling. Met merkbare voorliefde is de eerste

behandeld, eigenlijk "het" hoofdthema in het boek. Merkwaardig is

het te hooren dat dit eigenlijk Go's motief is om te gaan studeeren,

niet de studie zelf, niet de dorst naar kennis, de drang naar eigen

wetenschappelijk onderzoek, neen: "om te brengen onze zachtheid,

onze vrouwelijkheid aan de jongens". Zeker is dit op zichzelf

niet hoog genoeg te schatten, zal die invloed langzamerhand niet

wegblijven en is dit hier en daar al merkbaar, maar ik geloof niet

dat dit zóó voorop gesteld mag worden en zeker weet ik dat het

geen hoofdzaak zijn mag. Hoofdzaak is en blijft studie, of liever

ontwikkeling, menschwording, niet ieder zal zijn heele verdere leven

aan de wetenschap blijven wijden. Brengen wij nu echter deze omgang

van mannelijke en vrouwelijke studenten terug tot de plaats die ze

in moest nemen bij de motieven om te gaan studeeren: een middel tot

ruimer, veelzijdiger ontwikkeling van beiden, dan nog valt er heel

wat te zeggen over de opvattingen die hier verkondigd worden en die

m. i. meer kwaad dan goed kunnen stichten. En het is niet van het

minste belang dit uit te doen komen, onervaren komen de meisjes over 't

algemeen hier, te groote vrijheid kan ze op dwaalwegen voeren. En nu is

het eigenlijk niet meer dat ik schrijf voor de buitenwacht,--al mogen

ook zij zien dat er wel degelijk ernst en niet lichtzinnigheid is bij

velen--maar meer denk ik nu aan de jongeren die eerst kort haar studie

begonnen of nog moeten beginnen. Toen de meisjes eenige jaren geleden

aan de hoogeschool kwamen, was de toestand geheel anders, zij hadden

zelf een weg te maken. Op college met verbazing eenigszins aangezien,

geheel afgezonderd blijvend van haar mannelijke collega's, nergens

toegelaten in eenig dispuut, leefden ze vrijwel in afzonderlijke

kleinere en grootere groepen, haar aantal was ook nog zeer gering

en voor de studie kwamen ze. Maar de aansluiting onder elkaar werd

grooter, ze maakten zich zelf datgene, waar ze door de anderen buiten

gesloten werden: een studentenleven. Hier en daar werden persoonlijke

vriendschapsbanden--ook buiten den meisjeskring, gelegd, en zoo kwam

langzamerhand meerdere aanraking en meerder begrijpen en als gevolg

daarvan ook meerdere aansluiting in algemeener zin. En de meisjes,

die nu aankomen, vinden heel wat andere ontvangst, menig dispuut

is voor ze opengesteld, heel wat collegialer worden ze opgenomen;

maar laten ze bedenken dat het nog ter dege op hàar houding aankomt

om het goede in deze verhouding te versterken, en het verkeerde tegen

te gaan. Genoeg voorbeelden zijn aan te halen die laten zien dat het

werkelijk mogelijk is, dat er vriendschap, echte vriendschap ontstaat

tusschen jongens en meisjes, waar we hier wàar en als mènschen met

ernstige idealen naast elkaar komen te staan; dat we elkaar hèlpen

kunnen in moeilijke jaren soms, dat ons leven heel wat rijker en ruimer

worden kan hierdoor, zooals iedere ware vriendschap ons steun geeft

en ons rijker maakt. Maar veel, heel veel hangt er hierin af van ons

zelf, en veel meisjes en jongens zijn wellicht niet in staat dit vol te

houden. Maar nooit moet gedacht worden dat vriendschap iets is waarmee

men aan kan komen dragen. Voor mij is er iets zeer weerzinwekkends in

als een meisje bijna de eerste maal dat ze iemand ontmoet, die dan

haar "collega" zal zijn, vertelt dat ze een schat van liefde heeft,

die ze geven wil aan al die jongens die ze zoo eenzaam weet op hun

kamers. Ik kan me heel goed begrijpen dat zoo'n gedachte van groot

meevoelen bij ons op kan komen; maar het te uiten is iets anders,

kan gevaarlijk zijn. En juist dit zal zoo'n struikelblok blijven

bij de verhoudingen, dit onnoozele, ondoordachte in meisjes, die

theoretiseeren: waarom kunnen wij geen vrienden zijn, waar zij zelf,

en zij alleen meestal de oorzaak zijn waarom het niet kan. Het boek

van Ans Salomons levert bewijzen te over voor deze stelling.

Ik heb gesproken van het ernstig, als ménschen naast elkaar staan,

daarvoor moeten beiden veel doorleefd, veel doordacht hebben, tot

een zeker bewust leven gekomen zijn. Heel Go's gedachtengang is die

van het meisje, dat leeft van de emotie die de omgang met jongens

haar geeft, ze staat als vreemd tegenover hun leven, juist dat trekt

haar misschien in ze aan. En zoolang meisjes niet veranderen daarin,

niet tot bewuster leven als mensch gekomen zijn; zoolang haar eerste

indruk op een college is, de teleurstelling: "een heeleboel meisjes

en een paar schunnige jongens"; zoolang het voorkomen kan dat ze in

de bibliotheek werkend, boos worden omdat niemand naar haar kijkt,

"als een aardig meisje iets grappigs doet", zoolang zij zich voor

laten staan op haar "aardig-meisje-zijn"; laten zij zich zoo lang

toch geheel uit het hoofd zetten vrienden te kunnen zijn met haar

collega's. Een vrouw die sterk wil staan in het leven moet weten dat

het leven ernst is, zij zal haar vrouw-zijn niet verliezen, waar ze

boven haar meisjesachtigheid uitgekomen is. Zij zal veel meer moeten

begrijpen, wil ze kunnen helpen, zal ze "vriend" kunnen zijn voor haar

collega met wie ze in veel persoonlijk sympatiseert; en ze zal meer

voor hem kunnen zijn, in andere dingen in z'n leven hem kunnen helpen,

dan zijn vrienden: omdat ze vrouw is. Het vrouw-zijn moet gevoeld

worden in haar handelen, moet haar niet vooruit gedragen worden in

haar eigen woorden; ze moet het bijna niet kunnen begrijpen zelf, dat

ze een ander helpen kon, tot steun kon zijn, inplaats dat ze meent dat

haar tegenwoordigheid alleen al, haar lief zijn en zorgen voor thee,

honderden onbevredigden tot rust zal brengen. Waarlijk hier is geen

kleine geringschatting van de werkelijke nooden van de "eenzamen".

En zoo kom ik ten slotte op iets wat ik ten sterkste uit zou willen

doen komen, de grootste misvatting waartoe het boek aanleiding

geeft. Het heeft er veel van of men aan de universiteit alleen te doen

heeft met den omgang en de verhoudingen van jongens en meisjes, alsof

niets er tot stand kwam van verhoudingen tusschen de meisjes onderling.

Het zou kunnen dat dit laatste van minder belang werd geacht, maar

m.i. moet het ten zeerste op den voorgrond gebracht worden, daar

dit juist van het gròotste belang is voor het studeeren der vrouw in

't algemeen.

In de eerste plaats omdat dat leven met elkaar ons brengt uit

onze eigen sfeer, ons den omgang geeft met anderen, met hèel veel

anderen, allen van verschillende meeningen, verschillende inzichten

in allerlei vraagstukken. En dat is juist iets wat zoo heerlijk is

in onze jonge jaren, onze eigen meening te verdedigen, uren lang

met elkaar te debatteeren, daarbij gedwongen wordend alle voor en

tegen te overwegen, wat ons zooveel klaarder en ruimer onze eigen

overtuigingen doet zien. Zij die niet anders kennen dan college

loopen en daarna thuis werken en altijd weer afgetrokken werken in

eigen stille studeerkamer, ze kennen de wereld niet en worden niet

bewust van het rijke leven om hen heen. Ze kunnen misschien heel wat

geleerdheid en boekenwijsheid verzamelen, maar ze blijven als vreemd

onder de menschen staan. De meesten meenen dat hun eigen kennissen-

en vriendenkring dit vergoeden kan, en zeker is dit ten deele waar,

maar niet geheel. Hier aan de academie staan we allen op ons zelf,

als gelijken naast elkaar, als jonge menschen, die het nieuwe leven

op ons af voelen komen, die naar alle kanten onzen blik willen wenden,

die alles in ons op willen nemen.

En dan helpen we elkaar het te verwerken, we voelen dat velen van

haar die nieuw aankomen, dezelfde ondervindingen op zullen doen, en we

kunnen ze helpen, omdat we wèten; het is geen kleinigheid als meisje

alleen op een kamer te wonen en op zichzelf aangewezen te zijn, maar

het is de eenige weg om tot zelfstandigheid te komen, en zelfstandig

moet de vrouw worden, een eigen denken in zich ontwikkelen, wil haar

streven tot een resultaat komen.

Maar in de tweede plaats is er iets anders wat het zoo noodig maakt dat

we ons aansluiten bij elkaar, dat we samen blijven in onze meisjesclub

en deze zich nog niet verliest in een grooter organisatie van alle

studenten. Juist het als meisjes samen zijn, het onder elkaar jolig

zijn en ernstig, dàar ligt zooveel goeds in. Er is nog zooveel

te arbeiden in onzen eigen kring, we zijn nog zoo weinig klaar om

naar buiten te treden. En zij begrijpen dat niet, die aankomen en

geen lid worden van de vereeniging "omdat het zoo saai is en er

geen heeren zijn"; zij begrijpen het niet, die geen werk van haar

toilet maken bij een feestelijke bijeenkomst, omdat we "maar" onder

elkaar zijn. Dat is juist het groote gebrek in Ans Salomons' boek,

dat ook dàarin dit niet begrepen is. We behoeven de meisjes van nu

niet te waarschuwen: verlies onder de studie toch je vrouwelijkheid

niet. Niets is er moeilijker voor een vrouw, ik geloof zelfs dat ze

het nòoit verliest. Maar daarom juist zou ik ze toe willen roepen,

als er ieder jaar weer zooveel nieuwe meisjes haar studietijd beginnen:

denk nu eens in deze jaren niet in de eerste plaats aan je vrouw-zijn

(tegenover de jongens);--onder je vrouwelijke collega's voel je je

immers thuis, daar heb je niet de neiging te denken aan den indruk,

dien je maakt. Denkt nu eens aan het grootere doel waarvoor we

hier samen zijn, leer nu als mensch te staan in het leven en je te

interesseeren voor alles wat er omgaat om je heen, wat daar woelt en

gist in ons, laat dat inwerken op je, laat het je desnoods omverwerpen,

als je maar op de anderen steunt, je niet afzondert, dan komt alles

terecht. En dan zul je later als vrouw heel wat sterker staan in de

grootere of kleinere maatschappij, omdat je bewust bent geworden van

een veel ruimer en intenser leven dan je vroeger ooit denken kon.

En zulke vrouwen, die zich leerden verheffen boven eenzijdigheden,

zijn er nog zoo weinig en... ze zijn zoo noodig!

Leiden, September 1907.

Bij de uitgevers W. L. & J. BRUSSE te Rotterdam zijn mede verschenen:

Een Meisje-Student over 'Een Meisje-Studentje' · 第 2 / 8 题