AANTEEKENINGEN

* * * * *

Deze aanteekeningen geven geen volledig commentaar, nog minder

kritiek. Zij bedoelen slechts de aandacht te vestigen op woorden

die voor sommige lezers verklaring behoeven, of op plaatsen die

aanleiding tot misverstand zouden kunnen geven. Waar ik

vertalingen van anderen aanhaal (dr. H. Gorter, Dr. W. Meyer en

de Duitsche van J. Stern) geschiedt dit allerminst met kritisch

opzet, doch alleen om den lezer te doordringen van het besef dat

Spinoza's terminologie somtijds voor verschillende uitlegging of

omschrijving vatbaar is en dat men bij hem, zoo ergens, meer op

den geest dan op de woorden moet letten.

[Aanteekening 1: _Essentia._ Wezen. De eeuwige,

onveranderlijke aard of natuur van iets. In de "Korte

verhandeling van God, de Mensch en deszelfs welstand" zegt

Spinoza: "De wezentheden van de zaaken zijn van alle Ewigheid

en zullen in alle ewigheid onveranderlijk blijven". Zie ook

Definitie II Deel II. Over "zijnszelfs oorzaak" zie

aanteekening 8.]

[Aanteekening 2: _Substantie._ Ik gebruik niet het door

Spinoza zelf gebezigde woord "Zelfstandigheid", daar het in

den tegenwoordigen tijd een te beperkten, stoffelijken zin

heeft. Ook niet "zelfstandig-bestaan, het zelfstandige of

zelfbestaan" (Meyer), hoewel deze termen minder tot

verwarring aanleiding geven. Het lijkt mij een overdreven

taalzuivering, woorden als substantie en attribuut, die met

Spinoza's leer gemeengoed der geheele wereld zijn geworden,

door Nederlandsche te vervangen. De vreemde termen dwingen

tot nadenken, eerst na tal van herhalingen en omschrijvingen

worden zij volkomen verstaanbaar, maar zijn dan tenslotte ook

duidelijker dan Nederlandsche uitdrukkingen, waaraan men

gemakkelijker nog een andere beteekenis hecht.]

[Aanteekening 3: _Attributen._ Meyer vertaalt

"wezens_kenmerk_". Bedoeld is echter niet zoozeer dat waaraan

men het wezen van iets herkent, maar dat waarin zich het

wezen _aan ons_ openbaart, de _vorm_ waarin het verstand het

wezen opvat. Wezens_vorm_ ware dus juister. Spinoza zelf

spreekt in de Korte Verhandeling over "Eygenschappen" en

"Eygene Eygenschappen", geeft echter toe dat dit onduidelijk

en dubbelzinnig is, daar men met dit woord meestal aanduidt

kenmerkende eigenaardigheden van dingen (Latijn: _propria_)

die "wel aan een zaak behooren, edog nooit en verklaren wat

de zaak is." Men voelt het verschil wanneer men overweegt dat

Gods (voor ons menschen kenbare) attributen zijn: "Denken en

Uitgebreidheid" (moderner: Geest en Materie). Deze

_werkelijkheden_, die Godzelf _zijn_, voorzoover hij zich aan

ons menschelijk verstand openbaart, kan men wel Gods

wezens_vormen_ noemen, maar niet zijn kenmerken, nog minder

zijn eigenschappen. Wel zou men deze laatste woorden kunnen

bezigen voor Gods onveranderlijkheid, eeuwigheid, almacht,

alwijsheid enz. Zij worden, zooals Spinoza het uitdrukt:

"toegepast" aan de "_eigene_ eigenschappen" (attributen),

zooals bijv. "verstaning" (begrip) aan het Denken, "beweging"

aan de Uitgebreidheid.]

[Aanteekening 4: _Bestaanswijzen._ (_modus_, _modificatio_,

_affectio_). Spinoza spreekt in de Korte Verhandeling van

"bezondere wijzing" of "toeval". Bedoeld zijn de dingen als

(geestelijke of stoffelijke) verschijningen.]

[Aanteekening 5: _Openbaringen_ (_affectiones_). Meyer:

wijzigingen; Gorter: aandoeningen; Stern: Erregungen. Al deze

woorden kunnen tot misverstand aanleiding geven, zij drukken,

zooals trouwens ook het Latijnsche woord "_affectio_", een

lijden, een ondergaan uit, wat geheel en al in strijd is met

Spinoza's Godsbegrip. Alleen waar het de menschelijke

gemoedsbewegingen betreft heb ik _affectio_ en _affectus_ met

_aandoening_ vertaald; zie aanteekening 33.]

[Aanteekening 6: _Eene substantie._ Sommigen vertalen "_de_

substantie". Spinoza bewijst echter eerst later dat er

slechts ééne substantie bestaan kan.]

[Aanteekening 7: Letterlijk: "uit oneindige attributen". De

bedoeling is echter blijkens de toelichting: "uit een

oneindig aantal".]

[Aanteekening 8: "De zelfstandigheid staat wegens zijn natuur

voor alle zijne Toevallen" (_modificationes_). (Korte

verhandeling, Aanhangsel. Ax. I).

Dit vóórgaan is niet in tijdelijken, maar in logischen zin

bedoeld. Spinoza's causaliteitsbegrip is niet de gewone

"oorzaak en gevolg"-voorstelling, maar die van _wiskundige_

afhankelijkheid, van _logisch_ in iets anders begrepen zijn.

Vandaar ook dat hij oorzaak (_causa_) en reden (_ratio_) als

synoniemen gebruikt. _Causa sui_, zijns-zelfs oorzaak, wordt

daarom ook _niet_ gedefinieerd als iets dat zichzelf zou

hebben _geschapen_, maar als datgene wat krachtens (om

_reden_ van) zijn eigen wezen _bestaat_.]

[Aanteekening 9: _Rerum natura_. Eigenlijk "in de natuur der

dingen". Het woord _natura_ wordt echter afwisselend gebruikt

in de beteekenis van "aard, wezen, karakter" en van "Natuur,

Heelal". Ik vertaalde slechts met "natuur" waar dit woord

geheel ondubbelzinnig is.]

[Aanteekening 10: _Onder_, als openbaring van.]

[Aanteekening 11: _a posteriori_, van achteren beschouwd,

afgeleid uit de ervaring omtrent voorgaande dingen.]

[Aanteekening 12: _a priori_, van voren aan, voor of zonder

de ervaring, alleen door redeneering afgeleid.]

[Aanteekening 13: _Passio_, heeft hier meer de beteekenis van

"hartstocht". Overigens gebruikt Spinoza het woord meestal in

den letterlijken zin van "lijden", het ondergaan van een

gemoedsbeweging (door hemzelf in de Korte Verhandeling, en

ook voortaan in deze vertaling, weergegeven door "lijding")

in tegenstelling met het begrip "actio", (vrije) handeling.

Zie de definities van Lijding en Handeling (Def. II Deel

III).]

[Aanteekening 14: _Quantitas_, hoeveelheid, hoegrootheid.

Bedoeld is hier echter een lichamelijke, stoffelijke

"uitgebreide" massa (de continue stof) en niet de oneindige

"ruimte".]

[Aanteekening 15: _Abstract_, heeft hier niet de beteekenis

van zelfgewilde, redelijke, logische afzondering, maar van de

onwillekeurige afzondering der dingen die door onze

zintuigelijke waarneming op zichzelf reeds plaats grijpt.]

[Aanteekening 16: Het begrip "_imaginari_" (zich verbeelden)

wordt door Spinoza niet steeds in denzelfden zin, of liever

steeds in een zeer ruimen zin, gebruikt. In Opmerking St.

XVII D. II definieert hij het als: "zich iets als _aanwezig_

voorstellen" en de bedoeling schijnt daar blijkens het

zinsverband te zijn: "Iets, _dat er in werkelijkheid niet

is_". Dit is ons gewone "zich verbeelden" of "zich

inbeelden". Spinoza gebruikt echter meestal het woord in den

ruimen zin van: "zich een beeld vormen", dus "zich iets

voorstellen", onverschillig of het voorwerp dier voorstelling

feitelijk aanwezig is of niet. Zoo bv. in Bewijs St. XVIII D.

II, waar de voorstelling van een voorwerp, dat uitdrukkelijk

als in _aanraking_ zijnde met het menschelijk lichaam genoemd

wordt, een "verbeelding" heet. In de Opmerking bij St. XVII

D. II heet het dat wij ons de zon dichtbij _verbeelden_

(zien, waarnemen) ook al weten wij dat zij zeer ver af staat.

Ook in het Bewijs van Gevolg St. XXVI D. II wordt (met een

beroep zelfs op de Opmerking bij St. XVII) _iedere_

zintuigelijke _waarneming_ "verbeelding" genoemd, waarbij dan

tevens betoogd wordt dat deze zintuigelijke waarneming ons de

dingen niet adaequaat doet kennen. In de Opmerking bij St.

XLIX D. II wordt gewaarschuwd om "verbeeldingen, woorden en

voorstellingen" met elkaar te verwarren en onze

voorstellingen te beschouwen als "stomme schilderijen op een

paneel". Hier bedoelt Spinoza dan echter met "voorstelling"

meer uitsluitend een zuiver redelijk begrip, zooals hij dit

in de Opmerking bij St. XLVIII definieert: "geen beeld zooals

het op den achtergrond van ons oog gevormd wordt, maar

begrippen van het Denken."

Meestal vertaalde ik _imaginatio_ met "verbeelding" om den

lezer met Spinoza's terminologie vertrouwder te maken. Waar

verwarring te vreezen was gebruikte ik het woord

"voorstelling."]

[Aanteekening 17: _Causa efficiens_, bewerkende oorzaak;

naast _causa finalis_, oorzaak voorzoover daarbij tevens aan

het resultaat gedacht wordt, doel-oorzaak, doel-einde,

beweegreden.]

[Aanteekening 18: _Per se_, door zichzelf, krachtens eigen

noodwendigheid, en _per accidens_, door een andere,

bijkomstige, toevallige zaak of omstandigheid veroorzaakt.]

[Aanteekening 19: _Formalis rerum essentia_, _Ens (of Esse)

formale_ of _reale_, door Spinoza zelf vertaald met

"formelijk, dadelijk wezen". Vorm-hebbend,

_werkelijk-bestaand_, _feitelijk_, in tegenstelling met _ens

rationis_ (wezen van Reden, Sp.), wezen voor zoover het

slechts in de voorstelling bestaat.

_Forma_, aard, wezen, natuur, bestaansvorm.]

[Aanteekening 20: _Objective_, als iets voorwerpelijks,

(d.w.z. als een beeld) bestaande in de voorstelling. Zie ook

in Gevolg St. VIII Deel II: "het objectief bestaan der dingen

ofwel hun voorstelling."]

[Aanteekening 21: _Principia philosophiae Cartesianae_. Deel

I Stelling XIX. _Stelling XIX_ God is eeuwig.

_Bewijs._ God is het meest volmaakte wezen, waaruit volgt dat

hij noodzakelijk moet bestaan. Indien wij hem echter een

beperkt bestaan toekenden, zouden de grenzen van zijn bestaan

noodzakelijk zoo niet door ons, dan toch door God zelf

begrepen moeten worden, aangezien hij het hoogste verstand

is. Zoodat God zich bewust zou zijn dat hijzelf, te weten het

hoogst volmaakte wezen, buiten die zekere grenzen niet

bestond; hetgeen ongerijmd is. Derhalve heeft God niet een

beperkt, doch een oneindig bestaan, hetwelk wij eeuwigheid

noemen. God is dus eeuwig.]

[Aanteekening 22: _Absoluut_, vrij, onafhankelijk, op

zichzelf staand, onvoorwaardelijk, volstrekt.

_Ex absoluta natura_, uit niets dan het wezen, uit het wezen

geheel op zichzelf, afgescheiden van zijn verschijningsvormen

beschouwd.]

[Aanteekening 23: _Cogitatio_, in de Korte Verhandeling

vertaald met "Denking". Waar ons begrip "Denken" alle

geestelijke verschijnselen omvat, achtte ik het niet noodig

het ongewone woord "Denking" te aanvaarden.]

[Aanteekening 24: Het gebruik van het woord _modus_,

_modificatio_ (bestaanswijze, wijziging) voor iets

noodwendigs en oneindigs, lijkt in strijd met Spinoza's eigen

opvatting en omschrijving der verschijningswereld als een

samenstel van tijdelijke, begrensde en dus eindige dingen.

Wat Spinoza in deze stellingen XXI, XXII en XXIII bedoelt met

deze _oneindige_ bestaanswijzen, zijn niet "dingen, in de

attributen voortgebracht", maar de onmiddellijke

openbaringswijzen der attributen zelf, datgene wat, zooals

Spinoza elders zegt, moet worden "toegepast aan de eigene

Eigenschappen" (zie aanteekening 3). Dit blijkt ook uit de

opheldering die Spinoza zelf geeft in een brief (LXIV) aan

C.H. Schuller, die hem verzocht had voorbeelden te noemen van

zaken die onmiddellijk door God, en van zaken welke eerst

door bemiddeling van een "oneindige wijziging" zijn

voortgebracht. Spinoza antwoordde hierop: "De voorbeelden

tenslotte, welke gij verlangt van de eerste soort, zijn in

het Denken het absoluut oneindig verstand [nl. Gods verstand

of wil, zie St. XXXII Gevolg II], in de Uitgebreidheid de

Beweging en de Rust; voorbeeld van de tweede soort echter is

het aanzien van het gansche Heelal dat, hoewel het op

oneindig vele wijzen wisselt, toch steeds hetzelfde blijft."]

[Aanteekening 25: _Concludi sive percipi_. Ook het gebruik

dat Spinoza maakt van de woorden _percipere_, _concipere_,

_sentire_, staat niet vast. Hier is _percipere_ gelijkgesteld

met begrijpen, elders met in zich opnemen, opvatten,

waarnemen, gewaarworden, voorstellen, of wordt het als

synoniem beschouwd met _sentire_, dat weer meestal voelen,

gewaarworden, zich bewustzijn beteekent (Zie Opmerking St.

XLIX Deel II: _sentire sive percipere_, waarnemen of in ons

opnemen). Daarentegen vindt men in Axioma V Deel II weer:

_sentimus nec percipimus_ (waarnemen noch gewaarworden)

waardoor dus weer een onderscheid tusschen de beide begrippen

gesteld wordt. In Def. III Deel II tracht Spinoza te

onderscheiden tusschen _conceptio_ en _perceptio_ (waarneming

en gewaarwording, zie ook aanteekening [A30]) zonder evenwel

verder die onderscheiding streng vol te houden. In St. V Deel

II bijvoorbeeld spreekt hij alweer van: _ideata sive res

perceptas_ (het voorgestelde _of_ de waargenomen dingen).

Ik heb deze begrippen overal vertaald met die schakeering

welke mij voor iedere bepaalde plaats het duidelijkst leek.]

[Aanteekening 26: _Natura naturans_, God als absolute, uit

zichzelf werkende, eerste oorzaak, als actief scheppend

beginsel.

_Natura naturata_, God als schepping, geschapenheid, als zijn

eigen openbaring, als verschijning van zichzelf, als wereld

der dingen, als Natuur in den gewonen zin.]

[Aanteekening 27: _Actu_, actief, werkend, en _in potentia_:

potentieel, gedacht als een vermogen om te denken,

verstand-in-aanleg.]

[Aanteekening 28: Bedoeld is: zouden zij allen, ook al

brachten zij in ieder mensch, naar elks gevoel verschillende

aandoeningen teweeg, toch, evenals wiskundige waarheden, door

alle menschen op dezelfde wijze worden begrepen.]

[Aanteekening 29: _Corpus_. Om alle verwarring te vermijden

heb ik overal waar _corpus_ niet in wiskundigen zin gebruikt

wordt, of waar niet in het bijzonder het _menschelijk_

lichaam bedoeld is, het woord "voorwerp" gebezigd.]

[Aanteekening 30: Andere vertalers (Gorter, Meyer, Stern)

hebben: liever _begrip_ dan _waarneming_. M.i. is deze

vertaling verwarrend. Immers begrip heeft voor ons juist een

_engere_ beteekenis dan voorstelling zonder _meer_. Bovendien

ligt in het woord waar_neming_ niets passiefs, zooals in

gewaar_wording_. (Zie ook aanteekening [A25])]

[Aanteekening 31: _Adaequaat_. Letterlijk: evenarend,

gelijkend op, gelijkkomend aan. De vertaling van dit begrip,

zooals het door Spinoza wordt gebruikt, door één woord is

onmogelijk. Dikwijls zou "juist" of "waar" voldoende zijn,

dan weder ware "volledig" of "helder en duidelijk", of

"overeenstemmend met, beantwoordend aan het voorwerp der

voorstelling" beter.

_Inadaequaat_, _gedeeltelijk_ (in Def. I Deel III) of, als

tegenstelling met "helder en duidelijk": gebrekkig en

verward.

Overigens blijkt de beteekenis dezer woorden zoo duidelijk op

tal van plaatsen, dat ik het Latijnsche woord, dat trouwens

evenals substantie en attribuut overal burgerrecht verkreeg,

onvertaald laat.]

[Aanteekening 32: _Perfectio_. Hier is het woord "volmaakt"

in zuiver letterlijken zin op te vatten als "geheel-af

gemaakt", zoodat aan alle denkbare voorwaarden van het

bestaan ervan inderdaad voldaan is.]

[Aanteekening 33: _Affici_. Spinoza gebruikt _afficere_,

"aandoen", voor iedere inwerking, zoowel geestelijk als

lichamelijk (Def. III Deel III). Omdat het moderne

spraakgebruik echter bij het woord aandoening (óók zelfs bij

"lichaams-aandoening") in de eerste plaats aan

_gemoeds_beweging, (den weerslag der inwerking op onzen

geest) doet denken, heb ik in mijn vertaling overal waar deze

laatste niet bedoeld is, gesproken van "inwerking".]

[Aanteekening 34: D.w.z. de mensch heeft niet den aard

(_forma_, zie aanteekening [A19]) van een zelfstandig

bestaand wezen.]

[Aanteekening 35: Feitelijk bestaan, aanzijn, Duitsch:

Dasein.]

[Aanteekening 36: Bedoeld is: en in dit geval, voorzoover wij

namelijk den mensch, met voorbijzien der andere attributen,

slechts als Geest beschouwen, bestaat zijn wezen uit

bestaanswijzen van het Denken.]

[Aanteekening 37: Waarop zich bijvoorbeeld A bevindt, zooals

een of ander voorwerp op de aarde.]

[Aanteekening 38: _Forma_. De eigenlijke vorm, _gedaante_, is

in Ax. III reeds _figura_ genoemd, het schijnt dus dat hier

iets anders bedoeld is. Dit blijkt ook uit Hulpstelling V

waar, door vergrooting of verkleining der deelen, de gedaante

van het geheel wel degelijk zou veranderen. Het best lijkt

mij de beteekenis weer te geven met: eigenaardigheid,

_karakter_, wat ook blijkt uit het "Bewijs": de "_forma_"

hangt af van het verband; het verband blijft bestaan, dus

behoudt het individu zijn "_natura_".

Eigenlijk beteekenen dus wendingen als, "zal het individu

zijn aard (_natura_) behouden" en "geenerlei verandering van

karakter (_forma_) ondergaan" hetzelfde en lijkt hun

koppeling overbodig; tenzij men wezen en karakter niet geheel

als identiek beschouwt, maar karakter opvat als "wijze waarop

zich het wezen in de werkelijkheid vertoont" (zie ook de

beteekenis van _formalis_ als "werkelijk bestaand" in

aanteekening [A19])]

[Aanteekening 39: _Vera_, ware. Spinoza bedoelt "volledige".

Deze botsings- en terugkaatsingstheorie lijkt vrij naïef,

maar verschilt in wezen niets van iedere andere mechanische

of physische verklaring der indrukken van het menschelijk

lichaam. Overigens verlieze men nooit uit het oog dat Spinoza

nooit de geestelijke verschijnselen modern-materialistisch op

mechanische wijze "verklaart", d.w.z. niet leert dat

stoffelijk-mechanische verschijnselen de geestelijke

verschijnselen _veroorzaken_, maar dat zij die verschijnselen

zelf _zijn_ onder een ander gezichtspunt (als openbaring van

een ander attribuut) beschouwd.]

[Aanteekening 40: _Transcendentale begrippen_. Oorspronkelijk

wordt hiermede bedoeld: wat (de zintuigelijke waarneming) te

boven gaat; bovenzinnelijk; niet op ervaring berustend. Hier

heeft het echter de beteekenis van "afgetrokken", waarbij van

alle bijzonderheid is afgezien.]

[Aanteekening 41: _Intuïtief_: door onmiddellijke

aanschouwing (doorzien) van het wezenlijke in iets.]

[Aanteekening 42: _Volitio_. Ik gebruik het woord "willing"

naar analogie met "lijding" om een bijzondere bestaanswijze

van den "wil" aan te duiden. Het gewone "wilsuiting" toch

slaat eigenlijk meer op het resultaat van dien bijzonderen

wil, of althans op de manier waarop hij zich openbaart.]

[Aanteekening 43: _In evenwicht_, d.w.z. wanneer hij geen

keus weet te doen, wijl vóór en tegen elkaar opwegen.

_Jean Buridan_, 1297-1358, rationalistisch wijsgeer. De

vergelijking van den ezel, die tusschen twee evenver

verwijderde bossen hooi staande, van honger omkomt, is in

zijn werken niet te vinden, maar waarschijnlijk verzonnen

door zijn bestrijders om zijn determinisme belachelijk te

maken.]

[Aanteekening 44: _Inculcare non teneor, quid unusquisque

somniare potest._ Volgens anderen: maar omdat ik niet

gehouden ben in te gaan op al wat men belieft te droomen.]

[Aanteekening 45: Ook in het zeldzamer geval dat wij wéten

dat wij droomen, bekijken wij weliswaar kritisch en

oordeel-opschortend onzen eigen droom, maar oefenen toch niet

een willekeurigen invloed uit op zijn beloop.]

[Aanteekening 46: _Pietas_. Vroomheid in de ruimste

beteekenis: rechtschapenheid, flinkheid, plichtsbetrachting.]

[Aanteekening 47: Bij Spinoza staat "derde". Het wordt echter

feitelijk in het vierde Deel betoogd. In den oorspronkelijken

opzet had de Ethica evenwel een andere indeeling, vandaar

Spinoza's vergissing.]

[Aanteekening 48: De onderstelling van Spinoza dat

handelingen van "redelooze" dieren of van slaapwandelaars

buiten den geest om zouden plaats kunnen grijpen is

natuurlijk geheel willekeurig en in strijd met de

hedendaagsche opvattingen omtrent de onderbewuste werkingen

van den geest.]

[Aanteekening 49: Toespeling op het later ook aangehaalde

"_Video meliora proboque, deteriora sequor_". (Wel zie ik het

betere en prijs het; toch jaag ik het slechtere na) Ovidius,

Metam: VII. 20.]

[Aanteekening 50: _Appetitus_. Drang. Bij anderen: lust,

verlangen. Het komt mij echter voor dat hier het woord een

nog algemeener beteekenis heeft.]

[Aanteekening 51: _Potentia agendi_. Dit "vermogen tot

handelen" moet niet als geheel gelijkluidend met werkkracht

of energie worden opgevat. Immers lichaam of geest kunnen

zeer werkzaam zijn en daarbij toch "lijden" in

Spinozistischen zin. Wel geeft "levenskracht", opgevat als

kracht om in zijn bestaan te volharden, de beteekenis weer.]

[Aanteekening 52: De vertaling van Spinoza's terminologie der

gemoedsaandoeningen is bijzonder lastig, daar hij zich--naar

hijzelf erkent (Toelichting Def. XX der Aandoeningen D.

III)--geenszins houdt aan de gewone gangbare beteekenis der

woorden. Daardoor geeft hij soms definities die aan een

eenmaal bestaanden term een beperkter of wijder strekking

geven. Onze taal is rijker aan uitdrukkingen voor allerlei

gevoelsschakeeringen dan het Latijn, zoodat men er Spinoza's

bedoeling dikwijls in kan benaderen.

In déze zinsnede is m.i. het vertalen van _hilaritas_ door

opgeruimdheid of vroolijkheid en van _melancholia_ door

zwaarmoedigheid minder juist. Immers deze woorden duiden bij

ons zuiver geestelijke toestanden aan, terwijl Spinoza hier

uitdrukkelijk doelt op aandoeningen die met een

lichaamsgevoel gepaard gaan.]

[Aanteekening 53: _conscientiae morsus_. Eigenlijk

gewetens-knaging, wroeging. Blijkens de definitie bedoelt

Spinoza echter niets anders dan Spijt. Hartzeer (inderdaad

een "knagende" pijn). Voor ons is gewetenswroeging echter

gelijkluidend met "Berouw", d.i. Spijt met het bewustzijn van

eigen schuld.]

[Aanteekening 54: Spinoza blijft steeds van _res_, ding,

spreken; ik heb echter in 't vervolg meestal "wezen"

gebruikt.]

[Aanteekening 55: _Causae externae_. Volgens andere uitgaven

_internae_, inwendige. Wat schijnbaar beter aan de bedoeling

beantwoordt. Men kan echter ook zeer goed voor den geest,

voorzoover hij zichzelf beschouwt, het eigen Zelf als iets

uitwendigs, als een voorwerp, opvatten.]

[Aanteekening 56: Deze definitie geeft aan het begrip

"Wreedheid" een veel beperkter beteekenis dan het woord in

het spraakgebruik (ook het Latijnsche) heeft. Er bestaat

echter voor deze zucht om een wezen dat ons liefheeft te

kwellen, geen afzonderlijk woord.]

[Aanteekening 57: _Admiratio_, letterlijk: aanstaren als een

wonder. Het woord bewonderen, door sommige vertalers

gebruikt, heeft bij ons een te eenzijdige beteekenis; ik

vertaalde daarom waar de zin algemeener was: verbazing.]

[Aanteekening 58: _Plus curiositatis quam utilitatis

haberent_. Meyer: zouden meer strekken tot aanvulling dan tot

nut. Gorter: zouden meer zeldzaamheid dan nuttigheid hebben.]

[Aanteekening 59: _Impetus_, onstuimige, plotseling opkomende

drang.]

[Aanteekening 60: _Sive ea sit innata, sive quod ipsa per

solum Cogitationis, sive per solum Extensionis attributum

concipiatur._

Het komt mij voor dat achter "_innata_" een tegenstelling is

weggevallen, bv., "dan wel verworven". Spinoza bedoelt

_iedere_ gesteldheid, hoe ook in ons teweeg gebracht en onder

welk attribuut ook beschouwd.]

[Aanteekening 61: Op haar gewoonte: op een daaraan

beantwoordende duurzame gemoedsgesteldheid.]

[Aanteekening 62: _Modestia._ In verband met andere plaatsen

leek mij "gematigdheid, minzaamheid" meer in overeenstemming

met Spinoza's bedoeling dan het gebruikelijke

"bescheidenheid", waarin veelal een ongerechtvaardigde

geringschatting van zichzelf ligt opgesloten.]

[Aanteekening 63: _Animi pathema_: _gemoeds_-lijding, hier

uitdrukkelijk zoo genoemd om haar te onderscheiden van de

aandoening van (inwerking op) het _lichaam_, welke door

Spinoza eveneens _affectus_ genoemd wordt.]

[Aanteekening 64: Deze onderscheiding tusschen de begrippen

"toevallig" en "mogelijk" is misschien het best weer te geven

door "theoretisch (logisch) mogelijk" en "praktisch

(feitelijk) mogelijk".]

[Aanteekening 65: Hier is met _imaginatio_ (zie aanteekening

[A16]) niet bedoeld ìedere zintuigelijke voorstelling

(verbeelding), maar in het bijzonder de zóó onvolledige en

verwarde, dat wij haar dwaling noemen.]

[Aanteekening 66: _Cum nostra comparata_. Niet _vergeleken_

bij de onze, want het betreft hier de feitelijke verhouding

van den invloed, en niet ons oordeel daaromtrent.]

[Aanteekening 67: _Affectus erga_: de aandoening jegens,

d.w.z. de aandoening door iets in ons te weeg gebracht.

Meyer: "stemming tegenover" en op andere plaatsen:

"belangstelling in" (St. XI, XII en XIII). M.i. heeft echter

_affectus_ hier steeds de beteekenis van aandoening in het

algemeen; immers de stellingen gelden evenzeer voor tal van

gevallen waarbij heel andere aandoeningen in het spel zijn

dan vage "stemming" of zelfs "belangstelling", bv. angst voor

een onafwendbare ramp etc.]

[Aanteekening 68: _Temeraria_. Ook "onbezonnen" ware

misschien juist, als tegenstelling tot de "ware" (bezonnen)

kennis van goed en kwaad.]

[Aanteekening 69: _Potest prior hac concipi_. M.i. moet ook

deze prioriteit niet worden opgevat als een _tijdelijke_,

maar als een _logische_. Het streven om zichzelf te handhaven

is de eerste, fundamenteele deugd, waaruit de andere deugden

moeten worden afgeleid; slechts als zoodanig kan men zeggen

dat het aan alle deugden voorafgaat.]

[Aanteekening 70: _Mea haec est ratio, et sic animum induxi

meum_. Anderen beschouwen "_et sic_ enz." als een herhaling

van het voorgaande. Meyer: "wat mij betreft, ik denk hierover

aldus". Stern: "Ich meinerseits denke so und habe folgende

Ansicht gewonnen." M.i. echter is de vertaling van _animum

inducere_ met "zich voornemen" hier niet alleen toelaatbaar,

maar zelfs de eenige die het anders slappe en overbodige

zinsdeel krachtig en zinrijk maakt.]

[Aanteekening 71: Meyer: overmoed en uitgelatenheid. Het is

m.i. echter niet noodig hier gerustheid en verheuging in hun

overdrijving te beschouwen. Ook de niet overdreven gerustheid

en verheuging zijn reacties op vrees en als zoodanig voor

Spinoza bewijzen van geestelijke machteloosheid; evenals

medelijden, overdreven of niet.]

[Aanteekening 72: _Bene agere en laetari_. Wèl doen moet hier

niet worden opgevat als "weldaden bewijzen" in de gewone

beteekenis, maar als "goed, flink, krachtig, redelijk

_handelen_" in den Spinozistischen zin van het woord.]

[Aanteekening 73: _Nullius rei ipsos puderet, nec ipsi

quicquam metuerent, quo vinculis conjungi constringique

possent?_ Andere lezing, zonder vraagteeken: "zouden zij zich

nergens voor schamen en niets vreezen, waardoor zij thans nog

in den band worden gehouden en beteugeld". Deze laatste

lezing sluit m.i. minder logisch aan bij den volgenden zin.]

[Aanteekening 74: Met "verbeteren" is hier bedoeld: temperen,

overwinnen door een andere aandoening.]

[Aanteekening 75: _Ignaros_, onwetend, onontwikkeld, nog niet

tot inzicht gekomen. Andere lezing: _ignavos_: krachteloos,

zwak. Deze laatste opvatting zou hier, in tegenstelling tot

den "vrijen", krachtigen mensch, wel toelaatbaar zijn. Maar

ook verderop wordt telkens het eerste woord gebruikt.]

[Aanteekening 76: _Atque tum magis discordia quam concordia

fovetur._ Andere lezing: _discordiâ quam concordiâ_

(ablativus), waardoor de zin zou worden: "in welk geval zij

(nl. de abnormale, tot waanzin gestegen zinnelijkheid) door

tweedracht méér nog dan door eendracht geprikkeld wordt." Dit

is echter moeilijker in verband te brengen met Gevolg St.

XXXI D. III waarnaar juist verwezen wordt.]

[Aanteekening 77: _Compendium_. Samenvatting. Meyer: kort

begrip. Stern: Inbegriff. Gorter leest _compensatio_,

vergoeding. Als "Ruilmiddel" _weegt_ het geld _tegen_ alle

dingen _op_ en _vertegenwoordigt_ het ze tevens.]

[Aanteekening 78: _Spiritus animales_, dierlijke geesten.

Bedoeld zijn de verschillende krachten die door Descartes

e.a. als oorzaken der verschillende levensverschijnselen

ondersteld worden.]

[Aanteekening 79: _Non nisi ratione distinguetur_. Meyer:

"Geen ander dan een _denkbeeldig_ onderscheid". Stern: "Nur

nach dem _Verhältnis_ verschieden sein." M.i. is de bedoeling

deze: de nieuwe voorstelling is een (adaequate) voorstelling

omtrent een (oorspronkelijk inadaequate) voorstelling, dus

niet _feitelijk_ maar alleen _in redelijk opzicht_ (voor ons

begrip) er van onderscheiden. In werkelijkheid zijn beide

voorstellingen één (zooals lichaam en geest) en dus kunnen

uit de nieuwe voorstelling, omdat zij adaequaat is, slechts

handelingen voortvloeien, m.a.w. de oorspronkelijke

aandoening houdt op lijding te zijn.]

[Aanteekening 80: _Simpliciter_; eenvoudig, zoomaar.]

[Aanteekening 81: _Secundum ordinem ad intellectum_. Volgens

een orde, welke door het verstand vereischt wordt, of welke

hen geschikt maakt om begrepen te kunnen worden.]

[Aanteekening 82: Men verwarre Spinoza's "eeuwigheid van den

Geest" niet met een "persoonlijk voortbestaan". Onze

persoonlijkheid immers is naar Spinoza's opvatting slechts

een tijdelijke, vergankelijke bestaanswijze (_modus_) die

afhankelijk is van onze lichaamsindrukken, zich met deze

wijzigt en met het lichaam te gronde gaat. Zie de Opmerking

bij St. XXXIX Deel IV, waar Spinoza zegt dat een individu

zich onder bepaalde omstandigheden zoozeer kan wijzigen, dat

hij "niet gaarne zou willen volhouden dat hij dezelfde mensch

was als voorheen." Zelfs den volwassene kent Spinoza daar

blijkbaar een andere individualiteit toe als het kind.

Dat de stellingen die over de eeuwigheid des Geestes handelen

voor velen zoo duister zijn ligt m.i. in de eerste plaats

hieraan dat men, ofschoon Spinoza zelf er telkens voor

waarschuwt, zijn onsterfelijkheid of eeuwigheid verwart met

een "voortbestaan in den tijd". Maar een tweede aanleiding

tot verwarring is dat Spinoza niet uitdrukkelijk genoeg doet

uitkomen dat eigenlijk het _Lichaam even eeuwig en

onsterfelijk is als de Geest_. Immers ook het individueele

lichaam gaat met den dood als zoodanig te gronde, ofschoon

het als "stof" (Uitgebreidheid) onvernietigbaar, eeuwig is.

Het lìjkt wel alsof Spinoza in de eenigszins slordige

Stelling XXIII "De menschelijke Geest kan niet _met_ het

Lichaam _geheel en al_ te niet gaan", leert, dat dus het

Lichaam wèl absoluut vernietigd wordt; maar het is duidelijk

dat dit volkomen in strijd zou zijn niet alleen met de

ervaring, maar met Spinoza's eigen leer. Het wordt bovendien

in het Bewijs dier Stelling zelf indirekt ontkent, waar

gesproken wordt over het "_tegenwoordig_ bestaan des

Lichaams", in tegenstelling dus met zijn eeuwig bestaan.

Een dualistische opvatting van Geest en Lichaam, als van

_twee_ dingen, die _gescheiden_ zouden kunnen worden, is in

Spinoza's systeem _ondenkbaar_. Geest en stof, Denken en

Uitgebreidheid, zijn bij Spinoza immers niet in eigenlijken

zin _verbonden_, maar identiek, _één en hetzelfde_. Wat wij

dus van den mensch bij zijn dood zien teniet gaan, of liever

zich oplossen, is zijn _tijdelijke_ verschijning

(bestaanswijze) als Geest-Lichaam, dus zijn lichamelijke èn

geestelijke individualiteit. Voorzoover hij echter

stof-op-zichzelf is, d.w.z. God, gedacht als Uitgebreidheid,

is zijn Lichaam eeuwig en in dienzelfden zin is zijn Geest

eeuwig, als keerzijde van dit eeuwige lichaam, als

voorstelling ervan, als God, voorzoover hij Denken is. Ons

lichaam wordt "stof", d.i. Uitgebreidheid zonder bepaalden

vorm, en zoo wordt onze geest "Denken, Verstand", _zonder_

"verbeelding en herinnering", welke juist aan dien bepaalden

lichaamsvorm gebonden waren.

Hoe meer de mensch nu "één is met God", dat wil in den

Spinozistischen gedachtengang zeggen: hoe beter hij God

begrijpt en hoe meer hij hem lief heeft d.w.z. hoe redelijker

hij denkt en leeft; hoe meer hij ook doordrongen zal zijn van

het besef van noodwendigheid en eeuwigheid en hoe minder de

illusie van zijn tijdelijk bestaan en de vrees voor zijn dood

hem zullen hinderen. Spinoza drukt dit, in een m.i.

verwarrende beeldspraak, uit in de woorden: hoe grooter

_deel_ van zijn Geest zal overblijven. Nog iets duidelijker

wordt Spinoza's opvatting van eeuwigheid wanneer men haar in

verband brengt met zijn (mathematisch) causaliteitsbegrip

(zie ook aanteekening [A8]). _Begrijpen_ is de dingen zien in

hun _logische afhankelijkheid_ in plaats van in hun

_tijdelijke opeenvolging_, zulk begrip is even tijdloos, even

eeuwig als een of andere mathematische waarheid, die "in God"

bestaat. Voorzoover wij dus begrijpen _zijn_ wij eeuwig,

hebben wij deel aan het oneindige Verstands Gods.]

Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen · 第 59 / 59 题