II. Datgene, wat niet door bemiddeling van iets anders kan worden
begrepen, moet uit zichzelf begrijpbaar zijn.
III. Uit een gegeven oorzaak volgt noodzakelijk een bepaalde
uitwerking, en omgekeerd: wanneer geen bepaalde oorzaak gegeven
is, is het onmogelijk dat een uitwerking optreedt.
IV. De kennis eener uitwerking hangt af van de kennis der oorzaak
en sluit deze in zich.
V. Dingen, welke niets met elkaar gemeen hebben, kunnen ook niet
uit elkaar worden verklaard, ofwel: het begrip van het eene sluit
het begrip van het andere niet in zich.
VI. Een ware voorstelling moet met het door haar voorgestelde
overeenkomen.
VII. Van al wat als niet-bestaande gedacht kan worden, sluit het
wezen ook geen bestaan in zich.