I. Onder "_zijns zelfs oorzaak_" versta ik datgene, welks
wezen[A1] het bestaan insluit, ofwel datgene, welks aard niet
anders gedacht kan worden dan als bestaande.
II. Datgene noem ik "_eindig in zijn soort_", wat door iets
anders van denzelfden aard kan worden beperkt. Zoo noemen wij
bijvoorbeeld een lichaam eindig, omdat wij ons steeds een grooter
kunnen denken. Zoo wordt een gedachte door een andere beperkt.
Doch een lichaam wordt niet beperkt door een gedachte, noch een
gedachte door een lichaam.
III. Onder "_substantie"_[A2] versta ik datgene, wat op-zich-zelf
bestaat en uit zichzelf moet worden begrepen; dat wil zeggen
datgene, welks begrip niet het begrip van iets anders, waaruit
het zou moeten worden afgeleid, vooronderstelt.
IV. Onder "_attribuut"_[A3] versta ik datgene, wat het verstand
opvat als uitmakende het wezen eener substantie.
V. Onder "_bestaanswijzen"_[A4] versta ik de openbaringen[A5]
eener substantie, ofwel datgene wat in iets anders bestaat, door
bemiddeling waarvan het ook wordt begrepen.
VI. Onder "_God"_ versta ik het volstrekt oneindige wezen, dat
wil zeggen een substantie[A6], uit een oneindig aantal[A7]
attributen bestaande, van welke ieder voor zich een eeuwig en
oneindig wezen uitdrukt.
_Toelichting:_ Ik zeg "volstrekt"[A22] oneindig, niet
echter "in zijn soort"; immers aan datgene wat slechts
oneindig is in zijn soort kunnen wij nog oneindig veel
attributen ontzeggen; tot het wezen evenwel van wat
volstrekt oneindig is behoort al wat wezen uitdrukt en
dit sluit iedere ontkenning buiten.
VII. Datgene zal "_vrij_" heeten, wat alleen krachtens de
noodwendigheid van zijn eigen aard bestaat en alleenlijk uit
zichzelf tot werken wordt genoopt; "_noodwendig_" echter, of
veeleer "_afhankelijk_", zal heeten wat door iets anders tot
bestaan en tot een vaste en bepaalde wijze van werken wordt
genoodzaakt.
VIII. Onder "_eeuwigheid_" versta ik het bestaan zelf, voorzoover
het wordt begrepen als noodwendiglijk volgende uit de definitie
alleen reeds van iets eeuwigs.
_Toelichting:_ Immers een zoodanig bestaan wordt, als
zijnde een eeuwige waarheid, opgevat als tot het wezen
der zaak behoorend; en derhalve kan het niet door duur of
tijd worden verklaard, ook al werd die duur verstaan als
hebbende begin noch einde.