VERHANDELING OVER DE VERBETERING DES VERSTANDS

* * * * *

(INLEIDENDE BESCHOUWING)

Nadat de ervaring mij geleerd had, dat al wat zoo in het gewone

leven voorkomt ijdel en nietig is, en ik inzag dat alles waarvoor

en wat ik vreesde niets goeds noch kwaads bevatte, tenzij alleen

voor zoover mijn gemoed er door bewogen werd, besloot ik

eindelijk te onderzoeken of er ook iets bestond dat een

waarachtig goed was, dat men deelachtig zou kunnen worden en

waardoor alleen, met verwerping van al het overige, de ziel kon

worden vervuld; kortom, of er iets bestond waardoor ik, wanneer

ik het gevonden en bereikt had, een gestadige en hoogste blijheid

eeuwiglijk zou genieten. Ik zeg dat ik hiertoe "eindelijk

besloot"; op het eerste gezicht immers scheen het ongeraden

terwille van een vooralsnog onzekere zaak iets zekers te laten

varen: zag ik toch de gemakken welke door eer en rijkdom

verkregen worden en dat ik genoodzaakt zou zijn van het streven

daarnaar af te zien, indien ik ernstig werk wilde maken van iets

nieuws. Zoo misschien het hoogste geluk in hèn lag, dan zou ik

dit--ik zag dat duidelijk in--moeten missen. Lag het evenwel nìet

in hen, zoo zou ik, indien ik toch naar deze zaken streefde, ook

dàn het hoogste geluk moeten ontberen. Ik overwoog daarom in mijn

gemoed of het wellicht mogelijk zou zijn tot een nieuwe

levensinrichting, of althans tot de zekerheid daaromtrent te

geraken, zonder den gewonen gang en inrichting van mijn leven te

wijzigen; wat ik dikwijls te vergeefs beproefd heb. Want de

dingen die zich het meest doen gelden in het leven, en door de

menschen, gelijk men uit hun daden kan opmaken, voor het hoogste

goed worden gehouden, kunnen tot drie worden terug gebracht, te

weten: rijkdom, eer en zingenot. Door deze drie wordt de geest

dermate in beslag genomen, dat hij nagenoeg niet meer aan eenig

ander goed kan denken. Wat het zingenot betreft, hierin blijft de

ziel evenzeer bevangen als hadde zij in iets goeds bevrediging

gevonden; waardoor zij grootelijks belemmerd wordt aan iets

anders te denken. Na het genot volgt echter de diepste droefenis,

welke, ook al houdt zij den geest niet langer gevangen, hem toch

verwart en verlamt. Door eer en rijkdom na te jagen wordt de

geest niet minder afgeleid, vooral waar deze slechts om hun zelfs

wil gezocht worden, wijl dan voorondersteld wordt dat zijzelf

hoogste goed zijn. Wel het meest echter wordt de geest uit zijn

koers gebracht door de eerzucht; immers eer wordt steeds als op

zichzelf goed beschouwd, als een einddoel, waarnaar alles zich

richten moet. Voorts bestaat er voor deze beiden niet, gelijk

voor het zingenot, een naberouw, doch hoe meer men van beiden

bezit, hoe meer de vreugde over hen toeneemt; en bijgevolg worden

wij ook telkens meer er toe geprikkeld beide nog te vermeerderen.

Wordt echter onze verwachting in een of ander geval bedrogen, zoo

ontspringt hieruit alweer de diepste verslagenheid. Ten slotte is

de eerzucht ook dáárdoor een groote belemmering, wijl wij, om in

eere te komen, noodzakelijk ons leven naar de begrippen der

menschen moeten inrichten, namelijk door te mijden of na te

streven wat de menschen gemeenlijk mijden of nastreven.

Toen ik dus zag hoe dit alles mij in den weg stond wanneer ik

werk wilde maken van een nieuwe levenswijze; ja, dat het er

zoozeer mede in strijd was dat ik òf van het een òf van het ander

noodzakelijk afstand zou moeten doen, voelde ik mij genoopt te

onderzoeken wat voor mij het nuttigst zou zijn; immers, zooals ik

reeds zeide, het scheen of ik een zéker goed voor een ònzeker

wilde loslaten. Nadat ik evenwel een poos hierover had gepeinsd,

meende ik allereerst dat ik, wanneer ik dit alles los liet en mij

tot het nieuwe doel aangordde, een goed dat van nature onzeker is

(gelijk uit het hierboven gezegde duidelijk blijkt) zou laten

varen voor een weliswaar óók onzeker, doch niet van nature

(immers ik zocht juist een bestèndig goed), maar slechts wat zijn

bereikbaarheid betrof. Bij voortgezette overweging echter kwam ik

tot het inzicht dat ik, indien ik slechts tot op den grond der

zaak zou kunnen doordenken, een zeker kwáád voor een zeker goed

vaarwel zei. Ik begreep namelijk dat ik in het hoogste gevaar

verkeerde en dwong mijzelf met alle macht het geneesmiddel, hoe

onzeker ook, te zoeken; evenals een kranke, aan een doodelijke

ziekte lijdend, den dood voorziende wanneer hij geen middel

aanwendt, wel genoodzaakt is dit, hoewel het onzeker is, met

uiterste krachten aan te grijpen, wijl immers heel zijn hoop er

in gelegen is. Al die zaken echter, welke de groote menigte

najaagt, zijn niet alleen geenerlei hulpmiddel tot handhaving van

ons bestaan, maar integendeel beletselen daartoe en herhaaldelijk

zijn zij zelfs oorzaak van den ondergang diergenen die ze

bezitten, en steeds van den ondergang diergenen die door hen

bezeten worden. Talrijk toch zijn de voorbeelden van hen die

vervolging tot den dood toe moesten ondervinden terwille van hun

rijkdommen, en eveneens van hen die, om schatten te verwerven,

zich aan zoovele gevaren blootstelden dat zij tenslotte hun

dwaasheid met het leven boetten. Niet minder talrijk zijn de

voorbeelden van hen die de diepste ellende moesten verduren om

hun roem te verkrijgen of te handhaven. Talloos ten slotte zijn

de voorbeelden diergenen die door al te groote genotzucht hun

eigen dood hebben verhaast.

Het kwam mij vervolgens voor dat deze euvelen hun oorsprong

vonden in het feit dat heel ons geluk of ongeluk ligt uitsluitend

in de geaardheid van het voorwerp dat wij in liefde aanhangen.

Want om wat wij niet liefhebben zal nooit twist ontstaan; het

veroorzaakt geen droefheid zoo het te gronde gaat, geen nijd zoo

een ander het bezit, geen vrees, geen haat, in één woord,

geenerlei gemoedsbeweging. Al deze aandoeningen komen slechts van

pas bij de liefde tot dingen welke vergankelijk zijn, zooals

alles waarover wij zooeven spraken. De liefde tot iets eeuwigs en

oneindigs echter weidt de ziel in loutere blijheid en alle

droefheid is haar vreemd, wat ten zeerste begeerenswaard is en

met alle kracht behoort te worden nagestreefd. Niet zonder reden

evenwel bezigde ik de woorden: "indien ik slechts ernstig zou

kunnen doordenken"[V12] want ofschoon ik dit in mijn geest zoo

duidelijk had ingezien, kon ik daarom toch nog niet alle

hebzucht, genotzucht en eerzucht afleggen.

[Voetnoot 12: In het Latijn staat op de plaats zelf: _penitus_,

grondig, door en door, ten einde toe; wat met de bedoeling:

denken, tot het einddoel bereikt is, strookt. In de aanhaling

staat _serio_, ernstig.]

Dit eene bemerkte ik, dat mijn geest, zoolang hij zich met deze

overpeinzingen bezig hield, zich van die verwerpelijke zaken

afwendde en ernstig over zijn nieuwe levensdoel nadacht; wat mij

tot grooten troost strekte. Immers ik zag daaruit dat al dit

kwade niet van dien aard was dat het voor geen geneesmiddelen

wilde wijken. En ofschoon in het begin deze oogenblikken zeldzaam

waren en slechts uiterst kort duurden, werden zij toch, naarmate

ik al meer en meer het ware goed leerde kennen, talrijker en

langduriger; vooral nadat ik had ingezien dat de verwerving van

geld, of genot en roem, slechts hinderlijk zijn zoolang zij om

hunszelfs wil en niet als middel tot iets anders worden

nagestreefd. Wanneer zij slechts als middel gezocht worden, zal

men ook maat in hen houden en zullen zij allerminst in den weg

staan, maar integendeel in hooge mate het doel, terwille waarvan

men ze zoekt, bevorderen, gelijk wij te zijner plaatse zullen

aantoonen.

Hier wil ik slechts nog in het kort zeggen wat ik onder een

waarachtig goed versta en tevens wat het hoogste goed is. Om dit

juist te kunnen begrijpen moet men in het oog houden dat de

begrippen goed en kwaad niet anders dan in betrekkelijken zin

kunnen worden gebezigd, zoodat één en dezelfde zaak uit

verschillende gezichtspunten beschouwd goed of kwaad kan zijn;

hetzelfde geldt voor de begrippen volmaakt of onvolmaakt. Immers

niets kan op zichzelf, in zijn eigen aard beschouwd, volmaakt of

onvolmaakt genoemd worden; vooral sinds wij weten dat al wat

geschiedt, plaats grijpt volgens een eeuwige orde en vaste

natuurwetten. Waar echter menschelijk vermogen die orde niet in

gedachten omvatten kan en de mensch zich nochtans een

voorstelling kan vormen van een menschelijken aard veel machtiger

dan de eigene, terwijl hij geenerlei beletsel ziet voor het

verkrijgen van een dusdanigen aard, wordt hij er toe gedreven

naar middelen te zoeken welke hem tot zulk een volmaaktheid

zouden kunnen leiden.

Alles nu wat middel zijn kan tot bereiking van dit doel heet een

waarachtig goed. Het hoogste goed echter is, zoover te komen dat

men, zoo mogelijk, met andere enkelingen samen zulk een aard

verkrijgt. Hoedanig evenwel deze aard is, zullen wij te zijner

plaatse uiteen zetten, waar dan blijken zal dat hij bestaat in

_het bewustzijn der eenheid van Geest en Natuur_.

Dit is dus het doel waarnaar ik streef, namelijk zulk een aard te

verkrijgen en tevens te maken dat nog velen met mij hem

verkrijgen. Met andere woorden: tot mijn eigen geluk behoort het

mij moeite te geven dat zooveel mogelijk anderen tot hetzelfde

inzicht komen als ikzelf, dat hun verstand en begeerte geheel en

al met mìjn verstand en begeerte overeenstemmen. Hiertoe is het

noodig zooveel van de Natuur te begrijpen als volstaat om zulk

een aard te verkrijgen en vervolgens om een zoodanige gemeenschap

te vormen als wenschelijk is opdat zoovelen mogelijk zoo

gemakkelijk en zoo zeker mogelijk hetzelfde bereiken. Voorts

legge men zich toe op de Zedeleer, alsmede de Opvoedkunde. En,

wijl gezondheid geen gering hulpmiddel is om het genoemde doel te

bereiken, bestudeere men grondig de Geneeskunde, terwijl ook de

Mechanica in geenen deele verwaarloosd mag worden, daar door

kunstvaardigheid veel moeilijks licht gemaakt wordt en wij door

haar veel tijd en moeite in het leven kunnen uitsparen. Maar vóór

alles is het noodig een middel te bedenken om het verstand te

verbeteren en het, voorzoover dit aanvankelijk gaat, te zuiveren,

opdat het de dingen zonder dwaling en zoo goed mogelijk begrijpe.

Een ieder kan hieruit reeds zien dat ik alle wetenschappen op één

doeleinde wil richten, te weten om, zooals ik reeds zeide, de

hoogste menschelijke volmaaktheid te bereiken. En zoo zal in de

wetenschappen al wat ons niets naders brengt tot dit doel als

nutteloos verworpen moeten worden; of, om het in één woord te

zeggen; al onze daden en gedachten behooren op dit doel gericht

te zijn.

Daar wij evenwel, terwijl wij dit doel nastreven en trachten het

verstand in het rechte spoor te brengen, toch noodzakelijk moeten

leven, zijn wij genoodzaakt vóór alles enkele levensregelen,

welke wij voorloopig voor goed houden, aan te nemen, en wel deze:

I. Spreek naar het bevattingsvermogen der menigte en doe verder

al wat de bereiking van ons doel niet blijkbaar in den weg staat.

Want het levert een niet gering voordeel op wanneer wij ons

zooveel mogelijk bij haar bevattingsvermogen aanpassen. Waarbij

nog komt dat men zich daardoor een welwillend gehoor voor de

waarheid verschaft.

II. Maak van genietingen slechts gebruik voorzoover zij voor het

behoud der gezondheid volstaan.

III. Tracht eindelijk slechts zooveel geld of andere zaken te

verwerven als volstaan om het leven en de gezondheid te

onderhouden en 's lands zeden, voorzoover zij niet in strijd zijn

met ons doel, te gehoorzamen.

Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen · 第 19 / 59 题