18 en volg. 166, 263, 266-268; III, 113; VII, 38; X, 25; XI, 26; XIII,
18; XIV, 20 en volg.; 29 en volg.; XVI, 76 en volg.; 94; XVIII (die
der beide tuinen), 31-42; XXII, 72; XXIV, 34 (die van Gods licht),
35, 39 en volg.; XXX, 27; XXXIX, 30; LVII, 19; LIX, 21; LXIII, 4;
LXVII, 22; LXVIII, 17 en volg.
Gember, zie Zendjebil.
Gemengde huwelijken, V, 7, n.
Geniussen (De), VI, 100, 128, 130; XVIII, 48; XLI, 24, 29;
--Zij zijn van vuur geschapen, XV, 27; LV, 14.
--Zij zijn aan de bevelen van Salomo onderworpen, XXVII, 39;
XXXVIII, 36.
--Zij luisteren naar den Koran en bewonderen dien, XLVI, 28 en
volg. LXXII, 1 en volg.
--Zij luisteren naar hetgeen in den hemel voorvalt, XV, 17 en 18;
XXVI, 212. Zie verder Duivels.
Genius, zie Ifrit.
Genoegens genieten, V 70.
Genot, zie IJdel.
Gepaste taalvoering, IV, 10, n.
Geschenken aan het volk van Mozes, V, 23.
Geschiedenis, XXVIII, bl. 419, n.
Geschillen beslechten, V, 46. n.
Geschil voor God brengen, IV, 62.
Gesprek met de afgodendienaars, XVII, 56.
Getrouwheid aan de overeenkomsten, IX, 5.
Getuigenis, II, 282; IV, 134: V, 11.--V, 105.--LXXXV, 3.
--Afleggen, VI, 19.
--Van een lid van Potiphars gezin XII, 26.
Getuigen tegen Joden en Christenen op den dag der opstanding IV, 157.
Gevangenen te Bedr, VIII, 69.
Gezanten, VI, 61.--X, 75.--XI, 72.
Gezichtseinder, zie Zon.
Gierigaards (De), hunne straffen in de hel, IX, 34, 35; LVII, 24.
--God bemint hen niet, IV, 40, 41.
Gierigheid (De) veroordeeld, XLVII, 40.
God met een groote G, beteekenis daarvan, XX, 7, n.
--Straft hen, die niet naar Noachs prediking hebben geluisterd, LXXI,
11, n.
--Heeft eene rustplaats voor u geschapen. VI, 98.
--Eenig Allah, II, 256; XX, 7, 14.
--Zijne namen, 99 in getal, VII, 179.
--Hij heeft de schoonste namen, XVII, 110.
--Eenige zijner namen, LIX, 23, 24.
--Zijne alwetendheid, VI, 38, 59; LVIII, 2, 4, 7, 8, 12, 14.
--Schepper VI, 95 en volg.
--Heeft alles geschapen, zonder de minste vermoeienis te gevoelen,
L, 37.
--Zijne macht, II, 111, 159; VI, 95 en volg.; XVI, 10, 39 en volg:
XXII, 62-65; XXIV, 43, 44; XXV, 47-53, 55 en volg.; XXVII, 61-66,
89, XXVIII, 70-75; XXX, 18 en volg; XXXI, 9; XXXV, 10-14; XXXVI,
33-44. XXXIX, 21, 22; L, 6 en volg.; LI, 47-60; LIII, 41 en volg;
LIV, 49 en volg.; LVI, 57 en volg.; LVII, 1-6; LVIII, 6 en volg.; LIX,
21; LXVII, geheel; LXXIX, 27 en volg.; LXXXV, 12 en volg.; LXXXVI, 1-8.
--Hij is het licht, XXIV, 25.
--Alles tracht hem te verheerlijken, XIII, 14-16: XVII, 46; XXIV, 41.
--Hij is volmaakt in zijne werken, LXVII. 3.
--Hij zorgt voor iedereen, XXIX, 60 en volg.
--Hij heeft in alles voorzien, XV, 19 en volg.
--Hij schenkt zijne gaven aan wien Hij wil, XVII, 21-32.
--Zijne woorden falen niet, XVIII, 109.
--Zijne werken ten nutte van den mensch zijn ontelbaar, XXXI, 28
en volg.
--Hij kan zich wreken, III, 3; V, 96; XIV, 48.
--Hij heeft geene kinderen; dit te denken, zou eene godslastering
zijn. II, 110; IV, 169; VI, 100, 101; XIX, 36; XXI, 26; XXXVII, 149;
XXXIX, 6; LXXII, 3.
--Hij is onveranderlijk in zijne geboden. XLVIII, 23.
--Hij heeft alle wezens geschapen, opdat zij hem zullen aanbidden,
LI, 56.
--Hij vertoont zich aan niemand, wie het ook zij. VII, 139.
--Hoe Hij tot den mensch spreekt, en zich aan hem openbaart, XLII,
50, 51.
--Hij doet dwalen en richt ook wien hij wil XXXV, 9, XIV 4; XVI, 95.
--Hij zelf doet de boozen dwalen, XIII, 30.
--Zijne besluiten, XIV, 4, 32.
--Hij had alle menschen denzelfden godsdienst kunnen doen belijden,
V, 53; XVI, 95.
--Hij zelf duldt de ongeloovigheid en de ongeloovigen, VI, 35.
--Hij heeft een groot aantal geniussen en menschen voor de hel
geschapen, VII, 178.
--Hij zelf bewerkt, dat de grooten en de rijken van Mekka de meest
schuldigen zijn, VI, 123, n.
--Hij zelf heeft het verschil van stand en de dienstbaarheid onder
de menschen gevestigd, XLIII, 31.
--Het goede komt van Hem: het kwade komt van den mensch IV, 81.
--Hij is de schepper van goede en slechte daden, XCI, 8.
--Hij houdt den mensch door den mensch binnen de grenzen, II, 252;
XXII, 41. Zie mensch en Theodicea.
--De barmhartige, VI, 103.
--Heeft koningen gegeven. V, 23.
--Is eenig, IV, 169.
--Is een voldoende beschermer, IV, 169.
--Komen de schoonste namen toe, VII, 179.
--Is alwetend, VI, 80.
--Diens dagen, XLV, 13.
--Gebiedt niet engelen of profeten als meesters te nemen, III, 74.
--Zweert bij de vijg en den olijf, XCV, 1.
--Neemt Maria met welgevallen aan, III, 32.
--Brengt het leven uit den dood voort, III, 26; VI, 95.
--Op bepaalde dagen gedenken, II, 199.
--Zendt den slaap III, 148.
--Kan, als het hem behaagt, de openbaringen uit Mahomets hart wisschen,
XLII, 23, n.
--Heeft nimmer tot een mensch het woord gericht, XLII, 50, n.
--Behoeft den dienst van een schepsel niet, IV, 131.
--Deelt niemand zijne geheimen mede, behalve den gezant, in wien hij
behagen schept, LXXII, 27.
--Zal den man eene vrouw doen vinden, IV, 129, n.
--Op zichtbare wijze zien, IV, 152.
--Vreezen. V, 4; VI, 68.
--Aankleven, III, 98.
--Wacht berouw af, II, 157, n.
--Laat het oorlogsvuur blusschen, V, 69.
--Zendt wind en regen, VII, 55.
--Bemint de zondagen met. VII, 53.
--Zendt manna en kwakkels neder, II, 54, VII, 160.
--Zendt tegenspoed, VII, 128.
--Kent uw geloof, IV, 22.
--Maakt zijne geheimen niet bekend, III, 174.
--Is de eeuwige, de verhevene, de machtige, II, 256.
--Wil Jezus doen sterven, III, 48.
--Zendt kleederen VII, 25.
--Schenkt de roeden om de wonderen in Egypte en de woestijn te
verrichten, VII, 83, n.
--Spreekt met Mozes van aangezicht tot aangezicht, VII, 139.
Goddeloozen, het oordeel omtrent hen verdeeld, IV, 90.
Goddelijke gunst, III, 148, n.
--Openbaring, zie GabriÎl.
--Rechtvaardigheid, II, 286; IV, 107, n.; VI, 110, 111, 112, 115,
132, 161; VII, 28, 178, 179; XVI, 38, 39; XVIII, 64 en volg.; XXI,
36; XXIV 21, 23 en volg; XXXIII, 71 en volg.; XXXV, 19; XXXIX, 12;
XLVI, 17; LIII, 33, 41 en volg.
--Verlof, XXXIV, 22, n.
Godheden der afgodendienaars, men moet die niet beschimpen, VI, 108.
--Zij zullen zelf de afgodendienaars verloochenen, XXV, 18 en volg. Zie
Afgoden. Afgoderij.
Gods aangezicht te zien, II, 274.
--Afgezanten. VI, 130, n.
--Alwetendheid, L, 17, n. Antwoord aan Abraham, II, 262. Zie Abrahams
vraag.
--Besluiten, XXXII, 4, n.
--Bestraffing, XVI, 28.
--Bevel om zich bij het gebed met de schoonste kleederen te tooien,
VIII, 29.
--Boek, XXX 56, zie Bewakers.
Godsdienst, X, 20; XXXVIII, 6, n.
Godsdienst (De) kent geen dwang, II, 257.
Godsdienstgrenzen, V, 81.
--Overschrijden, IV, 169.
Godsdienstoefening, bijna gestoord door eene aankomende karavaan,
LXII, 11, n.
Godsdienstplichten, zie David.
Godsdienstvolmaking, V, 5.
Gods dochters, XVI, 59, zie Aanbidding.
--Gebod, II, 103.
--Genade in ongetrouwheid veranderd, XIV, 33.
--Geschenken VII, 48.
--Gezant, VII, 157; X, 2, n.
--Giften aan David, II, 252.
--Gunsten. XIV, 5.
--Eenheid, XXI, 25; XXIII, 73, n.; XXX, 34; XLIII, 86; CXII,
blz. 631. n.; zie Twist.
--Handeling met trotsche en ondankbare menschen, VII, 97, n.
--Handelwijze, VI, 131.
--Hoede over de dieren, VI, 38, n.
--Makkers, VI, 94. Zie Valsche goden.
--Naam herdenken, V, 6.
--Naam bij eten herdacht, VI, 118.
--Onderricht, IV, 113.
--Ondersteuning, III, 148; XIV, 18.
--Oog overal, II, 109.
--Schepping veranderen, IV, 118.
--Straf, VI, 47.
--Teekens, zie Geloof.
--Troon, II, 256.
--Verbod, VI, 152.
--Vereering, III, 57.
--Verontwaardiging zal over de aanbidders van het kalf komen, VII, 151.
--Vloek over de leugenaars ingeroepen, III, 54.
--Vonnissen, zie Dag.
--Voorbeschikkingen, volzinnen, die billijken daaraan te gelooven,
III, 148; VI, 35; XVI, 38, 39; XXXII, 13; XXXIII, 38; XXXV, 9; XXXVI,
6 en volg.; LIII, 33 en volg.; LVII, 22.
--Voorschriften, zie Afdwaling.
--Weg, II, 149.
--Wet, XXXIII, 72, n.
--Woord IV, 169.
--Woord veranderd, XLVIII, 15.
--Woorden kunnen door geen sterveling veranderd worden, VI, 115.
--Zendelingen, VI, 124.
Godvreezendheid, II, 179.
Godvruchtige mannen, vijf in getal, die vÛÛr Noach hebben bestaan,
LXXI, 22 en 23, n.
Goede daden gaan niet verloren, III, 193.
Goede dingen, V, 6.
Goede (Het) doen, bij het leven verdienstelijker dan bij den dood of
uitersten wil, LXXIII, 20 n.
Goede handelingen, VI, 159.
Goederen (In bewaring gegeven), IV, 61; LXX, 32, 35.
Gog en Magog, volk zonder kleedingen of woningen, XIX, 89. Zie Yajoej
en Majoej.
Goliath, zie Jalut.
Gouden (Het) kalf, II, 48, 51, 86, 87; IV, 152; VII, 146; XX, 90.
Gouden kalf, zie Aanleiding.
Gouden versierselen, XLIII, bl. 515 n. 32, 34.
Goudstukken teruggeven, III, 68.
Grensscheiding, zie Lotusboom.
Grenzen door God gesteld II, 183.
Grieken (De), XXX, bl. 435 n.
--Zij worden door de Perzen overwonnen, 1.
--Land waar die overwinning plaats vond, 2.
Groet, begroetingen, beleefdheid, IV, 88.
--Bij het binnentreden der huizen, XXIV, 61.
Grondige kennis bezitten, IV, 160.
Grondgebied, XC, 1 en volg.
--Der zekerheid, XCV, 3.
Grondslag, zie Rawasiya.
Grondzuilen des boeks, III, 5.
H
Habbib Al Najjar, diens martelaarschap, XXXVI, 19, n.
H‚bÓl (Abel), V, 30.
Hafsa, twist tusschen haar en den profeet, LXVI, 1 n.
--Zij maakt eene andere vrouw met een geheim bekend, haar door Mahomet
medegedeeld, 3.
Halsband, XIII, 9.
Haman bouwt voor Pharao een toren, XXVI, 28; XXVIII, 38; XL, 38.
--Volgens den Koran, minister van Pharao, XXVIII, 5; XXIX, 38; XL,
25, 38.
Hamyarieten, wier koningen den titel van Tobba hadden, XLIV, 36. n.
Handel (De), II, 194, n.
--Gedurende den pelgrimstocht te Mekka, XXII, 29, n.
Haroet, engel van Babel, II, 96.
H‚wiyet, onderste afdeeling der hel, CI, 6.
Hazardspelen, II, 216; V, 92 en volg.
Hedjr (Het Land), XV, bl. 288, n.; 80.
Heer van het oosten en westen, LXX, 40.
Heester, zie Tamarissen.
Heiden, zie Onwetenden.
Heilige boeken. XIII, 39.
--Zie Schrift.
Heilige geest, II, 81, 254; V, 109.
--Zie Geest.
Heilige huis van Mekka, zie Ka'ba.
Heilige (Het) land of Palestina, V, 24.
Heilige maand, II, 214; IX, 5;
--twaalf in getal, 36.
Heilige nachten, tien in getal, LXXXIX, 1.
Heilige oorlog (De), II, 186, n. 187, 212 en volg.; IV, 76; IX, 36,
38 en volg.; XLVII. bl. 530, n. 4 en volg., 33, 37; XLVIII, 25.
Hek, zie Barzakh.
Heilige tempel, V, 3; XLVIII, 25.
Hel (De), III, 10; IX, 35; XI, 120; XIII, 18; XV, 43, 44; XVIII,
100, 102, 106; XXXV, 33 en volg.; XXXVII, 53 en volg.; XXXIX, 71, 72;
XL, 46, 49 en volg. 76; XLV, 9, 33; LV, 43, 44; LXXVIII 21 en volg.;
LXXXIX, 24 en volg.
--Zij heeft zeven deuren, XV, 44.
--De bewaarders daarvan, XL, 52, 53; LXXIV, 30 en volg.
--En hare straffen, IV, 59; VII, 36, 38, 39; XIV, 19, 20, 50, 51;
XXXVII, 60 en volg.; XXXVIII, 57, 58; XXXIX, 48; XLI, 23, 24; XLVII,
17; L, 27; LXXIV, 26, 28, 29.
--Zij is zoowel voor de menschen als voor de geniussen bestemd,
VII. 36 en volg.; XI, 120.
--God vraagt of zij vol is. L.
--God kan er de verdoemden uitvoeren, XI, 119.
--De straffen daarvan kunnen, volgens sommigen, evenmin als de
zaligheid van het Paradijs eeuwig duren, XI, 179, n.
Hellevuur, zie Al Araf.
Helsche boom, zie Zakkoem.
Hemel (De) geschapen, XLI, 30.
Hemelen. Er zijn er zeven, LXVII, 3: LXXVIII, 12.
--Of paden, zeven in getal, XXIII, 17, n.
Hemelteekenen, LXXXV, 11.
Hemelwaarts verheffen, VI, 125.
Hervorming en verbetering van den mensch, VII, 54, n., 83.
Hittaton, II, 55, n.
Hoed, Profeet, VII, 63; XI, bl. 235, n., 52; XXVI, 124 en volg.
Honderd dertiende Hoofdstuk als amulet gedragen, bl. 630, n.
Hond in de spelonk, XVIII, 17.
Hondsgesternte, zie Syrius.
Honein, zie Slag.
Honig, XVI, 71, n.
Hoofdafgoden der Arabieren, VII, 193, n.
Hoofdzonde, zie Zonde.
Hoofdstuk (Het) van de koe, II, bl. 39, n.
Hoogmoed, XVII, 39.
Hotama, een deel der hel, CIV, 4, 5 en volg.
Hout, waaruit door wrijving vuur ontstaat, XXXVI, 80; LVI 70, 71.
Hud, zie Hoed.
Huichelaars (De) II, 7 en volg; IV, 141 en volg; IX, 65-71, 74,
75 en volg., 102; LIX, 11 en volg; LXIII; geheel.
--Hun gedrag te Medina, XXXIII, 9 en volg.
--Hoe men hen moet behandelen, 47.
--Hun lot hier namaals, LVII, 13 en volg.; XXXIII, 1.
Huichelarij van Akhnas Ebn ShoraÔk. II, 202.
Huis, zie Abraham.
Huisdieren dooden, V, 96.
Huldigen van een vorst, zie Formulier.
Hulpbehoevenden, IX, 60.
Huwelijk (Het) XXXIII, 48 en volg.
--Gemengde, wettige en onwettige, II, 220; IV, 26-30; V, 7.
--Der armen, XXIV, 33.
--Binnen de verboden graden van bloedverwantschap, XXXIII, 37.
--Met slavinnen, IV, 28 en 30.
Huwelijken welke de geloovigen verboden zijn. XXIV, 3.
Huwelijks aanzoek, II, 235.
Huwelijksgiften, IV, 3.
Huwelijk van dienstboden, XXIV, 32.
Huwen met vrije vrouwen, IV, 29.
--Huwen van vrouwelijke weezen, IV, 126.
I
Ifrit, een genius, XXVII, 39.
Ilah, zie Allah.
Illioen, LXXXIII, 18, 19.
--Beteekenis daarvan, 18, n.
Ilyasin, beteekenis daarvan, XXXVII, 130, n.
Imam, hoogste priester, gids in de gebeden, II, 118, n.
Imran, Imram, Amram, III bl. 108, n. 30, 31 en volg: LXVI, 12.
Ingetogenheid (De) LXX, 29 en volg.
Ingeving der ziel, V, 83.
Inlassching van een geheiligde maand tusschen de andere, IX, 37.
In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God, uitlegging
daarvan. I, bl. 69, n.
Inrichting van de ark, XI, 42, zie Plaatsing.
InsigniÎn der koninklijke waardigheid, zie Armbanden.
Intrekking van verzen des Korans, II, 100; XVI, 103.
Inwoners van AntiochiÎ, XVIII, 76.
Irem, stad der Adieten, LXXXIX, 6.
Isaak, zie Izaak.
Islam (De) of zijne belijdenis, wat hij is, II, 122, 123, 127, 134;
III, 78; XLIX, 14.
--Onderscheid van dezen met het innerlijk geloof, XLIX, 14. Zie
Aboe Bekr.
--Zie MonotheÔsme.
IsmaÎl, II, 119, 121, 127, 130; VI, 86; XIV, 40. n., 41; XXXVIII, 48.
--Standvastigheid en vastberadenheid, XIX, 55.
IsraÎl, XVII, 6; XIX, 59.
--De stammen daarvan, II, 130, 134.
IsraÎlieten (De), II, 38 en volg.; 86, 87, 244. n. V. 74. 82; XVII,
102 en volg.; XX, 82 en volg.; XXXII, 23; XLIV. 29 en volg; XLV,
15 en volg.
--Hunne overtredingen, XVII, 4.
--Zij zijn boven de overige menschen verheven, II, 116, 117; LXII,
6 en volg.
--Hoe God hen straft, XVII, 5
--Hoe God hen beloont, XVII, 6, 7.
--Zij vragen een vorst II, 247 en volg.
--Zij doorwaden de Roode zee, V, 23; XXVI, 63 en volg.
--Hunne opperhoofden, V, 15.
--Hunne verstoktheid V, 16.
--Zij willen niet strijden tegen hunne vijanden, V, 26, 27.
--Nemen bezit van Egyptes rijkdommen, XXVI, 59.
--Zie Joden.
Izaak, II, 127, 130, 134; VI, 84; XI, 74; XIX, 50, XXI, 72; XXXVII,
112, 113.
J
Jacob zie Jakob.
Jafa, zie Mahomet.
Jacht (De) V, 95, 96, 97.
Jachtdieren, V, 6.
Jakob, II, 126, 127, 130, 134; III, 78; VI, 84; XI, 74: XII, 5, 6,
11, 13, 18, 38, 63 en volg.; 75, n., 83 en volg., 93 en volg., 102,
n.; XIX, 50; XXXVIII, 45.
--Beschuldigt zijne zonen van eigen belang, XII, 18.
--Vreest de wolven, XII, 13.
Jaktin, eene pompoenplant, die over Jonas heengroeide, XXXVII, 146.
Jaland Ebn Karker, XVII, 78, n.
Jallalo'ddin, zie Al Beid‚wi.
Jalut of Goliath, II, 250-252.
Jaren des huwelijks, IV, 5.
Jericho, zie Binnentrekken.
Jezus, zoon van Maria, II, 81, 254, V, 50; 109 en volg.; XXIII, 52;
LVII, 27; LXI, 6, 14.
--Zijne geschiedenis, III, 39-52.
--Hij is geen God, 73, n.
--Hij is niet ter dood gebracht, IV, 156.
--Hij is slechts een dienaar van God. V, 109 en volg.; XLIII, 63,
86. n.
--Is rechtvaardig, VI, 85.
--Zijne geboorte, XIX, 23, 24.
--Zijne geloofsbelijdenis, XIX, 31 en volg., zie Messias.
--Apostelen, XXXVI, 12.
--Diens moeder, zie Maria.
--En Maria verblijf voor hen bereid, XXII, 52.
--Niet gekruisigd, IV, 156.
--Door God tot zich opgenomen, V, 117.
--Twist omtrent hem, XLIII, 65.
--Verheffing, III, 48.
--Zal tot de menschen spreken, III, 41.
Job, VI, 84; XXI, 83, 84; XXXVIII, 40, 41 en volg.
--Zijn zoon, Dhu'lkefl, XXI, 85, n.
Joden (De) of tijdgenooten van Mahomet, II, 59-88; III, 57, n. 60 en
volg.; IX, 30; XLIII, 15, n.
--Kastijdingen, die hun verwachten, IV, 50; V, 69.
--Hun gedrag, III, 184, 185; VII, 168.
--Zij vervalschen de schriften, IV, 48.
--Hun belangzucht, 56.
--Zij zijn meer dan alle andere menschen aan het leven gehecht, II, 90.
--Zij haten elkander, V, 69.
--Wet van Wedervergelding bij hen, 49.
--Zij hebben de Maagd Maria belasterd, IV, 155.
--Zij noemen zich bondgenooten en vrienden van God, LXII, 6.
--Zij zeggen OzaÔr is Gods zoon, IX, 30.
--Hoe Mahomet uitspraak tusschen hen moet doen, V, 45-47.
--En Christenen, II, 107, 114, 129.
--Verwerpen Mahomet, XVII, 8, n.
--Door de Perzen overwonnen, 7, n.
--Hunne handen zullen geketend zijn, V, 69.
Johannes, VI, 85; XIX, 7 en volg. Zie Yahia.
Jonas, VI, 86.--X. bl. 235. n., 98; XXI, 87 en volg.; XXXVII, 139;
LXVIII, 48.
--Gebeden, terwijl hij zich in den walvisch bevond, XXXVII, 143
en volg.
--Duur van zijn verblijf daarin, 145, n.
--Zie Dhu'lnun.
Jondob Ebn Damra, IV, 101, n.
Jongste dag, zie Slag.
Jongste uur, teeken der nadering daarvan, XLIII, 61.
Josua, XVIII, 59.
--Zie Caleb.
Jozef, XII, geheel; XL. 36.
Judah, XII, 10, n.
K
Kaaba, LII, 4. Zie Caaba.
Ka'ba of het heilige huis van Mekka, zijne bouworde, II, 119-121.
K‚bil of CaÔn, V, 30 en volg.
Kadr (Nacht van), XLIV, 2, 3; XCVII, geheel.
Kaf (Berg), L, 1, n.
KaÔn, zie Abel.
Kalf II, 48, 51.--XII, 146, 147, 148, 151.
--Aanbidden, IV, 152.
Kameel (De heilige) der Thamoedieten, VII, 71, 75; XI, 67 68; XXVI,
155 en volg.; LIV, 27; XCI, 12.
--In het oosten voornamelijk als voertuig gebruikt. XXIII, 22. n.
Kameelen, zinnebeelden van gehoorzaamheid aan God. XXII, 37.
Karoen, XXVIII, 76; XXIX, 38, 39, n.; XL, 23.
--Karoens weerspannigheid tegen Mozes, XXVIII, 76, n.
--Zijne schatten, aldaar.
Kauther, eene rivier in het paradijs, CVIII, 1.
Kebla, of richting, waarin men moet staan bij het gebed, II, 136.
--Onherroepelijk vastgesteld, 138 en volg.
--Zie Navolging.
Kedar Ebn Salef, de meest verdorvene, XCI, 12 en volg.
Kennis, II, 114, n.;
--der schriften, zie Asaf.
--Na de openbaring van den Koran, II, 114.
--Van den Apostel, II, 141.
Ketels uit de bergen van Yaman gehouwen, XXXIV, 12.
Kha˚la wordt door haar man verstooten, LVIII, 1, n.
Khedr, XVIII, 64 en volg. Zie Al Khedr.
KhozaÔeten, XXI, 26, n.
Kiem van het kwaad, IV, 81.
Kinderen (De), XXXI, 31.
--Mahomet verbiedt hen te vermoorden, XVII, 33.
--Van God, XLIII, 14.
--Dooden, VI, 138, 141.
--Zie Pleegkinderen.
KitfÓr, zie Potiphar.
Klaagster, LVIII, bl. 565, n,
Klank van den trompet, XXVII, 89; XXXIX, 68.
--Zie Trompet.
Klinkende gesprekken, VI, 112.
Kloosterleven (Het), LVII, 27.
Koe, II, bl. 70, n.; 63 en volg.
Koningin van Saba, zie Balkis.
Koninkrijk, LXVII, bl. 584, n.
Koophandel, tijdens de bedevaart geoorloofd, II, 194, n.
Koperen fontein, XXXIV, 11.
Koran (De) I, bl. 69, n.
--VI, 90 en volg.; XI, 16; XVII, 47 en volg.; XIX, 97; XX, 112, 113;
XXV, 32, 34; XXVII, 78, 79; XXVIII, 48, n., 85; XXIX, 46 en volg.;
XXXVI, 69; XLV, 19; LXIX, 48 en volg.; LXXX, 11 en volg.; LXXXI,
27 en volg.; LXXXV, 21 en 22; LXXXVII, 6.
--Hij is een goddelijk werk, IV, 84, XLVI, 3 en volg.
--Hij wordt zorgvuldig in den hemel bewaard, XIII, 39; LXXXV, 21.
--Hij is niet het werk der demons, XXVI, 210.
--Hij is bij gedeelten geopenbaard, XVII, 107.
--Geen menschelijk wezen zou zoo iets kunnen voortbrengen, II, 21,
22; X, 39; LII, 33, 34 en volg.
--Hij is het schoonste woord dat er bestaat, XXXIX, 24, 28, 29.
--Hij wordt door de geniussen bewonderd, XLVI, 28.
--Wat de ongeloovigen er van zeggen, XXV, 5, 6.
--Hij is slechts eene bevestiging der schriften, X, 38.
--Sommige verzen er uit zijn afgeschaft of veranderd, II, 100; XVI,
103; VI, 110 n.
--Nacht, waarin hij is nedergezonden, XLIV, 1 en volg.
--Zie Al Forkan.
--Zie verzen.
KoreÔshieten (De), CVI, 1.
--Dringen bij Mahomet aan tot den godsdienst van zijne vaderen terug
te keeren, XLV, 17, n.
--Gelooven in Mahomet, XXVIII, 57, n.
--Volgens een bericht worden zij door vrees weerhouden dit te belijden,
aldaar
--Hun antwoord aan arme Moslems, XXXVI, 47, n.
--Hun gezegde aan Mahomet, XXXIX, 37, n.
--Zijn Mahomet vijandig, XVII, 78, n.
--Hunne nederlaag, aldaar.
--Versmaden Mahomets volgelingen, XIX, 74, n.
--Verstoord door de bekeering van Omar, XXXVIII, 5, n.
--Hun aanslag op Mahomet, XXXVI, 9, n.
--Hunne strijdkracht, XXXIII, 9, n.
--Gelooven niet in de schrift, VI, 89.
--Richten drie vragen tot Mahomet, XVIII, 23, n.
Kosai, een van Mahomets voorouders, VII, 190, n.
Koude, zie Zamharir.
Kroppen van vogels, zie Zielen.
Kruisigen, VII, 121.
Krijgsgevangenen, VIII, 68 en volg.
Krijgswonden, III, 134.
Kuil, meesters daarvan, LXXXV, 4.
Kuischheid aanbevolen, XXIV, 30 en volg.
Kun, verklaring van dit woord, XVII, 87, n.
--Woord, waardoor God in staat is een millioen werelden voort te
brengen, XXXI, 27, n.
Kwaad, zie Kiem.
Kwakkels, zie Manna.
--Zie God.
Kwartels nedergezonden, II, 54.
--Zie Kwakkels.
Kwetsen door vuur, II, 74.
L
Laatste dag, VI, 31.
Laatste oordeel, zie Uur.
Lamech, Noachs vader, VII, 57, n.
Landverhuizing, beteekenis van dat woord, LIX, bl. 568, n. en 2.
Laster (De) veroordeeld XLIX, 11.
Lasteraars van den profeet, CIV, 1, n.
--Van de vrouwen des profeets, XXIV, 23, n.
Leenen aan God, V, 15; LVII, 11.
Leer der Christenen, zie DrieÎenheid.
Leer, zie Ware.
Legaten, IV, 12.
--Zie Bedrag.
Leiding der menschen, VI, 158.
Letters, die zich aan het hoofd van een groot aantal hoofdstukken
bevinden, en wier beteekenis onbekend, is II, III, VII, X, XI, XII,
XIII, XIV, XV, XXVII, XXIX, XXX, XXXI, XXXII, XXXVI, XXXVIII, XL,
XLI, XLII, XLIII, XLIV, XLV, XLVI, L, LXVIII.
--Zie Aanvangletters.
Leugens verzinnen omtrent God, VI, 21.
Leven dezer wereld, LVII, 19.
Licht, XXIV, bl. 381, n.
--Werpen, II, 16.
Listen, zie Vrouwenlisten.
Lokman, XXXI, bl. 441, n.; 11, 12, 13, n.
Loon van hem, die om de zaak van den godsdienst vlucht, XXIX, 56, n.
Losprijs, XLVII, 5.
Lot VI, 86, VII, 78 en volg.
--Profeet XI, 73, 79-84; XXI, 71-75; XXII, 43; XXVI, 160 en volg.;
XXVII, 55 en volg.; XXIX, 25 en volg.; XXXVII, 133; XXXVIII, 12, 13;
LIV, 33 en volg.
--Zijne broeders, L, 13.
Lots gezin zal gered worden, XV, 59.
--Wordt gered, XXXVII, 134
--Vrouw VII, 8; XV, 6; XXXVII, 135.
Lotgevallen, zie Geschiedenis.
Lotusboom, grenspaal van het paradijs, LIII, 14.
Lijfwacht, zie Mahomet.
M
Maan gespleten; teeken van den jongsten dag, LIV, 1, n.
Maan, hare verblijfplaatsen, XXXVI, 39.
Maanden der Arabieren, Aantal daarvan, IX, 36, n.
Madian, eene stad in Hej‚z, Madianieten, VII, 83; IX, 71; XI 85, 98;
XV, 78; XXII, 43; XXVI, 176; XXVIII, 21 en volg.; XXIX, 35; XXXVIII,
12; L, 13.
Madianieten, zie Madian.
MagiÎrs (De), XXII, 17.
Magog, zie Majoej.
Mahomedanen, hunne gewoonte bij het bidden, XLVIII, 29.
Mahomedanisme, IV, 49, n.; XVI, 111, n.