En de dagen wentelden leeg en kleurloos over Agapieta's hoofd want
hij stierf niet, de simpele.
De herfsttijd woei aan met wind en smerigen regen. De deuren en
vensters gingen dicht en Baldwienus speelde 's avonds voor zich alleen,
met de voeten in den oven van zijn ronkende stove, zoodat niemand
het hoorde. De begijntjes zaten vredig in den gouden lampen-schijn
de legenden der heiligen te lezen.
De winter kwam daarna en Baldwienus leefde nog. Agapieta verdubbelde
heur ijver in 't bidden, droeg communies op in deze intentie, hield
noveen na noveen, maar 't kortte niets... Ze begon soms te wanhopen,
dacht dat God heur verliet. Elke dag bracht heur felle onrust aan en
knaagde danig aan heur hart dat ze er mager van werd.
En de Lente joeg den Winter uit het land, pintte groene parelen op de
zwarte takken en weefde jonge bloemen in het teere gras. Het goede
weer en de open avonden gingen herbeginnen en Baldwienus zou weer
in zijn hofken onder zijn bloeienden appeleerken de heilige liederen
laten stralen!...
Agapieta huiverde als ze er aan dacht! Hij moest dood! dood vóór dien
tijd! Zij moest die fluit hebben!
Ze hoorde vertellen hoe Marieken Vlimeria gestorven was nadat
ze lindenthee uit een koperen potteken had gedronken. Men moest
voorzichtig zijn met koperwerk, meenden de zusters terwille van
het groen.
Dat kon Agapieta redding brengen. Als Baldwienus in 't koperen emmerken
zijn middageten halen kwam keek ze angstvallig elk spleetje na of
er geen groen te bespeuren was. En ze was blijde als er zuurkool
opgediend werd aan de noentafel, dat beet het groen uit het koper en
verhoogde heur kansen!... Maar lacy! 't en deerde Baldwienus niet!
De dagen lengden merkelijk. De kastanjeboomen prijkten met een weelde
groene kuifjes. Het blauw des hemels wierd dieper en reiner. God! wat
werden heur die lengende dagen een marteling; elken avond kon
Baldwienus zijn spel hernemen en zij die zoo gehoopt had....
Paschen naakte. Op dien heiligen dag zou men het zes-honderdste
Paaschfeest vieren, verloopen sedert de stichting van 't Begijnhof. Er
zou een plechtige mis gezongen worden, een processie zou uitgaan en
vijftien begijntjes zouden in den heiligen stoet de vijftien mysteriën
verbeelden, elk gedost en gekleed naar zeer kristelijken zin.
En op een vroegen morgen toen de vier zusters, gebogen over hunne
ramen, de nakende feestelijkheden bespraken, kwam meneer Pastoor
met een welgezind gezicht het huizeken in. Hij groette vriendelijk,
schoof zijn bril fijn en monkelend keek hij over de glazen heen.
"Ja, ja", zei hij, "juffrouw Agapieta, ik heb u uitgekozen om in
de processie het mysterie der kroning onzes Heeren Jezus Kristus te
verbeelden. Ik heb een doornenhoed laten maken met bloed er aan, een
purperen mantel en een riet, dat ge zult in uw handen dragen. Dat zal
schoon zijn, Agapieta, waarachtig... En ik heb nog iets bepeinsd. In
de hoogmis zal Baldwienus eenige schoone liederen spelen en gij zult
ze begeleiden; heel, heel zachtekes begeleiden op uw orgel; gij kunt
dat, Agapieta. Dat zal schoon zijn!... schoon!... niet waar zusters?"
De goede man lachte genoegelijk en de drie zusters knikten instemmend.
Maar Agapieta keek niet op. Ze hield den adem in, kneep de oogen
dicht om de tranen tegen te houden, sloeg de handen op heur hart om
den wilden slag aldaar te bedwingen. Maar 't en baatte niets en ze
viel snikkende op tafel en borg het hoofdje in heur armen...
De pastoor keek toe, goedig, en hij meende dat ze schreide van geluk:
"Hou u sterk, juffrouw Agapieta,... want schoon zal u dien dag zijn..."
Hij ging heen alsdan.
De dagen draaiden verder en goten veel regen en hagel op de aarde
zoodat Baldwienus niet spelen kon 's avonds in zijn hofken.
Agapieta sprak niet meer en bleef op heur kamerken, biddend voor den
dood van den simpele.
Op Goeden Vrijdag bracht de meid van menheer Pastoor heur den purperen
mantel, de doornenkroon en het riet. Ze smeet alles op den grond. In
den laten achternoen als de andere begijntjes ter Donkere Metten
waren liep ze de natte vesten op en af. Dien nacht sliep ze niet.
Als een waaier van vloeiend licht vulde de morgen den smetteloozen
hemel. De Paaschklokken luidden in vollen zwier de vroege zon tegemoet
en 't Begijnhof ontwaakte wit en rein uit den blauwen nacht. De jonge
Lente woei zoete reuken over het land.
Agapieta had het morgenlicht in het Oosten grooter zien worden. Het
licht deed heur pijn want vandaag kwam de groote vernedering!
En terwijl ze te communie ging tusschen de andere zusters, bad ze den
Heer om een uitkomst. Ze beloofde te beewegen, te vasten, te bidden,
de felste verstervingen met gelatenheid te verduren als Hij Baldwienus
in de hoogmis maar niet spelen liet!...
Maar er roerde niets en de uren gingen hun gewonen gang.
Weldra zou de dienst beginnen. De kerk zat in feestelijk gewaad. Aan
de grijze pilaren pronkten rood en groene, goud-bestikte vlaggen met
rijke edelsteenen bezet, en onder de schemerige gewelven golfden
groene kransen van kapiteel naar kapiteel. In het koor gloeiden
pyramiden van vlammende keersen en het gouden hoogaltaar was een
brandende braambosch van al het licht.
Agapieta zat gebogen vóór heur klavier op 't oxaal. Heur asem ging
snel en diep als van iemand die sterven gaat en ze moest telkens met
geweld den krop doorslikken dien het verdriet in heur keel wrong.
Er kwam veel volk naar de mis.
De zeven begijntjes-zangeressen kwamen naar boven en ten slotte
Baldwienus met de fluit onder den arm...
Agapieta schrok als ze hem zag. Daar stond heur ongeluk en zij zelf
moest het naar zich toetrekken door heur begeleiding...
De wanhoop maakte heur nijdig en als de drie priesters in een rijtje
uit de sakristy vóór 't altaar verschenen, botsten opeens haar handen
als twee klauwen op de kreunende toetsen en de donderende bassen
daverden als de stem van den toornigen God. De begijntjes zongen dan,
maar hun stemmekens versmoorden in 't felle geronk.
Zoo ging de mis voort tot er een stilte viel van orgel en nonnenstem.
Baldwienus zou nu spelen.
Een begijntje deed hem teeken. Hij schrikte eventjes, keek
verbauwereerd rond, bracht de fluit aan den mond en blies...
Heerlijk als de zoete stemmen van duizend nachtegaals, rilde het
wondere lied door de ademlooze kerkbeuken. Het deinde mijmerend als
de zee in den zomer, klom warm als een gouden vlam tot diep in den
hemel en kwam dan weer naar beneden gegolfd, heel laag waar het was
als een lentewind in 't jonge riet.
Agapieta schrok geweldig. Ze snakte naar asem.
Maar wonder! als betooverd door het klare spel vergat ze haar eigen
leed en meegevoerd, gansch bedwelmd door de heldere muziek, zochten
haar smalle handekes onwillekeurig de zachtste toetsen en stuwden
uit de hooge pijpen fluweelen toontjes die het spel van den simpele
omkransten...
De menschjes in de kerk draaiden het hoofd naar 't oxaal, gansch
verwonderd door die ongewone fluit-stem en ze werden zoo meegesleept
dat ze niet meer lazen uit hun getijdeboeken maar zich omkeerden, de
hoofden geheven, en naar 't oxaal staarden als in een droom. Zelfs
de priesters schenen hun mis te vergeten en een diaken wendde een
oogenblik het hoofd, om naar boven te zien.
Agapieta zag dat en ze ontwaakte plots uit de betoovering... Ze
keek rond, trok heur handjes terug en wierd heur toestand
bewust... God! Baldwienus' spel! wat had het uitgewerkt op 't devote
begijnhofvolk dat daar roerloos en vast met mond en oogen wijd open
nu te luisteren zat!... Nu was ze voor goed op den achtergrond... de
mindere, de niets-waardige orgeliste!... De orgeltonen vertrilden
in de kerk maar hoog en rein als de jonge zon in de smettelooze
lente-lucht straalde het mystieke lied van Baldwienus...
Agapieta lei heur lange handekes op heur gelaat...
Het lied was te schoon om lange te duren en na een lochte stijging
rondde het zich af en stierf uit in een dalende trilling... Er hing
een plechtige stilte in de grijze kerkbeuken...
En de begijntjes zongen voort met hun arme stemmekes de latijnsche
psalmen en Agapieta speelde traag en stil als een zeer oud mensch
dat uitgeput is, terwijl de menschkes in hun kerkboeken zich terug
naar God keerden...
Zoo ging de mis ten einde. En de processie zou uitgaan.
Bij zuster Goedele werd Agapieta gekleed en daar ze een gezicht had,
zoo droef! alsof ze sterven moest, was ze een zeer schoon beeld van
smart. Ze stond bij de vier andere begijntjes die ook droeve mysteries
verbeeldden. Het was rond haar een gewemel van witte maagdekens met
vlaggen en korvekes vol gouden bloemen, van peekens en van Heeren
die flambeeuwen droegen, van kwezeltjes in zedige kleederen met het
blauwe congregatie-lint aan den hals. De muzikanten stonden bereid
en hun koperen instrumenten schitterden in het felle licht.
De zon gaf heur zuiverste goud op den bonten stoet en de purpere en
roode banieren waren vlammen die laaiden over de hoofden der vrome
lieden. De lucht zinderde van 't bronzen gelui der klokken.
En als menheer Pastoor, dragend de gouden remonstrantie als een kroon
van levend vuur, in de peerse schaduw van 't blauwe baldakijn, uit de
kerk kwam, omgeven van zingende priesters en roode koraaltjes die de
wolkende wierookvaten zwaaiden, hieven de muzikanten een feestmarsch
aan en zette de lange processie zich in beweging, tusschen een dubbele
haag nieuwsgierige menschjes... Agapieta ging wankelend in de rij
der 15 mysteriën, purper bemanteld, den doornenhoed op het witte
kappeken en een riet in de saamgevouwen handen... De marteling ter
kerk was nog niet pijnlijk genoeg geweest! nu moest ze Jezus-Kristus
verbeelden die haar niet verhoord had!... Ze liep als een die dronken
is, strunkelend over de straatsteenen, den kop op de borst....
Maar als ze aan 't Vagevuurstraatje kwam zag ze Baldwienus zijn dommen
kop uit 't vierkante zoldervenster toekijken!... Dat was een stamp
op heur hert! Ze slaakte een gil en stortte voorover op de steenen...
Gedienstige menschen namen heur op en droegen heur naar heur huis.
En alsof er niets gebeurd ware, ging de processie voort met de 14
mysteriën.
De lente-zon steeg hooger in de lucht. De bloemen wemelden in het
volle groen. De vogelen dresten hun liederen lijk klare watergeuten
over het land en zoete geuren hingen allerwegen.
Sedert den dag van Paschen had Baldwienus maar eenmaal gefloten in zijn
bloeiende hofken en Agapieta zag, als hij 's noens om eten kwam, hoe
zijn gezicht bleeker en bleeker en zijn schommelend lijveken magerder
en magerder werd, en hij bijna niet meer op zijn beenen kon staan. Hij
was ziek en ze zag het met welgevallen aan. De Heer scheen haar dan
toch te verhooren. Ze bad inniger om den rassen dood van den simpele.
's Avonds liet ze heur venster open en ze vermeide zich om het groote
geluk dat ze smaken zou als de menschen naar heur spel zouden komen
luisteren en zij hen God zou laten zien.
En zie, op een zekeren dag kwam de simpele niet op 't middaguur. De
drie juffrouwen-begijnen stonden versteld. Zou hij ziek zijn? Agapieta
lachte inwendig want God had heur verhoord. En ze liep met rappe
voeten naar het huisje van Baldwienus.
Hij lag te bed met een kop rood als vuur. Hij hijgde snel en vroeg
om drinken als hij Agapieta zag. Ze reikte het hem in een eerden
kroesken en vroeg Baldwienus, hoe hij ziek geworden was.
Hij haalde diep adem en de dekens golfden over zijn lijf: "In een
gracht gevallen, juffrouw Agapieta... kou gekregen en nog meer kou..."
Ze knikte hem toe, troostende: "Het zal wel beteren,
Baldwienus". Daarmee was ze het huis uit en droeg de mare bij de andere
zusters. Hoe vlug liep ze niet... Zij zou nu de fluit wel krijgen.
In een ommezien was het lage kamerken gevuld met bange begijntjes
die geknield rond het ziek-bed luidop oude gebeden murmelden. De
pastoor kwam en diende den zieke het Heilig-Olijsel toe, want daar
hij onnoozel was en communiceerde hij niet.
Baldwienus lag met gesloten oogen en hij kreunde dof.
Den heelen achternoen bleven de begijntjes er bidden.
Tegen den avond begon hij te snikken. De gewijde kaarsen werden
aangestoken nevens 't hoofdeind en de Pastoor bad de litanie van den
Goeden Dood en allen antwoordden in koor. Ineens in 't midden van 't
gebed hief hij den vurigen kop uit de kussens en vroeg met doffe stem:
"Agapieta, geef mijn fluit, mijn fluit!..."
Agapieta sprong recht, haalde ze met vlugge handen uit het kasken en
gaf ze hem.
Hij bracht ze traagjes aan den mond, blies er een schoonen ronden
klank uit, maar dan vielen zijn armen weer terug.
Hij zuchtte.
"Ik kan God niet meer roepen... 't Is gedaan. Agapieta, hier is de
fluit... Gij zult God zien!"
Ze nam ze uit zijn handen en drukte het heilige speeltuig vast tegen
heur hert...! Van danig geluk moest ze weenen en ze hoorde niets meer.
De pastoor las voort het onderbroken gebed:
"Verlos Heer! de ziel van uwen dienaar, zooals gij Henoch en Elias
van den gemeenen Dood der wereld hebt verlost!..."
En Baldwienus heeft zijn ziel uitgeblazen en z' is recht naar den
hemel gegaan.
Hoe gelukkig was Agapieta niet dien avond, als ze alleen op heur
kamerken was en de ivoren fluit in heur handekes wegen liet. Ze had
de lang gewenschte fluit nu en in 't groote geluk van dezen oogenblik
verging heur vroeger wee en leed.
Ze had zoo'n grooten lust eens eventjes te spelen, en de fluweelen
muziek door de blauwe avondlucht te laten slieren om God te zien zooals
ze Hem eens gezien had! Maar 't was verboden muziek te maken op 't
Begijnhof zoolang een doode boven de aarde lag. Het jeukte in haar van
begeerte om een zoete lied te slaan. Eén toontje! één enkel klankje!...
En om aan den zondigen lust te weerstaan kleedde ze zich haastig uit,
kroop heur beddeken in en trok de gordijnen straf toe.
Doch slapen kon ze niet! Ze draaide zich heen en weer en keek gestadig
door de gordijnenspleet naar de fluit die lijk een streep klaar licht
op heur bidstoel te blinken lag... die wondere fluit!...
En ze tripte weer heur koetse uit, nam het speeltuig in de handen en
streelde het. Had ze nu maar kunnen spelen. Eén toontje, één enkel
klankje. En dat in den nacht. Niemand zou het hooren. Men zou denken
dat het een nachtegaal is die droomt. En met een zoete mondje blies
ze er in, en een schoone klank, lijk een gouden zaad, barstte open in
de wegende donkerte. Hoe schoon! Hoe schoon! Maar ei!... ze liet een
schreeuw... liet het speeltuig vallen en sloeg wild met de handen in
de haren. Dáár, vóór haar venster, als door dien toon opgeroepen,
stond reuzegroot in den nacht de bleeke kop van Baldwienus. Zijn
groote oogen keken heur verwijtend aan en de purpere mond opende zich
en sprak lijze:
"Agapieta, nu ik dood ben weet ik dat gij het zijt die mij doen sterven
hebt. Waarom hebt gij dat gedaan, gij Agapieta!... o! wee u!..."
En dan verdween hij.
Agapieta meende om hulp te roepen maar heur keel bleef toegeklemd en
geen klank kwam er door. Ze stond roerloos als een steenen beeld. Ze
besefte de waarheid.
Zij was de schuld van Baldwienus' dood. Zij had voor zijn dood gebeden,
gebeeweegd, gevast, geboet. Zij was een moordenaresse. Zij had hem
gedood door heur gebed, door heur gestadig denken! door heur fellen
haat! en zij was zondig voor den Heer!...
Die gedachten sneden als vlijmende messen door heur hersenen en heur
hert kromp ineen van schrik...
Ze viel plat neer op 't kouwe plankier en ze snikte. Zij was
moordenaresse en zondig. Er was geen vergiffenis meer voor haar. Zij
had gecommuniceerd terwijl heur moord-gedachten hun trage werk deden,
zij zou de hel in!...
En ze kruivelde over den grond en sloeg de handen in 't gezicht vol
afschuw voor zich zelve! Ze had gezondigd tegen den Heiligen Geest
en daarvoor is er geen vergiffenis!...
Zoo heeft ze daar gelegen den heelen nacht als op een doornenbed,
snikkend, bloot gewroeteld. Ze dierf niet opzien uit schrik voor
het spokige hoofd van Baldwienus en slechts als het arme licht van
den vroegen morgen onder haar armen gleed en heur tranende oogen
streelen kwam, wierd ze rustiger en voelde zich ietwat gelaten in
heur allerdroefste lot. Heur heele leven, dat zoo schoon moest zijn
nu ze de heilige fluit bezat zou zijn een durende doornenkrooning
maar dat helaas! geen verlossing zou vinden in het eindelijke kruis!
Twee dagen van eindeloos verdriet kropen traag als slakken over de
roode en blauwe daken van 't Begijnhof. Den derden dag werd Baldwienus
begraven en er werd vroom gebeden voor zijne ziele-zaligheid. Agapieta
kon niet meer bidden! 't Was nutteloos! En alle begijntjes knielden
neer in 't gras wanneer men op 't kerkhof, in 't hoeksken nevens
de sakristij, Baldwienus in den put liet zinken. En ze weenden
allen. Agapieta knielde niet. Ze draaide zich om en liep naar huis
alstoen, alwaar ze neerviel als een aardekluit en in wanhopig weenen
losbarstte.
De eerste vrijdag van de maand naderde. Ze zou te biechten moeten
gaan! Ze ijsde als ze er aan dacht!... Ze wenschte liever dood te
vallen dan heur schuld kenbaar te maken! God! wat waren heur de dagen
een martelie! Kon ze maar boete doen! en vergiffenis verhopen! Het
was toch onmogelijk.
Maar er kwam een plotselinge licht in heur hert als ze onder het lof
den Pater--die een preek hield over den H. Paulus--hoorde zeggen dat
van alle zonden absolutie te krijgen was, hoe groot of hoe zwaar die
ook zouden mogen wezen als er maar berouw was en de wil van boetedoen.
Wat was ze blij, Agapieta, toen ze dat hoorde. Hoe snel vloot heur
bloed. Ze had het kunnen uitschreeuwen van vreugde. Ja! ze zou boeten,
boeten! heur heele leven als er maar 'n greintje hoop gegeven werd
terug den schoonen hemel te kunnen winnen. Ze zou heur moord gaan
biechten. Niet aan menheer Pastoor. Jezus! neen! maar aan een Pastoor
in een vreemde stad, een die haar niet kende. Ze was zoo blij van
harte, nu ze uit de duisternis weer den hellen hemel zag blinken!...
En 's anderensdaags trok ze van 's morgensvroeg naar een stil dorp
dat ze gelegen wist in de kempen en ze biechtte hoe ze gebeden had
voor den dood van een armen simpele, Baldwienus genaamd, opdat ze de
fluit zou bezitten waarop hij heilige liederen speelde. De hardhoorige
oude biechtvader vermaande heur streng zulke booze gedachten te hebben
en hij legde heur een groote boete op. Hij berispte heur nog eens,
herhaalde de boete en gaf heur den zegen.
Ze had kunnen dansen van blijdschap toen ze op het schip, langs de
vaart, tusschen de zomer-velden huiswaarts keerde.
Wat een geluk! Ze was geen moordenaresse! ze had den hemel niet
verloren en ze had de fluit nog, de heilige fluit van koning Salomo!
En dien zelfden avond nog speelde zij.
Het deemsterde over 't Begijnhof en op de witte geveltjes lag de
rozige gloed der ondergaande zon en in de vensters laaiden purpere
vuren. Vogels kweelden in de hovinkjes alwaar dampen stegen uit
de roode en gele bloembedden. De begijntjes zaten voor hun deurken
en ieder droeg den vrede van den avond in heur oogen. Ze praatten
stillekens over de Heiligen en de dingen van den dag.
Zuster Goedele kwam naar Agapieta geslenterd en vroeg met een
nieuwsgierig gezicht wat de woorden van Baldwienus wel bediedden toen
hij sprak van "God zien". En zuster Agapieta vertelde alles.
De begijntjes sloegen hun handen saam van danige verwonderinge;
die Heilige Baldwienus toch!...
En ze vroegen allen te gare, nijgend hun kappeken naar Agapieta:
"Kunde gij dat ook, juffrouw?"
En zij fier en gelukkig weer de eerste te zijn, antwoordde
triomfantelijk:
"Ja! ik kan dat!"
Ze smeekten te gare:
"Doe het dan, juffrouw Agapieta!..."
En ze haalde de ivoren fluit en ze dacht niet aan de woorden van
menheerken Valentinus den heremijt.
Ze stond in heur hofken wachtend tot er stilte kwam onder de
begijntjes, die vóór het hekken stonden.
Ze bracht de fluit aan den mond en blies een lied dat rein van klank
was en zeer schoon. En zie! een roze wolk omhulde de luisterende
begijntjes, scheurde open en in de diepste diepten van den hemel
zagen ze allen God in de reiën van engelen en Heiligen, met het
duifken boven zijn schitterende hoofd en het lammeken aan zijn voeten.
De begijntjes weenden van geluk.
Maar plots bemerkten ze hoe de purpere oogen van den Heer in hun
goud-omrande kassen rolden en zich vestigden op Agapieta. Hij bracht
de subtiele witte hand aan het hart, trok een gloeiend pijlken uit
zijn borst en slingerde het met een vlugge gebaar naar Agapieta.
Het bliksemde en het visioen sloeg weg.
Er sneed een scherpe gil door de stille lucht en daar stond Agapieta
als een brandende braambosch in heur deurgat.
De verschrikte begijntjes drumden weg en huilden als de wind.
En de orgeliste brandde af tot een hoopken zwarte assche waar een
blauwe vlammeken boven wiegelde. De fluit blankte in het gras. In een
ommezien was het hofken ledig en door de straatjes van 't begijnhof
liepen de schreeuwende begijnen als zinneloozen naar hun herder,
om hem de schrikkelijke mare te brengen. Menheer Pastoor kwam bij,
men vertelde hem alles, maar hij kon er geen kop aan krijgen. Hij
schudde het hoofd, stak den wijsvinger omhoog en sprak:
"Laat ons bidden voor heure ziele-zaligheid. Zij heeft God willen zien
en wist niet dat er geschreven staat: "Wie God wil zien moet sterven".
En alle zusterkes die daar nog stonden, knielden neder en baden
voor Agapieta. En de late zon goot een rooden gloed op dit innig
gebed. Menheer Pastoor heeft de assche op een zilveren schotel gekeerd,
de ivoren fluit opgeraapt en is naar huis gegaan.
En den anderen dag wierd de assche in een sigarenkasken gedaan en
nadat er mis over gehouden was, begraven nevens Baldwienus in een heel,
heel klein putteken.