In die wondere dagen, woonde, achter het oude kerkhof en bezijds
de kleine kapel van O. L. V. van Zeven Weeën, 't begijntje Wivina,
die was van rijken huize en edel bloed en bezat een schat van de
zeldzaamste oudheden, meegekregen uit het ouderlijk kasteel.
Jezus met zijn zoete moeder en al die heiligen, waren met hare
antikiteiten het geluk en de vrede van haar nobel leven. In de kerk
ging haar ziel gelijk een wierook naar omhoog, daar bestond er niets
dan de hemel voor haar in al zijn gulden glorie, maar eens te huis
begon ze seffens te genieten van haar antiek.
O! haar antiek, dat beschaduwd was door den geest harer roemrijke
vaderen, die steeds waren de bloem van het middeneeuwsche
ridderdom. O! dat antiek, waarin zij heel haar voorgeslacht voelde
en elk voorwerp sprak van hunnen grooten luister, dapperheid en
edelmoedigheid.
Zij kon er uren naar zitten kijken en mettertijd waren al die
weelderigheden haar zoo lief, neen nog liever dan menschen geworden.
Ze bezat een ongemeenen schat, deze Juffrouw Wivina, die was lang
van gestalte en smal van gezicht, met weemoedige groote oogen,
die altijd in 't verleden schenen te kijken naar ver verwijderde
tijden; en terwille van haar hoogen stand zeer teruggetrokken was,
tegenover de andere begijnen die meestal burgerdochters of blozende
boerenmeiskens waren. En bij dien schat kon ze heur hart ophalen en
vrijelijk de vlucht van heur gepeinzen laten vliegen.
Hoe leefde en bloeide ze daar, te midden die oude meubels, tapijten,
platen, beeldekens en pottekens. Van als ze in heur huis kwam,
beleefde ze aanstonds die zoete gevoelens. Daar in het witte,
gewelfde trapportaaltje stond de hooge, gebeeldhouwde horlogiekast
met den zwaren zon-slinger in zijn buik en de koperen cijferplaat,
rijkelijk gegraveerd en beschilderd met een helle hertenjacht. Ook
stond er de dierenriem op en de maantijden. Traag en deftig ging die
slinger met een geronk als 't begin van een zwaren klokketoon; hij was
overal hoorbaar in haar stil huizeken en zij kon er naar luisteren als
naar een voorname vriendin. En als het uur sloeg, begon daarbinnen
in het hoofd der kast alles te ratelen en overhoop te loopen, dan
viel het ineens weer stil en klonken er al naar 't getal der uren,
uit die plechtigheid vol-guldene klanken op die uiteencirkelden lijk
waterkringen en door al de vertrekken heen zoemden. Dat was lijk het
kort lied van een engel voor haar en ze had soms gewild, dat ze heel
den dag door die zoete klanken hoorde. Hoe dikwijls heeft ze niet
achtereen de groote wijzer voort gezet opdat zij aanhoudend de stem
van de guldene klok daarbinnen aanhooren kon?...
In den hoek onder het smalle portaal-venster stond een met
leder-beslagen koffer, met ijzeren scharnieren en daarin hield Wivina
geborgen ouden kant en vreemde, bebloemde zijden lappen die waren
als wonderen van teedere of vinnige kleuren in het witte licht.
Aan de muren, in glazen kastjes, hingen zwartomlijste landschappen die
openden vergezichten op hemelsche landerijen met laurieren en oranje
boomkens op de heuvels en rood en blauw bebloemd gras langs blonde
wegen, die sierlijk slingerden naar omwalde steden, met porceleinen
kerken en pinakels, fijnder bewerkt dan venetiaansche kant. Er hing
een groot statig portret van een geharnasten ridder, met schoone
handen en stouten blik, een harer voorvaders wellicht. Boven de twee
grijze deuren prijkten hare twee geslachtsschilden, een met leeuwkens
en met eekhorentjes, 't andere met een witte ster op blauw veld en
een rooden haan op een bleeke hand. Er lagen tapijten op den grond
en van de gewelfde zoldering hing een zwart-ijzeren kroonluchter met
lange, bruin-wassen keersen in. Zoo was het alreeds in 't portaaltje,
en wat moest het in de huiskamer dan zijn?
In het schuchtere licht dat door de looden ruitjes zakte, stond hier
alles streng en zeer voornaam en elk voorwerp scheen meer weerde te
hebben dan in de open lucht. De muren waren met kostelijk goud-leder
behangen, en een groote tapijt bedekte den muur, met erop bleeke
vrouwen met torenmutsen, die rond het ledig graf stonden met tranen
in de oogen, en gouden balsempotten in hun handen. In de verte was
een witte stad en weerskanten van het tapijt, nevens de omlijsting
van fruitguirlanden, onder blauw-bladerige boomen, zag men Jezus
verschijnen als hovenier aan Magdalena en aan den ongeloovigen
Thomas. Die tapeet had menigmaal de schaduw van haar roemrijke ouders
gedragen.
Op kassen, schouwmantel en tafels stonden potten en vaasjes en tasjes,
zoo fijn en teer dat men ze niet aanraken dierf; Japansch, Delftsch,
Chineesch en meer, alles wat de oude geslachten in gleis en koperwerken
hadden bezield was hier op zijn kostelijkst vereenigd. Achter de
groene ruitjes der kasten glom het zilverwerk. Voor een open drieluik,
brandde gedurig aan een lichtje in bronzen lamp en tusschen de twee
vensters in, glom een koperen lutrijn, waarop lag een dik boek,
in leder gebonden met gouden sloten en roode en blauwe linten. Het
was het leven der heiligen, geduldig opgeluisterd door monniken uit
de middeleeuwen.
Maar, in een zwart ijzeren kistje, van binnen witte fluweel, lag
voorzichtig geborgen, de perel van heur huis, de krone van heur
oudheden! Het was een gulden vaasje, ingelegd met ivoren krullen die
teeder beschilderd waren en bezet met peerlen, diamant, saphoren
en robijnen, het was een weelde van toon en kleur, en wellust van
klank, van een zeldzame duurte en daarbij het kostelijkste dat
heur voorgeslacht had nagelaten, een zweem van geurige oude olie
doordronk het nog, het was een historiestuk, dat het beste sprak van
haar verleden.
Het kwam nog van David den reuzendooder en psalmzanger; Karel de Groote
had eens gezegd: "Liever beide mijne oogen kwijt, dan dit vaasje te
moeten missen". Deze groote keizer had het van de Mooren verkregen
tegen drie steden en veertig karren goud. Na zijn dood was het plots
zoek geraakt en 't was slechts een van Wivina's voorvaderen, die het
later in den kruistocht ievers bij Bysantium na harden strijd had
weergebracht. En door de eeuwen heen was het voor Wivina's geslacht
hun roem en hunne glorie. Nu bezat zij het, hier op het schamele
Begijnhof, het vaasje, waarmee men heel Vlaanderen en Britanjen en
Vrankrijk koopen kon, maar niemand sprak ze er over, uit vrees voor
de dieven. Nooit heeft ze een dag nagelaten het te bezien, het te
bestreelen en te aanschouwen in het spel van het schuchtere licht,
maar dan waren alle deuren op grendel.
Zoo was haar huisken met al zijn praal en weelde, slechts een schrijn
voor het vaasje. Daar was dan ook niets in haar huis dat meer-weerdig
was dan dit heilig voorwerp.
Zoo genoot ze van haar weelde als een drinker van den wijn, en al
sleet ze daar-buitenom een heilig leven en vond zij hare passie voor
dien ouden luister harer weerdig, toch was men in den hemel daar
niet mee kontent en God sprak Sinte-Franciscus aan, den vader van de
armoede. Deze schoone heilige boog en zei: "Uw wil geschiede!"...