I
Mijn vriendelijke lezer herinnert zich misschien nog wel onze
omzwervingen door Vlaanderen, dat schilderachtig schoone, kalme,
vredige land, waar over steden en vlekken en dorpen eene zondagsrust
ligt uitgespreid, en ge vaak wel den indruk ontvangt dat de rijke
en schitterende herinneringen van een zeldzaam grootsch verleden
de eischen en behoeften van het heden op den achtergrond dringen en
niet tot hun recht laten komen. Ik noodig hem thans uit, een ander
deel van België met mij te bezoeken: het waalsche land, bewoond door
een ander ras, drukker, rumoeriger, hartstochtelijker van aard,
levendiger in voorkomen en gebaren: een ras, dat al heeft het ook
eene groote en rijke historie achter zich, toch niet in gelijke mate
door de herinnering aan dat verleden wordt beheerscht en onder de
wisseling der fortuin niet is bezweken. In het leven dezer mannen,
wier bloed sneller door hunne aderen stroomt, is geene plaats voor
mijmeren en peinzen over het verleden, over de oude dagen, die sinds
lang zijn voorbij gegaan; zij hebben geen tijd om te luisteren naar
de wonderzoete fluisterende stem der traditie en der sage, die als
muziek in de ooren klinkt, maar ook zoo dikwijls een ontzenuwenden en
verzwakkenden invloed uitoefent, en de fiere kracht tot daden in het
harte uitdooft. Zij hebben geen tijd, want de felle koorts van het
moderne leven heeft hen aangegrepen; de rustelooze ontdekkingen der
wetenschap, de onophoudelijke vorderingen der industrie drijven on
zweepen hen voort; hun leven is welhaast een voortdurend gevecht, een
nimmer poozende strijd, die de inspanning vordert van alle krachten
en die niet ware vol te houden, zoo niet het elastischer, opgewekter
temperament telkens met nieuwen moed en nieuwe energie bezielde en
de zware lasten des levens licht deed achten.
En zijn ze niet in waarheid een groot slagveld, die mijndistrikten,
waar de mensch en de natuur in rusteloozen kamp hunne krachten
beproeven; waar de strijders, dag aan dag, in dichte gelederen
aanrukken, gewapend met spade en bijl en houweel en honderd
andere werktuigen der vernieling, om den tegenstand te overwinnen
van den ouden titan Tellus en hem zijne diep verborgen schatten
te ontrukken. Al verder en verder rukken zij voort, telkens op
nieuwe veroveringen uitgaande in de onderaardsche holen, in dat
huiveringwekkend gebied van nacht en dood, waar, als in katakomben, de
versteende overblijfselen van vroegere wereldperioden liggen opgetast,
waarop en waarmede de moderne beschaving hare steden bouwt. Maar de
oude titan verdedigt zijn gebied voet voor voet: beter dan een door
Hephaistos gesmeed schild, dekken hem zijne duistere geheimenissen,
de ontelbare hinderpalen die zijn vijand op den weg ontmoet, de
noodlottige hinderpalen en verrassingen, die loeren bij elken tred. Het
is een hardnekkige verbitterde strijd, een kamp op leven en dood. Als
een monsterachtige hydra, in haar duister hol verscholen, knarsetandt
en brult de oude titan bij iederen slag, die hem eene nieuwe wonde
toebrengt: iederen duim breed gronds betwistende, trekt hij onwillig
achteruit, al verder en verder wijkende in het ondoordringbaar ingewand
der aarde; maar vreeselijk wreekt hij zich over zijne nederlagen door
plotselinge, moorddadige, verraderlijke slachtingen, als te midden
van rook en vlammen, die het gedrocht uit honderd monden braakt, de
onverschrokken pionniers verpletterd neerzinken onder de instortende
gewelven, of snakkend naar lucht den adem uitblazen in een dampkring
van gas; of wel, levend begraven, al de martelingen ondergaan van
den langzamen hongerdood. Toch, hoe vreeselijk het monster moge zijn,
over welke moorddadige wapenen hij moge beschikken, toch wordt voet
voor voet het rijk van den duisteren titan veroverd; toch dringen de
kloeke scharen al verder en verder door in de ongemeten en ongepeilde
afgronden, waarin hij schuilt en waarin hem de lichtstraal vervolgt,
die den mensch den weg wijst in het harte der aarde.
Daar naadren de delvers met spa en houweel;
Zij spitten in de aardkorst, en boren de schacht,
En dringen al verder door modder en nacht!
Aan 't rammelend rad vliegt de korf op en nêer;
De zwoegende pomp gaat het water te keer;
De moker rinkinkt, en de koker verwijdt:
Voorbij zijn lagen van zandgruis en krijt:
Nu glinstert... de steenkool!... De mijngroef ontsluit,
En breidt tot spelonken en gangen zich uit,
Tot straten en pleinen, door balken geschraagd,
Waar 't lampjen de schaduw verlicht, niet verjaagt!
Hier woelen, diep onder het zeebed, beneên
De zeilende schepen, de werkliên dooréén;
En 't paard voor zijn kar, met bedaard overleg,
Vindt, dampend van zweet, door dien Orkus zijn weg.
Omhoog maar! omhoog maar! gij kostlijke vracht,
Waar 't zonlicht u kust en--vooruitgang u wacht!
Men begrijpt welk een invloed zulk eene levenswijze moet uitoefenen
op een van nature stoutmoedig, ondernemend, onbuigzaam ras, dat zich
niet licht door moeilijkheden en tegenspoeden laat ontmoedigen,
en begaafd is met die voortvarende energie, die telkens de perken
uitzet der menschelijke werkzaamheid. Wie deze kloeke bevolking van
onverschrokken strijders naar waarde schatten wil, die moet met eigen
oog het altijddurend wonder dezer mijn-industrie hebben aanschouwd,
haar schatten gaande opsporen in de ingewanden der aarde; die moet
door de verbazingwekkende schacht zijn afgedaald naar de schier
onpeilbare diepte, waar een volk van kobolden leeft en werkt, ieder
oogenblik blootgesteld aan het gevaar om weggeslingerd te worden in
den gapenden afgrond, of verpletterd onder eene lawine van steenen en
gruis, of neergebliksemd door de vlammende ontploffing van het mijngas;
die moet vooral ook getuige zijn geweest van de stemming na een dier
vreeselijke rampen, als gansche dorpen weenende opgaan om de verminkte
lijken op te sporen van vaders en echtgenooten, van broeders en zonen;
die moet hebben gezien, hoe, na de eerste oogenblikken van schrik
en ontzetting, langzamerhand de kalmte wederkeert in de gemoederen,
hoe de moed weer herleeft en tevens de rustige doodsverachting en
het onvernietigbaar plichtbesef, dat de overgeblevenen, zoodra de
laatste doode in zijn graf is ter ruste gelegd, ernstig en kalm doet
terugkeeren naar de akelige afgronden, waarin hunne broeders een zoo
gruwelijken dood vonden. Er is inderdaad geen voorbeeld van, dat ten
gevolge van een dier verschrikkelijke katastrofen, in de duistere
diepte, vijf of zeshonderd ellen onder den grond, een van hen die aan
het verderf ontkwamen, den gevaarlijken post heeft verlaten, waar hij
een oogenblik, te midden van den rossen gloed der uitbrekende vlammen,
den dood in het aangezicht heeft gezien. Niet vreemd, dat dit altijd
herboren gevaar, die als het ware onbewuste heldenmoed, die zekere mate
van onverschilligheid tegenover het onontkoombaar noodlot, in het eind
een geslacht hebben gevormd en geteeld, tegen alle beproevingen gehard,
in het vuur gelouterd en gestaald, en voor niets terugdeinzende in het
stille besef van rustige, onverwinbare kracht. Wij zullen deze mannen
aan het werk zien, niet enkel in de mijnen, maar ook in hun fabrieken
en werkplaatsen, de elementen bedwingende, stand houdende tegen den
verterenden vuurgloed der smeltovens. En rondwandelende door het
waalsche land, zullen wij gaandeweg voor onze verbeelding het beeld
zien verrijzen van dat merkwaardige België, dat zoo sterk sprekende
tegenstellingen tot eene hoogere eenheid poogt saam te binden.
Want, in der waarheid, men zou bijna meenen dat de diplomaten, die
de vlaamsche en de waalsche gewesten tot eene politieke eenheid
vereenigden, dit enkel deden om den wijsgeerigen onderzoeker
binnen een klein bestek de scherpste contrasten te kunnen
aanbieden. Evenals uit een geologisch oogpunt, de onafzienbare
groene weidevlakten van Vlaanderen en de bergachtige vallei van de
Maas met haar aaneenschakeling van rotsen en ravijnen, twee geheel
verschillende landen zijn, die zoo goed als niets met elkander gemeen
hebben; evenzoo behooren de bewoners dier streken tot twee geheel
verschillende rassen, die, afgezien van den band der politieke
eenheid en van het gemeenschappelijk materieel belang, schier in
elk opzicht van elkander afwijken. Gaat de een, bij de vervulling
van zijn dagelijksche arbeidstaak, ernstig, stil, kalm zijn gang, in
zich zelf gekeerd, volhardend, maar weinig geneigd tot luidruchtige
openbaring zijner gevoelens; de ander daarentegen is in de hoogste
mate mededeelzaam, draagt zijn hart op de tong, maakt zich den arbeid
licht door vroolijkheid en dartele scherts, is bewegelijk, prikkelbaar,
rumoerig, opvliegend van aard. Te Bergen, te Namen, te Luik waant men
zich bijna in Frankrijk verplaatst; en niet alleen de bewoners der
groote steden, maar ook de bevolking der landelijke vlekken en dorpen
toont in haar geheele wijze van denken en handelen zekere verwantschap
met het fransche volk. In dit ethnologisch onderscheid vindt ge,
voor een deel, de verklaring van die erfelijke vijandschap tusschen
Vlamingen en Walen; en ook de verklaring van dien voortdurenden hang
van het waalsche element naar het bondgenootschap met Frankrijk,
van dat vereenigd optreden van den waalschen en den franschen adel
tegen het demokratisch revolutionair streven der vlaamsche gemeenten.
Ik zeide het reeds, wie het waalsche volk inderdaad wil leeren kennen,
moet het gadeslaan bij zijn arbeid, bij den rook zijner kolen, bij
het oorverdoovend geraas zijner machines. Een groot deel van het
henegouwsche land, dat wij gaan bezoeken, is het best te vergelijken
bij eene reusachtige smidse; de steenkool en het ijzer hebben
eindelijk hun stempel op het landschap zelve gedrukt en daaraan een
onbeschrijfelijk woest en zonderling aangrijpend voorkomen gegeven,
dat u denken doet aan sommige kringen van Dante's hel, waar het
verschroeiend vuur allen plantengroei heeft gedood. Van het terras
van het kasteel van Bergen overziet de blik eene wijde, golvende,
kale vlakte, hier en daar met eene armelijke, verschrompelde flora
besprenkeld en overdekt met een vuile, met den dag dichter wordende
lijkwade van rook en roet, afkomstig uit de hooge schoorsteenen der
tallooze fabrieken. Dezen gruwel kenden althans onze voorouders
niet. Onder dien langzaam, maar gestadig wassenden zondvloed van
kolendamp, wordt de dampkring doortrokken van roetkleurige tinten,
die zelfs het daglicht van zijn glans berooven; de zon zelve zinkt
weg in een zee van vuile zwarte dampen, als een schip in een oceaan
van inkt. Welk een overgang voor wien, als wij, uit het idyllische
vlaamsche land komt, uit dat stille, kalme paradijs van malsche groene
weiden, het beloofde land van herders en runderen! Hoe moeilijk gewent
zich onze blik, waarin zich nog het liefelijk beeld van het vlaamsche
landschap weerspiegelt, aan die sombere, geschonden, donkere natuur;
aan dien doffen, in stinkenden nevel gehulden horizon, waartegen
zich de zwarte massa's afteekenen van eene menigte vormlooze,
kale en naakte heuvels en terpen! Hier strooit de rozenvingerige
dageraad geen regen van topazen, robijnen en smaragden over de
met schitterende dauwdroppels besprenkelde weiden; neen, als een
gewonde in onreine doeken gewikkeld, bevlekt hij den hemel met een
bloedroode streep, wier kleur weldra verdoofd wordt door het vuile
zwarte stof, in dichte wolken opdwarrelende van de dorre aarde. Poog
hier geen herderszang te beluisteren, en zoek niet naar de ruischende
voetstappen der dichterlijke sage, rondwandelende door het bloeiende
land: deze aarde is vervloekt; een onuitblusschelijk vuur verteert
haar ingewand; legioenen schoorsteenen braken onophoudelijk zwarte
rookwolken over haar uit, die haar met een vuil stinkend lijkkleed
overdekken. Overal wordt het oog beleedigd door stijve, geometrische
figuren en getimmerten, wier wonderlijk verwarde lijnen en omtrekken
zich als zware zwarte strepen afteekenen tegen den zwartachtig
grijzen hemel en van verre gelijken op de geraamten van reusachtige
walvisschen. Overal een afschuwelijke chaos van schoorsteenen, van
balken, van getimmerten, nauwelijks van elkander te onderscheiden
bij de twijfelachtige schemering van dien onreinen dampkring, en het
gelaat der aarde bedekkende als met een reusachtig masker van ijzer en
hout. Nog eens, dezen vloek en dezen gruwel kenden onze voorvaderen
niet; zulke onvergefelijke ontwijding der natuur hebben hunne oogen
nooit aanschouwd.
Van het kasteel te Bergen overziet men het middelpunt van het
kolendistrikt. Verder op, naar den kant van Charleroi, dien anderen
krater, die onophoudelijk een vlammenden stroom van kool en ijzer
uitbraakt, vindt men nevens de steenkolenmijnen, ook pletterijen
en glasblazerijen; maar hier heerscht de kolenindustrie alleen en
onverdeeld, in geheel de landstreek, onder den naam van de Borinage
bekend. Niets leidt hier de aandacht af van het groote werk der
kolenontginning; alle krachten en vermogens, alle werkzaamheid en
inspanning is op dit eene doel gericht; allen verwachten brood,
welvaart, rijkdom van het zwarte goud, dat het nimmer rustende
houweel der delvers aan dit onderaardsche Californië ontrukt. Het
hijgend snuiven der machine, die de kooien rusteloos op en neder doet
gaan,--eene schelle symphonie, die ge nimmer vergeet als zij eenmaal
uwe ooren trof,--is als de gloeiende, gejaagde ademhaling van het
koortsige leven dat daar in de diepte woelt. Nu en dan stijgt een
geweldig geloei, als van gewonde bisons, uit den schoot der aarde op,
gelijk een kreet van smart en woede van den vertoornden titan. Deze
en andere geluiden, de ratelende donder der waggons die in volle
vaart over de platformen rollen; het gelui bij de aankomst en het
vertrek der kooien; en beneden in de galerijen, het rammelen der door
paarden langs de rails voortgetrokken of langs eene schuine helling
afglijdende karren, het brullen en stampen der machines:--dit alles
te zamen vormt een onharmonisch, oorverscheurend, verdoovend orkest,
een baaiert van geluiden, wel passende bij de akelige doodschheid
van dit sombere landschap, waarover de hooge schoorsteenen, als zoo
vele gapende drakenmuilen, onophoudelijk wolken van zwarten rook en
vuilen kolendamp uitbraken.
Waarheen ge den blik ook wendt, overal stuit ge op groote terpen,
als het ware puisten en gezwellen op het gelaat der aarde, door de
inwendige gisting te voorschijn geroepen: dat zijn de zoogenoemde
_terris_. Met iederen dag wassen zij in omvang door de sintels en
slakken, die daar worden opgestapeld. Sommigen zijn bijna kleine
bergen met afgeknotten top, met half ingezonken hellingen en diepe
sporen en groeven, niet ongelijk aan reusachtige litteekenen. Onder
de ruwe, grove oppervlakte smeult het bestendig, en het verborgen
vuur zendt zwermen van vonken omhoog, die 's nachts de zwarte massa
dezer donkere terpen fantastisch verlichten en met roode stippen
bezaaien. Langzamerhand echter ontfermt de weldadige natuur zich
over deze monsterachtige gedrochten: dan ontkiemt het groene gras in
de spleten, dan beginnen de wortels der planten en boomen zich uit
te spreiden tusschen de geblakerde steenen en het zwarte gruis; dan
worden eindelijk de kale verbrande hellingen bedekt met het bloeiende
groene kleed van het opluikende boschje, dat zijne twijgen en bladeren
wiegelt op den wind en te midden van het groote ledig van het doodsche
landschap eene verkwikking, een wellust voor de oogen is.
Geheel de Borinage vertoont hetzelfde beeld. Omdolende door dit
verschrikkelijke land, krijgt ge den indruk dat de bewoners door
een demonisch noodlot gedoemd zijn tot den hopeloozen arbeid om eene
duistere, onderaardsche zee leeg te schoppen, en nu, buiten bereik van
zon en sterren, hun leven slijten in nooit rustende pogingen om hunne
taak ten einde te brengen. Geene genade voor deze veroordeelden, geen
uur, geen oogenblik van rust en verademing; bezwijken zij, dan staan
anderen gereed om hunne plaats in te nemen. Want altijd en altijd door
vraagt de mijn haar offers, niet alleen krachtige mannen en jongelingen
in den bloei der jeugd, maar ook kleine kinderen, jonge dochters en
moeders. Op den leeftijd, waarop het kind, lachend en dartelend,
het leven gaat intreden, wordt het reeds in den afgrond geworpen,
evenals het jonge meisje, in den opgang der teedere jeugd. De moeder
zelve des gezins, die den huiselijken haard behoorde te bewaken en
daar al de leden der familie, als om een levend middelpunt, om zich
moest vereenigen, ook zij zelve wordt niet gespaard; ook zij moet zich
in de gevloekte mijn, als een lastdier, voor de _berlaines_ spannen,
de karren, waarmede de kool vervoerd wordt. Op dertigjarigen leeftijd
is de vrouw, op wie de verplichting rust om haar schoonheid en boven al
de reinheid en frischheid van haar gemoed tot in den hoogen ouderdom te
bewaren, ten gevolge van dezen verschrikkelijken arbeid in de mijnen,
die haar tot slavin maakt van een werk dat met haar natuur strijdt
en tevens tot slavin van den man;--op dertigjarigen leeftijd is zij
eene afgeleefde, verwelkte tooverkol, wier gebogen figuur en hoekige
vormen afschuw inboezemen, die rookt, zich bedrinkt, vloekt en tiert
als de ruwe kerels, met wie zij voortdurend in aanraking is. En nog
mogen zij zich gelukkig rekenen, de mannen zoowel als de vrouwen,
als de onverzadelijke minotauros hen nog levend, zij het dan ook
geschonden en verminkt en gebogen, haast meer aan dieren dan aan
menschen gelijk, aan zijne vreeselijke kaken laat ontsnappen;--want
zoo vaak worden zij allen zijne prooi en worden geveld als slachtoffers
zijner demonische lusten.
Evenals men op Kreta jonge meisjes opvoedde om geofferd te worden,
zoo wordt hier de jeugd groot gebracht voor de mijn. Een paar dagen
na een der geduchtste rampen, die deze landstreek hebben getroffen,
zeide eene moeder tot mij, terwijl zij met een akeligen grijnslach
op den zuigeling aan hare borst wees: "Dat is voor de Agrappe!" Die
Agrappe nu, wier naam, eenige jaren geleden, half Europa van
ontzetting huiveren deed en nu ook eensklaps voor mijn geest het
schrikkelijk beeld opriep van een aantal mannen door eene ontploffing
gedood;--die Agrappe was de mijn, die door haar uitbarsting half
Frameries vernielde. In de bitterheid haars harten, in haar sombere,
broedende wanhoop had die moeder, met ruwe brutaliteit, de vreeselijke
waarheid gesproken.
En toch, zoo groot is de kracht der gewoonte, zoo groot ook de
half onbewuste moed dezer ruwe bevolking, dat ge bijna overal een
onbekommerd ter zijde zetten van het gevaar, eene luchthartige
onverschilligheid, ja zelfs wel de liefelijke bloem der hoop, in de
harten ontsluikende, vinden zult. Zoo gaat de zeeman vroolijk aan
boord, en denkt er zelfs niet aan, dat de golven zijn graf kunnen
worden. Daar is inderdaad, onder sommige opzichten, veel overeenkomst
tusschen het leven van den zeeman en dat van den mijnwerker, in
zoo verre beiden het onbekende trotseeren en ieder oogenblik door
den steeds dreigenden dood kunnen worden geveld. Ach, maar is dat
eigenlijk niet met ons allen het geval? En is het in werkelijkheid
wel zoo vreemd, dat zij, die van kindsbeen af dagelijks in dat gevaar
verkeeren, daarmede in het eind vertrouwd raken, en er even weinig
aan denken als wijzelven, wier gewaande veiligheid toch in den
grond der zaak even onzeker en bedriegelijk is? Alleen omdat wij,
niet aan die levenswijze gewoon zijnde, het gevaar in dezen vorm
zoo duidelijk zien, verbaast het ons, als wij nader kennis maken met
de talrijke bevolking van de vele dorpen, die zich rondom de mijnen
gevormd hebben, dat de vrees voor, en zelfs de gedachte aan het steeds
dreigende doodsgevaar, in het leven van den mijnwerker zoo luttel
plaats beslaat. Daar zijn er, ja, enkelen, in wier starre blikken ge
als het ware de ontzetting lezen kunt, door de verschrikkingen van den
afgrond hunner ziele ingeprent; maar, voor zoo ver de dierlijke arbeid
niet alle menschelijk gevoel heeft uitgedoofd en hen tot werktuigen
verlaagd, kenmerken de mijnwerkers van de Borinage zich veeleer door
eene ruwe, luidruchtige, buitensporige vroolijkheid, die zich vooral
op kermissen en feestdagen uit, en zelfs door den geesel der periodiek
wederkeerende crisissen nóg niet is gedoofd. Vroeger, toen de vraag
zoo groot was dat men tot iederen prijs den arbeid moest verhaasten
en vermenigvuldigen, toen was die vroolijke, opgewekte stemming een
natuurlijk gevolg van de overvloedige verdiensten. Te Jemmapes, te
Bergen, te Saint-Ghislain weet men nog te verhalen van de weelderige,
verkwistende levenswijze in die dagen, toen het voor de mijnwerkers
bijna het gansche jaar door kermis was. De vrouwen der mijnwerkers,
zoo zegt men, kleedden zich in zijde en fluweel, versierden zich
met goud en edelgesteenten, en hielden er eene meid op na. De mannen
dronken, in de herbergen en de danshuizen, champagne en fijne wijnen
en lieten zich de kostbaarste gerechten voorzetten. Maar de tijden
zijn sedert veranderd: met smullen en feestvieren is het gedaan: de
arme Borains mogen nu blijde zijn als zij in het noodigste kunnen
voorzien, en van dag tot dag, van jaar tot jaar, hebben zij te
kampen met het altijd dreigende gebrek. Doch de oude vroolijkheid
moge, door de moeielijke en zware tijden, eenigszins gedempt zijn,
uitgedoofd is zij niet, al heeft zij soms een bijsmaak gekregen,
die verre van geruststellend is. In hun luiden schellen lach klinkt
een toon van verborgen hartstocht, van bitterheid en toorn: hunne
vroolijkheid is vaak de onechte, ongezonde vroolijkheid van een volk,
dat zich ongelukkig voelt, zich verongelijkt acht en door wrokkende
wangunst wordt verteerd. Hier vinden de apostelen en predikers van het
socialisme een wel toebereiden, vruchtbaren akker; en met gretig oor
luisteren deze mannen en vrouwen naar de dwazen en verleiders, die in
de schrilste kleuren hun rampzalig lot afmalen, en hun een geluksstaat
voorspiegelen, waaraan de profeten zelven wel geen oogenblik gelooven,
maar waarvan de schildering er op berekend is om deze arme hersens te
verwarren en te ontvlammen, en in deze zoo licht bewegelijke gemoederen
de slechtste en gevaarlijkste driften en neigingen wakker te roepen.
Iemand, die de mijnwerkers zeer goed kende, zeide eens tot mij:
"Naar den eersten indruk oordeelende, zou men hen voor slecht en
verdorven houden; maar zij zijn veeleer ruw en onbeschaafd, zonder
eenig besef van wellevendheid en betamelijkheid. Daarbij komt dat zij
in de hoogste mate zorgeloos zijn en van sparen geen begrip hebben; zij
leven letterlijk van den eenen dag op den anderen, zonder zich in het
minst om de toekomst te bekommeren; zij staan geregeld in het krijt bij
den bakker en den kruidenier, en wanneer zij geld hebben, verspillen
zij het op de buitensporigste manier aan feesten en drinkgelagen, aan
weddenschappen, balspel en schijfschieten, waarvan zij hartstochtelijke
liefhebbers zijn. Ondanks hunne ruwe onbeschoftheid, hun gestadige
vechtpartijen en herhaalde botsingen met de justitie, zijn zij in
den grond niet boosaardig van natuur en wel te leiden."
Hij die zoo sprak, had geen ongelijk: het weinige geld dat zij
verdienen, wordt verbrast in de kroegen, roekeloos weggesmeten
of verdobbeld, want het spel is de grootste liefhebberij van die
mannen, die zelven voortdurend hun leven op het spel zetten; maar
wat mijn zegsman er niet bijvoegde, is dat al deze uitspattingen
en buitensporigheden, hun jenever drinken en hun dobbelen, in de
eerste plaats moeten dienen om hun hunne ellende te doen vergeten,
hun worstelen met het gebrek, het steeds dreigend doodsgevaar
waarin zij verkeeren, den openbaren verkoop wegens schuld van hun
armzaligen inboedel, den jammer van hun afschuwelijk bestaan in de
ingewanden der aarde. Voor dezen arbeid gebruikte de oude wereld haar
veroordeelde slaven en misdadigers; de mijnwerkers van de Borinage
heeten vrije mannen en staatsburgers; misschien zullen zij eerlang
kiezers zijn, en rusteloos preekt men hun de fraaie theorieën der
algemeene gelijkheid voor...... Aan welke zijde is de onbarmhartige
wreedheid, de demonische spotternij?