1. Wat bedoeld wordt met: „Om het rijk te regeeren moet men stellig
eerst zijne familie regelen,” beteekent: „Als men zijne familie niet
kan leeren, kan men (ook) andere menschen niet leeren. Daarom behoeft
de (Vorst die een) Kiün Tszʼ is, niet buiten zijne familie te gaan om
zijn leer voor den staat te volmaken. De Hiao, daarmede moet men zijn’
vorst dienen. De Ti (liefde en eerbied voor den ouderen broeder),
daarmede moet men zijne superieuren dienen. De Tszʼ (compassie),
daarmede moet men de menigte behandelen.
2. In de Kʼang Kao staat: „Als wakende over een kind”. Als het hart er
ernstig en oprecht naar streeft, ofschoon het niet altijd het precies
juiste zal doen, zal het er toch niet ver van af zijn. Er is nog geen
(meisje) geweest, die (eerst) opvoeden leerde, om later te huwen.
Dit artikel wil uitdrukken, dat Hiao, Ti, en Tszʼ (Compassie), zie
No. 1 hierboven, geen dingen zijn, die men met geweld expresselijk
moet krijgen, maar dat zij ingeboren en natuurlijk zijn en in het
menschelijk hart hun oorsprong hebben. De vorst moet over het volk
waken als een moeder „wakende over haar kind.” Het kind kan niet
spreken en zeggen wat het noodig heeft, maar als de moeder ernstig
streeft naar zijn welzijn, zal zij wel niet altijd precies alles
doen wat het noodig heeft, maar er toch ook niet ver van af zijn.
Dit is de grootheid van een liefhebbend hart, dat het vanzelf doet
wat voor het voorwerp dier liefde goed is. Zóó wordt een meisje
niet vooraf geleerd, hoe een kind op te voeden, en toch weet zij
het na haar huwelijk vanzelf. Zóó ook met den vorst. De Hiao, de Ti
en de Tszʼ, waarmede hij het volk bewaken en regeeren moet, zijn
eigen aan zijne natuur en in zijn hart geworteld.
3. Heeft ééne familie menschelijkheid, dan wordt de geheele staat
menschelijk, heeft ééne familie wellevendheid, dan wordt de geheele
staat wellevend. Is één mensch eerzuchtig en verdorven, dan wordt de
geheele staat verward en oproerig. Zóó is het met (den invloed) der
omstandigheden. Dit is waarom men zegt: „Eén woord kan een zaak
bederven, één mensch kan het rijk vestigen (in goed of kwaad).”
Met die ééne familie wordt hier stellig de familie van den vorst,
met dien éénen mensch de vorst zelf bedoeld. De vorst heeft den
voorspoed of het verderf van den staat in zijne hand.
4. Yaou en Shoen leidden het keizerrijk met menschelijkheid, en het
volk volgde hen. Kjeh en Cheu leidden het keizerrijk met geweld en het
volk volgde hen. Wat zij bevalen (van wetten) was tegenovergesteld aan
waar zij van hielden (van begeerten) en het volk volgde (hunne bevelen)
niet. Daarom moet de (Vorst die een Kiün Tszʼ) is, alles (eerst) zelf
hebben en dáárna van het volk verlangen dat het zelf (ook) heeft, en
moet alles (eerst) zelf niet hebben en dáárna van het volk verlangen,
dat het dit zelf óók niet heeft. Een mensch, die zichzelf wegcijfert en
(alles) niet wederkeerig op zichzelf doet slaan, en (toch) het volk
vermocht te leeren, heeft nog niet bestaan.
Kjeh was de laatste keizer der Hia dynastie, die door zijn
wangedrag de dynastie ten val bracht (1818 v. C). Cheu, of Cheu Sin
was de chineesche Nero, de laatste keizer der Yin dynastie, [58]
die, door koning Wĕns zoon Woe, van den troon verjaagd, zichzelf
met zijn paleis verbrandde (1122 v. C.).—De vorst, wordt in dit
artikel bedoeld, moet alles wat hij als wet of leer uitvaardigt,
allereerst op zichzelf doen slaan, en mag zichzelf daarin niet
wegcijferen als daarbuiten staande. Want van hém gaat juist alles
uit. Met het eerste „alles” wordt natuurlijk bedoeld „alle goede
dingen” en niet het tweede „alle slechte dingen.”
5. Daarom, het regeeren van den staat bestaat in het regelen van zijne
familie.
6. De Shi King zegt: Hoe teeder is die perzikboom! Hoe overvloedig is
zijn gebladerte! Het meisje gaat naar het huis van haar echtgenoot! Zij
zal haar familie (huishouden) behoorlijk regelen. Is de familie
geregeld zooals het behoort, dan kan men de menschen van den staat
leeren.
7. De Shi King zegt: „Zij dienen hun oudere broeders zooals het
behoort, zij doen hun plicht tegenover hun jongere broeders zooals het
behoort.” Dient (de Vorst) zijn oudere broeders en doet hij zijn plicht
tegenover zijn jongere broeders zooals het behoort, dan kan hij later
daarmede de menschen van den staat leeren.
8. De Shi King zegt: „Er is niets verkeerds in zijn houding.” Hij maakt
het volk der staten alom recht.—Als (de Vorst) als vader, als kind, als
oudere broeder, als jongere broeder geheel aan de wetten (van die
kwaliteiten) voldoet, dan maakt later het volk daar hun wet van.
De laatste zin zou, minder getrouw aan den origineelen tekst, maar
duidelijker uitgedrukt, ook kunnen vertaald worden: „Als (de vorst)
als vader, als zoon, als oudere broeder, als jongere broeder in al
die kwaliteiten volmaakt is, dan maakt het volk hem later tot hun
voorbeeld.”
9. Dit is de bedoeling van „Het regeeren van den staat bestaat in het
regelen van zijne familie.”