HOOFDSTUK IX.

1. Wat bedoeld wordt met: „Om het rijk te regeeren moet men stellig

eerst zijne familie regelen,” beteekent: „Als men zijne familie niet

kan leeren, kan men (ook) andere menschen niet leeren. Daarom behoeft

de (Vorst die een) Kiün Tszʼ is, niet buiten zijne familie te gaan om

zijn leer voor den staat te volmaken. De Hiao, daarmede moet men zijn’

vorst dienen. De Ti (liefde en eerbied voor den ouderen broeder),

daarmede moet men zijne superieuren dienen. De Tszʼ (compassie),

daarmede moet men de menigte behandelen.

2. In de Kʼang Kao staat: „Als wakende over een kind”. Als het hart er

ernstig en oprecht naar streeft, ofschoon het niet altijd het precies

juiste zal doen, zal het er toch niet ver van af zijn. Er is nog geen

(meisje) geweest, die (eerst) opvoeden leerde, om later te huwen.

Dit artikel wil uitdrukken, dat Hiao, Ti, en Tszʼ (Compassie), zie

No. 1 hierboven, geen dingen zijn, die men met geweld expresselijk

moet krijgen, maar dat zij ingeboren en natuurlijk zijn en in het

menschelijk hart hun oorsprong hebben. De vorst moet over het volk

waken als een moeder „wakende over haar kind.” Het kind kan niet

spreken en zeggen wat het noodig heeft, maar als de moeder ernstig

streeft naar zijn welzijn, zal zij wel niet altijd precies alles

doen wat het noodig heeft, maar er toch ook niet ver van af zijn.

Dit is de grootheid van een liefhebbend hart, dat het vanzelf doet

wat voor het voorwerp dier liefde goed is. Zóó wordt een meisje

niet vooraf geleerd, hoe een kind op te voeden, en toch weet zij

het na haar huwelijk vanzelf. Zóó ook met den vorst. De Hiao, de Ti

en de Tszʼ, waarmede hij het volk bewaken en regeeren moet, zijn

eigen aan zijne natuur en in zijn hart geworteld.

3. Heeft ééne familie menschelijkheid, dan wordt de geheele staat

menschelijk, heeft ééne familie wellevendheid, dan wordt de geheele

staat wellevend. Is één mensch eerzuchtig en verdorven, dan wordt de

geheele staat verward en oproerig. Zóó is het met (den invloed) der

omstandigheden. Dit is waarom men zegt: „Eén woord kan een zaak

bederven, één mensch kan het rijk vestigen (in goed of kwaad).”

Met die ééne familie wordt hier stellig de familie van den vorst,

met dien éénen mensch de vorst zelf bedoeld. De vorst heeft den

voorspoed of het verderf van den staat in zijne hand.

4. Yaou en Shoen leidden het keizerrijk met menschelijkheid, en het

volk volgde hen. Kjeh en Cheu leidden het keizerrijk met geweld en het

volk volgde hen. Wat zij bevalen (van wetten) was tegenovergesteld aan

waar zij van hielden (van begeerten) en het volk volgde (hunne bevelen)

niet. Daarom moet de (Vorst die een Kiün Tszʼ) is, alles (eerst) zelf

hebben en dáárna van het volk verlangen dat het zelf (ook) heeft, en

moet alles (eerst) zelf niet hebben en dáárna van het volk verlangen,

dat het dit zelf óók niet heeft. Een mensch, die zichzelf wegcijfert en

(alles) niet wederkeerig op zichzelf doet slaan, en (toch) het volk

vermocht te leeren, heeft nog niet bestaan.

Kjeh was de laatste keizer der Hia dynastie, die door zijn

wangedrag de dynastie ten val bracht (1818 v. C). Cheu, of Cheu Sin

was de chineesche Nero, de laatste keizer der Yin dynastie, [58]

die, door koning Wĕns zoon Woe, van den troon verjaagd, zichzelf

met zijn paleis verbrandde (1122 v. C.).—De vorst, wordt in dit

artikel bedoeld, moet alles wat hij als wet of leer uitvaardigt,

allereerst op zichzelf doen slaan, en mag zichzelf daarin niet

wegcijferen als daarbuiten staande. Want van hém gaat juist alles

uit. Met het eerste „alles” wordt natuurlijk bedoeld „alle goede

dingen” en niet het tweede „alle slechte dingen.”

5. Daarom, het regeeren van den staat bestaat in het regelen van zijne

familie.

6. De Shi King zegt: Hoe teeder is die perzikboom! Hoe overvloedig is

zijn gebladerte! Het meisje gaat naar het huis van haar echtgenoot! Zij

zal haar familie (huishouden) behoorlijk regelen. Is de familie

geregeld zooals het behoort, dan kan men de menschen van den staat

leeren.

7. De Shi King zegt: „Zij dienen hun oudere broeders zooals het

behoort, zij doen hun plicht tegenover hun jongere broeders zooals het

behoort.” Dient (de Vorst) zijn oudere broeders en doet hij zijn plicht

tegenover zijn jongere broeders zooals het behoort, dan kan hij later

daarmede de menschen van den staat leeren.

8. De Shi King zegt: „Er is niets verkeerds in zijn houding.” Hij maakt

het volk der staten alom recht.—Als (de Vorst) als vader, als kind, als

oudere broeder, als jongere broeder geheel aan de wetten (van die

kwaliteiten) voldoet, dan maakt later het volk daar hun wet van.

De laatste zin zou, minder getrouw aan den origineelen tekst, maar

duidelijker uitgedrukt, ook kunnen vertaald worden: „Als (de vorst)

als vader, als zoon, als oudere broeder, als jongere broeder in al

die kwaliteiten volmaakt is, dan maakt het volk hem later tot hun

voorbeeld.”

9. Dit is de bedoeling van „Het regeeren van den staat bestaat in het

regelen van zijne familie.”

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 80 / 107 题