HOOFDSTUK VIII.

1. Wat bedoeld wordt met: „Het regelen van de familie bestaat in het

verzorgen van zijn karakter,” (beteekent het volgende:) Als menschen

genegenheid en liefde voelen, zijn zij partijdig; als zij verachten en

haten, zijn zij partijdig; als zij in vreeze en in eerbied zijn, zijn

zij partijdig; als zij in droefheid en medelijden zijn, zijn zij

partijdig; als zij hooghartig en onverschillig zijn, zijn zij

partijdig. Zij, die liefhebben en (toch) het slechte (van wat zij

liefhebben) kennen, en zij, die haten en (toch) het goede (van wat zij

haten) kennen zijn weinigen onder den Hemel!

2. Daarom luidt een zegswijze: „Een mensch kent niet de slechtheid van

zijn zoon, en kent niet de rijpheid van zijn groeiend graan.”

3. Dit wordt bedoeld met: „Als het zelf (karakter) niet wordt verzorgd,

kan men er de familie niet mede regelen.”

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 78 / 107 题