Het bovenstaande is het drie en dertigste hoofdstuk. Tszʼ Szʼ, na zijne
beschrijvingen tot het opperste gebracht te hebben in de vorige
hoofdstukken, keert in dit hoofdstuk weer terug en beschouwt (het punt
van) oorsprong (van zijn onderwerp); dan weer, van het lagere werk (van
de studie) af, vrij van alle egoïsme, en wakende over zijn eenzaamheid,
zet hij zijne woorden (zijn rede) voort, tot het (verkrijgen van) den
strengen ernst en de reverentie, waarmede het geheele rijk tot de
volmaking van rust en vrede komt. Hij roemt verder de mystiek er van,
tot hij er op het laatst (van spreekt) als (te zijn) zonder geluid of
reuk. Hierna neemt hij den totalen (inhoud) van het geheele Werk, en
behandelt dat in het kort. In dit telkens herhalen, terechtwijzen en
onderrichten van de menschen was zijne bedoeling allerdiepst en
ernstig. Zal hij, die dit studeert, niet zijn uiterste best moeten
doen?