Choe Hie legt dit op de volgende wijze uit: „daar Chʼing geen
leêgheid of schijn heeft, heeft het vanzelf geen ophouding of
afbreking.”
2. Niet ophoudende, duurt het lang. Langdurende geeft het bewijs van
zijn bestaan.
3. Bewijs gevend van zijn bestaan reikt het ver. Ver-reikende wordt het
groot en (als stoffelijk) substantieel. Groot en substantieel, wordt
het hoog en schitterend.
4. Groot en substantieel, aldus bevat het alle dingen. Hoog en
schitterend, aldus overwelft het alle dingen. Ver-reikende en
langdurig, aldus volmaakt het alle dingen.
5. (Chʼing aldus) groot en substantieel (zijnde) is hij (die het
bereikt heeft) de gelijke van de Aarde; (Chʼing aldus) hoog en
schitterend (zijnde) is hij (die het bereikt heeft) de gelijke van den
Hemel; (Chʼing aldus) ver-reikende en langdurig (zijnde) is hij (die
het bereikt heeft) eindeloos.
Hier gaat de filosoof verloren in mystiek bij zijne apothéose van
den idealen mensch. Niet alleen, dat de mensch, die „Chʼing” heeft
bereikt, ál-wetend is, maar ook álomtegenwoordig, en in allen en
alles. Dit heeft veel van eene absorptie in de universeele Natuur,
zou ik bijna zeggen.
6. Aldus is de Chʼing zonder zich (zichtbaar) te vertoonen (vanzelf)
helder gemanifesteerd; zonder te bewegen veroorzaakt het (vanzelf)
veranderingen; vanzelf, uit den aard zijner natuur, volmaakt het.
7. De Tao van Hemel en Aarde kan met één zin uitgezegd worden: hij is
één-in-zich-zelf, en baart de dingen op een ondoorgrondelijke wijze.
Hier ziet men weer, dat Tao in sommige gevallen méér dan Weg moet
beteekenen, en meer in den zin „het principe van actie,” indien het
niet volkomen onvertaalbaar was. Choe Hie merkt hierbij op dat
„Ching” vanzelf dat „één-in-zich-zelf zijn” van Tao medebrengt.
Letterlijk staat er niet één-in-zich-zelf, maar „zonder tweede”,
„zonder dubbel”.
8. De Tao van Hemel en Aarde is groot en substantieel, hoog en
schitterend, ver-reikend en langdurend.
Dezelfde eigenschappen dus als van „Chʼing”. Dat het hier niet
zóómaar „Weg” kan beteekenen is duidelijk. Het is ondoenlijk,
precies die ìn-chineesche begrippen als „Chʼing” en „Tao” te
doorvoelen en dan uit te drukken in een europeesch woord.
9. De Hemel van nu (boven ons) is maar wat schittering; maar in al Zijn
eindeloosheid beschouwd, zijn zon, maan, sterren en sterrenbeelden er
in opgehangen, en overdekt Hij alle dingen. De Aarde van nu (vóór ons)
is slechts een handvol aarde, maar in al Hare uitgebreidheid en dikte
beschouwd, steunt Zij bergen als de Hwa Yoh, zonder hun zwaarte te
voelen, beweegt rivieren en zeeën, zonder te lekken, en bevat
tienduizend (alle) dingen. De berg nu (vóór ons) is slechts een stuk
steen; maar in al de uitgestrektheid van zijn grootte beschouwd, brengt
hij gras en boomen voort, vogels en beesten wonen er op, en
kostbaarheden zijn er in verborgen. Het water nu (vóór ons) is slechts
een lepel vol, maar in zijn onpeilbare diepten worden er de grootste
schildpadden, krokodillen, draken, visschen en zeeschildpadden in
voortgebracht, en bevat het koopwaren en dingen van waarde in
overvloed.
Het verband tusschen dit nummer en de vorige is niet heel direct.
Het komt mij voor, een symbool te geven van de tallooze dingen, die
door de „Chʼing” van Hemel en Aarde worden voortgebracht, de
immense verscheidenheid, geproduceerd door het Ééne. Maar dan zou
hier die zuiver stoffelijke werking als symbool moeten dienen ook
voor de spiritueele, en het is lang niet met zekerheid te bepalen,
of Tszʼ Szʼ dit wel bedoelde.
10. De Shi King zegt: „Hoe majestueus en eindeloos zijn de
beschikkingen des Hemels!” De bedoeling is, dat dáárom (juist) de Hemel
de Hemel is. (En ook zegt de Shi King:) „O! hoe doorluchtig was de
puurheid van koning Wĕn’s deugd!” De bedoeling is, dat dáárom (juist)
koning Wĕn Wĕn was. Puurheid is eveneens zonder ophouden (eindeloos).
Men ziet hier, hoe opzettelijk een der oude Wijzen, koning Wĕn van
Chow, met den Hemel vergeleken wordt. Hier komt in den tekst een
karakter „shoen” voor, dat eigenlijk beteekent „rein, puur als
witte zijde.” Met die „puurheid” is vanzelf ook bedoeld
„volmaaktheid” van de Sing, den éénen, reinen staat van oorsprong
der Sing.