1. De Meester zeide: „Hoe vèr reikte de Hiao [50] van koning Woe en den
hertog van Chow!”
2. Nu, de Hiao is het goed voortzetten van de wenschen der voorvaderen,
het goed voortzetten van de zaken der voorvaderen.
3. In de lente en in den herfst herstelden zij de voorvaderlijke
tempels, rangschikten zij de voorvaderlijke offervazen, maakten zij de
gebruikelijke gewaden in orde, en offerden de offeringen der seizoenen.
4. Door de ceremoniën van den voorvaderlijken tempel onderscheidden zij
de (keizerlijke) bloedverwanten volgens hun afstamming. Door het
regelen volgens den adellijken rang onderscheidden zij aanzienlijken en
minderen. Bij het regelen der diensten onderscheidden zij talent en
bekwaamheid. Bij de ceremonie van het drinken boden de lageren den
beker aan de hoogeren en kregen (dus) óók iets (in die ceremonie) te
doen. Bij het (tot besluit aangerichte) feest werden de plaatsen
geregeld volgens het haar, en zoo werden de jaren (van leeftijd)
onderscheiden.
5. Zij namen de plaats in van hun voorvaderen, verrichtten hunne
ceremoniën, speelden hun muziek. Zij vereerden diegenen, die hun
voorvaderen hadden vereerd, hadden diegenen lief, die hun voorvaderen
hadden liefgehad. Zóó dienden zij de dooden, zooals zij de levenden
zouden gediend hebben; zij dienden de verschenenen, zooals zij hen
zouden gediend hebben indien zij bij hen waren gebleven. Dit is de
opperste Hiao.
6. Met de ceremoniën aan den Hemel en de Aarde dienden zij Shang Ti, en
met de ceremoniën van den voorvaderlijken tempel dienden zij hun
voorvaderen. Hij, die de ceremoniën van de offeringen aan Hemel en
Aarde, en de bedoeling van de verschillende offeringen aan de
voorvaderen begreep, zou de regeering van een koninkrijk even
gemakkelijk vinden als het kijken in zijn handpalm.
Wij zien uit een en ander dat de Hiao niet enkel bestaat uit het
liefhebben en eerbiedigen van de ouders, maar ook uit het navolgen
van hun leven, het treden in hun voetspoor. Zóó staat in de „Loen
Yü” dat men eerst van iemand zeggen kan dat hij Hiao heeft als hij
drie jaren na zijn’s vaders dood niet afgeweken is van diens
gedragslijn. Het buitengewoon gewicht, dat Confucius aan ceremoniën
van de Lí hechtte, schijnt wel wat overdreven, maar men vergete
hierbij vooral niet, dat hij het begaan van Tao daarvan
onafscheidelijk achtte, en het hem niet om den uiterlijken schijn
te doen was, maar om het ware wezen er van, de reverentie, die er
mede werd uitgedrukt. Zoo zegt hij („Loen Yü,” Boek XVII) zeer
terecht: „Zijn edelsteenen en zijde (die bij ceremoniën worden
gedragen) dan alles wat bedoeld wordt met de Lí?” Zóó opgevat, als
symboliek van de reverentie voor het diviene, wordt Confucius’
hooge opvatting van de Lí begrijpelijker. Het eerbiedigen der
familiebetrekkingen en der rangen en standen was eveneens voor hem
niet zoozeer bekrompenheid als wel eerbied voor de „hemelsche orde
der dingen.”