HOOFDSTUK XIX.

1. De Meester zeide: „Hoe vèr reikte de Hiao [50] van koning Woe en den

hertog van Chow!”

2. Nu, de Hiao is het goed voortzetten van de wenschen der voorvaderen,

het goed voortzetten van de zaken der voorvaderen.

3. In de lente en in den herfst herstelden zij de voorvaderlijke

tempels, rangschikten zij de voorvaderlijke offervazen, maakten zij de

gebruikelijke gewaden in orde, en offerden de offeringen der seizoenen.

4. Door de ceremoniën van den voorvaderlijken tempel onderscheidden zij

de (keizerlijke) bloedverwanten volgens hun afstamming. Door het

regelen volgens den adellijken rang onderscheidden zij aanzienlijken en

minderen. Bij het regelen der diensten onderscheidden zij talent en

bekwaamheid. Bij de ceremonie van het drinken boden de lageren den

beker aan de hoogeren en kregen (dus) óók iets (in die ceremonie) te

doen. Bij het (tot besluit aangerichte) feest werden de plaatsen

geregeld volgens het haar, en zoo werden de jaren (van leeftijd)

onderscheiden.

5. Zij namen de plaats in van hun voorvaderen, verrichtten hunne

ceremoniën, speelden hun muziek. Zij vereerden diegenen, die hun

voorvaderen hadden vereerd, hadden diegenen lief, die hun voorvaderen

hadden liefgehad. Zóó dienden zij de dooden, zooals zij de levenden

zouden gediend hebben; zij dienden de verschenenen, zooals zij hen

zouden gediend hebben indien zij bij hen waren gebleven. Dit is de

opperste Hiao.

6. Met de ceremoniën aan den Hemel en de Aarde dienden zij Shang Ti, en

met de ceremoniën van den voorvaderlijken tempel dienden zij hun

voorvaderen. Hij, die de ceremoniën van de offeringen aan Hemel en

Aarde, en de bedoeling van de verschillende offeringen aan de

voorvaderen begreep, zou de regeering van een koninkrijk even

gemakkelijk vinden als het kijken in zijn handpalm.

Wij zien uit een en ander dat de Hiao niet enkel bestaat uit het

liefhebben en eerbiedigen van de ouders, maar ook uit het navolgen

van hun leven, het treden in hun voetspoor. Zóó staat in de „Loen

Yü” dat men eerst van iemand zeggen kan dat hij Hiao heeft als hij

drie jaren na zijn’s vaders dood niet afgeweken is van diens

gedragslijn. Het buitengewoon gewicht, dat Confucius aan ceremoniën

van de Lí hechtte, schijnt wel wat overdreven, maar men vergete

hierbij vooral niet, dat hij het begaan van Tao daarvan

onafscheidelijk achtte, en het hem niet om den uiterlijken schijn

te doen was, maar om het ware wezen er van, de reverentie, die er

mede werd uitgedrukt. Zoo zegt hij („Loen Yü,” Boek XVII) zeer

terecht: „Zijn edelsteenen en zijde (die bij ceremoniën worden

gedragen) dan alles wat bedoeld wordt met de Lí?” Zóó opgevat, als

symboliek van de reverentie voor het diviene, wordt Confucius’

hooge opvatting van de Lí begrijpelijker. Het eerbiedigen der

familiebetrekkingen en der rangen en standen was eveneens voor hem

niet zoozeer bekrompenheid als wel eerbied voor de „hemelsche orde

der dingen.”

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 33 / 107 题