1. De Meester zeide: „Hoe groot was de Hiao van Shoen! Zijn deugd was
die van den wijze. Zijn eerwaardigheid was die van den keizer. Zijn
rijkdom die (welke bevat was binnen al) de vier zeeën. Hij deed zijne
offeringen in den voorvaderlijken tempel, en zijne kinderen en
kleinkinderen zorgden steeds voor de offeringen aan hem.
2. Daarom, de groote deugd krijgt stellig haar (verdiende) positie,
stellig haar jaarwedde, stellig haar roem, stellig een lang leven.
3. Aldus is het, dat de Hemel in het voortbrengen der dingen mild is
volgens hun natuur (hoedanigheden). De (gezaaide) bloeiende (boomen)
ondersteunt Hij. De ten val neigenden werpt Hij om.
4. De Shi King zegt: „De eerbiedwaardige, gelukwaardige prins! Hij deed
eerwaardiglijk zijn groote deugd zien, hij regelde het volk en regelde
zijne ambtenaren, hij kreeg zijne jaarwedde van den Hemel. De Hemel
beschermde hem, stond hem bij en beschikte dat hij den troon zou
krijgen; zendende herhaaldelijk deze gunsten van den Hemel.”
5. Daarom, zij die de groote deugd hebben, krijgen stellig de belooning
van den Hemel.
Het „jaarwedde” dat in dit hoofdstuk in ’t hollandsch eenigszins
vreemd klinkt is in ’t chineesch „loeh” en dit woord is een der
drie heilige en gelukaanbrengende karakters „foeh” (geluk), „loeh”
(jaarwedde van mandarijnen), en „sjoe” (lang leven). Dit „loeh”
wordt eveneens uitgesproken als „loeh” hert, en vandaar, dat men in
chineesche decoraties op zijde, in bouwstijl enz. veel een hert
ziet gebezigd, wat dan jaarwedde beteekent. Zoo ziet men voor
„foeh” dikwijls een reiger, daar deze eveneens een gelijkluidenden
naam draagt.
Met den „prins” in No. 4 wordt koning Wĕn, van Chow bedoeld.
Het is curieus, Confucius, wiens deugd nooit beloond werd, zulke
optimistische woorden als hierboven te hooren uitspreken. Shoen
werd 100 jaar oud, vandaar ook de toespeling op het lange leven.