INLEIDING TOT DE FILOSOFIE VAN CONFUCIUS. [2]

De meeste vertalers van Confucius, ook de eminente professor Legge,

hebben zich beijverd om overal, waar dit maar eenigszins mogelijk is,

de confucianistische filosofie te vergelijken met het christendom, om

dan het laatste te verheffen, en de eerste als gebrekkig en inferieur

te doen uitkomen. Ik geloof dat het beter is, dit geheel na te laten,

en enkel de hoofdprincipes van Confucius’ filosofie op zich zelf aan te

geven. Uit de vertaling van het werk, dat ik overal met aparte noten

heb duidelijk gemaakt, vorme de ontwikkelde lezer zich dan zelf een

oordeel. Toen Confucius eens, omringd van zijne discipelen, aan ’t

oreeren was, zeide hij aan zijn leerling Tseng: „Mijn Leer is een

éénheid, die alles samenhoudt.” En hiermede gaf hij de essence aan van

zijn geheele filosofie.

Die éénheid, van welke hij uitging, was de goddelijke natuur in den

mensch, die hij de Sing noemde. Dat, wat de Hemel als natuur aan den

mensch heeft verleend, was de Sing. Deze Sing was, hemelsch zijnde,

absoluut rein, en was in alle menschen. Het hoogste levens-bewegen, dat

den mensch in den oorspronkelijken, reinen staat kon behouden, was het

altijd volgzaam zijn aan de Sing, en dit levens-bewegen, dit Pad van

het goede leven, noemde Confucius Tao. Het begaan van Tao was dus ook

vanzelf het beoefenen van alle deugden, die uit den aard der Sing aan

den mensch eigen waren, als b. v. oprechtheid, rechtvaardigheid,

plichtmatigheid, menschlievendheid, enz. enz., die allen hun wortel

hadden in de hoofddeugd, die hij Hiao noemde, dat is de liefde, de

eerbied en de gehoorzaamheid van het kind voor de ouders, en vooral den

vader. Aan het hebben van al deze deugden te zamen gaf hij den naam

„Jên.”

Dit woord „Jên”, in chineesch karakter voorgesteld door een teeken dat

„mensch” is, gecombineerd met een dat „twee” is (alzoo „twee menschen,

vereenigd in één”) beteekent meestal in ’t chineesch

„menschlievendheid”, vooral in boeddhistische werken, [3] maar in de

meeste gevallen beteekent het in Confucius, zooals de wijze commentator

Choe Hie dat zoo juist uitdrukte „de volmaakte deugd van het

oorspronkelijke hart.” Ik heb dit woord „Jên,” om het idee mensch er in

te behouden, dat grafisch in ’t chineesche karakter is uitgedrukt,

vertaald door „menschelijkheid,” [4] en waarschuw den lezer vooruit,

dit toch vooral in dezen chineeschen zin op te vatten, en niet als

humaniteit, of menschlievendheid.

De toepassing van Confucius’ filosofie van het Éene, dat alles

samenhoudt, onderscheidde hij in twee deelen, die in ’t chineesch al

dadelijk uit de schrijfwijze der karakters kan gevoeld worden.

Het eene n.l., „chung” wordt weergegeven door een samengesteld

karakter, dat bestaat uit het karakter „midden” met het karakter „hart”

er onder (dus het centrumhart, het eigen hart, ik zelf), het andere

„shoe” wordt uitgedrukt door een eveneens samengesteld karakter, n.l.

uit een, dat „evenals” beteekent, en hetzelfde „hart” er onder

(waarmede bedoeld wordt „ik in sympathie met anderen, die evenals ik

zijn”). Het eene „chung” duidt aan, dat de mensch zijn eigen karakter

moet verzorgen, zijn eigen Sing reinhouden, het andere „shoe” dat hij

steeds moet bedenken, dat anderen „evenals hij” zijn, en hij dus ook

die anderen in dat verzorgen moet helpen. In verband hiermede staat het

gezegde uit de „Choeng Yoeng”: „Wat gij niet wilt dat aan U zelven

gedaan wordt, doe dat aan anderen niet.” De mensch moet dus niet alleen

Tao begaan, maar ook anderen helpen om Tao te begaan. Het volgen van de

Sing, d. i. het gaan in den levensweg Tao, is voor het grootste

gedeelte der menschen niet te doen zonder eene bepaalde regeling,

zonder onderricht. Dit onderricht aan de menschen, dat hen in staat

stelt, Tao te begaan, noemde Confucius Kiao.

Deze drie dingen, Sing, de hemelsche natuur,—Tao, het volgen van de

Sing,—en Kiao, het onderricht, het regelen van Tao, vormen de basis van

het werk Choeng Yoeng.

Alle menschelijke zonde en misère volgt uit het afwijken van Tao, (dus

eveneens van de Sing), leert Confucius verder. De schitterende deugd,

die uit den aard van de Sing aan den mensch eigen is, wordt in het

leven verduisterd, en wel vooral door het egoïsme en de begeerten. De

regeling van Tao, of het Onderricht (de Kiao), brengt dus vanzelf mede,

dat die oorspronkelijke, schitterende deugd aan het volk wordt

duidelijk gemaakt en helder getoond, zoodat het haar kan beseffen, en

het, als oud geworden als het was, daardoor wordt opgewekt tot een

nieuw leven in Tao. Verder zou het resultaat hiervan zijn dat het niet

meer afweek, maar eeuwig bleef leven in het opperste Goede.

Dit heldermaken van de schitterende deugd, deze hernieuwing van het

volk, en deze rust in het opperste Goede (d. i. in de goddelijke

natuur, de Sing) is de basis van het tweede, groote confucianistische

werk, de Ta Hiŏh (lett. vertaald: „De groote Leering”).

Confucius geeft verder geen beschrijving van de Sing, en gaat niet

verder dan de bepaling, dat zij van „den Hemel” aan de menschen is

gegeven, zonder ook zijn idee „de Hemel” nader te omschrijven.

Het komt mij heel waarschijnlijk voor, dat de wijsgeer hier wel veel

meer over had kunnen zeggen, maar dat hij het met opzet niet deed. Want

het karakteristieke van Confucius’ filosofie is, dat zij enkel

behandelt het leven der menschen, en hun voorschrijft hoe zij moeten

bewegen, en in welke orde zij zich moeten schikken, om gedurende hun

leven de Sing te volgen, d. i. Tao te begaan;—maar dat zij stelselmatig

blijft zwijgen over zulke dingen als den dood, en het leven na den

dood. Confucius leefde dus vooral voor zijn medemenschen, en wel om hen

te leeren, het leven in Tao door te gaan. [5] Maar over dingen buiten

het leven sprak hij niet, waaruit men, meen ik, nog niet de

gevolgtrekking mag maken, dat hij er niets van wist, of vermoedde.

Confucius’ werk verschilt hierin essentieel van dat van Lao Tszʼ,

Chuang Tszʼ, Lieh Tszʼ, en andere filosofen, die in mysteriën van

metaphysica doordringende, hoog boven het gewone leven uit, zich

wegdroomden in eindelooze meditaties.

Het ligt voor de hand, dat Confucius, het leven van de menschen

beschouwende in den tijd tusschen geboorte en dood, zich vanzelf zou

wijden aan de studie der inrichting van het groote geheel, dat zij te

zamen vormden, den Staat. Zijne filosofie werd daardoor, behalve een

moreel, in de eerste plaats een politiek systeem, en zij werd de

verglorieïng van eene ideale regeering, gevoerd door een ideaal vorst.

Wie anders dan de vorst moest het volk leiden, moest hun verduisterde

deugd weer hernieuwen tot reinheid, moest hun leeren, Tao te begaan?

Van dit hoofdidee uitgaande, dat de vorst de Leeraar moest zijn, op

wien de plicht van Kiao,—leering rustte, verklaarde hij verder, dat de

vorst in de eerste plaats zelf zijn Sing, en dus ook zijn Jên—volmaakte

deugd—rein moest houden, en Tao begaan. Als voorbeelden van zulke

ideaal-vorsten beschouwde hij de oude keizers Yaou, Shoen, Yu en

Thʼang, de koningen Wên en Woe van Chow, en anderen, zoodat zijn werken

vol zijn van toespelingen op die gestorven souvereinen, die zijn ideaal

hadden belichaamd. Zijne verheerlijking van dit ideaal ging zóó ver,

dat hij bij deze gelegenheden dikwijls buiten zijn beperkte plan ging

om alleen van het gewone leven te leeren, en op de onsterfelijke natuur

van den mensch toespeelde door te zeggen, dat deze oude Wijzen één

waren met den Hemel, en met Hem deelnamen aan al Zijne acties en

operaties, zoodat zij op alles en allen een transformeerenden invloed

konden uitoefenen.—Ook verklaarde hij, dat zij het Al-Weten bezaten.

Daar de regeling van den Tao, van de opwekking van het volk tot het

volgen van zijn goddelijke natuur dus, het allergewichtigste ding was

voor een vorst, was ook vanzelf het allergewichtigste, dat hij voor

zijne ministers en ambtenaren ook menschen uitkoos, die zelf hun Sing

volgden, en Tao begingen. De hoofdplicht was dus, volgens het oordeel

van Confucius, voor den vorst het kiezen van de goede ambtenaren, en

het ontslaan van de slechte. Een inbreuk hierop was een der grootste

fouten, die een vorst kon begaan, omdat hij dan de Leering aan het volk

onmogelijk maakte, en dus hun oorspronkelijke deugd verduisterd zou

blijven, iets waarmede hij zich tegelijk schuldig maakte aan het niet

betrachten van „shoe”, de plicht, om niet alleen de eigen natuur, maar

ook die van anderen te verzorgen.

De vorst was, volgens Confucius, geen vorst om zijn enkelen rang, maar

om zijn volmaakte deugd, de reinhouding en het volgen van de hemelsche

Sing, het begaan van Tao. De regeering had dus haar basis in de Sing,

en daarom waren alle instellingen van eene goede regeering heilig, en

in overeenstemming met het principe van den Hemel.

Zooals Confucius het ideaal beschreef van een vorst, zoo gaf hij ook in

al zijne leeringen het ideaal, van wat wij in europeesch begrip „een

goed mensch” zouden kunnen noemen, en hij gaf dezen de benaming van

Kiün Tszʼ (letterlijk verklaard: „de prinselijke mensch”). De mensch,

zooals hij wezen moest volgens Confucius, van den laagste tot den

hoogste, eenmaal Kiün Tszʼ genoemd zijnde, vond ik het beter, het

chineesche woord niet te vertalen, en het origineele Kiün Tszʼ te

behouden.

De Kiün Tszʼ was wel het ideaal, maar niet het hoogste ideaal van een

mensch, dat Confucius zich voorstelde, want de allerhoogste mensch was

voor hem de „Shing Jen”, d. i. de Wijze, die de gelijke was van den

Hemel, en met den hemel gelijk ageerde en transformeerde. Zijne

conceptie van den Wijze is het vooral, die den aandachtigen lezer doet

vermoeden, dat Confucius van veel hooger dingen voorgevoelens had, dan

de inrichting van de regeering, en het regelen van het menschenleven en

de menschelijke betrekkingen in den korten tijd tusschen geboren worden

en sterven. Zijn Kiün Tszʼ was het model en het ideaal van den mensch

in het leven der maatschappij, Zijn Wijze, dunkt mij, was daarbij ook

nog het ideaal van den mensch met zijn hoogere leven in betrekking tot

wat hij „de Hemel” noemde.

Iets lager nog dan de „Shing Jen” of Wijze, staat nog de „Hjen Jen”,

wat wij zouden kunnen vertalen door „Eerwaardige Mensch”. Tot deze

„Hjen Jen” behooren o. a. de discipelen Yen Youen (Hwoey), Tszʼ Loe, de

filosoof Choe Hie, e. a.

De „Kiün Tszʼ”, de „Hjen Jen” en de „Shing Jen” zijn alzoo de drie

hoogste klassen van menschen.

De mindere menschen duidde Confucius aan met den naam „Siao Jên”, d.

i., „kleine mensch”, waarin klein in den zin van gemeen, verachtelijk

is te nemen. Overal in Confucius’ werk vinden wij de contrasten

tusschen den „Kiün Tszʼ” en den „Siao Jên,” waarin hij den eerste als

ideaal, en den tweede als afschrikwekkend voorbeeld stelde.

De grootste moeilijkheid, die eene vertaling van oude chineesche

klassieken oplevert, is de onmogelijkheid om sommige apart chineesche

begrippen in een europeesch equivalent weer te geven. Er zijn

chineesche begrippen in één karakter, die in één europeesch woord

absoluut onvertaalbaar zijn, en die met omschrijving wel dicht te

benaderen, maar nooit geheel te bereiken zijn. [6] De meeste vertalers

hebben voor zulke begrippen dan ook de woorden gegeven, die er het

dichtst bijkwamen. Ik heb gemeend, beter te doen, door die chineesche

woorden in ’t geheel niet te vertalen of zeldzaam, en dan telkens, door

het idee te omschrijven en te ontwikkelen, het zoodoende langzamerhand

den lezer te doen voelen, zooals de chinees het voelt.

Onder deze begrippen zijn wel de moeilijkste Tao en Lí. Het karakter

Tao, in alle drie leeren op dezelfde wijze geschreven, heeft namelijk

in de confucianistische, taoïstische en boeddhistische werken een

geheel verschillende beteekenis. Door dit Tao met een europeesch woord

te vertalen gaat men deze vertaling allicht in de drie verschillende

filosofieën gebruiken, wat tot verwarring en verminking leidt. Ik

waarschuw er dus uitdrukkelijk voor, dat de lezer in dit werk het

begrip Tao alleen in den confucianistischen vorm moet opvatten, en

daarbij moet bedenken, dat het iets anders is dan in de werken van Lao

Tszʼ of van de boeddhistische scholen.

Het karakter Lí dat minder gevaarlijk is, dan het vorige, daar zijn

beteekenis in de geheele litteratuur ongeveer dezelfde is, levert enkel

de moeilijkheid op, dat het onvertaalbaar is. Het woord „Decorum” komt

er het dichtste bij, maar sluit het begrip niet geheel in zich. Want

beteekent bij ons Decorum eenvoudig eene inachtneming van een zeker

ceremonieel, en van beleefdheidsvormen, zooals die in de maatschappij

met door den tijd telkens veranderende wetten is aangenomen, in het

chineesch beteekent de Lí iets veel heiligers, iets dat eigen is aan en

voortspruit uit het hemelsche principe in den mensch. Zooals Choe Hie

zegt „de Lí is de kuische beschaving van het principe van den Hemel.”

Aan de studie van deze Lí is een apart heilig boek gewijd, de „Lí Ki”

die tot de vijf groote Kings behoort. Van zóóveel gewicht is de Lí, dat

do Tao, de deugd, de menschlievendheid en de plichtmatigheid zonder Lí

niet volmaakt zijn, naar de Lí Ki verklaart; en dat het niet hebben van

Lí niets anders is dan „het egoïsme van het zelf.” Wel een bewijs, dat

de Lí iets veel hoogers is dan ons Decorum. Daar Choe Hie de Lí noemde

de „beschaving” (wen) van het hemelsche principe, bedoelde hij met dit

„beschaving” weer „het zichtbaar te voorschijn komen van den Tao”,

zoodat men, al deze dingen te zamen beschouwende, wel kan zeggen dat de

Lí haar oorsprong heeft in de Sing, de goddelijke natuur, en een soort

divine stijl is, waarin de Kiün Tszʼ leeft en beweegt, in welken men de

hemelsche Sing kan herkennen, als in een gothieke kerk de adoratie voor

God. Men zou Lí dus misschien wel kunnen vertalen met „de reverente

stijl van het levens-bewegen volgens de hemelsche natuur, inwendig in

den mensch zelf, en uitwendig naar buiten, in de gemeenschap.”

Ook de titel van het werk „Choeng Yoeng” levert groote moeilijkheid op

voor eene vertaling. Het is door verschillende geleerden vertaald, b.

v. door „l’Invariable Milieu” (Rémusat), door „Golden Medium” (Collie),

door „Constant Medium” (Morrison), door „Medium constans vel

sempiternum” (Intorcetta), enz. enz. Ik heb den chineeschen titel

behouden, daar uit het werk genoegzaam blijkt, welke de beteekenis

daarvan is. Choeng Yoeng is n.l. een toestand van den mensch, ik zou

bijna zeggen van de menschenziel, waarin Choeng beteekent „zonder

(over)neiging zijn naar een of andere zijde” en Yoeng „zonder

verandering zijn.” De toestand van Choeng is natuurlijk de hoogste

staat, dien de mensch, die dan een Wijze is, kan bereiken, een staat,

waarin geen bewegen in hem is van pleizier, toorn, droefheid of

vreugde, en deze toestand is alleen te verkrijgen door het begaan van

Tao, het precies volgen van de Sing. Vandaar, dat Tao geen enkel

oogenblikje mag verlaten worden (wat overneiging, afwijking zou zijn),

anders, is er uitdrukkelijk bij gezegd, „zou het geen Tao zijn”.

Als wij een filosofisch systeem willen beschouwen, om er dat van

Confucius, waar het een politiek is, mede te vergelijken, doen wij,

meen ik, het beste, de politieke ideeën in Plato’s filosofie daarvoor

te nemen. Dit niet om den vorm echter, die in Plato’s werken volmaakt

is, en in Confucius’ werken, althans zooals zij overgeleverd zijn, als

geheel vol hiaten. In Plato is een klare, heldere logica, die ons

geleidelijk stap voor stap van het eene punt naar het andere voert, in

Confucius gaat het dikwijls over groote leegten met sprongen vooruit,

en is de studie veelal een tasten en gissen naar wat hij met zijne

zinspelingen eigenlijk bedoelt. Ook is Plato harmonischer, en verheft

zijne filosofie zich op veel reiner ideeënvlucht in pure subliemheid

hooger en hooger naar Gods eigen wezen.

Toch is er naast zeer groote verschillen op vele punten overeenkomst

tusschen Confucius en Plato. Zegt Confucius, dit alle menschen, van den

Hemel de Sing als natuur hebbende, oorspronkelijk goed zijn, en dat

deze, verduisterd zijnde, door Leering weer moet verreind worden; dus

dat deze Sing de bron is van alle menschelijke deugden, ook Plato

leerde dat „de menschelijke ziel bemint van nature die volmaakte vormen

van goedheid, waarheid en schoonheid, wanneer zij ze aanschouwt; maar

deze liefde kan door opvoeding hetzij ontwikkeld worden, hetzij

uitgebluscht.” [7] Zegt Confucius, dat dus de staat zóó moet ingericht

zijn, dat de vorst en zijne ministers vóór alles menschen moeten zijn,

wier Sing zelf rein is, Plato leerde eveneens dat het dan daarom ook

behoort dat „in een volmaakten staat de opvoeding van alle burgers moet

geregeld worden door hen, die reeds liefde koesteren voor de volmaakte

en hoogere vormen en moet daar alles uitgesloten worden, dat aan die

liefde afbreuk kan doen.”[7] Beiden, Confucius en Plato, hebben dan ook

niet alleen den goddelijken oorsprong van den mensch aangenomen, maar

óók een’ idealen staat verheerlijkt, op dien oorsprong gebaseerd. Een

der hoofdprincipes van Plato uitgedrukt in zijn „Wetten”: „Het is ook

de ziel op de meest reëele en complete manier onteeren door de

schoonheid te verkiezen boven de deugd,” uit zich eveneens in

Confucius’ klacht „Het is gedaan! Ik heb er nog niet een gezien, die de

deugd bemint zooals hij de schoonheid bemint!” [8]

Evenals Confucius neemt Plato aan dat de ouderlijke liefde, de liefde

en eerbied voor de ouders, de Hiao dus, in ’t chineesch gezegd, een der

allereerste plichten is, en mét Confucius verklaart hij, dat het

allerrechtvaardigste recht van superioriteit over anderen is dat,

„hetwelk aan den onwetende beveelt om te gehoorzamen, en aan den Wijze

om te regeeren en te bevelen. [9]

Dit hoofdprincipe voor de regeering en de inrichting van een staat is

dus bij Plato en Confucius hetzelfde, terwijl beiden bovendien dikwijls

de inrichting van eene familie met die van den staat vergelijken. En

het essentieele chineesche idee, dat van de geheele chineesche moraal

de basis is, kon niet zuiverder chineesch zijn uitgedrukt dan in

Plato’s „Vervolgens moeten wij de makers van onze dagen vereeren

gedurende hun leven; dit is de eerste, de grootste, de meest onmisbare

van alle schulden; men moet zich overtuigen, dat al de goederen, die

men bezit, behooren aan hen, van wie wij de geboorte en de opvoeding

hebben ontvangen, en dat het past die zonder voorbehoud te wijden aan

hún dienst, te beginnen met de goederen van het fortuin, vandaar komend

op die van het lichaam, en eindelijk op die van de ziel; hun met woeker

teruggevende de zorgen, de moeite, en de werken, die onze jeugd hun

eertijds heeft gekost, en onze attenties verdubbelende naarmate de

gebreken van den ouderdom die meer noodzakelijk maken.” [10]

Ook omtrent het ware wezen der offeringen is veel analoogs in beide

wijsgeeren te vinden. En geloofde Confucius, dat eenmaal de

ideaal-staat, dien hij verheerlijkte, werkelijk had bestaan onder de

keizers Yaou en Shoen, die hij dan ook als Wijzen beschouwde, als

menschen, absoluut superieur aan alle anderen, menschen die ál-wetend

waren en gelijken van den Hemel, ook Plato nam aan, dat er ten tijde

van Saturnus, véél eeuwen vóór de bekende regeeringen, „een regeering

was, een volmaakte administratie, waarvan het beste gouvernement van

heden slechts een imitatie is,”[10] en die dan ook werd bestuurd, niet

door gewone menschen, „maar Intelligenties van een fijnere en diviener

natuur dan de onze,”[10] die hij demonen noemde. Zooals Yaou en Shoen

deden, gaven deze demonen dan ook aan het volk „vrede, kuischheid,

vrijheid en recht.” Precies in het systeem van Confucius passen dan ook

Plato’s verdere woorden „dat onze plicht is, om het dichtst mogelijk te

naderen tot de regeering van Saturnus (lees in ’t chineesch „Yaou en

Shoen”) en de leiding van ons publieke en private leven toe te

vertrouwen aan het onsterfelijke deel (lees: Sing) van ons wezen en den

naam „wetten” te geven aan de voorschriften uitgevloeid uit onze Rede,

en die voor gidsen te nemen in de regeling (regeering) van de families

en den staat.”

Een der hoofdplichten van Confucius’ Kiün Tszʼ, een fermheid te

bewaren, maar tevens zachtheid, verdraagzaamheid, is ook bij Plato

terug te vinden, waar hij zegt „Men moet véél zachtheid verbinden met

een groote fermheid,” en eveneens beschouwden beiden een groot

medelijden voor de slechten noodzakelijk.

Maar de vergelijking is het hechtste in het idee, dat hij, die aan het

hoofd van de regeering staat, allereerst aan de vereischte moet

voldoen, vanzelf rein en wijs te zijn, en dat, waar dit niet het geval

is, geen andere eigenschappen hem recht geven op den troon. Dat dit een

ultra-democratisch idee is, behoeft nauwelijks hieraan toegevoegd te

worden.

Als men Confucius bestudeert, mag men vooral niet den naam van Choe

Tszʼ of Choe Hie vergeten. [11] Hij was het, die de verspreide

tabletten der confucianistische werken tot één geheel heeft

gerangschikt, en van commentaren voorzag, die de beste zijn gebleven

van allen, die vóór en ná hem zijn gemaakt. Choe Hie was tevens zelf

schrijver van een aantal filosofische werken. Choe Hie’s rangschikking

en commentaar was een voortzetting van het werk van zekeren Chʼing

Heuen. Zekere Chʼing Hau en Chʼing Ie hebben zich tevens verdienstelijk

gemaakt in het uitgeven van de confucianistische werken. Meermalen

spreekt Choe Hie dan ook van Chʼing Ie als „Mijn Meester, de filosoof

Chʼing.” Deze namen heeft men dus onafscheidelijk te verbinden aan den

naam van Confucius. De edities, die nu over geheel China gelezen

worden, zijn bijna allen het werk van Choe Hie, wat rangschikking en

commentaar betreft.

Ik besluit dit korte overzicht van Confucius’ werk met nog eens op te

noemen, in westersche begrippen, de grondbeginselen, waarop zijne

filosofie gebaseerd is.

„—„De mensch is oorspronkelijk goed, en heeft in zich eene natuur van

den Hemel.”

„—„Alle menschen, deze natuur in zich hebbende, zijn dus oorspronkelijk

gelijk.”

„—„De mensch moet niet alleen zijn eigen hemelsche natuur reinhouden,

maar ook zijne medemenschen, die zijne gelijken zijn, helpen, om hunne

hemelsche natuur rein te houden.”

„—Alle menschen zijn broeders.” [12]

„—De Staat moet gefondamenteerd zijn op de hemelsche natuur van den

mensch, en de vorst van een staat en zijne ministers moeten absoluut in

de allereerste plaats zelf menschen zijn, die hun hemelsche natuur

reinhouden, omdat het van hen afhangt, of het volk zich ook in dien

reinen staat zal kunnen behouden.”

„—Het is niet zoozeer de bizondere sluwheid of knapheid, die geschikt

maakt voor den staatsdienst, maar vóór alles gaat de innerlijke waarde,

de reinheid van de Sing, zonder welke al het andere slecht en

verderfelijk ageert.” (In de „Loen Yü” meermalen uitgedrukt.)

„—Er is een volmaakte ideaal-staat mogelijk, in welken een groote vrede

is over een volmaakt gelukkig volk, als de vorst en zijne ministers hun

regeering grondvesten in hun eigen hemelsche natuur, de Sing, die in

hare zuivere actie even zeker ageert als de Hemel.”

Ik heb mij, een oordeel aan den lezer overlatende, onthouden van eene

critiek. Maar ik kan niet nalaten, ten slotte nog de vraag te stellen,

na de studie van dit boek te beantwoorden, of men Confucius’ filosofie,

zooals vele eminente en beschaafde menschen hebben gedaan, die van een

heiden mag noemen, [13] een dwaalleer, die, desnoods met geweld van

repeteergeweren en kanonnen moet worden uitgeroeid, of wel, of de

beschaafde europeesche volkeren misschien niet goed zouden doen, wat

van de voornaamste principes van Confucius aangaande de regeering en de

inrichting van den staat over te nemen?

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 5 / 107 题