VOORWOORD.

Tot dusverre zijn in de nederlandsche taal slechts zeer weinig werken

over China en chineesche onderwerpen—literatuur, filosofie, ethnografie

enz.—geschreven. De voornaamste werken van onze sinologen, de heeren

Prof. Schlegel, Prof. de Groot, Groeneveldt enz. verschenen in de

fransche of engelsche taal. Het ligt dan ook in den aard der zaak en is

niet meer dan natuurlijk dat geleerden, die tientallen van jaren aan de

studie van een of anderen tak van wetenschap besteedden, er op uit

zijn, hun werk voor een zoo groot mogelijk publiek ter lezing open te

stellen en de nederlandsche taal zullen zij hiervoor het allerlaatst

kiezen. Alleen de groote nederlandsch-chineesche dictionnaire van Prof.

Schlegel maakt hierop eene uitzondering, en dat Zijn Hooggeleerde de

nederlandsche taal uitkoos voor een werk, waaraan hij een twintigtal

levensjaren besteedde, is een daad, waarvoor het nederlandsche volk hem

altijd dankbaar zal moeten blijven.

Had ik eene studie gemaakt op een nog niet door anderen betreden

sinologisch gebied, dan zou ik die ook vermoedelijk in een vreemde taal

hebben geschreven.

In het beginnen van dit werk echter ben ik juist van het voornemen

uitgegaan, iets in het nederlandsch te schrijven, dat door ieder

Nederlander kan worden gelezen, en overal in Nederland en

Nederlandsch-Indië gemakkelijk te verkrijgen is. Vooral had ik daarbij

op het oog de Nederlanders, en meer speciaal ook de nederlandsche

ambtenaren, in onze koloniën, die dagelijks met chineezen in aanraking

komen, en over hen te bevelen of recht te spreken hebben. Voor dezen,

hoopte ik, zou dit boek een niet onwelkom middel wezen om de filosofie

der oude chineezen, van welke een gedeelte ook wet is, van meer nabij

te leeren kennen dan uit de onzekere mededeelingen daaromtrent van

chineesche adviseurs en officieren. Wèl bestaat eene uitstekende

engelsche vertaling van de confucianistische en van alle heilige boeken

der chineezen, maar ik weet bij ondervinding, dat men er niet even

licht toe overgaat die te koopen en vooraf te bestellen, als men

eenzelfde nederlandsch werk, dadelijk bij den boekhandelaar

verkrijgbaar, zou aanschaffen. En ook zijn er altijd personen, die eene

vreemde taal niet zoo vlot lezen als hun eigen, daar drukke bezigheden

hen niet toelieten, zich speciaal op die taal toe te blijven leggen.

De filosofie van Confucius is onafscheidelijk van het geheele

staatkundige systeem van China, en is de basis, op welke alle

instellingen en wetten eigenlijk gegrondvest zijn. Mocht dit werk, door

den heer van Kampen zoo bereidwillig uitgegeven, aan mijne verwachting

beantwoorden en de kosten dekken, dan zou dit mij eene aansporing zijn,

in aansluiting hieraan een ander, over de chineesche staatsinstellingen

en wetten te ondernemen.

Dat een speciaal voor niet-sinologen geschreven werk over Confucius wel

in eene behoefte voorziet, bewees Prof. Legge’s speciaal voor

niet-sinologen uitgegeven bewerking [1] van zijn vertaling en

verklaring der confucianistische geschriften, die thans reeds een

zevenden druk heeft beleefd. Dat het wenschelijk is, zooveel mogelijk

te weten van de ideeën en de moraal van een volk als de chineezen, die

zulk een gewichtige—ál te gewichtige—rol spelen in onze koloniën, zal

verder wel niemand tegenspreken.

Dit boek bevat eene korte inleiding tot de confucianistische filosofie,

eene opheldering tot goed begrip van historische feiten, eene

levensgeschiedenis van Confucius, de geheele vertaling der hoofdwerken

„Choeng Yoeng” en „Ta Hiŏh,” en eene gedeeltelijke van het werk „Loen

Yü,” een en ander zooveel mogelijk van besprekingen, verklaringen en

noten voorzien.

Het gemakkelijkste ware natuurlijk voor mij geweest, eenvoudig eene

hollandsche vertaling te geven van het engelsche werk van Prof. Legge.

Ik heb gemeend, mij er niet zóó van af te mogen maken, vooral niet,

omdat ik, met al mijn eerbied voor den eminenten arbeid van dezen

Nestor der sinologen, het op sommige punten, waaronder wel eens

hoofdpunten, niet met dezen geleerde eens kan zijn. Ik heb Prof.

Legge’s vertaling, en andere vertalingen bestudeerd en geraadpleegd,—en

ook wel de versie daarin, waar ik zelf twijfelde, op vele plaatsen den

doorslag laten geven, maar ten slotte heb ik een eigen, onafhankelijke

vertaling en verklaring van den chineeschen tekst gegeven. Indien die

vertaling op vele plaatsen met de reeds bestaande verschilt is dit,

omdat ik vóór alles op mijn eigen voelen afging en dit, zonder

oneerlijk te worden in mijn werk, niet aan de autoriteit van anderen,

al zijn die over ’t algemeen verre mijn meerderen, kon opofferen. Van

géén vertalingen zijn ooit zulke veel verschillende versie’s gegeven

als van die uit het chineesch. Opmerkelijk is het b. v. hoe twee even

eminente en onbetwistbaar kundige geleerden als Prof. Legge en S. Wells

Williams somtijds van schijnbaar eenvoudige zinnetjes zulke

uiteenloopende vertalingen kunnen geven, en het is niet onmogelijk, dat

twintig sinologen van ééne bladzijde chineesch twintig, somtijds geheel

met elkaar in strijd zijnde interpretaties geven.

Dat er ook in mijne vertaling dwalingen zullen zijn, en zij, evenals

die van wien ook, altijd bloot staat aan zooveel aanvallen, en te

goeder trouw gedane, als er andere sinologen zijn, is iets, waarop ik

vooruit voorbereid ben, en dat na het bovengezegde wel verklaarbaar zal

wezen.

Dit boek wil echter volstrekt geen bizonder ingenieuze en gewild aparte

sinologische verdienste zijn; integendeel, het is voor niet-sinologen

geschreven en mijn eenvoudige bedoeling is, de leer van Confucius op

zoo eenvoudig mogelijke wijze in hoofdzaak bekend en begrijpelijk te

maken voor allen, die uit den aard der zaken geen gelegenheid hebben

het chineesche origineel te lezen. Is het mij gelukt, daardoor deze

leer in hoofdzaak bij het groote publiek in ruimen kring zóó bekend te

doen zijn, dat het goed kan begrijpen de moraal, de gewoonten en de

gebruiken van het chineesche element in onze koloniën, dan zal mijn

doel bereikt zijn.—De hoofdideeën van Confucius, de grondslag van de

geheele staats- en familie-instellingen der chineezen, indien ik déze

met dit werk duidelijk heb gemaakt, dan kan ik mij verder gerust de

aparte fouten vergeven, die ik zeker weet dat, ondanks ernstige studie,

mijne vertaling nog zullen aankleven, fouten in zinsconstructie zoowel

als in het kiezen van nederlandsche equivalenten voor chineesche

begrippen.

Zijn de vertalingen en besprekingen, zoowel als de beschouwingen in de

„Inleiding” oorspronkelijk van eigen hand, in het „Leven van Confucius”

heb ik, wat de volgorde der feiten aangaat althans, mij geschikt naar

de methode van Prof. Legge en van Robert K. Douglas („Confucianism and

Taoïsm”), eene methode, welke deze geleerden hebben geput uit de

eveneens door mij geraadpleegde werken „Shʼ Ki” van den

geschiedschrijver Szʼ Ma Tsʼien, Kiang Yoengs „Leven van Confucius” en

eenige anderen.—Ik heb, dezelfde volgorde van gebeurtenissen daaruit

nemende, hier en daar iets bijgevoegd en uitgelaten, en eigen

beschouwingen er ingelascht.—Gaarne had ik van het werk „Loen Yü”,

evenals ik van de „Choeng Yoeng” en „Ta Hiŏh” deed, het geheel

vertaald, maar ik wilde dit boek niet van te grooten omvang maken.

Daarom heb ik voor de beknoptheid enkel de voor mij het meest

merkwaardige en tot goed begrip van Confucius hoogst noodige fragmenten

genomen uit deze „Loen Yü”.

Ik voel mij vereerd, dit boek, waarin een ideale regeeringsvorm wordt

beschreven, te mogen opdragen aan een geleerde en een staatsman als de

heer Groeneveldt, aan wien onze koloniën zooveel te danken hebben, en

naar allen hopen, nog altijd meer te danken zúllen hebben in de

toekomst.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 3 / 107 题