EERSTE HOOFDSTUK.

Een apostolische vermaning wil, dat elk mensch volkomen verzekerd zal

zijn in zijn gemoed; en indien de menschelijke lotbestemming aan het

opvolgen van vermaningen hing, zou den uitvinder dier les de kroon der

wijsheid toekomen. Doch ziehier een jong meisje van twintig jaren,

beminnelijker en schranderder dan de meeste, bezield met de beste

bedoelingen, en, naar de wereld gesproken, zoowel geneigd tot alle

goed als onbekwaam tot eenig kwaad. Had zij over een koningrijk te

beschikken, zij zou het u schenken, indien zij tot dien prijs vrede

bekomen kon; doch haar gemoed is verdeeld, zij wordt her- en derwaarts

geslingerd, en geene magt op aarde schijnt in staat, haar te verlossen

van hetgeen haar de borst beklemt.

Daareven, na het ontbijt, had Emma de ronde gedaan van freule Bertha's

tuin; zonder schroom gebruik makend van de vergunning der gastvrouw om

zoo vele bloemen te snijden als zij voor hare aquarel noodig meende te

hebben. Thans zat zij op hare kamer, boven aan de straat, en de

vruchten van haren strooptocht stonden in een kristallen beker,

halverwege met water gevuld, voor haar op de tafel. Zij kon getuigen

dat freule Bertha's hof medeviel, wanneer men er eenmaal den weg in

wist. De bloemen der oude dame mogten geene geleerde namen dragen of

niet modieus gerangschikt zijn, zij waren goed gekweekt en krachtig.

Gewapend met eene monsterschaar, wier oogen hare kleine vuist

omspanden evenals het gevest van een degen dit zou gedaan hebben (van

vader op zoon had het huis Steinmetz zich van die schaar bediend om

bladen papier mede door midden te snijden, en freule Bertha meende het

aan haar voorgeslacht verpligt te zijn, dat erfstuk door het gebruik

in eere te houden), was Emma langs de bedden gewandeld en had zij hare

keus gedaan. Doch het genoegen, waarmede zij den tuin doorkruist en

haren ruiker geschikt had, was van korten duur geweest. Op hare

kamer gekomen, had zij de bloemen in het water gezet en haar

teekengereedschap voor den dag gehaald; naauwelijks evenwel was zij

gereed met eene schets, of zij legde hare potlooden en hare penseelen

naast zich neder, schoof hare kleurendoos op zijde, stond op en ging

aan hare schrijftafel zitten. Doch ook de brief naar huis, waarmede

zij een begin gemaakt had en dien zij meende slechts voor het

opschrijven te zullen hebben, vlotte niet. Na eene poos, met de pen in

de hand, op het halfgevulde blad papier te hebben gestaard stond zij

nogmaals op en beproefde haar teekenwerk te hervatten.

Hetgeen haar verdrietig, neen rampzalig maakte, was dat zij niet tot

een besluit kon komen omtrent haar verblijf te M. en, in verband

daarmede, omtrent André. Al de twijfelingen, die zij eerst zoo moedig

ter zijde had gesteld, waren met vernieuwde kracht teruggekomen. Zij

wist niet langer wat zij aan hem had. Het was of hij eensklaps te M.

aan allerlei invloeden blootgesteld was geworden, welke vroeger òf

niet op hem gewerkt hadden, òf krachteloos gebleven waren. Daar was

vooreerst Lidewyde met haar schitterend toilet, hare wereldsche

schoonheid en hare pikante konversatie. Dan Sarah met hare

geheimzinnige levensgeschiedenis en haar noodlottig ongeloof; Adriaan

Dijk met zijne onbeduidendheid en zijne rijkdommen; Lefebvre, die zich

wel slechts van tijd tot tijd vertoonde, maar zoo vaak hij kwam een

nieuwen voorraad verblindende gezegden medebragt; Ruardi wiens

denkbeelden bij André voor orakelspreuken golden, en die ja vaak met

ingenomenheid verhaalde van zijn vromen vriend Eduard Stephenson, den

kapelaan, doch wiens eigen leven blijkbaar geheel en al omging buiten

iederen God en elk gebod. Freule Bertha-zelve was van lieverlede in

Emma's oogen medepligtig geworden aan de algemeene zamenspanning, en

dagelijks werd het haar onverklaarbaarder, hoe zoo veel deugd en

godsdienstigheid gepaard konden gaan met eene zoo sterke mate van

verblinding. Zij zou hebben durven zweren dat op Soekabrenti eene

intrige gesponnen werd, waarin André meer en meer verward geraakte.

Liet zij aan hare opgewekte verbeelding den vrijen loop, dan zag zij

de woning van Adriaan Dijk doorzigtig worden en de gedaante aannemen

van een reusachtig web. In het middenpunt van dat weefsel huisde eene

monsterspin, niet een dier afzigtelijke dieren, wier lijken in muzeums

van natuurlijke historie tentoongesteld worden, maar een fraaigevormd

levend insekt, al de kleuren van den regenboog vertoonend en gekroond

met een vonkelenden diamant. Het deed denken aan de fantastische

dieren uit het boek der Openbaring in freule Bertha's bijbel, op wier

voorhoofden onheilspellende namen geschreven staan. De spin heette

=Lidewyde=, en wanneer men haar riep, kwam zij naar u toe, even als een

mak vogeltje uit vreemde luchtstreek, dat in ons noordelijk klimaat is

uitgebroeid en zijne schuwheid heeft afgelegd. Niettemin was zij eene

arachnide, gelijk men bemerken kon aan de kleinere insekten, die, als

in een lijkkleed van natuurlijke draden gewikkeld, levenloos in haar

web hingen. Het was Emma, alsof zij in een dier slagtoffers haar eigen

beeld herkende. Of neen, zijzelve kon zich nog roeren, en ofschoon

gevangen in het verraderlijk weefsel, was de kracht om adem te halen

en zich te weer te stellen nog niet geheel en al van haar geweken.

Doch hoe zij zich ook inspande om een van hare medegevangenen te hulp

te komen, uit wiens brekend oog de ziel van André tot haar sprak, zij

kon hem niet bereiken; en wat smartelijker was dan al het overige, hij

scheen zich om haren bijstand niet te bekommeren. Als een bedwelmde

liet hij zich vaster en vaster in de fijne ketenen klinken, door de

schitterende spin voor hem bestemd. Reeds waren zijne vleugelen

omwoeld, en binnen het uur zou het met hem gedaan zijn.

Doch droomen zijn bedrog, dacht Emma; en met eene driftige beweging

der hand vaagde zij het vizioen door midden, op het oogenblik-zelf dat

hare fantazie het voltooid had. André behoorde haar toe, en niemand

zou hem haar ontrukken: dit stond vast. De menschen twistten onder

elkander, tot in de kerken toe, over de vraag of wonderen mogelijk

waren; doch wat gingen haar die afgetrokken kwesties aan? Onmogelijk

was het dat André voor haar verloren ging: meer behoefde zij niet te

weten en dit ééne was genoeg voor hare rust. Doch kon zij aan den

anderen kant de oogen voor het daglicht sluiten? Al stelde zij de

insinuaties van Ruardi op rekening van diens karakter,--want wie was

Ruardi, dat zij aan zijne woorden meer waarde gehecht zou hebben dan

aan de inspraak van haar eigen gevoel?--zij kon niet loochenen dat

Lidewyde een magtigen invloed uitoefende op André. Aan alles was dit

merkbaar, en duidelijkst van al aan het jagen van haar eigen hart,

wanneer zij eene enkele maal met Lidewyde alleen was. Dan brandden

woorden des verwijts haar op de lippen, en slechts met de grootste

inspanning gelukte het haar, niet al te zeer te verraden hetgeen

omging in haar gemoed. Wie had gedacht, dat zij in haar eenvoudig

leven ooit zulk een strijd zou hebben te voeren? Eene gehuwde vrouw

hare medeminnares! Haar bruidegom luisterend naar de vleitaal van een

misdadigen hartstogt! Hare eigen wenken voor die van Lidewyde

versmaad! André's hart gespannen in het gareel van Lidewyde's oogen!

En dat dit laatste werkelijk het geval was,--Emma zou vrouw noch bruid

hebben moeten zijn, om aan dat feit te kunnen twijfelen.

De toestand was onhoudbaar geworden, dit erkende zij, en weder keerde

zij naar haren brief terug. Zonder alles te zeggen, zou zij zorg

dragen dat hare moeder alles wist. Het kwam er slechts op aan, een

geschikten vorm te vinden. Zij wilde niet, dat hare ouders André

verstooten zouden; daarom zou zij vermijden, hem regtstreeks van

ontrouw te beschuldigen. Doch zij kon duidelijk genoeg op een begin

van verkoeling zinspelen, meende zij, om te bewerken dat zij uit haar

folterverblijf te M. verlost en naar Belvedere opontboden werd. Meer

was voorshands niet noodig. Hare vrouwelijke waardigheid gedoogde

niet, dat zij langer bleef waar zij was: daaromtrent was zij het met

zichzelve volkomen eens. Ook dit was uitgemaakt, dat André eene

gevoelige les verdiende. Welnu, zij zou het een met het ander

verbinden, en het volgen van dien middenweg zou haar vrede schenken.

Zij tastte naar de pen, bragt de hand aan het voorhoofd, vond de

juiste uitdrukking niet voor hetgeen zij zeggen wilde, en ontwaakte

uit hare mijmering--kleuren zoekend voor haar penseel. En dat zoeken

was vergefelijk. De volleerdste toovenaar uit de school der

aquarellisten zou bij den eersten greep de warme donkerroode tint niet

hebben gevonden, vereischt om regt te doen aan den gloed van gindsche

François Premier. Emma had gedaan wat zij konde om die roos uit haren

ruiker te weren, doch de magt der herinneringen was eene te sterke

verleiding geweest. Vruchteloos had eene Rose la Reine de scherpte

van hare gewapende hand gevoeld; vruchteloos was daarnevens eene

Gloire de Dijon op het altaar van den minnenijd geslagt; vruchteloos

was de hekatombe voltooid door het offeren eener Malmaison van de

eerste grootte. Vorstelijk prijkten die bloemen tusschen het

bruinachtig groen der provincierozen, en wijd openden zij hare harten

van satijn. Tegelijk geestig en bescheiden hieven de bonte

cancellaria's hunne kopjes naar haar op en bogen de violetkleurige

heliotropen zich ootmoedig voor haar neder. Hoe bevallig ook lieten de

fuchsia's hare kelken hangen over den rand van het glas! Het mogt niet

baten. De eene roos, welke het laatst van al voor Emma's schaar

bezweken was, overschaduwde den geheelen ruiker, en even als de maan

en de sterren in Jozefs droom, schenen hare zusters en hare speelnoten

alleen geschapen te zijn om hulde te bewijzen aan deze rijzende zon.

Hoe was het mogelijk, dacht Emma, dat zij den naam dier bloem, in eene

harer brieven aan André, tot een voorwerp van scherts had gemaakt?

Helaas, François Premier was slechts al te zeer de type van den wuften

minnaar; het bloedig en tragisch rood der onbedachtzaam naar hem

genoemde bloem in vollen ernst de kleur der trouweloosheid. Met een

gemengd gevoel van welgevallen en afschuw vulde zij keer op keer haar

penseel met het donkerst karmozijn. De tinten op het papier werden

zwaarder, en naarmate de andere bloemen vorderden, kwam ook de

noodlottige roos meer en meer uit. Bestond er een geheim verband

tusschen het hart dier bloem en het hart van André? Was het een genot

voor Emma, het eene dier harten tot in zijne fijnste plooijen te

onderzoeken, en hoopte zij door die studie den weg naar het andere te

zullen terugvinden? Of gehoorzaamde zij alleen aan die verleidelijke

aandrift, welke ons in dagen van smart behagen doet scheppen in het

loswoelen van ons eigen wee? Teekende zij het eigenwillig door haar

gekozen beeld der ontrouw alleen hierom na, dewijl het haar verademing

schonk eenen arbeid te volbrengen, die haar tegelijk aan hare

gepeinzen ontvoerde en toch haar telkens in dat schemergebied

wederbragt?... Zij was niet ontwikkeld genoeg om zich van de motieven

harer daad rekenschap te kunnen geven, doch dit gevoelde zij, dat haar

geluk op één na verwoest was. En niemand kon loochenen, dat er eenige

overeenkomst bestond tusschen de gedachte, welke haar naar hare

penseelen deed grijpen, en het lied der arme linnennaaister die bezig

was haar eigen doodshemd te zoomen.

Lidewyde · 第 46 / 60 题