_"Misschien geeft men er zich over het algemeen niet genoeg rekenschap
van, dat hartstogten op te wekken de eigenaardige roeping is der
kunst, en eene magt, die bestemd is om driften te doen ontwaken, ook
zelve uit driften moet geboren zijn. In zichzelve is de kunst nooit
onzedelijk; doch het ontroerend vermogen, waarover zij beschikt,
ondermijnt ligtelijk in ons gemoed het zedelijkheidsgevoel; en het is
geenszins ten onregte dat menschen met strenge begrippen van hetgeen
eerbaar en rein is, vooral wanneer zij op zekeren leeftijd gekomen
zijn, de kunsten wantrouwen en de aandacht van het opkomend geslacht
van haar zoeken af te leiden. Een volkomen onschuldig genot levert de
dienst van het schoone alleen voor de zoodanigen op, die niet te
eenemale onervaren zijn in de kunst der zelfbeheersching; en aangezien
de groote meerderheid der menschen op dat gebied wel altijd tot de
klasse der dilettanten zal blijven behooren, zal men het nimmer ten
kwade kunnen duiden, indien er zich waarschuwende stemmen verheffen
tegen eene eenzijdige ontwikkeling van het schoonheidsgevoel.
Niettemin zijn ze doodgeboren, de kunstgewrochten waarin het
gevaarlijk vuur van den hartstogt niet voor het minst smeult of
sluimert. De schouwburg,--en in ruimer of beperkter zin kan men
hetzelfde zeggen van koncerten, van tentoonstellingen, van romans, van
bundels poëzie,--de alle uitingen der kunst in zich vereenigende
schouwburg is onuitstaanbaar, indien hij verveelt; hij kan alleen
belangstelling wekken door in het gemoed te tasten. Een apathisch
tooneel is als een visch op het drooge. Passie is hier het eerste
vereischte, passie het tweede, passie het derde. Doch hartstogten zijn
geene olie in de heilige lamp der deugd, en ligter zal iemand door den
schouwburg gevormd worden tot een held dan tot een braaf mensch."_
_Toen ik eenige jaren geleden deze stelling durfde voordragen[1], was
er weinig reden om te meenen, dat ik mijzelven op dat oogenblik
welligt een oordeel schreef, en men na niet langen tijd over een
verhaal van mijn eigen vinding met noodlottig gevolg naar den
aangeduiden maatstaf uitspraak zou kunnen doen. Ondeugend zou
intusschen de kans hare rol spelen, indien mijne lezers en lezeressen
die bezorgdheid niet te huis wisten te brengen, en zij zich verwonderd
afvroegen, hoe de schrijver van =Lidewyde= vreezen kan, door het
opvoeren van zulk een onschadelijk drama, iets anders te zullen doen
als olie gieten in de zoo even genoemde lamp. Mogt daarentegen het
verwijt hem treffen, ergernis gegeven te hebben, dan verzoekt hij in
aanmerking te nemen, dat nut stichten en dadelijk nut stichten twee
zeer verschillende zaken zijn._
Bloemendaal, CD. B. H.
April 1868.
[1]: Zij wordt aangetroffen in eene fantasie over Jacob Cats,
geschreven in September 1863. Een tweede druk van dat opstel, en
van nog een tien- of twaalftal andere, tot denzelfden cyclus
behoorende, is bij den uitgever dezes [den heer Thieme] ter
perse.