EEN DAGJE UIT.

Het liep naar negen uur, toen hij ontwaakte. Een poosje bleef hij

liggen soezen, den vorigen dag overpeinzende, zich koesterende in de

gedachte, dat hij vrij was. Vrij van het eentonige dagelijksche werk,

dat z'n zenuwen opvrat, jaren achtereen. In een onstuimige opwelling

had hij zich al de kleine ergernissen van het lijf geschud. De korf

was deze bij te klein geworden.

Forsch bruischte het bloed door z'n lichaam en zweepte hem

op. Vlug schoot hij een sjamberloek aan en wierp een raam open,

om de walgelijk-lauwe lucht in de kamer te verfrisschen. Haastig

ontbeet hij. De akelig-rechte, stijve gevels, allen van een zelfden

model, gluurden hem door de ruiten aan. Een zwoele lomerigheid, die

van de strakblauwe lucht omlaag suizelde, sloeg de groentenventers

met stomheid en de bakkers, die brood rondbrachten, zwetende onder

hun stroohoeden, belden met lamme armen. In huis hing een saaie

stilte, een warm halfduister, langs de gestukadoorde wanden naar het

plafond opklimmende en langs de trappen naar beneden doezelend. In

de kamer was het smoorheet. Het sombere behangsel en de zware

overgordijnen voerden maar steeds warmte aan, die onophoudelijk de

kamer inkringelde. Terloops keek hij eenige tijdschriften in; maar

wierp ze spoedig van zich.

--Bah! hoe eeuwig saai!

Haastig maakte hij »toilet«, greep hoed en stok en stormde de trappen

af. Met een smak trok hij de voordeur achter zich toe. Een trage galm

trok een donkere, vibreerende streep door de lauwe lucht op de trap.

Hij was den hoek omgeslagen en liep nu op den lijnrechten Singel,

blakerende in den zonneschijn, die de kale, magere boompjes

verschroeide en het blikkerende water scheen te drogen. Hij baande

zich een weg door de stofwolk van verveling, die boven de witgrijze,

pulverige steenen hing te twintelen. Het prikkelde hem de lui, die met

gebogen hoofd voortsloften, achter zich te laten, aardigheden zeggend

aan de dienstmeiden, die met gloeiende gezichten, losgemaakte mutsen

en bloote, rooie armen de belknoppen stonden te poetsen, zwijgend en

puffend. Een oogenblik bleef hij staan voor een boekwinkeltje, wierp

een blik op de slaperige, godgeleerde titels en ging dan verder, zich

met z'n rotting een fikschen slag tegen het been gevend. De tramwagens,

die hem voorbij kropen, waren vol stof en zweet, die de lieden, welke

er in zaten, deden stikken. Den koetsiers was het teveel, de teugels

aan te halen en de suffende paarden, die een sukkeldrafje hadden,

liepen gevaar óm te vallen en poogden vergeefs, hun koppen op te

heffen boven de stofwolk, die ze zelf opwierpen. Zoo kropen ze voort,

kleiner en kleiner wordend op den weg, die als een gele streep langs

het water lag. Nu en dan hoorde men een dun belletje met een zweterig

stemmetje, spoedig wegsmeltend.

Op een groot, wittig plein, naast een brug, zat een oud man onder

een zeildoeken tentje vreedzaam een pijp te rooken, omgeven van 'n

vak bloempotten, die de oogen deden schemeren door hun schitterende,

helle kleuren, aangezet tot barstens toe. Een paar vlinders fladderden

rond, op en neer dansend in den zonneschijn.

Toen kwam hij op een lijnrechte kade naast een breed water, met een

warrel schepen, door zonneschijn overgoten. De teer liep langs de

naden. Een grijsaard met blauwkatoenen slaapmuts, geduldig bossen

talhout op elkaar stapelend, was het eenig levend wezen, dat men

op die schepen zag. Een troep vischvrouwen, in den smallen reep

schaduw bij de vischmarkt opeengepakt, leunden op hunne wagens,

zwetend en zwijgend, op den afslag te wachten. De spiegelruiten voor

de akelig lege, vervelend holle winkelkasten, schampten het sterke

licht af. Eenige jongens stonden op trapleertjes de ruiten te poetsen

als in een nevel van licht, die de randen van hun vormen opslorpte.

Eensklaps sloeg hij 'n nauw, donker zijstraatje in, van plan, een neef

te bezoeken, die daar in de buurt een aardappelzaak moest hebben. Sinds

jaren hadden ze elkaar niet gezien.

In het heete, doffe licht van den winkel zag hij een rij eenvormige

bakken, als troggen, blauw van buiten, vuil wit van binnen. Een paar

maten, wier gepoetste koperen naamplaatjes wat licht pakten, lagen te

knipoogen in het heete aardappelstof, dat den winkel doortrok. Het

hysterisch getinkel van den bel schoot witte kringels door de gele

atmosfeer. Een man in paars boezeroen deed de bewitgordijnde deur van

het achtervertrek open en schoot op een beroerd saaie manier een paar

muilen aan, die voor het dorpeltje stonden te gapen. Na opheldering en

wederzijdsche herkenning werd »neef Henri« door z'n rooien, vleezigen

bloedverwant met gouden ringetjes in de ooren, uitgenoodigd, »door te

lope«. In statige langzaamheid, vol burgerlijke zelfgenoegzaamheid,

ging de man vóór. De kamer was smaakvol gemeubeld, in donkerrooden

toon. Het schreeuwend-pretentieuse ontbrak hier. Bij de groote

deurramen, die op een kil tuintje uitzagen, zat een bleek, melancholies

meisje, die aan 'n haakwerkje bezig was en even 't hoofdje ophief, om

den bezoeker te groeten, met een stillen, bleeken groet. Aan de tafel

zat een warme schommel van 'n stijve vijftig, aan blauw-wollen kousen

voeten te breien. De heer des huizes, die z'n sloffen had uitgedaan,

wierp zich in z'n stoel. Statig zei hij: Daar is neef Henri. Het

meisje hief levendig het hoofd op en keek neef oplettend aan. Toen

stond ze op om naar hem toe te komen, vol kinderlijke blijdschap;

maar Henri voorkwam haar. Ze gaven elkaar hartelijk de hand.

»Ik zou haast vergeten hebben, dat er een neef Henri bestond.« Moeder

de vrouw was opgestaan, de kous in haar hand. Haar goedig gezicht

met dikke plooien werd met een zweem van ongeloovige verrukking en

blije verrassing naar neef gericht. Met schitterende oogen keek ze

hem door haar bril aan.

»Kom, dat 's goed, dat 's goed, dat je je familie niet vergeet.«

»Nou maar, moeder, hij was anders goed op weg, om ons te vergeten. 'k

Was nog pas«.....

»Ja, je was nog een kind. Maar als 'k geweten had, dat 'k zoo'n

lieve nicht had«..... Hij hield verbluft stil. Tante had van z'n

onbeleefdheid niets gemerkt en zei: Wel, gossiemijntijd, wat lijk je

veel op je moeder. Sprekend, hè, Aai?

Aai brandde z'n lippen aan z'n heete kop koffie en bromde misnoegd:

weet ik het?

Neef kreeg natuurlijk ook koffie en zat weldra al z'n adem uit z'n

longen te blazen. Onderwijl ondervroeg tante hem, of ze rechter

van instructie was. Nicht was weêr in haar stoel gezegen en

hield zich bezig met bleeke overdenkingen, neef van tijd tot tijd

steelsgewijze aankijkend. Arie leunde achterover in z'n stoel, de

beenen ver uitgestrekt, de duimen in de armsgaten van z'n vest, de

borst vooruit, met 'n verwaand, blasé gezicht toe te luisteren. Als

hij door z'n zenuwachtig kwebbelende vrouw tot getuige werd geroepen,

antwoordde hij met 'n enkel woord, wrevelig, laatdunkend. Niets kon

hem deren! Hij zat in 'n wolk van kouwe majesteit.

Maar Henri merkte, dat hij alleen sprak en 't hinderde hem. Hij

werd woedend op z'n tante, die hem met haar botten glimlach zat

aan te starogen. Hij hoorde nog, dat al de andere kinderen getrouwd

waren en de jongens fatsoenlijke baantjes bekleedden. Ze hadden een

zorgvuldige opvoeding gehad, die handen vol geld kostte, zooals Arie

zei. De Heer had hem gezegend en als Die mét ons is, wie zal tegen

ons zijn? Dit zei hij op dikken, zelfgenoegzamen toon, met de plompe

duimen draaiend. »Zoo ben jij de eenige, die nog thuis is,« merkte

Henri tegen nicht op, min of meer gedwongen. En ze antwoordde met

'n licht zuchtje: Ik ben niet gelukkig geweest.

't Was frisch in het vertrek. Neef kreeg een kil gevoel en 'n

afstotende magneetkracht werkte op z'n zenuwen. Van hartelijkheid was

in dit gezin geen spoor te vinden. De ontvangst van z'n tante kwam

hem voor, exceptioneel te zijn. Ieder stond op zichzelf. De witte

neteldoeken gordijnen, door magere koordjes met schrale kwastjes

opgehouden, in hun eentonige netheid ontnamen het licht, dat van

buiten kwam, alle warmtestralen. Een walgelijke geest van doodende

tevredenheid vulde de kamer met 'n koude klaarte, die zich tegen hem

aanwierp met 'n korten slag. De zelfgenoegzame man met z'n ringetjes

leek 'n bloedzuiger, zat van voldane begeerte, die daarom zijn prooi

had losgelaten.

Het burgerlijke liberalisme.

Toen Henri weer op straat was, voelde hij 'n ledig om en in zich. De

holle straten, waarin de zon nog niet had geschenen, waaierden hem

een vochtige lucht tegemoet. In een koffiehuis, dat hij binnentrad,

waren de kelners bezig met het afnemen en wrijven van de tafeltjes en

namen geen notitie van hem. Eenige kranten, nog vochtig van de pers,

lagen in wanorde op een paar tafeltjes verspreid, als vuile witte

vlekken. Een muffe, vochtige donkere lucht hing in de zaal, die galmde,

als er 'n stoel werd verzet. De weinige woorden, die de knechts en

de juffrouwen van het buffet wisselden, klonken hol als uit een graf.

Spoedig begaf hij zich weer op straat en begon langs de winkels

te slenteren. Een lusteloosheid begon zich van hem meester te

maken. Onverwacht werd hij op den schouder getikt. Een jong, net heer

met militairen knevel en losse manieren keek hem oplettend aan.

--Henri, geloof ik?

Henri herkende in hem 'n koffiehuiskennis van vóór 'n paar jaar,

die alle mogelijke dingen bij de hand had en het leven doorrolde,

tot hij aan een jong, lief, tamelijk rijk meisje, een wees, bleef

hangen. Toen had hij zich uit de kring zijner bekenden teruggetrokken

en bezocht met haar Brussel, Parijs, en Napels.

--Wel, woon je hier? En ze gaven elkaar hartelijk de hand.--Ik

woon hier al een maand of wat. Dat we mekaar nooit eens tegen 't

lijf geloopen hebben! Maar vandaag zal je me niet ontloopen, dat

is afgesproken.

--Hoe vaart je vrouw?

--Wist je 't niet? Dood, man, de tering. Was wel te

zien. Sentimenteel.--Hij haalde even de schouders op.--Anders een

verdomd lief ding. Aangenamen tijd samen doorgebracht. Maar er is

niets an te doen. Geen kruid voor gewassen. Sukkelen lang, maar

eens is eens. Enfin, 't hoofd maar boven water gehouden. Knerpen en

triesten dient nergens toe. 't Maakt je oud voor je tijd... Maar 'k

ben allemachtig blij, dat 'k je zie. Een verdomd triestige stad hier 's

morgens, hè? Allemachtig saai. De lui hebben tot 's avonds de slaap in

d'r oogen. En wat doe je? Ik ben een poos aan een dagblad geweest. 'k

Kreeg opeens een werkmanie. Maar dat beroerde gezemel. 'k Ga weer

naar België, misschien naar Parijs. Leven wil 'k zien. Hier? Lui

zonder bloed, bah!... Rooken? Heerlijk, delicieus.... 'k Ben een paar

dagen uit de stad geweest, voor een rechtszaak. Maar daar had je bij

moeten wezen.... En hij lachtte, dat de menschen bleven staan.--'k

Heb hem vierkant uit 't veld geslagen, de pruik! Een smerig zaakje van

'n vriend, 'k zal je later wel eens vertellen. 't Moest noodzakelijk

de wereld uit. Onverwacht deê de pruik een strikvraag. Maar 'k was

op m'n »quivive.« 'k Zei!.....

Hij bleef staan, nam z'n rotting onder den arm, pakte z'n vriend bij

de schouders en draaide hem om. Toen nam hij heel diep z'n hoed af

en maakte een diepe buiging--Edelachtbare!

Met een stem als een fransch tenor, begon hij verbazend rad te

spreken en artikelen van het code aan te halen, zoodat het z'n

hoorder begon te duizelen. Spreker was geheel in vuur. Hij hoorde

niet, dat een dienstmeisje stond te ginnegappen. Hij zag niet,

hoe een paar vuile straatjongens hem van onder de kleppen hunner

petten aangluipten. Onder 't spreken nam hij z'n rotting in de hand

en begon er op een vervaarlijke manier meê te schermutselen, zoodat

een hond, die in een vuilnisbak wroette, vreesachtig z'n mager lijf

ineenstuipte en wegsloop, de staart tusschen de beenen, telkens den

kop schichtig omdraaiend en met een paar schuchtere, waterige oogen

den man aankijkend.

Zoo stond deze wel een half uur te oreeren en gestes te maken, op

een drukke plek in den barren zonneschijn, terwijl hij elk oogenblik

gevaar liep, door sleperswagens overreden te worden. Toen barstte

hij in 'n zilverigen lach uit.

Plotseling zei 't dienstmeisje met een leelijken, platten tongval:

Z'n mond gaat as een lazerusklep.

Hij onderbrak z'n lach. 'n Wolk kwam over z'n geestig gelaat. Ruw

baande hij zich een weg door de jongens, met fiksche striemen. Met

groote stappen liep hij vooruit.--Bah! Dit zei hij op een zeer

verachtelijken toon. Maar langzamerhand kwam hij tot bedaren.

Dat was specifiek Hollands! en hij vaagde de onaangename herinnering

weg. Toen vervolgde hij:

Hoe von j' 'm? We wonnen het zaakje. De slaapmutsen lachten zich

ongansch en het publiek applaudiseerde als in een schouwburg. Wacht,

ginds is een gezellig kroegje. En straks moet je meê naar m'n

kast. Je dineert bij me en neemt tot souvenier wat boeken van me

meê. 'k Heb Toussaint, van Lennep, Dickens, Beets, van Beers,

Hugo, Lamertine, Heine, Byron en alles, wat er in den laatsten

tijd is uitgekomen. Enfin, je zult zien. Ik voor mij houd niet

van hollandsche romans. Die beroerde flauwe vertellinkjes! Maar je

dient op de hoogte van je tijd te zijn. Geen leven, geen vleesch en

bloed. Schimmetjes! Schimmetjes die verliefd zijn en kwelen van d'r

meisjes mooie vlechten, net of ze daarmeê tevreden zijn. Of stervende

lievelingen met een diep kijkje in de andere wereld, die er dan uitziet

als een vlaamsch interieurtje. Allemaal schimmetjes. Ze zijn dit,

ze zijn dat, ze zijn zus, ze zijn zoo, maar alles behalve werkelijke

menschen. Geen aasje realiteit, geen sikkepitje moderns. Aangekleede

papieren poppetjes. Nagemaakte romantiesche onzin, die heel wat bij

lamplicht schijnt maar vervliegt als de zon er op schijnt. Goed voor

ouwe wijven en kindermeisjes bij 'n kaarsje, op 'n zolderkamertje. Maar

die vinden ze nog te laf en lezen vertaalde fransche. Neen, heilig

dan Multatuli, die heeft nog vuur in z'n bast. Die strandt niet

op de klippen van konventioneele deugden, op den zandbank van het

fatsoen. Ja, wat is dat? Fatsoen? Ik weet heusch niet wat het

is. Schijn wat je bent en wind er geen doekjes om. Dat is mijn

stelregel. En knijp geen katjes in 't donker....

--Misschien heb je gehoord, dat er 'n nieuwe kommentaar op Genesis

is geleverd.

--Laat hooren. Ik geef anders om dien heelen rommel geen steek.

--Toen God de aarde geschapen had, en alles wat er op is en de zeeën

en de visschen....

--Nu ja.

--Toen wreef hij vergenoegd in z'n handen.

--Dat had hij wel kunnen laten.

--Maar toen kwam de duivel....

--Een slimme snuiter.

--Hou je vervelende mond, of ik zwijg als een mof.

--Nu, vooruit dan, sammel niet. Die oudtestamentische

langdradigheid....

--Jan Rap! Nu dan! Toen kwam de duivel en zag, dat het goed was.

--Je zet Genesis om. Vervalsching in geschrifte.

--Een nieuwe lezing.

--De Genestet zou het noemen: rechtgeloovig knoeien. Ga voort.

--En hij zei: Laten we er wat op verzinnen. Want er was tusschen hem

en God een toestand van represaille. En hij vond het fatsoen uit.

--Bravo! En van toen af werden de edelste gevoelens schuil gehouden. En

van toen af was het uit met den mensch. En van toen af werd hij

geregeerd door z'n lusten in het geheim, door z'n fatsoen in 't

openbaar. Altijd slaaf.

--Dat wou 'k juist niet zeggen. 'k Meende: En toen zag de mensch,

dat hij naakt was. En hij sidderde.

--Een verdomde leugen. Toen kwam de goeie tijd voor modemaaksters

en zielenlapzalvers.

--Je bent profaan! Je bent, je bent vuurrood.

--Ja, ik ben een levend wezen. Als ik dood ben, zal ik ook doktrinair

en fatsoenlijk en nederig en zoet zijn, wat je maar wilt. Misschien

word ik dan nog wel lid van 'n parlement of zoo iets... Neen maar, er

moet 'n andere geest hier komen. 't Moet uit zijn met die beunhazerij

over stille nederigheid en rein geluk en eer en fatsoen, weet ik

het? Praatjes voor den vaak.

Ze hadden gelukkig het koffiehuis bereikt. Henri was op. Hij voelde

zich als in een gulp heet water, borlend zonder ophouden. Een eentonig

geratel klepperde op z'n trommelvlies, dan een zin herhalende, als

de ander aan 'n volgenden bezig was, of eenige schakels overslaand,

om de gedachte van den ander vooruit te loopen en er zich vóór te

plaatsen. Een bonte warreling van denkbeelden vloog hem in allerlei

kleuren en verschillende gedaante voorbij, over elkaar rollend en

buitelend, als golven op een strand, dat wittig glinstert in den

zonneschijn.

Weldra daverde het lage zaaltje van 's mans opgewondenheid. Als

elektrische vonken, elkaar snel opvolgend, knetterden z'n korte

zinnetjes, om weldra een lyrische vlucht te nemen en met een ode aan

Heine en de Levenslust te eindigen. Toen prees hij bedaard de bitter.

Een kleurloos, hel licht vulde het zaaltje, als een lichte nevel,

waarin de andere gasten heen-en-weer zweefden. Een nare reuk

van wierook steeg in de neusgaten van z'n hoorder op. Z'n slapen

klopten. Hij voelde 'n drukking op het hoofd en de maag werd hem als

omgekeerd. Hij was blij, toen ze weer op straat waren.

De zon brandde de keien tot pulver. De galanterieën lagen in

de vitrines te slapen, door en door gestoofd. Op het brandende

papier, waarmee de voorwerpen in de kast van een kunsthandel waren

bedekt, zaten eenige bewustelooze vliegen vastgekleefd als zwarte

stippen. Alles scheen in damp op te gaan. Een paar werklieden, die

naar karwei gingen, zochten zorgvuldig de kleine plekjes schaduw op

onder de dunne, verdorde boompjes, wier verschroeide, uitgedroogde

bladeren als vodden aan de takken hingen.

Ze wandelden een paar havens langs en gingen het Park in. Kerels

lagen met het gezicht voorover in 't gras te slapen, de pet achter op

't hoofd. Een kindermeisje duwde met slappe handen een wagentje voort,

'n jongetje aan haar rokken meêslepend en een paar meisjes met bloote

knieën en armen en met schopjes en emmertjes telkens verbiedend.

Aan den rivierkant zegen ze neer op 'n bank, puffend en hijgend. In

de laatste oogenblikken had geen van beiden gesproken. Na wat bekomen

te zijn, staken ze een sigaar op, de blauwe, kringelende wolkjes

naturende. Kleine zonnebeeldjes plekten de donkere kiezellaan, door

zwaar geboomte beschaduwd. Vlak vóór hen lag de Maas, sprankende

van goud en hijgend naar koelte. Het was eb en geen rimpel oneffende

den gladden spiegel. De dofgroene oever aan den overkant trilde in

den lichtgulp. Er was niemand te zien op de schepen, die ter zijde,

in een klein groepje, bewusteloos en mat neerlagen. Om hen was het

doodstil. Geen vogel deed de twijgen wiegelen, geen windje de blaren

ritselen.

Een hazewind vloog voorbij, de tong uit den bek, de achterpoten

met moeite naslepend. Een fluitje in de verte riep hem terug. 'n

Oogenblik kraakten de kiezelsteenen van een naburig laantje; doch

die niet voorbij ging scheen een bank bereikt te hebben.

Albert kwam in een erotische stemming. Hij begon eenige brokken uit

Heine en uit de Duitsche Lier te deklameeren en zong eenige fransche

en duitsche minneliedjes.

Hij maakte Henri bekend met het beeld, waaronder hij de rivier

zag. Een jonge vrouw, die zich tegen de hitte voor 'n groot deel

ontkleed heeft. De roze boezem golft onder het lichte omhulsel,

waardoor de weelderige vormen uitpuilen. Het deed het bloed vlammen,

vond hij. Hij verging van weelde. En hij zong van »mädchen en veilchen«

en deklameerde van »duftende« lotusbloemen. Samen zongen ze eenige

stukken, die ze indertijd als lid van een zangvereeniging hadden helpen

uitvoeren en eindigden weemoedig met de Loreley. Albert verklaarde,

dat hij Heine bewonderde. Heine gevoelde zuiver, vond hij, wat wij,

lieden van de helft der negentiende eeuw, onbestemd óók voelen. En

voor dat gevoel had hij de juiste formule gevonden. En hij droeg den

»Felsenbaum« en andere gedichten van zijn lievelingsdichter voor. Zij

maakten zich overgevoelig.

De vloed was opgekomen, zachtjes, met breede bewegingen, eerst vleiende

en kussende en zacht langs de oppervlakte strijkende, om opeens 'n

fikschen duw van zich af te geven. Een zacht koeltje flapperde. De

dodderende schoone voelde zich nieuw leven toestroomen en rees als half

overeind, nat van weelde, koket, uitdagend glimlachend, de volle, roode

lippen wat van elkaar af, met de eene hand haar lichaam steunende,

met de andere haar kleeding nauw aansluitende om haar vormen, zoodat

deze frisch en malsch uitkwamen, vol levenssappen. Ze scheen gereed

om te stoeien.

--Felicite, mompelde Albert. Beiden gingen geheel in het tooneel op.

Voller werden de slagen, flapperender de kabbelingen langs de kant,

breeder de rimpelingen. De rivier bewoog zich als onder weelderige

stuiptrekkingen, zuchtend van genot, in elkaar kronkelend en dan zich

met kracht uitstrekkend.

Albert leunde achterover, geheel ontzenuwd. Plotseling sprong hij op

en trok Henri meê. Beweging of ik sterf!

Met groote passen liep hij voort. Z'n oogen glinsterden.

Op den stoffigen dijk matigde hij z'n vaart. Ze gingen nu langs den

buitensingel. Langs den kant, op den afhellenden grasrand, waren

veelkleurige bloemperken aangelegd en hier en daar werd het vuile,

drabbige water, waarin slabladeren en stukken papier dreven, door

kleine groepjes boomen gemaskerd. Een duister, warm licht vol zoelen

waterdamp hing over den pas besproeiden, belommerden kiezelweg. De

buitenplaatsen dommelden in een halfslaap.

Albert nam z'n vriend meê naar z'n kast. Ze brachten daar eenigen tijd

door met 't bezien van etsen en platen en de gastheer onthaalde Henri

op mooie plaatsen uit verschillende schrijvers, door vouwen en dikke

strepen in de boeken aangewezen. En onder een glaasje ontwikkelde

hij verschillende denkbeelden.

Tegen den avond begaven ze zich weer op straat, nog opgewondener. Ze

spraken luid, tot ergernis en twijfel van eerzame burgers. Nu en

dan zei Albert tegen een nufje 'n aardigheid en maakte z'n vriend

deelgenoot van zielkundige opmerkingen, naar aanleiding van de

houding en het antwoord van 't meisje. Zelfs eerbare burgerdochters,

door haar vaders begeleid, onderwierp hij aan deze psychologische

proefnemingen. Ze legden in verscheidene koffiehuizen aan en hun toon

werd steeds luider.

De lantarens waren aangestoken en vonkten in het flauwe licht, dat

tusschen de huizen wemelde. Het was nog snikheet. Zware dotten menschen

verdrongen zich op de smalle trottoirs en maakten den Rotterdamschen

cirkelgang: Hoogstraat--Blaak--Hoofdsteeg.

Toen ze weer een snikheet koffiehuis uitkwamen zei Albert: Dat is waar

ook. Er is van avend muziek in 't Park. Er op af! Henri merkte op,

dat het om dezen tijd al gedaan was. Dat speet Albert. Maar je had

er toch versche lucht en daarom stelde hij voor, niet langer tusschen

die nare gevels te blijven hangen en er heen te gaan.

Ze gingen dan langs de Boompjes en spraken over het heden, het

verleden en de toekomst. Midden in een frase bleef Albert staan,

om het riviergezicht te bewonderen.

--Je kunt ons heele land kado krijgen voor zoo 'n kijkje!

--Jammer, dat het hier eigenlijk een groot dorp is, verdomd

»kleinstädtisch«. Het is niet an de lui besteed.

Het bleek, dat de muziek gedaan was. Maar de paadjes braakten nog

onder de flaneerende voetstappen en de banken waren nog vol donker

gefluister, waardoorheen gele kussen flitsten. Ze kwamen in een jolige

stemming en doorkruisten het park in alle richtingen. Toen ze er uit

kwamen, had ieder een dienstmeisje aan den arm, wier kokette witte

schortjes tegen hun donkere jassen slierden. Heldere flitsende lachen

en fluisterend gegichel fosforiseerde op de warme grijsgele stem van

Albert en de roodbruine van Henri. Ze gingen in een café, waar meiden

zich lieten kussen, dat het klapte en famieljaar uit de glaasjes der

mannen meêdronken. Henri fluisterde: Waar raken we in verzeild?

--Laissez aller! Ik heb een kattennatuur en kom altijd op m'n beenen

terecht. Ik beloof me veel van ons koopje! Voor een keer is 't wel

eens aardig!

Ze namen plaats in het donkere voorgedeelte van de zaal, afgescheiden

door een donkerpaars gordijn, van de straat door groote, donkergroene

bakken met dichte bukspalmen. Daar dronken de twee vrienden cognac

en de meisjes frambozenlimonade, tot alles lichtgeel om hen werd en

ze zich op den stroom hunner zinnen lieten afdrijven. Het duistere

hoekje vormde een paarse vlek tegen de roezemoezige zaal.

Op straat begon Albert onder een gaslantaarn, den arm om den hals van

het meisje, dat een kop als vuur had en zich tegen hem aandrong, een

romance te zingen, die hij in een café-chantant had opgedaan. Een paar

honderd schreden verder kommandeerde hij halt: de meisjes hadden hun

dienst bereikt, een donkere buitenplaats, vol zwarte stukken geboomte,

waardoorheen een geel lampje op den achtergrond zichtbaar was. Een poos

bleven ze staan fluisteren tegen het hek leunende. Albert smoezelde

wat aan haar oor; maar het meisje zei: Neen dat kan nou niet. Ze

kenne elk oogenblik komme.

Maar je komt toch morg'avond terug? Met moeite kregen ze de heeren weg,

nadat ze omhelsd waren en omhelsd hadden.

Albert begon weemoedig te zingen:

Adieu, adieu, la belle France

Adieu, je t'aimerai toujours.

Een rijtuig kwam pijlsnel aanvliegen en hield stil voor den tuin. De

glinsterende lantarens wierpen lichte plekken op den grond. De knecht

opende het portier. Een heer hielp een dame uitstijgen. 'n Oogwenk

keken ze naar den zanger en verdwenen toen in den donkeren tuin. De

knecht steeg op den bok, het rijtuig maakte 'n korten draai. Zacht

krittelend schoof het over de kiezel. In het voorbijgaan riep de knecht

Albert toe: Afblijven daar! Albert was verontwaardigd. Hij deed met

z'n rotting 'n slag in de lucht en bleef het rijtuig, dat onhoorbaar

naar den horizon schoof, nakijken. Henri suste hem.--Ja, maar, beste

jongen, dat 's allemaal goed en wel; maar ik kán morgenavend niet. 'k

Moet morgen vroeg weg, voor goed. Eeuwig jammer. En hij begon te

klagen van »la belle France«. Hij vertelde vervolgens, dat hij dit

lied door een bleeke Elzassche had hooren zingen, in 71 of zoo, drie,

viermaal achtereen, tot hij de tranen in de oogen kreeg. Toen had hij

en nog eenige jongelui van 'n zelfde klubje haar verzocht bij hen te

komen zitten; maar het preutsche ding wou niet. Poeh!

En toen hadden ze zich maar vergenoegd met een mollige Duitsche, in

tricot, met heerlijke beenen en zonder pruderie. Ze lachte even hard

als de anderen, toen d'r tricot scheurde. En Albert moet later aan

het vechten geraakt zijn. Hij had z'n hand een paar keer op haar dijen

gelegd en ze had maar eens witjes gelachen. Maar er was er een, die 't

kwalijk nam, dat een dame in z'n bijzijn werd beleedigd enz. enz. En

daar had je het. Ze ranselden elkaar met de stokken af. En toen

ging primo de dame op den loop, en secundo werden ze uit het café

gebliksemd en tertio sliepen ze dien nacht op een brits. Albert kon

er zich niks meer van herinneren.

Maar z'n vrienden hadden hem verteld, dat 't zoo gebeurd was.--Beiden

waren den singel afgeloopen. Een agent, die hen een eind gevolgd had,

werd door Albert afgesnauwd. Hij bleef verschrikt staan, hen naturende.

In de stad was het stil. De koffiehuizen werden gesloten en de laatste

bezoekers gingen in groepjes heen.

Jonge en oude dames, min of meer deftig gekleed, zwermden paarsgewijze

de groepjes tegemoet en bleven in hun nabijheid op en neer drentelen,

zacht neuriënd.

--Zeg, krullebol, je kunt je parasol wel neêr doen. De zon zal je

vel niet verbranden, zei Albert tot een dame met tartende oogen.

--Kom liever met me meê naar m'n kamer, in plaats van die praatjes.

--Praatjes vullen geen gaatjes, hé? en hij begon verschillende

variatiën op dit thema aan haar oor te fluisteren, zeer vertrouwelijk,

doch z'n armen waarin ze de hare wilde haken, vrij houdend. Henri

weerde zich tegen 'n heel kringetje, dat in 't fransch, duitsch en

hollandsch tegen elkaar opbood.

De vrienden maakten echter korte metten. Weldra gingen ze samen verder.

--'k Zou ze lekker danken. 'k Ben lekker »gris«.

De dames keken hen na, om dan fluisterend hun wandeling te hervatten.

--Je brengt me toch naar huis? Anders raak ik in polities handen en

'k moet morgen vroeg weg. Ik ken de agenten hier niet.

Op z'n kast moesten ze nog eens klinken. Henri zat op een stoel te

soezen, terwijl Albert z'n koffer pakte en op alle wijzen beproefde,

't deksel dicht te krijgen.

Na veel mislukte pogingen wierp hij er alles uit en flapte den koffer

toe. Hij ging er op zitten »speechen«.

Henri, die zich den heelen dag al onder invloed van den ander

gevoelde, was sufferig en verlangde hartstochtelijk naar het eind,

dat eindelijk kwam.

Toen hij den trap afging, lag de gastheer op 't portaal, zoo lang

als hij was, met den bol van de petroleumlamp in de hand, heen en

weer te zwaaien. Onderwijl zong hij: Behuet dich Gott.

Henri begeleidde hem, op den trap stilstaand, terwijl hij met z'n stok

tegen het houten beschot sloeg dat alle buren wakker werden en men

in de verschillende kamers hoorde mopperen. Nadat het lied uit was,

voelde Albert zich genoopt te roepen, dat Henri zich maar niet moest

storen aan die slaapmutsen. Ze konden het wel in hun hoofd krijgen

om midden op den dag naar bed te gaan. Als de lui getrouwd waren,

konden ze niet zien, dat de zon in 't water scheen. Hij vertrok

gelukkig morgen, waren dat menschen? En hij eindigde met de voor de

buren verkwikkelijke mededeeling, dat hij van nacht toch wel niet zou

kunnen slapen. Ze riepen elkaar nog eens vaarwel toe. Albert zwaaide

op vervaarlijke manier met de petroleumbol, als een saluut, en Henri

ging op de teenen den trap af. Albert begon opnieuw aan z'n koffer,

onderwijl verschillende aria's zingend en soms de bewegingen van

operazangers nadoende en hun houdingen aannemend. Eindelijk staakte

hij z'n vergeefsche pogingen en ontkleedde zich onder 't zingen van

het afscheidslied. 't Was toch ellendig, dat hij nu juist weg moest,

nu hij 'n vriend had gevonden. Onder het in-bed-stappen dacht hij er

aan, z'n vertrek uit te stellen. Terwijl hij lag te wikken en te wegen,

viel hij in slaap. En 's morgens was hij alles glad vergeten.

Henri gevoelde een lichte huivering, toen hem de nachtlucht tegemoet

kwam. Een zwak koeltje zefierde over de daken en suizelde door de

straten, in de broeiende warmte luwe openingen makend.

De stem van z'n vrind gonsde nog in z'n ooren en onwillekeurig

herhaalde hij het lied van den Trompetter en zong hij het zwanenlied

uit Lohengrin. Weemoed begon in z'n stemming te domineeren. De

straatsteenen weken onder hem uit en behoedzaam pakte hij de hekjes op

z'n weg beet. Het harde ijzer was onder z'n opgezwollen, tintelende

handen week als boter. Zoo sukkelde hij door een geligen nevel, van

sterk zonlicht doortrokken, waaruit nu en dan een bekend gezicht zich

loswikkelde. 'n Paar dames, in wit-grijs-geblokte doeken, begonnen

zachtjes te zingen, toen hij voorbijging; maar hij zag ze niet. Met

moeite opende hij de deur van z'n woning, een poos morrelend met

den sleutel. In 't breede, hooge portaal bij den trap brandde 'n

lichtje, dat door z'n flikkeringen, die langs de treden dansten,

hem nog duizeliger maakte. Eerst toen 't weer stil stond, waagde

hij het, den spiegelenden, bruinen trap te beklimmen, voorafgegaan

door z'n schaduw. Boven werd er uit een kamer geroepen: Is u daar,

m'nheer? Het was de volbloedige stem, warm en zinnelijk, van z'n

over-vriendelijke hospita. Na 'n bevestigend antwoord wilde hij naar

boven gaan; maar de stem vervolgde op innig-hartelijken toon: Ik heb uw

lamp maar aangestoke, anders moet m'nheer zoo in den donker morrele,

dacht ik. Werktuiglijk ging hij naar de kamerdeur, die op 'n breeden,

warm-gele kier stond, om de juffrouw voor hare attentie te danken.

»Komt u maar binne!«

Een groote petroleumvlam doortrok het niet ruime vertrek van 'n warm,

innig licht, dat langs het lichte behangsel opklom naar 't plafond

en tot de kleinste hoeken met een heldere klaarte vulde. Zacht

wemelde het en gleed het in de dekens en langs de hoofdkussens van

het open ledekant, dat in een zeer ondiepe alkoof stond, in mollige,

heldere smetloosheid. Een zwartmarmeren pendule met coupes en eenige

achterover leunende fantasieportretten teekenden hun achterzijde

af in den grooten spiegel met dof vergulden lijst, die aan den

schoorsteen hing en de voorwerpen overgoot met het licht dat hij

terugkaatste. Aan de tafel stonden eenige luierstoelen en in één

daarvan zat de juffrouw, zoo goed als geheel ontkleed, puffende en

blazende. Het roze, volbloedige vleesch trilde van begeerte onder de

kantjes van het laag uitgesneden hemd.

--Ze hoefden zich voor elkaar niet te schamen, zei ze.

Ze waren geen kinderen.--Haar oogen zwommen in flitsende stralen die

uit fosforische wolken schoten.

Haar volle kin trilde, haar lichaam sidderde. Haar onderlip klemde

zich koortsig tegen den bovenkaak, zoodat ze ternauwernood hare

woorden uiten kon.

Hij bleef aan de deur staan, overstelpt door de nieuwe voorstellingen,

die met z'n stemming kampten. De kamer vulde zich met een zacht, roze

licht en hij kreeg een gevoel, of hij door 'n zachte, warme hand om

de lenden gegrepen en opgetild werd. De last, die hem in de laatste

ogenblikken op de schouders had gewogen, viel af. Hij voelde zich

verslonden, één worden met de vrouw tegenover hem. Ze was opgestaan

en ontnam hem hoed en stok, z'n beenen met de hare beroerende. Een

bliksem flitste door de kamer, gevolgd van lichte strepen, die

zich omhoog spiraalden, zich in elkaar verwarden, weder oplosten en

verdwenen, kleine brokjes achterlatende, die fosforiseerden. Alle

lijnen trilden. De wanden der kamer kwamen op hem toe en drukten hem

te pletter. Rozengeur steeg in z'n hoofd en geur van heliotropen.

Ze drong hem naar 'n stoel en zette zich tegenover hem. Hij zag haar

niet; maar voelde hare warme uitstraling. Met bevende handen schonk

hij in, op haar herhaalde uitnoodiging. Hij moest toonen, dat hij

de consessies waard was, die ze deed. Ze zou het als een beleediging

opnemen, als hij weigerde.

Ze leunde achterover in haar stoel, hem verslindend, en zich nu en dan

wat lucht toewuivend. Hij voelde zich versuft en tuurde strak door het

raam. De gordijnen waren opgenomen en het raam opengeschoven. In het

donkere verschiet zag hij flauwverlichte ramen opritsen en bevende

lichtjes pinken. In z'n hoofd gonsde het en z'n gloeiend achterhoofd

klopte. Langzaam liet ze haar bovenlijf hem naderen, hem omringende met

een warme wolk van zinnelijkheid, trillende van de forsche bloedgulpen,

die naar de huid stroomden.

Hij sprong op. Een donkerpaarse, walgelijke heliotroopgeur, doorloeid

van hel-opflikkerende vlammen, wikkelde alles in z'n plooien. Het

vertrek vulde zich met den schijn van donker gaslicht. Walging trok

haar lijnen op z'n gelaat. Forsche tonen overstemden de lispende

stem der vrouw. Wilde bekkensslagen rolden er over heen. Iedere

spier van hem rilde van afkeer, iedere zenuw rekte zich uit en kromp

snel ineen. Hij werd naar de deur gedreven en beklom werktuiglijk

de trap. Uit een wolk achter hem suizelde een vrouwestem, als uit

'n verre verte.

Op z'n kamer blies hij de lamp uit en ontkleedde zich haastig. Toen

schoof hij het raam open. Een frisch koeltje drong zich als 'n zilveren

wig tusschen de vuile dampen in de kamer.

Een poos lag hij in de duisternis te turen.

Toen na een poosje zachtjes de deur geopend werd en hij een zacht

warme adem over z'n gelaat en een strelende hand over z'n beenen

voelde glijden, zei hij kallem: Je zult kouvatten, juffrouw.

Een nest menschen · 第 24 / 25 题