Ondertusschen stond Vis te betoogen, dat men indringers kon missen
als kiespijn. Er was alevel zoo weinig te doen. Hij zei maar altijd,
»laat Amsterdam voor de Amsterdammers zorgen, maar laten ze Watersum
niet komen opvreten.« »En je weet, hoe het gaat« vervolgde hij:
»die vreemde stoethaspels spelen maar sielvoeplè en ze zouwen den
baas wel als een god om werk willen bidden.«
»Nu maar, dát verdom ik toch lekker,« viel er een in.
»Ik verdraai het ook« zei Vis met een ernstigen blik op den laatsten
spreker. »Maar dan moeten we ook niet toelaten, dat anderen onder
de markt werken. Op 't laatst zou je nog geld moeten toegeven, wát
blief je?«
»Verzuipen moeten we ze, de onderkruipers« riepen de mannen van
de daad.
»Kijk zijn zakken na, Gerrit!« Een groote vent kwam op den man af.
»Och, laat me maar asjeblieft door, ik zal heengaan.« De toch reeds
jongensachtige gestalte werd nog kinderlijker. Hij toonde zich laf,
maar die lafheid was niet die van een laf dier, veeleer deed ze denken
aan die van een beest zonder verdedigingsmiddelen.
»Doorlaten? Kan je nét begrijpen. Denk je dat ik door jou vermoord
wil worden? Om den bliksem niet.«
Men begreep niet, waar hij heen wou en keek hem vol spanning aan;
want hij had den naam van een »uienboer« te zijn.
»En dat zou gebeuren, daar kan ik donder op zeggen. Kijk eens,
wat een bloeddorstige oogen! Als ik je nu doorliet, zou je me t'
avond of te morgen opwachten en tegen zoo'n reus kan ik niet op!«
besloot hij, een grooten pruim achter de kiezen duwend.
Nu begreep men de satire. Teekenen van goedkeuring.
»Daarom, je moet verzopen worden! Een dooie doet geen kwaad en als
ik je alleen niet aan kan, zullen de heeren omstaanders wel een
pootje helpen.«
»Dat spreekt van zelf!« riep men. »Maar pas op je tellen, Gerrit,
hij wil een uitval doen en dan móet je het verliezen!«
Terwijl Gerrit nu naderde, ging de ander achteruit, bibberend en
klappertandend.
»Je gaat het water in, zoowaar als Aai leeft,« dreigde Gerrit. De man
omklemde de ducdalven aan het eind van het hoofd, of er zijn leven
van afhing. Verlangend keek hij achter zich: zijn oog verloor zich in
den dikken mist, die in dwarlende massa's vóór de wind uiteen stoof,
om zich dan weêr samen te pakken.
»Wat zullen we nu eten? Wat bliksem, ben jij het Amsterdammer? En
wouwen ze jou verzuipen? Om den donder niet! Laten ze een klauw naar
je uitsteken!«
En Leen keek uitdagend rond.
»Dieven en diefjesmaat« bromde de garribaldi. Hij zinspeelde er op,
dat ze gestolen koffie opkocht. »Als we hem niet hadden gezien,
zat hij er nog en iemand die 's Konings livrei heeft gedragen, gaat
niet voor zijn pleizier in een wagen zitten koekeloeren. Als er wat
gestolen wordt, worden we weggejaagd en dat kan ik niet lijën. 'k
Heb een groot huishouwen.«
»Hou jij je mond maar. Jij krijgt in de kerk van de engelen veêren
bedden en zakken suiker present. Maar wij zijn maar gewone arme
donders en als we wat willen hebben en het niet kunnen verdienen,
moeten we het nemen,« merkte Leen aan.
»Aannemen!«
»Die is secuur raak!«
»Hij heeft zijn bekomst!«
Dat bleek. Vis was den baas gaan herinneren, dat het tijd was, om
weer aan den slag te gaan.
Toch waren niet allen op de hand van Leen.
»Wil je er je liefde van maken?«
»Een rijtuig halen voor de trouw?«
»Trouwen? Als ze gek wordt, niet waar, Leen? Daar heb je niets dan
last van.«
Zulke vragen en kennisgevingen raakten haar niet.
Ze fluisterde met den Amsterdammer en weldra gingen ze samen de kade
af. Hij droeg den koffieketel.
»Een lieve geleijonker!«
»Ja, een geleijonker, zeg dat wel!« zei de »uienboer.« Het fluitje riep
hen tot het werk. En spoedig ratelden de donkey's en de steekwagens
op nieuw. Aan het eind der haven liet Leen den Amsterdammer op een
stoep neerzitten. Hij kreeg koffie en brood.
En van nu af was zij zijn kostwinster en hij haar huisgenoot.
Den geheelen dag liep hij op groene pantoffels met kattekoppen rond. In
het eerst waagde hij zich niet buiten de deur en deed niets dan »koken
en kokerellen in zijn eentje,« zooals Leen zich uitdrukte. Later waagde
hij het, op den drempel zijn pijp te rooken, de kinderen aan te halen
en met deze en gene een praatje aan te knoopen. Na eenigen tijd werd
hij een autoriteit in de gang en oefende er een soort ruwaardschap
uit. Buiten de gang kwam hij niet, daar de agenten hem op een avond,
toen hij een luchtje schepte, hadden nagejaagd, in de meening, dat
die sluipende, loerende man een erge boosdoener was. Hijgende kwam
hij toen thuis.
Maar hij had ook binnenlandsche vijanden, die de eerste de beste
gelegenheid zouden aangrijpen, om hem te vernederen. En die gelegenheid
kwam. Toen hij weer eens een jongen, die in een plas stond te trappen,
een lik om de ooren gaf--want hij was in den laatsten tijd wat minder
bedeesd geworden--barstte de bom los. In een oogwenk vormde zich om
den huilenden knaap een kring. Sommigen hadden voor hun eigen oogen
gezien, dat hij den jongen in den plas had gegooid. Een oud vrouwtje
had gezien, dat hij den jongen als een zoutzak door elkaar schudde:
Ze had de tanden van den knaap hooren rammelen. Allen hitsten de
moeder op.
»'t Is schande! een armen jongen in een plas te gooien, zoo'n lamzak!«
»Zou hij denken, dat we allen zoo makkelijk aan alles kunnen komen
als hij?«
»We moeten ons niet langer laten koeieneeren!«
De man, eensklaps weder schuw geworden, had zich in huis
teruggetrokken. De buren en de moeder van den jongen trommelden op
de deur.
»Kom er uit, vrouwemem! als je het hart in je zielement hebt!«
»Broerling!« »Ludeman!«
Dit laatste scheldwoord scheen zeer in de smaak te vallen. Althans
allen riepen:
»Bliksemsche Ludeman! Ludeman!«
Van binnen werden stoelen en een tafel aangeschoven ter versterking. Na
eenigen tijd werd het echter weêr rustig. Hem kreeg men niet te zien.
Het werd Zondag. Men had gefluisterd, dat er dien dag wat zou
te doen zijn. Eene oude vrouw, die alle dagen uit werken ging,
had er zich reeds op gespitst. 's Middags schoof ze de geplooide
ondergordijntjes een eindje terug, zoodat ze onder het theedrinken
alles kon waarnemen. Een bovenbuurvrouw had zichzelf op de thee en
annex geïnviteerd. Het waren twee nieuwsgierige zielen, die het naadje
van de kous moesten weten. Niemand in de buurt kon een vinger in de
asch steken, of ze waren er met hunne neuzen bij.
's Morgens reeds waren de vijandelijkheden door Leen begonnen. Telkens
als ze de woning der kinderlievende moeder voorbij ging, spuwde ze
op den grond en zei verachtend: »smeerlappen!«
Het hoofd van dit gezin was 's morgens eerst naar de kerk geweest,
Tot ieder der buren, die hij in den barbierswinkel ontmoette, had
hij gezegd: »wacht maar.« En na kerktijd had hij zich in de herberg
nog heviger uitgelaten. »In piesjes zou hij ze snijden, die aan zijn
kinderen raakten. Ze zouwen er zelfs niet naar wijzen. Als er wat
te beuken viel, was hij zelf mans genoeg. Wat zou die ditendatsche
loeder zich verbeelden? Je zou zien, verdomme, je zou zien.«
Eerst deed hij nog zijn middagslaapje. Om vijf uur ging hij op den
dorpel een pijp rooken en zitten schelden. Leen kwam telkens over de
onderdeur kijken en raadde sommigen aan »op d'r tellen te passen!«
Alle oogen waren intusschen voor de glazen verschenen. Daar klopte de
man zijn pijp uit, stond op, schreed plechtstatig voorwaarts, bonsde op
de deur van Leen en vroeg wie er smeerlappen waren. Hij was een groote
vent met zwaren baard, maar deed toch eenige schreden terug. De deur
ging open en Leen werd zichtbaar. Als eene kaars stond ze achter de
onderdeur, in haar zondagsche kleêren, en met zwaren gouden oorbellen.
»Jij« zei ze en gooide met een smak de bovendeur toe.
Nadat hij van zijn verbazing bekomen was, riep hij: »Neen,
verdommeling, jij bent een smeerlap!«
»Als een geest,« volgens ooggetuigen, »als een geest« kwam Leen op
hem af. Hij zorgde, dat er een betamelijken afstand bleef bestaan en
ging daartoe achteruit.
»Ik ben een... toe dan: een... een!«
Maar hij zweeg en verdween in zijne woning. Leen deed hetzelfde. Toen
kwam hij weer te voorschijn en trommelde met alle macht weder op de
deur. Onverwacht kwam Leen te voorschijn en hij retireerde.
Op dit gedenkwaardig oogenblik werd hij door zijne vrouw verraden. Ze
hield de deur gesloten, hetzij om hem tot den strijd te noodzaken,
hetzij uit vrees voor het binnendringen van den vijand.
Daar stond hij nu.
»En nu wil ik weten, wie er een smeerlap is!« gilde Leen en ze trok
hem aan den baard, dat het hoofd bijna van de schouders rolde. De
oude juffrouw vond het »ijselijk!«
»Leen, jou heb ik niet bedoeld, waarachtig als God niet!«
»Neen, dat is een flausie. Je moet niet terugkrabbelen. Kom er voor
uit, als een vent!« riep men over een onderdeur. Het was een jonge
snuiter, die zich kostelijk vermaakte.
»Je... je... kostganger heb ik bedoeld!«
»Mijn wát?«
»Die man, die bij je t'huis is!«
»Bedoel je mijn man?«
»Neen, Leen, dat moet je de kat wijsmaken. Je man is het niet; hij
hokt maar met je« riep men.
Dat was den Amsterdammer, die achter de deur had staan luisteren en
gluren, teveel. Hij kwam voor den dag en riep: »Neen, neen!«
»Zou je willen, dat ik jullie mijn trouwpapieren liet zien?«
vroeg Leen.
»Die heb je niet.«
»Toch is het je pol!« riep vrouw Vis uit het raam.
»Neen, neen!« riep de persoon in kwestie.
»Ja, je bent mijn pol. En jij daarboven« (aan het adres van vrouw Vis)
»je bent jaloersch, hè. Nu ja, de puntjes zijn er af. Je wordt mooi
oud en knapjes leelijk!«
Het raam werd met veel geraas dichtgeschoven.
Allen lachten.
»Jullie hoeft ommers niet voor hem te werken? Waar bemoei je je dan
meê?« Dat was tot de omstaanders gericht.
De man met den verplukten baard gaf Leen toe, dat ieder naar »zijn
eigen« moest kijken en dat hij ook niet verkoos, dat men zich met
zijn zaken inliet. Hij had het liefst, dat men hem maar in zijn sop
gaar liet kooken, anders had hij den duivel in.
Dat was Leen genoeg. Wel beweerde de Amsterdammer dat hij van goede
familie was, maar ze had geen »puf« ruzie te maken, om dit door de
anderen erkend te zien. Ze nam hem op en riep: »Ja, ja, lieverd, weest
maar zoet!« en kuste hem, dat het klapte, zoodat hij van schaamte
de oogen niet dorst opslaan. De jonge kerels applaudiseerden; maar
de oude burgervrouw, die uit werken ging, schoof haar gordijntjes
dicht en verklaarde haar gast, een snuifje nemende en aanbiedende,
dat het »meer als schandalig« was.
Nog een poos, nadat Leen de deur achter zich had gesloten, bleef
men overleggen, wat men doen moest, want het stond als een paal
boven water, dat men van »dat schepsel met zijne kattekoppen« geen
komplimenten meer wilde afwachten. Maar toen Leen eenige emmers koud
water over hunne hoofden had uitgestort, achtte men het raadzaam,
persoon en zondagsche kleêren in veiligheid te brengen. Alleen werden
eenige ruiten bij haar stuk geslagen. Ze riep de hulp der politie in,
maar de dader lag op het kerkhof. Intusschen viel men haar niet meer
lastig, al schomp en schoot men op »lafaards, die om een haverklap
naar de politie liepen; de politie, die geen recht had, zich met de
bewoners der gang te bemoeien«.....
Als Leen uitging, sloot ze den man op.
In zijn eentje vermaakte hij zich met het vermaken der vensterblinden
tot planken en bloembakken. Leen bezorgde hem bloempotten, die hij
meniede en waarin hij pronkboonen, Oost-Indische kers en erwten
zaaide. Nog eer de zomer geëindigd was, zag hij groene stengeltjes,
die boven de aarde kwamen rondkijken. Sinds was hij elken morgen in de
weer, de potten zoo te draaien en te verschuiven, dat de zonnestralen
de plantjes konden omvatten en koesteren. In de dakgoot had hij
maïs en boonen gezaaid. De aarde had Leen in haar schort verzameld,
toen de bloemenmarkt was afgeloopen. De breede bladeren der maïs
krulden sierlijk om, de boonen klommen langs de touwtjes en hekjes
en in den nazomer was dit deel van het roode dak bedekt met frisch,
levendig groen. Het was verwonderlijk, zoo iets in dit donkere, nauwe,
morsige steegje te zien.
De zomer ging voorbij. Leen onderging eene groote verandering. Haar
gelaatstrekken werden scherper, haar gemoed scheen verzacht te
zijn. Ze had buien van lichtgeraaktheid, maar ook oogenblikken van
algeheele verteedering.
Toen hij tegen den winter voor den volgenden zomer een bloemenbak
op groote schaal wilde maken, moest hij dat op zolder doen en soms
zijn arbeid staken; met het vallen der eerste sneeuwvlokken was er
een meisje geboren.
In den eersten tijd kwam Leen thuis, zoo gauw en zoo dikwijls ze
kon. Kort voor de geboorte der kleine Lou had ze een werkmanie
gekregen. Zoo had ze hare moeder zien doen, een ordentelijke
burgervrouw, die uit schoonmaken ging op schepen. Met behulp van den
Amsterdammer had ze de kale, blauwe muren met een licht behangseltje
beplakt. Ze wreef de latafel tot deze glom als een spiegel. Alles
zag er toen geheel anders uit.
Maar spoedig verviel ze weer tot hare gewone bitsheid en slonzige
manieren. Lou werd gespeend. Hem werd opgedragen het kind te wiegen
en het te verzorgen. Ook hield hij den boel in orde, als hij kon,
want de kleine had de gewoonte, hem te dwingen, uren lang met haar
het vertrek op en neer te loopen. Zachtjes zong hij dan allerhande
liedjes, die ze later beproefde meê te neuriën.
's Zondags nam hij de wijk op het zoldertje. 's Morgens vroeg
maakte hij dan een kuiertje, buiten de stad, langs een nette kade,
door dichte kastanjeboomen beschaduwd. De stralen van de ochtendzon
tooverden zilvergouden vlekjes voor zijn voeten en boven hem tjilpten
de musschen. Een paar kinderen, of een man, vuil en slordig, die een
pakschuit voorttrokken, zag hij dan op het jaagpad aan den overkant,
door het heldere water weerkaatst. In de verte, onder een brug door,
scheen het water een zilveren, gerimpelden streep, die zich verloor
tusschen zaagmolens, met onbewegelijke, bruine wieken. Links werd het
gezicht bepaald door een zwartgroen boschje, waartegen het kleine
tolhuisje stond te leunen. Het witte tolhek stak aardig af tegen
de donkergroene heg. In de zilverachtige, wazige hemel blonk in de
verte, over de heg heen, het gouden haantje van een torentje als een
kleine zon.
De grijze, eentoonige huizen langs de kade geleken in hun
onberispelijke stijfheid op kruideniers in hun zondagskleeren, bevreesd
uit hun plooi te komen. Nergens zag men een bewoner. Alleen voor een
stalhouderij aan het eind waren stalknechts op klompen fluitende bezig,
eene massa water te plengen op en bezijden de wielen van koetsen. Maar
dit verstoorde zoo weinig de rust, dat de musschen zich daardoor niet
lieten weerhouden in den hoop paardenmest rond te ploeteren.
Bij de brug sloeg de man rechtsom en ging dan eerst voorbij een grooten
tuin met ijzeren hek en bloemen, in verschillende kleurschakeeringen
tot figuren gegroepeerd, geel op donkerrood en alles omgeven door
een rand frisch gras met vergeet-me-nietjes en madeliefjes--en dan
tusschen velden met enkele stuks vee, zich in den lichten nevel
verliezende. Het gelui der klokken uit de stad, nog, hoewel flauw
hoorbaar en het gesjilp der vogeltjes in de boomen, en nu en dan
het ratelende hossen van wagens met koperen melkkannen, waren de
eenige geluiden. De man werd er stil van en gaf na zoo'n wandeling
den geheelen dag »geen pruim voor een rozijn«, zooals Leen zei.
's Avonds deed hij gewoonlijk dezelfde wandeling; maar ging dan in
het terugkomen voorbij de gevangenis, waarvoor hij een poosje bleef
staan mijmeren, leunende tegen een houten hek. Als hij zich afkeerde,
kon hij een zucht niet weerhouwen. Met loomen tred en slappe armen
liep hij dan langs de modderige straten naar huis.
Zijn ochtendwandeling mocht hij 's winters na laten, 's avonds ging
hij stellig, weêr of geen weêr, langs de gevangenis, hoewel hij
zich telkens daarna diep ellendig gevoelde, geheel verlaten op de
wijde wereld.
Hoewel hij alleen 's Zondags zijn lust tot wandelen kon bot vieren,
was hij toch het meest in zijn schik, als hij alleen kon »otteren«,
in de week.
En 's zomers, als hij zijn potten schikte en door de geraniums
rookte om de bladluis te dooden, dacht hij er niet aan, dat hij een
parasietenleven leidde. Soms, vooral tegen het voor- en het najaar,
gevoelde hij aandrang om weg te loopen en te gaan zwerven; maar toch
bleef hij. Eigenlijk, omdat eten en drinken voor hem klaar stonden;
maar hij maakte zich wijs, dat hij uitsluitend bleef, om Lou op te
voeden. Met tranen in de oogen dacht hij er over na, dat zijn makkers,
die hem tot den diefstal hadden verleid, den schuld van zijn ellendig
bestaan droegen. Hij riep dan 's Hemels wraak over hen af.
Maar zulke tijden daargelaten, over het algemeen was hij niet
mannelijk genoeg om te haten. »Hij vergaf zijne vijanden,« zeide hij
tot zichzelf, »en dat was braaf.« Op het laatst gevoelde hij zich
werkelijk boven anderen verheven. Dat bleek ook uit zijne houding,
als Leen hem verweet, dat hij een klaplooper was, waardoor ze, dit
instinktmatig gevoelende, nog wreveliger werd.
Lou hechtte zich meer en meer aan hem en vervreemdde van hare
moeder. Dat was het gevolg gedeeltelijk van dier dagelijksche
afwezigheid, gedeeltelijk van hare handelwijze. Om de kleinste
vergrijpen, soms zonder reden, sloeg ze het kind. Meestal was ze barsch
en als de kleine begon te huilen, stootte ze haar ruw weg. »Ze hield
niet van die menschen, die altijd simmen en koppen; ze had eens zoo
lief een klap in d'r smoel.«
Soms beproefde ze, de genegenheid van het kind te herwinnen door
een hoedje, of een jurkje of iets dergelijks. Dikwijls gebeurde het
niet--want het kind was bang voor haar--maar als het eens gebeurde,
dat het vleiend de armpjes om haar hals wilde slaan, dan zei ze ruw:
»Kom, je weet wel dat ik niet van dat gezoen en gelik houd.« Ging het
schaap dan huilen, dan speelde ze op haar poot en gooide en smeet
alles neer en bromde: »simmetje gladkop, met verdriet overtrokken,
zoek je troost maar bij dien Nero Niemandsvriend, die zijn tong
schijnt verloren te hebben.«
Het gezin vermeerderde ondertusschen met een jongetje, een zeer zwak
kind. Alle buren hadden er een zwaar hoofd in, of het zou blijven
leven. Maar hij blééf leven. Hij werd bij een buurvrouw uitbesteed en
was weldra zoo ondeugend als de rest. Op zijn derde jaar schopte hij
twee pooten stuk van een geitje, het speelgoed van de kinderen der
vrouw, die hem heette te verzorgen. Het beest hinkte allerkoddigst op
zijne gelijmde pooten, tot groote pret van Jantje. Hoewel Leen zich
met hem meer bemoeide, dan ze met Lou ooit gedaan had, was hij veel
alleen en daar de jongens in de buurt nu niet van de welwillendste
waren, leerde hij, steeds slagvaardig te zijn. Hij kende geen grooter
pleizier, dan het spel van anderen te storen. Hoe ouder hij werd,
zooveel te meer bleek, dat hij een tiran was voor jongeren en zwakkeren
dan hij, een geniepige verrader, maar een strooplikker, als hij zag,
dat hij »op zijn bliksem« kon krijgen. Hoewel hij hierin toonde, wel
degelijk te kunnen onderscheiden, zag hij er niet zeer scherpzinnig
uit en als zijn lang sluik haar, naar gewoonte, over zijn oogen hing,
had hij bijzonder veel van een idioot.
Eens op een winteravond was Leen vroeg t' huis gekomen. De man
zat in een hoek van het vertrek plat op den grond, omgeven van
eenige stukken klei, door Jan van een jongen »afgepikt«--hoewel hij
beweerde, ze gekregen te hebben--waaruit hij eene verzameling dieren
boetseerde. Het meisje zat op een stoof, met de armen over elkaar,
naar het werk te kijken. Jan lag plat op zijn buik, met de ellebogen
onder het hoofd. Bij de tafel zat Leen op een onhandige manier kousen
te stoppen. De kachel snorde vroolijk en de onlangs aangeschafte lamp
wierp een vroolijk schijnsel door het vertrek.
Een olifant met zijn slurf, een kameel met twee bulten, een koe en een
paard, die alleen van nek verschilden en eenige andere dieren, die
iets kenmerkends hadden en die dus gemakkelijk waren na te bootsen,
stonden in rijen geschaard. Het moest voorstellen de revue in het
paradijs. De man gaf er de uitlegging bij. Jan herhaalde zijn eisch,
eenige dieren in particulier eigendom te hebben en stelde daarom
eene deeling voor; maar omdat gebleken was, dat hij de beesten dan
weer tot kleiballetjes wreef, om deze dan door middel van een stokje
naar verschillende plaatsen te slingeren, vonden de anderen goed,
geen acht op zijn eischen te slaan. Hij beweerde, dat eigenlijk al
de klei van hem was en wilde voor het minst dan toch een deel van de
ruwe grondstof hebben; maar de anderen bleven doof aan dat oor. Ze
deden als de vader van 't dolhuis: ze stoorden zich aan geen gek.
Onverwacht slaat Leen op tafel en roept:
»Wel allemachtig, kan het schaap niet eens een diertje krijgen?«
»Maar Leen« ...
»Maar Leen« ... bauwde ze hem na. »Ja, je kunt me kousen met gaten
praten. Je kan praten als Brugman, maar dat is ook het eenige. Nou,
weet je wat? Zout de beesten op voor mijn part.«
»Maar Leen! je hebt gezien ...«
»Ik heb gezien, dat je den heelen avond als een echte doodvreter zit
te slabakken. Diertjes maken, dat kan je, niet waar, slampamper?«
»Laat ze maar kletsen« fluisterde Lou.
»Dat hoor ik eens, dat zal ik moeder zeggen, hoor!« zei Jantje hardop;
maar Leen hoorde hem niet.
»Berg die bullen op. Denk je dat ik 's nachts nog voor jou aan 't
redderen wil komen? 'k Zie je eenszoolief in ... in de bestekamer
zakken,« zei ze met een poging, om zich ook eens fatsoenlijk uit te
drukken. »'t Kan jou ook al niet schelen of anderen zich dood moeten
werken om jou aan 't vreten te helpen. Luie bliksem, salamandert op!«
»Nu moet het uit zijn. Ik kan hier niet blijven!«
»Ik heb niets meer aan je!« zei Leen. Ze stoorde zich niet aan hetgeen
hij zei. Ze ging voort, zijn bed op te maken: vóór de bedstede,
waar zij met de kinderen sliep.
Ze sloeg de kussens en het bed met vuisten. Lou zat met angst naar
de zwarte, reusachtige schim te kijken, wiens hoofd zich verloor in
de effen zwarte schaduw der zoldering, alleen afgebroken door een
licht kringetje boven de lamp en die telkens zijn vuisten dreigend
naar haar vader uitstak. Jan wreef de handen over de knieën; hij
verkneukelde zich.
»Ik heb niets aan je en je doet net, of je Hoboken waart.« De man
had zijn pet opgezet. Zonder jas, het dunne boezeroen bijna over
het bloote lijf, ging hij heen. Hij kuste Lou en zei nog: »Een braaf
meisje worden!«
Leen wachtte en wachtte, maar hij kwam niet terug. Ze begon er
eenigszins berouw over te krijgen; want ze was aan den man gewoon
geraakt. Zelfs dacht ze er over, waar ze hem zou kunnen zoeken;
maar, daar ze dit niet wist, bleef ze t'huis, mokkend en zwijgend
en drong zich op, dat ze bij geen mogelijkheid anders had kunnen
handelen. Welbezien, was het toch het beste maar, dat hij opgehoepeld
was.
De man stond een deel van den avond naar de gevangenis te turen. Toen
hij geheel neerslachtig en door de neervallende natte sneeuw verkleumd
was, baggerde hij droomend de stad in, om het plaatsje op te zoeken,
waar hij vroeger zoo dikwijls had geslapen. Hij legde zich neer in eene
der overdekte wagens van een expeditiekantoor, op een plein in het
midden der stad. Nog een poos lag hij te turen naar de flikkerende
vlammen der lantarens, die telkens dreigden uit te waaien; naar
de langzaam neervallende vlokken, die zich oplosten in het donkere
slijk op de straat en naar de lichte kringen op het donkere plein,
telkens van grootte en vorm veranderende. Eindelijk viel hij in
slaap. In den nanacht had hij een naar jenever en tabak stinkende
kerel naast zich, die in zijn slaap lag te praten, te vloeken,
te trappen en te schurken. De Amsterdammer werd er wee van en nog
eer de huizen zich uit het grauwe morgenlicht ontwikkelden, verliet
hij zijn schuilplaats. Een poos staarde hij half slaperig, naar een
oliekoekenkraampje, waar ook heete melk en koffie verkocht werd. Zwarte
gestalten drongen zich opeen, voor het vroolijk flikkerende vuurtje
onder de pot met olie. Twee vroolijke, heldere zusters bedienden de
gasten, die, beide handen om de heete kommetjes geslagen, stonden te
blazen en te slurpen, met knikkende knieën en bibberende lichamen.
Een eindje verder strekte een spookachtige wipbrug zijn lange armen uit
in den nevel, die daar blauwig was, maar aan de tegenover gestelde kant
van het plein als een bruinachtige massa langs de huizen neerviel,
zich aan alle uitstekende punten vastklampend. De lantarens waren
reeds gedoofd. Een oogenblik bleef de man nog staan dralen, toen
slofte hij het plein over. Hij maakte een gat in het bruine gordijn,
dat zich zachtjes, onhoorbaar achter hem sloot.