I.

Ze bewoonde een vrij huisje aan het eind der gang, een vrij huisje,

doch dat slechts bestond uit één vertrek en een zoldertje. Van buiten

zag het er vriendelijk uit. Men had wel het gezicht op de heining;

maar daarentegen had het zonnetje gelegenheid van tien tot eene de

witgekalkte buitenmuur te doen blikkeren. De volgende huisjes waren

in een eeuwigdurenden nacht gedompeld.

Maar Leen had niet veel pleizier van het zonnetje. Ze zag het niet,

als de lichtbundels de stofjes in de kamer deden dansen en zich

spiegelden in den koperen deksel der doofpot of in de oude, donkere,

dikbuikige latafel. Ze zag haar woning niet anders dan als een vuil,

hol vertrek. 's Zondags sliep ze tot over twaalven, omdat ze er de

andere dagen vroeg uit moest. 's Winters zat ze reeds vóór half zes

bij het schijnsel van een z.g. snotneus haar boterhammen te eten,

terwijl ze haar voeten op een stoof, haar handen aan de trekpot

warmde. Ze liet zich nooit kloppen; maar werd van zelf wakker en

ging dan, na een blauwen rok aangedaan en een doek om het hoofd

geslagen te hebben, water en vuur halen. Dan waschte ze zich, op

de wijze van een kat, kamde zeer zorgvuldig het haar achterover en

versierde het met een lila strik. Luidde het klokje, dat was ongeveer

zes uur, dan stond ze op, vulde een blikken cilinder met water en

deed er koffie in. Een schuifje van onder nam het vuur op, dat het

vocht moest heeten. Bij deze toebereidselen liep ze met het lampje

door het vertrek. Het licht viel dan op haar grof bleek gelaat. In

de ooren droeg ze bloedroode knopjes, alsof al haar bloed naar de

oorbellen was geweken. Het vertrek zag er dan fantastisch uit. De

zwartberookte zoldering had zelfs op de lichte plekken dezelfde tint

als de slagschaduwen achter de zware balken. Hun oorspronkelijke kleur

moest donkergroen geweest zijn. Spinrag en draden stof zweefden heen en

weer, als er door het loopen het geringste tochtje ontstond. De blauwe

muren, die van het afdruipende vocht glinsterden, waren nergens door

schilderijen bedekt. Alleen een klein, verweerd spiegeltje met gebroken

lijst hing in een hoek. De grijssteenen vloer scheen nooit met den

bezem kennis gemaakt te hebben. Even vuil was de kast, waarin brood,

boter, zakken thee en koffie, borden, vorken en lepels, gescheurde

en oorlooze kopjes, een bruine melkkan en eenige pannetjes verspreid

waren op het geelgeworden papier, dat de planken bedekte en dat door

een kunstvaardige hand zóó geknipt was, dat het er uitzag als kant.

Op zekeren kouden wintermorgen knoopte ze als gewoonlijk tegen half

zeven de wollen gehaakte doek om de schouders, blies het lampje uit en

nadat de gloeiende, rookende pit voor goed was uitgegaan, ging ze de

deur uit, welke ze zorgvuldig achter zich sloot. Het was nog pikdonker

in het steegje, zoodat ze meer op het gehoor dan op het gezicht moest

afgaan. In de verte klonken de opwekkende tonen van een trompet: een

diligence reed over den Singel. De tweede! Ging de eerste voorbij,

dan koesterde ze zich onder de dekens en genoot dubbel, als ze bedacht,

dat daar een harer medeschepselen reeds stond te blauwbekken.

In de straten was het niet veel lichter: de lantarens zien er 's

morgens rood en slaperig uit. Hare met spijkers beslagen schoenen

kletterden op de ongelijke straatsteenen. Nu en dan stond ze stil

om het vuur wat op te rakelen of om de zware hengselmand, die ze

in de eene, en de koffieketel, die ze in de andere hand droeg, te

verwisselen. Zoo naderde ze de groote haven, in het zuidwestelijk deel

der stad. In de flauwe schemering zag ze de masten der schepen als

grijze strepen. Het gedruisch van de booten, die in de verte gelost en

geladen werden, was reeds hoorbaar. Kinderen en vrouwen met kruiken

koffie en zakken boterhammen volgden denzelfden weg. De kinderen

zwegen, de vrouwen waren reeds bezig hare kennissen met de maatstaf

harer eigen voortreffelijkheid te meten. Ze naderde de rivier, die door

een dikken nevel bedekt was, zoodat men ternauwernood de lichtjes der

schepen, die op stroom lagen, kon onderscheiden. Eensklaps zweeg het

geraas der stoomlieren, en van de steekwagens, die de stellingen op-

en afvlogen, en het geschreeuw der sjouwers op het sein van schrille

fluitjes. De steekwagens bleven staan waar ze stonden, de dampende

mannen zochten hun vrouwen en kinderen op, die ze naar een beschut

plekje brachten, achter de balen of het kommiezenhuisje, waar ze zich

op balken of op de straat neerzetten. De anderen zochten hun troost

bij Leen of in de herberg....

Toen de fluitjes voor de tweede maal door den nevel trilden, waren de

meeste vrouwen vertrokken. Ook Leen was op haar schreden teruggekeerd,

een brug over en eene andere haven op gegaan. Het was lichter geworden

en de lichtjes in de verte verdwenen als verschietende sterren.

Op een hoofd stonden eenige wagens met geketende wielen. In een

der wagens lag een man, wiens lichaam bedekt was door een gescheurd

boezeroen, wiens schoenen door touwtjes bijeen gehouden werden. Niemand

der mannen, die in de nabijheid zaten te schaften, bemerkte hem. Door

de reten der wagenborden keek hij naar de sneden brood. Met gulzig

welgevallen snoof hij de geur der dampende koffie op.

Een man met ronde hoed had met zijn dochtertje de wijk achter een der

wagens genomen. Daar gaf hij het kind eenige gestolen stokvisschen,

haar op het hart drukkende, ze goed te verbergen. Nadat hij het meisje

een wijl had nageöogd, keerde hij zich om en zag den schooier.

»Wat donder.. dag--de Heer vergeve me de zonde ben jij het,

Amsterdammer? Ik dacht, dat je niet meer onder het licht van onze

oogen zou durven komen! Je hoeft niet op werk te rekenen, man! want

ze hebben niet graag knechts met lange vingers.«

De man richtte zich op, maar keek deemoedig voor zich.

»Ik dacht, dat ze vergeten en.... vergeven zouden. Mijn God, zouden

de menschen nog strenger zijn dan God?«

»Hoor eens Amsterdammer, ik hoor een dief niet graag over heilige

zaken praten.«

»Een dief!«

»Wel wis en waarachtig een dief! Laten we het kind bij zijn naam

noemen. Wegnemen en stelen, 't is één moers kind.... En wat deê je

in de wagen? Lag je weer te vigeleeren?«

»God Almachtig hoort me« ....

»Gij en zult niet zweren.«

»Ik heb honger« ... zei de man aarzelend. Hij had de opgeheven drie

vingers laten zakken.

»Jongens, daar is verdomd de Amsterdammer!« Men vormde een kring. Men

scheen gezind, de kennismaking te vernieuwen. Aan de meesten hunner

mankeerde een ditje of een datje en velen waren geneigd, stelen als

een kansspel te beschouwen. Eens liep je zeker tegen de lamp, het

was maar de kwestie 't zoo lang mogelijk uit te houden. Deze waren

het niet, die riepen:

»Jongens, Vis heeft gelijk. Een vos verliest wel zijn haren maar

niet zijn streken. Hij heeft willen stelen. Wat moest hij anders in

de wagen doen?« »Is 't waar of niet?«

De man poogde achter de wagens om weg te sluipen.

»Zie je wel, dat zijn geweten niet zuiver is.«

»Viseteeren, viseteeren!«

De Amsterdammer maakte een afwerende beweging. Zijn knieën

knikten. Eensklaps begon hij te fluiten:

»Zwavelstokkie, zwavelstokkie,«

»Moeder, daar leit een schutter in de goot.«

Een nest menschen · 第 9 / 25 题