De bedoeling van deze woorden vooraf aan dit sterk-persoonlijk
sprekende deel van Aug. P. van Groeningen's werk, vroeg werk
van hem, deze schetsen, maar rijp en wat meer is, buiten dezen
vergankelijken tijd, onvergankelijk; is belangrijk te maken de
wetenschap wie de schrijver was. Aanvulling, tevens vervollediging
van iets, geschreven door den heer F. Netscher over dezen Onbekende,
stilzwijgend geëlimineerde uit de maatschappelijke vergelijking.
Echtheid, dat is tevens oorspronkelijkheid, waterlandsche frischheid,
Rotterdamsche steêkracht, bewustheid dat is objectiviteit tevens
zelf-dwang tot eenvoud.
Is het voor kennis van den lyrischen dichter de vraag tweeledig:
hoè is de Tijd; en; hoè laat hij zich gaan,--wat de epiek-werker is
wordt beantwoord naar de enkelvoudige vraag: wat wil hij.
De lyricus is zijn werk, op zijn hoògst daar de mensch; de epiek-werker
is zijn werk niet, maar er boven. En niet voor het onder-gaàn, maar
voor het begrijpen van epiek diep naarbinnen tot aan haar oorsprong
toe, is, de wetenschap wie de schrijver zichzelf voelde te zijn,
met name voor de literaire kritiek de aangewezen, met wiskundige
vastheid te bouwen weg.
De lyricus kan zijn een onbeduidend mensch, met bij tijden
blootkomingen van waardeerbare stemmingen van zuiver toongehalte, de
epiek-werker is uit den aard van zijn wezen volledig, àlles-beduidend
Mensch met nog iets van een andere essens daarboven, de maat van welks
aanwezend zijn in de sfeer zijner bewustheden, de mate aangeeft van
zijn objektief vermogen.
Hoe dus de tijd om Van Groeningen was, wier reactie wel, wier
meegolvende voortbeweging hij niet is, heeft belang alleen voor de
lotgevallen van zijn werk; ook liever verzwegen dit, omdat droevig,
diep-diep-droevig, een geheel nieuwen, 'n somberen blik gunnend op
de kritiek en de literaire fataliteit van die dagen, toen alleen
machtig was jong-Amsterdam: zijn harde, zijn superbe werken met den
elektriseerenden wil, door dien tijd, zijn tegengestelde, van onderop
is onderbroken en gestort, hetgeen zij kon door eene meerderheid van
maatschappelijke wijsheid en lichamelijke middelen.
Wat is zijn Wil?
Hij geeft er in strenge trekken volledige (levens-gevaarlijke)
openbaring aan in een eenig door hem geschreven (zelf-)kritisch
artikel, in extenso weer te vinden op pag. 3 van het 1e blad des
Amsterdammer's van 11 Maart 1890.
»Trachten te-doen door laten.«
»Een kunstenaar (zoo staat er) die objectief wìl (d. i. moet) zijn kan
door onzen subjectieven, m. a. w., egoïstischen tijd, niet begrepen
worden, tenzij hij, door bij-omstandigheden beeldt personen die als
letterkundige kunstenaars in fraaie woorden voelen. Dit is de mate
van ons democraat zijn, dus van onze naasten-liefde.
»En daar de kunst der dichtstbije toekomst, als iedere reactie de
negatie van het nu-Heden, zal zijn zooveel mogelijk objectief, bestaat
heel veel kans op een herleving der romantiek, een nieuw-romantisme,
met helden en ridders--»tenzij« (men leze hier klemmend, als waren
de letters allen van ijzer, moeilijk weg te schuiven) »tenzij het
nu-aan-het-opkomend geslacht moed en zelfverloochening genoeg heeft,
een tijdje voor minder-knap, minder-vol gehouden te worden. Want
klassiek (naar-het-wezen-klassiek) werk schijnt in tijden van
verfijning erg armoedig, omdat het tracht te-doen door-laten: véél
te zeggen door wéinig te zeggen...«
»Mijn streven is over de stof te heerschen...«
Het is de grauwe, vette, zware kleigrond, waarin gewerkt moet worden
onder al 't eens-Monumentale, die Van Groeningen hier bloot-legt.
»Voor zoover men van een kunstenaar kan zeggen, dat hij zijn stof
kan kiezen, zelfbewust, is dat bij mij het geval.«
»»Van alle Tijden«, een groot geheel waarvoor ik ± 10 boeken
noodig zal hebben, moet worden de verklanking en verbeelding der
menschen-geschiedenis in het ruim der eeuwen: ('k Geloof dat de stof
niet erg realistisch is.)
»Die geschiedenis wordt gemaakt door twee elementen: het
passieve--d. i. het menschengeslacht dat steeds wonderen vraagt
maar ze niet kan doen--en het actieve, goddelijke, dat ze wèl doet,
het genie. Daartusschen, overgangsvorm: het half genie, volgroeijing
van het eerste, aankondiging van het tweede element, dat het door
bevruchting met het eerste voortbrengt...« »Ter bestudeering van
dit levensverschijnsel hoefde 'k niet ver van huis te gaan. Men
vindt het in Bilderdijk, Multatuli die eigenlijk niet verschillen,
al lijkt dit een paradox...« »Niet slechts personen, ook geheele
tijdperken hebben een dezer drie individualiteiten. Men denke aan het
historisch verschijnsel dat alleen onrustige, zeer onrustige tijden
eene genie voortbrengen...« »In mijn plan komen 4 deelen voor, (nà
het vierde), die het volkslijden zullen behandelen. Over eenige jaren
hoop ik daaraan te beginnen. Als de natie tot rust zal zijn gekomen,
dàn zal ik geven, zonder terughouding, het leven van le peuple...«
Het lijdt geen twijfel, dit nest menschen zou de kern zijn geworden
dier 4 deelen.
De dêmoon der artisticiteit heeft de fysieke liefde voor zijn woord.
De lyrische dichter heeft de geestelijke liefde voor zich-zelf.
De epiek-werker heeft de geestelijke, godsliefde tot de Menschheid. Zoo
is Van Groeningen.
Nog overgebleven papieren, een door bijna-alleen intuïtie tot in
het 3e boek der Imitatio Christi tot stand gekomen benaderende
vertaling van Thomas a Kempis, kinder-versjes, opzet en voorspel
van een tragedie »Jeanne d'Arc,« berythmeeringen van psalmen,
bewijzen buitenom Van Groeningen's zelf-bewustheid, aangehaald in die
»voor-rede« voor »Van alle Tijden«, dat hij oprecht in zich zelf had
gezien te zijn een »geestelijke«, en niet hoogmoediger dan hem paste,
zich rechtop-standig zette midden in het land als een die den strijd
zou wagen met den machtigsten moderne-epiek-werker in vruchtbaarder
klimaat, tusschen zoo fel-, maar minder zwaar- kunstvijandige menschen,
Balzac. Want »Van alle Tijden« zou worden epos van het grauwe Holland
in de Comédie humaine.
Onbewust dit zich gaan meten, waaraan ons land met dit boek en met
»Martha de Bruin« een deel zijner toekomstige glorie dankt, onbewust
in Van Groeningen.
De vrijheid van zijn bevestigenden, zelf-geziene werkelijkheid in
magistraal-eenvoudige kunststukken bevestigenden wil, heeft hij niet
getroubleerd door neven noch achter zich te zien naar anderen. Recht
voor zich uit keek hij en uit Van Deyssel's proza voor zich zelf wel
annexeerde hij nieuwe ontdekkingen, nieuwe methoden; maar zijn werk,
van wezen voelde hij 't: alleen, met allen-verschillend; in zijn
groote Geheelen zouden plastiek en analyse en muziek strenglijk te
hanteeren middelen blijven tot de ideeële geschiedbeschrijving;
dat deed nog geen. Ook het buitenland bleef aan zijn binnenste
vreemd. Een Hollander uit één stuk was hij tot in zijn diepste en
teerste vezelen. »Het Land« van Zola las hij in het Hollandsch. Zoo
is bekend dat hij in '88 met een vriend en ambtgenoot zich opmaakte
om het Fransch te leeren. Kan er zelfs sprake zijn dan van dadelijken
invloed van buitenlanders naar hem? Praktisch neen, en theoretisch
neen! Want zoo is het te voelen en te weten.
Waar het Genie leeft is invloed van anderen alleen een zaak van vorm,
het lust hem somtijds zich te kleeden in geleend gewaad, hier, daar,
nu-eens en nog-eens maar; 't is bewust, dit ook is laten met een doel
het doen, andren te zoeken om zichzelf »van-zelf« te vinden.
Maar bij Van Groeningen bovendien nog: hij wist niet-zoo-heel-lang
te zullen leven, zocht dadelijk zich-zelf alleen, zijn willen alleen,
en werkte 't door. Hij had geen tijd naar anderen te luisteren.
Wie dit boek lezen kan als een vrij-gevoelend man, zal met een
edeler bewondering dan voor veel wat nu licht geliefd is, danken
den kunstenaar die, zoo eenvoudig, geeft de ferme knoopen van de
waarneming en laat den lezer door de mazen zelf zien in de door geen
woord ontwijdde diepten, door on versierde en water-naakte spraak.