AANTEEKENINGEN

[1] Gebed van den Onwetende, opgenomen in de Verspreide Stukken.

[2] Misschien had hy Arria moeten raden.

[3] De eerste uitgaaf van dit werk is inderdaad verschenen by den

Uitgever Günst, die geen bezwaar maakte de acceptatie te honoreeren.

[4] Zie de parabel van den goudmaker aan het slot van Idee 527.

[5] Motto van den Havelaar.

[6] Fancy citeert.

[7] God, goden = woden, Wodan. De g en w worden herhaaldelyk

verwisseld. Etymologisch staat het woord God nader aan wetten, dan dies

aan jour, dat er toch van afkomt: dies diurnus, djur, djour. In den

Sanskritwortel van ons woord wetten ligt de beteekenis van heiligheid,

het goddelyk weten, het weten van goddelyke zaken. Er is veel te leeren

uit etymologie, maar de schoolmeesters hebben 't moeilyk gemaakt.

[8] Mensch komt van den Sanskrit-wortel man = denken.

[9] De beteekenis van het woord dochter--in 't Sanskrit: thugathêr

is melkster.

[10] Gune = vrouw.

[11] Rock is 'n reuzenvogel in de mythologie van het Oosten. Onze

kasteelen in 't schaakspel waren vroeger Olifanten, nog vroeger:

rocks. Van hier 't woord rokeeren.

[12] Indaloes = Pertjah = Sumatra. Ik denk dat het een Beo was,

die over Sumatra van Nieuw-Guinea kwam. Het woord Beo (nababbelaar,

naklapper) zou wel eens de rationeele wortel van Biologie kunnen

wezen. Op gelyken grond heeft misschien: logos 't aanzyn aan ons:

leugen geschonken. Zie 't Evangelie van Johannes, cap. I, vs. 1.

[13] Konstantinopel.

[14] Ben = zoon.

[15] Idee, 527.

[16] Havelaar, blz, 157, uitgaaf 1871.

[17] Uit overmaat van goeden smaak heeft de uitgever gemeend hier

'n twintigtal Minnebrieven van Kappellieden te moeten supprimeeren.

[18] De overige dozynen stiefbrieven liggen ter dispositie van de

schryfsters aan het bureau van de Dageraad.

[19] Plaatsgebrek noopt den uitgever 't vervolg te supprimeeren. De

arme dwaas wordt door allen om 't zeerst uitgescholden, dit spreekt

vanzelf! Touchante overeenstemming tusschen de modernen en de antieken.

[20] Gesupprimeerd!

[21] Gesupprimeerd!

[22] Gesupprimeerd!

[23] Deze brief schynt te behooren tot de kathegorie die Fancy

verbood uittegeven.

[24] Ietoe andjing belanda bakelahi sama tahi! d.i. die honden van

Hollanders vechten met drek! Dit was de kreet, waarmede de Jakatranen

zich overwonnen verklaarden. (Historisch, en nog altyd van toepassing!)

[25] Noot van den heer Van Lennep. Wy geven de toespraak van Eleonora,

om der naïveteits wille, in de oude taal, zoo als die in de Keulsche

kronyk fol. 325 geboekt is.

[26] Zie de parabel van den granaat, op pag. 33.

[27] Wys my de plaats, enz.

[28] Zoo heeft Buffon gezegd, en niet: «le style c'est l'homme». Er

is verschil.

[29] Slaapkamerkostuum in Indië.

[30] 't Vervolg door den uitgever gesupprimeerd.

[31] Gesupprimeerd, als nog 'n twintigtal andere brieven, waarin zorg

voor ziel en zaligheid van den gejaagden dwaas 'n hoofdrol spelen,

mais le moindre grain de mil ... etc.

[32] Een legio bybelteksten ... gesupprimeerd!

[33] Gesupprimeerd!

[34] (Noot van 1874). De heer Sloet, nu reeds sedert jaren aan

't rusten.

[35] (Noot van 1874.) Dit was de heer Pahud, dezelfde die na

't verschynen van den Havelaar persoonlyk den toestand te Lebak

onderzocht, uit welk onderzoek de erkentenis is voortgevloeid dat

er in die Afdeeling «misbruiken» bestonden. 't Spreekt vanzelf dat

daarby met geen woord melding werd gemaakt van myn aanklacht. Men

zie hierover 't oordeel van den heer Veth in den Gids van Augustus '60.

[36] [Noot van 1865.] Juist in 1860. Thans, na vier jaren, heeft

de kring der schuldigen zich uitgebreid. De geheele Nederlandsche

Natie--vroeger onwetend, nu sedert lang ingelicht--is medeplichtig

aan al de schelmery die ik in den Havelaar ten-toonstelde.

[37] Domine Francken.

[38] [Noot van 1865.] Zegge vier jaren!

[39] (Noot van 1865). Hier is 'n fout in 't anders zoo schoone

stuk. Behalve door bakerpraatjes, waarvan ik geen nota mag nemen,

om me niet te laten aftrekken van myn weg--want dat is daarvan de

vry duidelyke bedoeling--werd Havelaars eer nooit aangetast, zoover

ik weet. Dit zou ook na 't gebeurde heel zonderling wezen. Een

troep schelmen te ontmaskeren--ik bedoelde in 1860 personen, nu:

't nederlandsche volk--en daarna van die schelmen herstel van eer te

ontvangen--c'est trop fort!

[40] (Noot van 1865). Zitting van den 25sten September 1860.

[41] (Noot van 1865). Die man is nog altyd by de Nederlanders zeer

geacht. Nu dit is billyk. Zóó'n persoon verdient achting van zóó'n

natie! Nog onlangs is hy verkozen tot lid in 't bestuur van Mettray,

'n instelling, nota bene, die ten-doel heeft te voorkomen, dat er

roovers en dieven groeien uit arme jongens. Treffende zorg voor 'n

oud-gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië, die my kwalyk nam dat

ik geen genoegen nam in diefstal, roof en moord. Wat zal dat Mettray

goede resultaten geven!

[42] [Noot van 1865.] Welnu, de aangeklaagden hebben gezwegen ten

einde toe! De Max Havelaar verscheen in Mei 1860, en heden 14 Juli

1865, zal dan toch wel de termyn van antwoord verstreken zyn. Zoo

neen ... wanneer? Ik wacht sedert lang niet meer op antwoord, en

beweer dat het niet-antwoorden 'n duidelyk antwoord is.

De natie die, blijkens dagblad- en tijdschrift-litteratuur van 1860 en

1861, zoo gesteld was op haar eer, is met wapens en bagage overgeloopen

naar den kant der schande. Men heeft gezag, invloed en geld,--ja, geld

vooral: een javasche rykworder is Minister van Koloniën!--men heeft

invloed, geld en gezag aangehangen, in-plaats van den man te steunen,

die alleen tegen allen den moed had z'n plicht te doen. Mag men my

euvel duiden, dat ik hoogmoedig ben? Begrypt men niet hoe onmogelyk

't wezen zou, zich niet hoog te stellen tegen-over zooveel laagheid?

Het is nu eenmaal waar, o brave Nederlanders, dat Havelaar 'n

byzonder slecht mensch is. 't Is wáár dat-i alle meisjes verleidt

... dat hy z'n lieve, edele vrouw mishandelt ... dat-i z'n schulden

niet betaalt ... dat-i altyd dronken is ... dat-i liederlyk leeft

... dat-i verkwistend is ... dat-i met gemeen volk omgaat,--schoon hy

nooit in de kerk of op de beurs komt--dat hy ... dat hy ... kort-om,

Havelaar is 'n antichrist! Dit kan men vernemen van ieder wien hy

in den weg staat. Maar Nederlanders, dit alles is de vraag niet! De

vraag is: of Holland 'n gemeene roofstaat was onder de Konservatieven,

en of Holland 'n gemeene roofstaat bleef onder de liberalen? Dit is

de vraag! Met bakerpraatjes beantwoordt men geen beschuldiging als

die welke hy u in 't aangezicht wierp. Gy komt my voor als de dief

die zich zou willen ontschuldigen door de beweering dat de publieke

aanklager 'n leelyke pruik draagt ...

Of Havelaar's pruik zoo leelijk is, zal misschien later blyken, als

't hem schikt zich neertebuigen tot openbaring. Maar eerst de zaken,

Nederlanders, en dan uw oud-wyvenvertellingen.

Een beetje menschkunde, als ge die bezit! Kàn Havelaar wezen, zoo-als

't belang der van Twisten en konsorten--d.i. de personen en cliques

die hy vry naakt uitkleedde--meebrengt hem voortestellen?

Menschkunde? Ik vergis me. Ik vergat dat ge beter weet, en eerloos

handelt uit lafhartigheid. 't Is goedkooper, niet waar--billyker zeggen

verduitschte kooplui in winkeltaal--'t is billyker, den alleen-staande

te schelden, dan met hem party te trekken voor recht, tegen de bende

die hy aantastte.

Menschkunde! Het nageslacht zal oordeelen, of 't u dááraan haperde,

of ... aan hart? Och, wat zoudt ge een fyn gevoel voor recht hebben,

zoodra ge inzaagt dat er by dat recht wat te verdienen viel!

De weinigen die me hartelyk aanhangen, hoef ik niet by naam

uittezonderen. Hen dank ik voor de trouw aan 't heilig recht,

hen de edele hovelingen en «courtisanes» van den tegenspoed! Hen,

wien ik niet hoef te zeggen, dat ik niet klaag, wyl hun liefde en

trouw ruimschoots opweegt tegen de schandelyke desertie van 't gros

der Natie. Voor de tiende maal: M'n verwyt is geen klacht, het is

aanklacht. Ik heb niet te klagen, want ik geniet veel groote liefde,

al draag ik van zoovelen den kleinen haat.

Met Nederland overwinnen? Deze hoop gaf ik reeds op, zes maanden na

't verschynen van den Havelaar. Tegen Nederland ... ja! Ik heb 't

beloofd, en men meene niet dat ik m'n woord brak, indien ik mocht komen

te bezwyken vóór 't bereiken van m'n doel. Ik zal zorg dragen nooit

geheel te sterven. M'n geest zal leven en overwinnen, lang nadat de

koninkjes en ministertjes van heden zullen vergeten zyn. Ziedaar nu,

christenen, myn onsterfelykheid!

[43] (Noot van 1865). Om ook onkundigen te doen begrypen, wat de reden

is dat alle personen op eenmaal verdwenen zyn, die in 1860 en 1861 zoo

welsprekend aandrongen op recht, herhaal ik hier de vaak meegedeelde

byzonderheid dat èn Liberalen èn Behouders den Max Havelaar wilden

gebruiken als machine de guerre in hun partijgekibbel. Toen ik de

beide cliques barsch had afgewezen, en alleen hulp vraagde aan wie

't wèl meende met menschelykheid en rechtvaardigheid, bleek er dat

niemand den moed had zich aan m'n zy te stellen. Indien ik de taele

Kanaäns van 't Liberalisme had willen spreken, ware ik sedert lang

Minister van koloniën. En ook de behouders hadden myn «talent» kunnen

gebruiken, als nu maar eenmaal dat talent «te gebruiken» ware. Lieve

god, ikzelf ben er geen meester van, en geloof er niet aan. (Idee 112).

[44] Hanootzri = Timmerman.

[45] (Noot van 1865). Zitting der Tweede Kamer van den 25 September

1860.

[46] (Noot van 1865.) Voorloopig heb ik op 't Internationaal Congres,

dat gehouden werd in het paleis des konings te Amsterdam, gezegd dat

Nederland 'n roofstaat is. Men zie hierover Idee 534.

[47] Deze man was Loerah = klein hoofd. Dáárom zeker nam men hem twee

buffels af, dat ook heel billyk was, daar hy de macht had z'n schade

te verhalen op 'n ander.

[48] Of Pasir-aijer. Ik houd van stiptheid in «zaken.»

[49] Deze man was dorpshoofd.

[50] De juiste verhouding van den veestapel in Lebak, tot dien

van 't distrikt Parang-Koetjang was op ultimo 1853 = 980 :

260 geboorten. Verkiest men naar deze verhouding dus slechts te

vermenigvuldigen met vier ... 't is my wel, schoon men verkeerd zou

doen. 't Ware kluchtig als de betrokkenen durfden aanmerking maken op

't cijfer van wat er onder hun bescherming wordt gestolen.

[51] (Noot van 1865.) Bantam had voor 'n tiental jaren

vyfhonderd-duizend inwoners, en de bevolking van Java was toen twaalf

millioen.

[52] (Noot van 1865.) Velen zullen--met niet ongewone miskenning

van de kracht der vermenigvuldiging--dit cyfer van duizend millioen

guldens overdreven vinden, en in deze meening door de aangeklaagden

gestyfd worden, die heel gaarne schrik voor myn resultaten omknoeien

in afschrik van onderzoek.

Welnu, ik blyf op dit onderzoek aandringen! Ik houd de juistheid

myner konklusie staande, en vraag aan wien ze betwyfelt, of loochent:

Welke fout ik maakte in m'n berekening?

Hoeveel er dàn wordt gestolen onder 't bestuur van één

Gouverneur-Generaal die z'n plicht niet doet?

Laat Duymaer van Twist toch eens antwoorden op deze vragen, als-i

beweert beter te rekenen dan ik. En dat hy dan tevens berekene hoeveel

fortuinen met buitenplaatsen, enz. van gewezen Gouverneurs-Generaal,

er noodig zyn om de fouten van één plichtvergeten Landvoogd te boeten?

Ik konstateer--heden 16 Juli 1865--dat niemand protest heeft

aangeteekend tegen het punt van uitgang myner berekening: den staat

van gestolen buffels in de Lebaksche afdeeling Parang-Koedjang,

gedurende Februari 1856.

Wil men 't nog doen? 't Is my wel. Men zal, na myn vertrek uit Lebak,

toch niet alle getuigen vermoord hebben! En al ware dit zoo... ik

ben tot dupliek bereid en gereed. Maar ik zou beginnen met de vraag:

waarom men vier jaar lang gezwegen heeft?

Dit zwygen veroordeelt! Op 't internationaal kongres, waar 't beschaafd

Europa kon geacht worden vertegenwoordigd te zyn, vraagde de heer

Dumonceau van Luik, of er onder de aanwezige Nederlanders niemand

opkwam tegen myn aanklacht? Hy zou dit betreuren, zeide hy, wyl dan

de vreemdelingen Nederland moesten verlaten onder den indruk dat ze

gastvryheid hadden genoten van roovers. Die vraag en die vrees waren

gepast en gegrond.

Na my sprak de heer Rochussen 'n redevoering uit, waarin hoofdzakelyk

werd betoogd dat Nederland veel voordeel trekt uit Indië, wat ik

volmondig toestem. De Indépendance, in den verkeerden waan dat de

heer Rochussen myn beschuldigingen wilde weerleggen, noemt die rede:

un discours ministre. De scherpte dezer kwalifikatie treft geen doel,

als men weet--zooals ik verzekeren kan--dat het voornemen des heeren

R. geenszins was om myn grieven te behandelen, evenmin als hy 't

verdedigen of vergoelyken op zich wilde nemen van de gruwelen die in

Indië plaats vinden. Dat die Staatsdienaar onmiddellyk na my optrad,

was toevallig, en 'n gevolg van de ordre du jour, gewyzigd trouwens

op 'n verzoek van den heer Povin van Brussel, die na my had moeten

spreken, maar aan den heer R. had verzocht te mogen ruilen van beurt.

De heer Rochussen heeft een statistisch-ekonomische bydrage geleverd,

en... en... ziedaar: ik geloof dat die oud-minister, wanneer hy de

zaken had aangeroerd, waarover ik klaag, aan myn kant zou geweest zyn,

en niet tegen my!

Ik blyf gelooven dat de heer Rochussen, die hart heeft in-plaats van

dordroge deugdzaamachtigheid, gehoor zou hebben gegeven aan Havelaar,

en dat er recht zou geschied zyn, indien hy gouverneur-generaal

ware geweest, in de dagen toen van Twist zich ter-ruste legde op

't christelyk hoofdkussen van al te goedkoopen vrede met z'n "Heer."

Neen, de heer Rochussen zou en zal my niet bestryden. Hy staat niet

vast genoeg in 't geloof om schelmery aantezien zonder wrevel of

om zonder wroeging party-te-trekken tegen iemand die opstaat tegen

schelmery. Om te slikken en te verteeren, wat zoo'n van Twist kan

verdragen, is godsdienst noodig, veel godsdienst... als in 't vers

voor die dame. (Idee 527).

En dat ook inderdaad de rede van den heer R. niet werd opgenomen als

antwoord op myn beschuldigingen, blykt onder anderen hieruit, dat 'n

hoofdambtenaar uit den Haag--de referendaris van Alphen, meen ik--met

zeker élan, het woord vraagde, en stamelend van drift, de hoop uitte:

"dat men my toch eens zou tegenspreken!"

Nu ja, dit hoopte ik al lang! Maar op-nieuw konstateer ik, dat men

't niet doet.

Het eenige wat men kan en durft, is onders'hands uittestrooien, dat

"die Havelaar zoo 'n byzonder slecht mensch is." Dit is wat al te

gemakkelyk, vind ik. Nederlanders! Zult ge dan nooit wakker worden?

[53] De hier bedoelde brief is die welke later in de Verspreide

Stukken is opgenomen.

[54] Zie 't boek over de Veilingen, pag. 93. Men vergelyke overigens

alle antwoorden van den kontroleur met dat boek, voor zooveel de

hoofdzaken aangaat. Wie nog twyfelt heeft belang by twyfel en liegt

uit dat belang.

[55] Een inlandsch beambte die den Regent ter-zyde staat, en in casu

diens vertrouweling was.

[56] «Nog nooit heeft eenig heer aldus gesproken.»

[57] Mr. P. Myer.

[58] Zie hier wat prof. Veth hiervan zegt in den Gids van Augustus

1863.

«Sedert heeft Havelaar met de zynen gebrek geleden, hy is het voorwerp

geworden van den smaad der Droogstoppels--want de Droogstoppels in

Nederland maken altyd gemeene zaak met de Slymeringen in Indië--hy

is geworden: Multatuli, niet alleen in aangenomen naam, maar inderdaad.

«En wat bewyst nu het feit, dat, na zyn ontslag, werkelyk een

onderzoek naar de knevelaryen in het Regentschap Lebak plaats had,

dat de Regent een scherpe vermaning ontving, en eenige mindere hoofden

werden afgezet?

«Primo: de waarheid van het spreekwoord, dat de kleine dieven gehangen

worden, terwyl men de groote laat loopen.

«Secundo: dat de zaak te veel ruchtbaarheid had verkregen om nu nog

gesmoord te worden.

«Tertio: dat de knevelary in Lebak al zeer erg moet geweest zyn,

wanneer zelfs een Resident, die zoo gaarne schipperde, en zoo ongaarne

een inlandsch hoofd vervolgde, constateren moest, dat er werkelyk

reden tot klagen bestond, en by gevolg

«Quarto: dat Havelaar volkomen gelyk had."

[59] Brief aan de Kiezers te Amsterdam, by J. H. de Ruyter.

[60] (Noot van 1865) «Help ons hierin, dan beloof ik u de stem van

dat of dat geacht lid voor die zaak!" Verbeeld u het lid eener jury,

die tot 'n kollega zei: «help my dezen man hangen, dan zal ik u helpen

aan 't geeselen van dien ander?"

[61] (Noot van 1865). Ik citeer! Hoe ik denk over dien esprit de

clocher, moge uit het volgende blyken. In 'n Friesche courant lezende

dat men my had voorgesteld tot kandidaat, onder verzekering dat ik 'n

kordate Fries was, heb ik terstond tegen die eer geprotesteerd. Kordaat

beweer ik te zyn--en ik zal 't toonen--maar 'n Fries ben ik niet. Er is

'n kreet van verwondering opgegaan, toen ik daarop betuigde: «Fries

of geen Fries, dat is hetzelfde. Ik zou m'n votum weigeren aan 'n

wet ter bescherming van de Jenever, al ware ik met algemeene stemmen

gekozen te Schiedam." Zie Leeuwarder Courant, 30 Oktober 1860.

[62] Havelaar, 1 Deel, pag. 100, uitgave 1860. Latere uitgaven van

dat werk heb ik nooit onder de oogen gekregen (noot van 1873).

De aangehaalde zinsnede komt in deze uitgaaf voor op blz. 65 van den

Max Havelaar.

[63] De hier bedoelde brief is herhaaldelyk gedrukt, en komt in deze

uitgaaf voor in 't volgende deel onder de «Verspreide Stukken».

[64] De titel is Gouverneur-Generaal... enz., opperbevelhebber

van Zs. Ms. Land- en Zeemacht, beoosten de Kaap de Goede Hoop. De

rang is of schynt officiëel nagenoeg geassimileerd aan dien van

Luitenant-Generaal, maar ten-onrechte. Want de Luitenant-Generaal,

Kommandant van 't leger, en de Vice-Admiraal, Kommandant der Zeemacht,

staat onder dien Gouverneur. De laatste behoudens eenige directe

ondergeschiktheid van meest administratieven aard, aan den Minister

van Marine.

De juiste titel van den Landvoogd in Indië zou wezen: Luitenant des

Konings of Onder-Koning, met Maarschalksrang.

Ik begryp dus niet waarom jongelui die eerzucht gevoelen en begeerte

naar 'n Maarschalkstaf, hun carrière ontvangen te Willemsoord of te

Breda. De weg tot het hoogste militair Kommandement in den Staat, leidt

door den corridor van een prokureurskantoor... of gekker nog: men is

in Indië vyf jaren lang geplaagd geweest met een Gouverneur-Generaal

die z'n loopbaan begon met 'n mislukt examen voor schoolmeester van

den laagsten rang. Zoo springen de Haagsche cliques om met de hoogste

belangen van den Staat.

Ik sta volstrekt niet de leer voor, dat men te vragen hebbe: «hoe en

waar heb gy geleerd?» Wie wat weet, wie wat kan, wie wat is vooral,

behoeft geen certificaat van oorsprong. Daarvoor geldt in zoo'n

geval, het genie. Heeft men ooit daarnaar gevraagd? Dit betwyfel

ik, en niemand beweerde dit ook. Voor Gouverneur-Generaal, Minister

en... Volksvertegenwoordiger schynt men den eersten den besten te

kunnen gebruiken.

[65] Havelaar, blz. 247.

[66] Minnebrieven, pag. 111 en vlg.

[67] «Ik vraag of ik op 29 Maart onwaarheden in myn belang kon vorderen

van een ambtenaar, wien ik den 5den te-voren den brief schreef No. 97?»

[Brief aan den Gouv. Gen. in ruste].

Om te beoordeelen of 't mogelyk was dat iemand my het hof maakte met

onwaarheden, leze men voorts den brief aan den Kontrôleur, die voorkomt

in den Havelaar, pag. 169. Ik stel voor, den brief te doen opnemen in

't Regeerings-Reglement, om den Gouverneur-Generaal te dienen als

handleiding tot het bekomen van eenige kennis der waarheid. Maar er

is eigen onderzoek ook noodig, anders helpt het niet veel.

[68] In 't officiëel Regeerings-verslag over 1856 worden die knoeieryen

te Lebak erkend, maar men vermydt, met de oneerlykheid die ik byna

zonder uitzondering overal ontmoet, my te noemen. De ontdekking wordt

daar voorgedragen als vigilantie van de Regeering.

[69] Ik had m'n manuscript niet aan den Heer van Lennep verkocht. Ik

en niet hy, had de beschikking over myn werk. Ik heb 'n brief van

dien heer, waarin hy 't voortgaan met drukken laat afhangen van het

antwoord dat ik van den Koning wachtte.

Indien dus de Koning geantwoord had, indien dat antwoord geweest was

zoo-als ik verlangde, dan zou de Max Havelaar niet verschenen zyn.

Het voorgeven van den heer van Lennep dat hy eigenaar was van 't

kopierecht, is van later datum, en van later uitvinding.

Ik heb in de eerste instantie het proces over die zaak verloren. En

te-recht. Wanneer ik zitting had gehad in de Arrond. Rechtbank te

Amsterdam, zou ik niet anders gestemd hebben. Voor de rechtbank

immers is slechts gewezen op 'n stuk waarin ik verklaarde myn boek

in vollen eigendom aftestaan aan den heer van Lennep. Maar de wyze

waarop die heer dat stuk had in handen gekregen, namelyk: «OM NU MET

EEN UITGEVER EEN CONTRACT TE KUNNEN SLUITEN» is niet aangeroerd.

Overeenkomsten, aangegaan ten gevolge van... neen, neen... dat

wetsartikel--tevens 'n artikel uit het wetboek van eenvoudige

eerlykheid--zal ik aanhalen by de behandeling myner zaak in appèl.

Appelleeren? Ja. Maar voor 'n Gerechtshof niet. Ik heb geen geld.

Maar ik zal appelleeren voor de rechtbank der publieke opinie. En

dáár zal ik winnen, Mr. van Lennep!

Wat zou 't bovendien baten of ik die zaak won voor een gerechtshof? Een

gunstig vonnis zou den heer van Lennep noodzaken my de behaalde winst

uit te betalen, en dit is myn zoeken niet. Ik heb den Max Havelaar

niet geschreven om geld te winnen. De hoofdzaak is dat door hoogen

prys en trage verspreiding, het juiste oogenblik is verstreken om

'n beroep te doen op 't Volk. Dat oogenblik kan geen gerechtshof my

teruggeven ((Eenige toelichting van deze zaak is te vinden in Ideën

287 en 288, vooral in de by 't laatste nummer in den vyfden druk

gevoegde noot. (1873).)) (1866).

[70] Nederland en Max Havelaar door Philoverax.

[71] Handels- en Effectenblad, 6 December 1861.

[72] Aan deze brochure wedervaart de hooge eer te worden uitgegeven

door denzelfden man die voor het eerst "le Testament du Curé Meslier"

doet drukken. Ik beschouw dit als 'n gunstig omen.

Maar dat Meslier wachtte tot-i dood was, voor hy de waarheid

verkondigde, neem ik hem kwalyk. (1862).

[73] Zie z'n aanteekeningen op den Bybel (1862).

[74] Voor hen die zoo gaarne my willen doen doorgaan voor een opposant

quand même, voor een wargeest, voor een afbreker, moet het lastig

wezen te ontwaren dat ik, nu reeds meer dan twee jaren geleden, na

den dood van heer Stolte, van een behouder dus, de verkiezing heb

aangeraden van iemand in zynen geest. (1862)

[75] Dit wordt inderdaad gezegd in een Haagsch krantje. Den naam van

't blad weet ik niet. Het is dezelfde courant die m'n heele redeneering

over 't cyfer van wat er wordt gestolen onder één Gouverneur-Generaal

die z'n plicht niet doet, zoo triumfantelyk omver gooit met 'n paar

regeltjes. Hoe die krant over logica denkt, gaat me niet aan. Maar

gissende dat sommige--velen misschien--even als die krant meenen dat

ik overdreef, omdat ze belang hebben by die meening, verbind ik my

op die zaak terugtekomen. En met genoegen. (1862)

[76] Dit zeide hy in de Amsterdamsche Courant van ruim twee jaar

geleden, die ik reeds aanhaalde. En hy zeide 't later dikwyls, maar

altyd te-vergeefs. 't Was te eenvoudig. (1862).

[77] Ik weet dat velen die onderworpenheid aanvoeren als 'n bewys voor

't gevaarlyke om 'n Hoofd te straffen. Hierin ligt 'n dwaling die ik

releveeren zal in m'n Ideën (1862).

[78] Napoleon op St. Helena.

[79] Sieur was de titel waarmee sommige beambten der "edele"

compagnie werden aangesproken. Heer, mynheer was hooger. Zie

Valentyn. Een dominee was volgens hem 'n heer, geloof ik, en Valentyn

was dominee. Voor wien 't aardig vindt, vertel ik hierby dat ik te

Ambon in Valentyn's huis gewoond heb. Althans op myn huis sloegen

al de afmetingen die hy in z'n bekend werk opgeeft als maat van

't zyne. Ook straat en buurt klopten. Men vindt over 't geheel in

de Molukken veel meer herinneringen aan de oude Compagnie, dan te

Batavia of elders op Java.

[80] Kennis, wetenschap en bekwaamheid. Lezer, vraag eens een uwer

Indische kennissen de instructie voor de Kontroleurs by de Landelyke

inkomsten op Java, ter-inzage. Dit is 'n merkwaardig stuk. Het zal

u eenig denkbeeld geven van wat er in Indië moet gedaan worden om de

zaken gaande te houden. (1862)

[81] Het is op dien oogenblik, het is in de toen by my bestaande

meening: dat de Heer van Twist waarheid WILDE, dat ik me voornam

hem waarheid te geven. Uit dat voornemen is de Havelaarszaak

voortgekomen. Men leze over dit gedeelte der geschiedenis myner

denkbeelden de indrukken die Havelaar bezielden by 't aangaan van

den stryd waarin hy meende een bondgenoot te hebben. (1862.)

[82] (Noot van 1875). Deze inleiding tot den brief aan G. G. in ruste

is van 1865.

[83] (Noot van 1875.) Dit stuk verscheen eenige maanden na den

Havelaar, doch vóór Minnebrieven. Deze opmerking diene tot opheldering

van den toon. In diepen kommer zaten ik en de mynen te wachten op den

uitslag van m'n bitter protest. In-plaats daarvan vernam ik dat de

Havelaar zoo "mooi" was. Dat men dien "met byzonder genoegen gelezen

had." En... we leden gebrek! Toch zal men in 't nu volgende stuk

nog altyd meer droefheid ontwaren, dan verachting. Hiertoe namelyk

meende ik eerst gerechtigd te zyn, nadat ik ondervonden had dat ook

de uitgave van dezen brief aan Van Twist zonder 't minste gevolg was

gebleven. Vandaar de toon der inleiding van de Minnebrieven. Men meene

evenwel niet dat ik beweer in deze weinige woorden m'n verachting

voor Publiek volkomen gerechtvaardigd te hebben. Misschien is dit

zoo, doch wáárlyk voel ik me in staat meer te leveren! Het relaas der

schurkeryen waarmee men geslaagd is, zooveel jaren lang m'n pogingen

te verydelen, zou boekdeelen vullen. De oorzaak die me terug houdt

van volledige openbaring, ligt... in kunstbesef. 't Zou me onmogelyk

wezen 'n "mooi boek" samentestellen uit 'n eentonige aaneenschakeling

van vilénie, als die welke my van de Nederlandsche Natie te-beurt

viel. Er ware veel goeds te bereiken geweest met 'n klein deel der

inspanning die van officieelen en partikulieren kant is aangewend om my

't leven--d. i. den arbeid!--onmogelyk te maken.

Tot zulke openbaring voel ik thans,--1875--te minder lust, omdat ik,

na de edele poging van den heer Mr. Vosmaer, meen gegronde hoop te

mogen voeden op verandering. Het boekjen "Een zaaier" is 'n GOEDE

DAAD, waarvoor de Natie niet minder dan ikzelf den moedigen dichter

grooten dank verschuldigd is.

[84] (Noot van 1865). Het zal wel onnoodig wezen, uittewyden over

de toepassing der aangehaalde stukken. Ik hoop lezers te vinden,

die deze toepassing weten te maken zonder myn hulp. Zeer dikwyls

echter werd m'n hoop te dien aanzien teleurgesteld. Ervaringen van

dezen aard gaven my de verdrietige IDEËN 502 en 523 in de pen.

[85] (Noot van 1865.) Ou--voeg ik er by--qui doivent toute leur

considération à leur fortune, bien ou mal acquise. 't Is inderdaad

schandelyk, dat juist zulke personen in Nederland geëerd zyn, die

aan de misbruiken welke bestreden moeten worden, hun fortuin, en

de daaruit voortvloeiende verheffing te danken hebben. Duymaer van

Twist zou niet gekozen kunnen worden tot lid der Eerste-Kamer, als-i

niet behoorde tot de hoogstaangeslagenen, dat is: tot de ryksten in

den lande. En dat hy ryk is, heeft-i te danken aan de lauwheid der

Natie, die 't duldt dat hy zyn overgespaard geld behoudt, in-stee van

't hem aftenemen ter gedeeltelyke vergoeding van de schade die zoo

velen hebben geleden onder en door zyn wanbestuur. Erger nog: Fransen

van de Putte, de ryk geworden kontraktant en vry-arbeider--men zegt,

dat-i drie millioen wist te halen uit Javanen-arbeid, in slechts elf

jaren tyds, en al zy 't iets minder, toch is 't zeker dat het zeer

veel is--die v. d. Putte is Minister van Koloniën!

[86] (Noot van 1865). 't Is om jaloers te worden op China! Daar

immers zou voor den naïven menschenvriend hoop kunnen bestaan op

verbetering, indien hy slagen mocht in 't doordringen tot den Keizer,

die slechts bedrogen is door «leugenachtige rapporten» en misschien

zich zou verplicht voelen iets te doen tot herstel, indien men hem

het leugenachtige van die rapporten had aangetoond. Ik denk dat de

drukpers in China niet vry is. Dit is 'n bemoedigend denkbeeld voor

'n chineeschen menschenvriend. Hy kan zich troosten met de gedachte:

Als de Keizer 't wist, wie weet òf er geen recht geschiedde!

Maar wat men te denken hebbe van 'n land, waar de gansche Natie

rilt, zonder dat iemand 'n hand uitsteekt tot herstel, ook hy niet,

die volgens alle mogelyke grondwetten van eerlykheid en menschelyk

gevoel zou geroepen zyn om z'n onderdanen geluk te geven zooveel in

z'n vermogen is ... och, 't is te verdrietig om er aan te denken.

Wat helpt een vrye drukpers, als men niet leest? Wat helpt het lezen,

als men slechts rilt? Wat helpt het rillen, als men niet handelt?

Maar ik dacht hieraan niet, toen ik den Havelaar schreef! Ik bedroog my

met de Chineesche hoop: dat het «Keizerlyk kabinet» bedrogen was door

valsche rapporten, en met dankbaarheid de gelegenheid zou aangrypen

om eens iets wáárs te nemen.

Ik heb 't niet verder kunnen brengen dan den minister Thorbecke te

dwingen tot de erkenning: dat er besmetting heerschte in de politiek

van den Staat." Zoo'n verklaring is niet zeer aangenaam voor den

patiënt! Vooral wanneer hy daarna zoo zorgvuldig wordt verpleegd

ter genezing, als we na 't oprichten van de liberale malzapotheek

ondervonden hebben! Ik ben zoo vry te gelooven dat er zelfs in China

iets anders zou gevolgd zyn op zoo'n rilling, dan 't verruilen alleen

van m'nheer Malz-Bruggeman, tegen m'nheer Malz-Hof en konsorten.

[87] (Noot van 1865) Toen ik Duymaer v. Twist in de gelegenheid stelde

te weten wat hy sedert lang had moeten weten--daarvoor betaalde hem de

Natie!--was hy verrast, en: Dieu nous garde d'une idée imprévue. Ik

ben zoo vry te gelooven wel eens meer denkbeelden te hebben gehad,

die verrassend zouden wezen voor zoo'n ordinair wezen. Toch liet

ik die verrassing gelden als verlichtende omstandigheid. Voor twee

tonnen gouds in 't jaar kan men geen held verlangen! In-weerwil van

z'n allergemeenste ordinairheid, hield ik van Twist voor eerlyk. Men

ontwaart dit uit het stuk dat nu volgt. En zelfs nog in den Havelaar

heb ik den man met meer verschooning behandeld dan hy verdiende. Wat

men te denken hebbe van de eerlykheid des mans die na 't ontvangen van

den bovenstaanden brief, nà 't verschynen van Havelaar, Vry-Arbeid en

Minnebrieven, geen aandrang voelde tot herstel--voor zooveel mogelyk

althans!--van wat hy misdreven had, dit laat ik over aan 't oordeel

van elken lezer ... die lezen kan.

[88] (Noot van 1865.) Het uitgeven der bylagen die dezen brief

vergezelden, is me op dit oogenblik te omslachtig. En ze zyn niet

noodig, vind ik, na 't zwygen van van Twist. Durft hy beweren dat die

bylagen niet aantoonden wat ik daar opgeef, welnu, dan zal ik altyd

lust en gelegenheid vinden om ze later te publiceeren. Het beste

justificatoir bewys voor al m'n beweringen, levert van Twist zelf,

door z'n prachtige redevoering in de Tweede Kamer--waar-i zeide dat

hy zweeg uit vrees voor partydigheid--en dóór dat zwygen!

[89] (Noot van 1875.) De hier bedoelde oorlog tegen de Padries--ten

rechte: Pedirezen--leverde het voorspel van den tegenwoordigen oorlog

met Atjin. Ook de andere hier aangehaalde byzonderheid, waarvan ik in

den Havelaar iets meer zeg--schoon alles niet!--staat in nauw verband

met onze zeer wrakke politieke verhoudingen in Sumatra's Noordhoek.

[90] (Noot van 1865.) Ontken eens, m'neer van Twist!

[91] (Noot van 1865.) Spreek eens tegen, m'neer van Twist!

[92] (Noot van 1875.) Deze brief komt in den Havelaar voor.

[93] (Noot van 1875.) Ook het stuk waarin dit geschiedde, is in den

Havelaar opgenomen.

[94] (Noot van 1875.) Men zie alweer den Havelaar.

[95] (Noot van 1875.) In den Havelaar.

[96] (Noot van 1865.) De hier bedoelde bylage bevat de vraagpunten

aan den kontroleur, die later zyn gepubliceerd in de Minnebrieven.

[97] (Noot van 1865). De resident van Bantam--sedert, naar ik vernomen

heb, krankzinnig overleden--was niet slechter, luier of bedorvener

dan de meeste anderen. Integendeel. Zyn fout was alleen dat hy nooit

op de gedachte was gekomen dat er hooger beginsel kon bestaan, dan

eerbied voor den--nergens omschreven--"geest van 't Gouvernement."

Nadat ik myn ontslag had bekomen, zeide hy my met aandoening: "waarlyk,

ik moet u hoogachten, maar ... maar ... ge hadt geen ambtenaar moeten

worden!" Ik vroeg hem, of dan 't Nederlandsch Gouvernement alleen zulke

lieden kon gebruiken, die geen hoogachting verdienen? Hy sloeg de oogen

neer. En dit moest wel, want na die tegenstelling van ambtenary en

hoogachting, voelde hy schaamte over z'n bruikbaarheid. Kort daarop

werd hy ridder. Deze onderscheiding moet hem zéér gedaan hebben,

want slecht was hy niet.

(Noot van 1875). Later kwamen me walgelyke byzonderheden ter-oore,

waaruit bleek dat ik dien man altyd te goed beoordeeld had. Zoodra men

de Havelaarszaak de eer der diskussie waard keurt, zal ik ze openbaren.

[98] (Noot van 1865.) Officiëele missive 24 Februari 1856. Zie

Havelaar.

[99] (Noot van 1875.) In het vyftiende hoofdstuk van den Havelaar

komen eenige woorden voor, die hierop doelen. Heeft men die voor

'n auteursgreep gehouden? Voor 'n poging om effekt te maken? Welnu,

ik zeide niets dan de eenvoudige waarheid. Waarom riep van Twist me

niet op tot bewys? De kommandant van Lebak was 'n eerlyk man en zou

ongetwyfeld z'n getuigenis hebben afgelegd. Zelfs nu nog neem ik

desgevorderd op my, al m'n beweringen te staven.

[100] Ook dit alles is in den Havelaar behandeld.

[101] (Noot van 1875). Na het onderzoek in loco door den heer Pahud

is dit Distrikshoofd ontslagen. De man had niet te klagen, dunkt me,

dat-i hierdoor in gelyke konditie kwam als Havelaar zelf. De Regent

echter kreeg ... vermeerdering van traktement!

[102] (Noot van 1875.) Wil men dit voor een schryvers-fraze

houden.... ik kan er niets aan doen! Ik betuig dat ik ook hier de

zuivere waarheid zeg. En misschien zelfs zou ik nog in staat zyn het

te bewyzen.

[103] (Noot van 1875.) Nog heden ben ik in 't bezit van de in deze

alinea aangehaalde bewysstukken.

[104] Zie de Vraagpunten aan den Kontroleur in de Minnebrieven.

[105] (Noot van 1865). Later is me gebleken dat hy niet op dienzelfden

dag gestorven is. Hy heeft--als ik goed geïnformeerd ben--nog anderhalf

etmaal geleefd. Hoe dit zy, de weduw en de kinderen van den man die

vermoord werd omdat hy zyn plicht wilde doen, wachten nog altyd op

recht, of althans op onderzoek. Over 't feit zelf, de VERGIFTIGING,

bestaat in Lebak en in de omliggende landstreken, waar men vaak

beter dan op de plaats zelf geïnformeerd is, geen twyfel. Spreek

me toch eens tegen, m'nheer van Twist! Die man is vermoord onder uw

bestuur! Gaat u dit niet aan? De Natie betaalde u immers behoorlyk

dáárvoor dat zulke zaken u wèl zouden aangaan?

[106] (Noot van 1865.) Zie: Vraagpunten kontroleur, in de Minnebrieven.

[107] [Noot van 1875.] Zou niet die moord in elk ander land 'n cause

célèbre geworden zyn? In Nederland is de invloed van schelmen--als

ze maar geld hebben!--zóó groot, dat geen tydschrift of courant 'n

woord van deernis aan 't overlyden van dien armen martelaar besteed

heeft. De laaghartige van Twist had er belang by dat de zaak gesmoord

werd, en ze werd gesmoord!

[108] [Noot van 1865.] Men vindt al de hier genoemde stukken in

den Havelaar.

[109] (Noot van 1875.) De hier bedoelde brief van 25 Februari

1856, No. 91, komt almede in den Havelaar voor. Dat het daarin

gedaan verzoekt om den beschuldigde "noch direkt, noch indirekt te

waarschuwen" reden van bestaan had, blykt juist hieruit dat daaraan

door den resident niet voldaan is. Uit den Havelaar kan men zien hoe

die hoofdambtenaar, den "geest des Gouvernements" in 't oog houdende,

den misdadiger waarschuwde, en daardoor niet alleen Havelaar's

ambtelyke positie onhoudbaar maakte, maar tevens z'n leven en dat

van z'n gezin op het spel zette.

[110] (Noot van 1865.) By den brief aan van Twist was overlegd een

afschrift van de verklaring des kontroleurs, waarin dit gestaafd

wordt. Spreek me eens tegen, m'nheer van Twist!

[111] (Noot van 1865). Ook hiervan legde ik 't bewys over. Spreek me

toch eens tegen, m'nheer van Twist!

[112] (Noot van 1865). Dezen brief van 5 Maart vind ik in den Havelaar

niet, en ik heb geen lust hem optezoeken. Bovendien, de geest die

daarin heerscht--en dáárom is 't hier te doen--blykt uit het stuk

van 15 Maart, No. 114, dat wèl in den Havelaar is opgenomen.

[113] (Noot van 1865). De resident van Bantam zou tegen dien brief

terstond geprotesteerd hebben, indien er protest mogelyk geweest

ware. Daarin immers wordt de met hem gehouden konferentie behandeld

als wisseling van gevoelen over de vraag: of men de waarheid mocht

zeggen aan 't Gouvernement! en geenszins over de kwestie: of het door

my beweerde waarheid was?

[114] (Noot van 1865.) Juist! En zoolang de van Twisten en konsorten

worden geëerd, terwyl men Havelaar met slyk werpt... zoolang blykt er

dat ook de NEDERLANDSCHE NATIE dit niet wil. Ieder die niet, binnen

den kring van zyn vermogen, meewerkt om een eind te maken aan den

schandelyken triomf van onrecht, dat we sedert het verschynen van

den Havelaar beleven, is medeplichtig aan de schelmery waartegen

ik opstond.

[115] (Noot van 1875). De zeer gewone fout die ook ik maakte. Dorheid,

droogheid, deugdzaamachtigheid, worden vaak voor deugd aangezien. Thans

ben ik minder naïf op dit punt. De van Twisten hebben me genezen. Hoe

lang zal 't nog duren voor de meerderheid des Nederlandschen Volks

begint te walgen van de vuile tartufferie die ons arm land verpest?

Doch ook vóór 't doorbreken van 'n beetje verlichting, hoe is 't

mogelyk, dat het volk maar altyd door genoegen neemt met de uitgaven

voor 't onderhoud van den zwerm gauwdieven die, al geven onze wetten

dan geen middelen aan de hand om hen voor 't Gerecht te roepen, toch

waarlyk geen aanspraak kunnen maken op belooning? Ons leger, onze

vloot, onze koloniën, onze nyverheid... alles verkeert in slechten

staat. En toch gaat men maar voort met het opbrengen der belastingen:

1o. om dien toestand te doen voortduren, 2o. om de ellendelingen

in 't leven te houden dìe--vooral sedert 1848! door onbekwaamheid,

plichtverzuim en baatzucht, de bewerkers waren van dien algemeenen

achteruitgang!

Dat het peil der publieke zedelykheid laag staat, kan nu eenmáal niet

anders. Het is 'n onmisbaar gevolg van tien eeuwen demoralizeerende

goddienery. Maar eilieve, 't belang? sedert jaren peins ik over de

oorzaak van dat zonderling gebrek aan verzet, en kan alweer geen

andere verklaring vinden dan de bekende onbekwaamheid in de kunst

van lezen. Heeft men ook den hier--gewis reeds voor den tienden keer

gepubliceerden--brief aan van Twist niet begrepen?

[116] (Noot van 1865.) En leeft daarvan rustig op z'n buitenplaats by

Deventer, en koopt landeryen, en behoort onder de hoogst-aangeslagenen,

en wordt gekozen tot lid van de Eerste-Kamer, en spreekt mee over

dingen welker beoordeeling kunde, eer en integriteit vorderen, en

laat zich benoemen tot lid in 't bestuur van Mettray, en blyft by

voortduring "zeer geacht" in 't goddienend Nederland!

[117] Is de bedoeling den heer van Hoëvell te beschuldigen van gebrek

aan yver? Dat zou inderdaad kluchtig wezen.

[118] En, voeg ik hierby, nog is zeeroof in den Indischen Archipel

eene geregelde industrie.

[119] De kwestie over vryen arbeid, is geen kwestie. Maak den inlander

geschikt tot meerderjarigheid, laat hem de vrye beschikking over

zyn eigendom, beroof hem niet, martel hem niet, vermoord hem niet,

en er zal vrywillige arbeid wezen.

Kiezers van Tiel, zoudt gy vrywillig arbeiden, wanneer ge niet zeker

waart dat het door dien arbeid verkregene uw eigendom bleef?

"Toen die buffel hem was afgenomen.... enz." in die woorden ligt het

geheele antwoord op de vraag: wil de Javaan vrywillig arbeiden. En

dáárom is zooveel papier vermorst? Heb ik niet gelyk, dat ik zocht

naar een anderen weg, dan de jaren lang zoo vruchteloos gevolgde?

[120] Daartoe is noodig: kennis van zaken, gezond verstand, moed,

onomkoopbaarheid... en meer dusdanige zeer EXCENTRIEKE eigenschappen.

[121] En suikerkontrakten, zeg ik er nu by, want ook dat is geen

hoofdzaak. Het zal er eerlang weinig toe doen, of men een ton of wat

meer heeft weggeschonken.

[122] (Noot van M.D.D--S.) De schryver zelf hechtte later aan dit

opstel weinig waarde. Daarom ook nam hy het niet op in de "Verspreide

Stukken" zooals hy wel deed met den "Brief aan den G.G. in ruste"

die vroeger op gelyke wyze als "Indrukken van den Dag" verschenen

was. Het stuk "Aan de Stemgerechtigden" is zoodoende nog van noten

voorzien, noch gewyzigd. De uitgever der Verzamelde Werken wenschte

het hierin optenemen, en ik heb my daartegen niet verzet, wyl het

artikel in elk geval geschiedkundige waarde heeft.

Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag · 第 125 / 125 题