DE TEGENWOORDIGE AGITATIE OVER DE KOLONIALE ZAKEN IS EENE GEMAAKTE
AGITATIE.
De Geschiedenis leert ons dat overal waar groote bewegingen voor
de deur stonden, de leiders der algemeene belangen zich beyverden
byzaken voor-op te schuiven, om de aandacht der Natiën aftetrekken
van de hoofdzaak.
Dit noemen kleine bestuursmannen: Kunst van regeeren.
En vaak komt de loop der dingen de Regeeringen te hulp in 't
verschaffen van zulke afleidingen. Het volk bemerkt instinctmatig dat
alles niet is zoo-als 't behoort, en stelt zich, meer dan anders,
by elk opgeworpen denkbeeld de vraag voor: "zou dit misschien de
oorzaak myner malaise wezen?"
Nooit waren er zooveel staathuishoudkundige kwestiën aan de orde
van den dag, als kort voor de Fransche revolutie. Ik bedoel de
eerste, de ware, de voorloopster van de groote Wereldrevolutie die
onzen kinderen wacht, en waarby de hoofdvraag wezen zal: hebben
of niet hebben. Boeren-oorlogen en Jacqueriën zyn periodiek als de
saizoenen. Dit zal zoo blyven zoo lang menschen menschen zyn. En ook
zal men altyd blind genoeg wezen om die onvermydelyke schuddingen
niet te voorzien.
De wegbereiders van zulke revolutiën, zy die het eerst nieuwe
denkbeelden verkondigen, bedoelden juist niet altyd 'n omwenteling. Zy
waren, zoo-als ieder in zekeren zin, de uitdrukking van hun tyd. Zy
stuwden niet, ze werden aangetrokken. "l'Homme ne manque jamais aux
circonstances" heeft MONTESQUIEU gezegd, en wáár is het, even zeker
als dat er nooit lucht ontbreekt om de leegte aantevullen die ontstond
door verplaatsing van andere lucht. Maar diep ligt de waarheid van
MONTESQUIEU'S uitspraak niet. 't Is als-of men zeide: "geen muskaatnoot
zonder foelie." Ik geloof 't graag, 't is dezelfde vrucht.
Want zoodra 'n Volk behoefte voelt aan zekere indrukken zal dezelfde
oorzaak die deze behoefte te-weeg bracht, sommigen aanzetten tot
het meedeelen van die indrukken. De mannen die 'n omwenteling
vooraf-gingen, bewerkten die niet, maar werden, juist omgekeerd,
voortgebracht door dezelfde omstandigheden die de revolutie ten-gevolge
hadden. 't Is hier noch post, noch propter, 't is simul. Dit is even
begrypelyk als dat men geen scheepsbouwmeesters vindt in de bergen,
noch tuinlui op Nova Zembla.
Men zal dan ook kunnen opmerken dat de personen die vaak worden
aangezien als de bewerkers eener omwenteling, omdat ze kort te-voren
'n belangryke rol speelden, die belangrykheid inderdaad meer te
danken hadden aan de behoefte en de voorbeschiktheid des Volks om wat
nieuws te hooren, dat licht geven zou in de duisternis, dan wel aan
de onderwerpen die zy behandelen, of de inrichting die zy aanwyzen
als de juiste. Om zich hiervan te overtuigen, behoeft men de zaken
slechts te bezien van 'n later standpunt, als wanneer er een groot
verschil in 't oog springt tusschen den loop der gebeurtenissen,
en de meeningen of uitingen die de verandering van dien loop waren
voorafgegaan. De terreur der Fransche revolutie gelykt niets op
't Contrat Social van Rousseau.
Wanneer nu echter hervormers die ter-goeder-trouw zyn, een zoo
willigen bodem vinden voor nieuwe begrippen, onverschillig of hunne
ideën uitvoerbaar blyken of niet, onverschillig of ze voldoen aan
de behoefte des oogenbliks, en alleen omdat het Volk voelt: qu'il y
a quelque chose dans l'air--met hoeveel te-meer graagte dan zullen
opgeworpen twistpunten worden aangenomen, wanneer zy die ze opperen
niet ter goeder-trouw zyn, wanneer ze met meer of min kunst zulke
punten van geschil uitvinden, scheppen, op den voorgrond schuiven,
met het doel om 't Volk bezig te houden.
Dit nu, Nederlanders, is by u sedert jaren het geval.
Liever dan my te bepalen tot den kleinen kring onzer belangen, zou ik u
voorbeelden aanhalen uit de Wereldhistorie. Maar ik begryp dat ik beter
doe my te bepalen tot dingen die u meer van naby raken, en u klaar
voor den geest zullen liggen naar ik gis. Eén voorbeeld dus uit velen:
Herinnert ge u, Nederlanders, hoe men eenige jaren geleden u heeft
bezig-gehouden met indisch-muntstelsel en duitenplaatjes? Ge hebt
die plaatjes goedmoedig geslikt. Dáárover zyn wat verhandelingen
gehouden, wat brochures geschreven! Dááraan is wat geleerdheid en
redenary ten-koste gelegd! Men voedde u met millimeters van den
omtrek der indische guldens, gy ontbeet met beeldenaars, en uw
avondmaal vloeide over van circuleerende medium's. Hoe 't mogelyk
was, u zoo erg en zoo lang te bedriegen met 'n zaak zoo eenvoudig als
'n muntstelsel, begryp ik niet, maar gelukt is het. Eilieve, hoe is
die zaak, die belangryke zaak, waarvan 't wel of wee uwer indische
bezittingen scheen aftehangen, dan toch eindelyk uitgewezen? Weet ge
't wel eens? Dit moest ge toch weten, indien de vraag zoo belangryk
was als ze scheen in die dagen...
De opheldering dier muntkwestie is eenvoudig. Op den oogenblik toen
men u bezig-hield met koperen duiten, recepissen, zilvergehalte,
agio en dergelyke, was de Bevolking van Indië op 't punt uit te
bersten in algemeenen opstand, die dan ook partiëel uitgebroken is,
maar overal in bloed gesmoord.
Hebt ge 't niet in de couranten gezien hoe elke mail heldendaden
meêbrengt? En ziet ge niet tevens hoe er altyd-door meer
suppletie-troepen noodig zyn? Hebt ge er niet op gelet hoe men
in Europa te-kort schiet met werven, in-weerwil van 't bovenmatig
verhoogen der handgelden, en hoe men de beschermers en verdedigers
van Nederlandsche belangen weêr, als vroeger, moet zoeken in Afrika?
Zyn we ooit in vrede daarginder? Volgt niet oorlog op oorlog, roering
op roering, onrust op onrust?
Komt ge nooit op 't denkbeeld dat er wat verdachts is in die stereotype
telegrammen: "op Java volmaakte rust?"
Vindt ge 't niet vreemd dat de Landvoogden, die zoo met overstoorbare
eentonigheid die rustigheid proclameeren en telegrafeeren, altyd-door
méér soldaten noodig hebben om niet weggejaagd te worden?
Ziet ge, dit bevreemdt my. Dat men u bedriegen wil, heeft z'n
redenen. Dat ge zoo gemakkelyk toegeeft in dit bedrog, vind ik
zonderling en jammer.
Het aantal opgeworpen kwestiën waarmede men u aandachtig bezig-houdt,
is zeer groot, en daaronder behoort ook de vraag die thans in
Nederland aan de orde van den dag schynt; de vraag over Vryen-Arbeid
en Kultuurstelsel, waarvan die kibbelaryen over consignatiestelsel,
kultuur-emolumenten, enz. onderdeelen zyn.
De ware vraag van den dag is deze:
Wordt de Javaan mishandeld?
Zal hy dit voortdurend verdragen?
Wat moet er gedaan worden om een eind te maken aan die mishandeling?
Maar deze vragen legt men u niet voor. Er zal 'n tyd komen dat ge u
schamen zult over uw gebrek aan doorzicht. Het zal u onverklaarbaar
zyn dat ge u aanhoudend liet verlokken tot het behandelen van andere
vragen.
Want ik stelde u in-staat dit bedrog te doorzien en te ontwyken. In
den Max Havelaar heb ik aangetoond dat de Javaan mishandeld wordt. Wie
heeft dit weersproken? Dagbladen, tydschriften, brochures stelden
ten-klaarste in 't licht dat ik niet overdreven heb, dat ik beneden
de waarheid ben gebleven. Zie den Indiër, den Gids, het Neêrlandsch
Indisch tijdschrift... in 't kort, alle organen van de liberale
party. Of die organen zoo volmondig zouden verklaard hebben dat ik
de waarheid sprak, indien ze hadden geweten dat ik geen partyman was,
mag betwyfeld worden. Maar wat geschreven staat: staat geschreven. 't
Is zoo, ik ben beneden de waarheid gebleven. Ik vreesde en vermeed àl
de waarheid te zeggen, uit kunstgevoel. Ik wilde sympathie opwekken,
geen walging. En dit zou 't geval geweest zyn, indien ik, in-plaats
der eenvoudige geschiedenis van Saïdjah, de ellende geschetst had
van 'n hongersnood, zooals er van-tyd tot-tyd op Java voorkomt,
ten-gevolge der overdryving van 't Kultuurstelsel...
"Ziet ge wel, roept hier de Vry-arbeider... 't Kultuurstelsel!"
Een oogenblik, m'nheeren. Ik heb in Indië gruwelen gezien onder
Gouverneurs-Generaal van allerlei kleur, gruwelen waarmeê 't
Kultuurstelsel niets te maken had. In Lebak byv. werkte geen
Kultuurstelsel, en dáár was toch jaarlijks hongersnood. En ook
elders is de toestand van de Bevolking die overgeleverd wordt
aan Vry-arbeiders in compliciteit met de Hoofden, verre van
benydenswaardig. Of erger nog, ik heb dorpen gezien die uitgemoord
waren door zeeroovers, die alles meêvoerden wat kracht tot roeien had,
en een geslacht achterlieten wat tot roeien te zwak was. Hierby immers
komt noch Stelsel van kultuur, noch Vrye-arbeid te-pas, niet waar!
Waarlyk, m'nheeren partymannen, gy hebt het recht niet, elkaêr
aanteklagen. Ik heb het recht u beiden te roepen voor de rechtbank
der openbare meening. En dit doe ik. My zult ge niet afleiden met uw
duitenplatery over Vry-arbeid of Consignatiestelsel...
"Onder uwe leiding is de Javaan bestolen, mishandeld, vermoord,
dit kan ik bewyzen!"
Zoo spreekt de liberaal tot den behouder.
"Ik zeg dat de Javaan mishandeld en vermoord wordt onder uwe
leiding... dit kan ik bewyzen!"
Zoo antwoordt de behouder den liberaal. En vervolgens:
"Gy zyt oorzaak dat Indië voor ons zal verloren gaan! Als we Indië
verliezen, is 't uwe schuld!"
"Neen, uwe schuld!"
"Neen, uwe... sjt! Daar komt het volk aan... ik zeide dan, m'nheer,
dat uwe begrippen over Vryen-arbeid..."
"Juist! Ik meen dan dat die cyfers in 't boek van Money..."
"Inderdaad! Maar lees een Say, Malthus, Scialoia ... En let eens op
de opinie van den geachten spreker uit ..."
En 't Volk gaat naar-huis, en meent in z'n onnoozelheid dat de Heeren
'n verschil van opinie hebben over Staathuishoudkunde.
En 't Volk neemt het voorgegoocheld onderwerp voor 't ware, en koopt
zich 'n boekje van Money, en gelooft aandeel te nemen in de behandeling
der publieke zaak, door 't narekenen van de cyfers die daarin staan.
En alzoo... wat te-huis hooren zou voor een crimineele rechtbank,
wordt behandeld als diepzinnig systeem van bestuur, en de hoofdzaak,
de ware eenige hoofdzaak is weer gesmoord voor 'n tyd!
Voor den honderdsten keer: de kwestie over Vryen-arbeid is geen
kwestie! Het eindeloos gekibbel daarover is slechts de dwaalweg
waarop 't Volk zich laat brengen door de slotwoorden van de heeren die
bezig waren zich vice versa te beschuldigen van diefstal en doodslag,
maar gaarne hun linge sale willen wasschen en famille, en daarna aan
't Volk wat opgeworpen verschilpunten ten-beste geven. Aan 't Volk,
dat ten-laatste--al waar 't uit zucht tot verandering alleen--die
schandalen niet verdragen zou. Het wachtwoord van die heeren is:
zwygen!
En ik sprak hier niet van Ministers alleen. Ik vraag u, lezer, of
't niet in de rede zou gelegen hebben dat men in de Tweede Kamer--of
ook in de Eerste, waarom niet?--aan de Regeering had gevraagd of
de Max Havelaar waarheid bevat? We hebben behoudende en liberale
ministeriën gehad sedert de verschyning van dat boek, maar geen
opposant heeft aan 'n behoudende Regeering, geen behouder heeft aan
'n liberaal bewind durven vragen of ik de waarheid gezegd had. Ieder
voelde dat het antwoord even nadeelig luiden zou voor z'n eigen party
als voor de vyandelyke. Ieder begreep dat er niets viel te winnen door
't staven van beschuldigingen, die terstond daarop met gelyk recht
zouden worden ingebracht tegen hemzelf. 't Scheelt me weinig of ik
triviaal schyn... ik neem m'n uitdrukkingen waar ik ze vind ... Het
volk zal my verstaan: 't is diefje met diefjes maat!
Dit komt er van, kiezers, wanneer ge u niet bemoeit met uw zaken.
Zwygen dus, smoren!
Ja, smoren! Maar toch zyn er enfants terribles die in de hitte van den
stryd geen acht-geven op 't sjt! dat het Volk moest buitensluiten van
de waarheid. Onlangs by de behandeling der koloniale begrooting heeft
men elkaêr over-en-weer Droogstoppel genoemd. Men kan 't nalezen in
't verslag der zittingen van de Tweede-Kamer.
Droogstoppel nu--ik heb dien man gemaakt, ik heb 't recht te zeggen
hoe, wat en wie hy is--Droogstoppel is de gemeene dief, minus den
moed om intebreken. Droogstoppel is de Fariseër die weduwen en weezen
op-eet, en kushandjes toewerpt aan 'n eigengemaakt godje dat hem
helpt in de digestie. Droogstoppel is de bloedzuiger die opzwelt
van onrechtvaardig verkregen goed, maar 'n veerkrachtige magerheid
bewaart om z'n vooze opgeblazenheid binnentepersen door de enge
poort. Droogstoppel is de femelende laffe gierige schriftuurlijke
gauwdief...
Eilieve, ik heb vergeten te zeggen of Droogstoppel liberaal of
behoudend is...
In de Kamer heeft men de goedheid gehad deze gaping aan-te-vullen.
Liberalen hebben tot behouders gezegd:
"gy Droogstoppel!"
En behouders hebben geantwoord:
"Droogstoppel, gy!"
En ik? Wat ik antwoord?
Ach, ik zie in dat ik 'n profetischen geest had op het oogenblik
toen ik in de Minnebrieven de vertelling gaf van 'n paar twisters op
Amboina, die elkaêr onaangenaam hadden bejegend. "Ga gerust naar huis,
o Jozef en Abraham ... of Ezechiël, gy beiden hebt volkomen gelyk!"
Ik verklaar overigens my geheel te vereenigen met de opinie van den
heer Wintgens, die de vraag deed, of niet de ergste Droogstoppels de
zoogenaamde vry-arbeiders waren, wyl ze den Javaan meer rechtstreeks
uitzuigen dan hun confraters op de Lauriergracht?
Ik zeg volmondig ja op die vraag.--Maar ik constateer tevens dat de
heer Wintgens, door z'n superlatieven gradus--"of dat niet de ergste
Droogstoppels waren?"--zich beweegt in den omtrek der paragrafen onzer
schoolboekjes, waar boven stond, "over de trappen van vergelyking"
en dat hier dus maar sprake is van wat meer of min Droogstoppelig...
Nederlanders, ge staat my toe, hoop ik, voor Droogstoppel te lezen:
Ellendeling? Welnu, in uwe Vertegenwoordigende Kamers is de vraag
geopperd: onder welke der beide dusgenoemde Staatspartyen, de ergste
ellendelingen zyn.
Wat geschreven staat, staat geschreven. Het byblad, waarin deze vraag
voorkomt, zal wel reeds gedrukt en verspreid wezen. En al ware dit
zoo niet, de vraag wordt meêgedeeld in de verkorte verslagen die
de dagbladen van de zittingen gaven, waarin de koloniale begrooting
is behandeld.
Ik tart de leden der Staten-Generaal die te vernietigen, en voor 't
Nageslacht te verbergen dat in 1861 in hunne vergadering de vraag
geopperd is, welk staatkundig gedeelte des Nederlandschen Volks
't meest productief was in huichelende gauwdieven.
Ja, dat zyn de enfants terribles van de partyen! En men meene niet
dat dit 'n toeval was, 'n lapsus linguae, 'n oratorische wending van
den heer Wintgens... volstrekt niet. Herhaaldelyk is 't scheldwoord
Droogstoppel--dat is: ellendeling--over-en-weer gebruikt. Ik heb dit
woord in 'n zeer verkort verslag der zittingen, tien of twaalf malen
gevonden in één alinea. 't Is zelfs ontelbare malen gebruikt door
den heer P. Myer, den man die 'n zoo hoog pensioen trekt: "omdat
hy--ik citeer--zekere betrekking niet bekleed heeft." En ook na den
Heer Wintgens hebben weer anderen zich beyverd aantetoonen dat de
Droogstoppels ...
O God, O God, is 't genoeg, Nederlanders? My is 't te veel.
Had ik niet recht, Hamlets uitroep te kiezen tot motto dezer
brochure? Waarlyk:
There is something rotten in the state!
Maar, zeggen misschien sommigen, wat is dan toch dat Kultuurstelsel,
wat verstaat men onder Vryen-arbeid?
Ik weet dat deze vraag nog altyd door velen gedaan wordt, en dit is
'n bewys te-meer van de waarheid myner stelling dat de voorgewende
punten van verschil niet raken aan de hoofdzaak. Als er waarheid lag
in al de beweringen vóór en tegen die systemen van Indisch bestuur,
zou men, na al wat daarover is gesproken en geschreven, nu dan toch
wel zóóver gevorderd zyn, dat men wist waarover de kwestie liep. En
dit is het geval niet. Er is zorg gedragen de zaak zoo te verwarren,
dat de goê-gemeente zich verliest in 'n zee van kunsttermen over
staathuishoudkundige wysheid, en moedeloos tot het besluit komt, de
heeren moeten 't weten! Ja, en dan hebben de "heeren" weêr loisir om
't gesprek voorttezetten over de zaak die hen bezig-hield, toen 't
Volk er bykwam: over de mishandeling van den Javaan, en den opstand
die daarvan 't gevolg wezen moet.
Toen ik den Max Havelaar schreef, dacht ik niet aan vryen arbeid. Ik
behandelde daarin 'n hoofdzaak, en het heeft my zeer verwonderd dat
boek te zien misbruiken als 'n wapen tegen het Kultuurstelsel. Zelfs
in 't buitenland is men in die dwaling vervallen. In den Annuaire
des deux Mondes van 1860, wordt myn werk behandeld als 'n pleidooi
voor Vryen-arbeid, dat het zyne toebracht tot den val van 'n
behoudend--kultuurstelselig--ministerie. En 't een, en 't ander is
onjuist. Ik heb noch in den Havelaar, noch later, my ingelaten met
de voddige voorgehuichelde geschilpunten die men in den Haag gebruikt
om ministeriën te ondermynen. Even als ik ieder mensch goed noem die
goed handelt, zonder te vragen naar z'n geloof, evenzoo zou ik 'n
Minister aanhangen die rechtvaardigheid beoefent, onverschillig of-i
oude stelsels aankleeft, of nieuwe verkondigt. Die rechtvaardigheid
nu heb ik tot-nog-toe zoowel aan de zyde van 't behoud, als aan den
kant der zoogenoemde liberalen tevergeefs gezocht. En zoolang dit niet
verandert, is 't me onverschillig wie er regeert. En den Javaan ook.
Geheel alleen echter sta ik niet met m'n opinie over de ledigheid,
de nutteloosheid, de ontydigheid der kwestiën van den dag. Ik las in
'n brochure, onlangs uitgekomen by Günst te Amsterdam [70] de volgende
eenvoudige maar veel beteekenende woorden:
«Stel u eens voor, geachte lezer»--men ziet dat de brochure niet van
my is--«dat in een land waar de openbare wegen zeer onveilig gemaakt
worden door bandieten, die op eene ongehoord brutale wyze schatting
van de reizigers vorderen, en soms nog wel een weinig verder gaan
in hunne willekeur, de vraag by de vertegenwoordiging ontstond, in
hoever het wenschelyk zou wezen, om byv. de tollen der openbare wegen
afteschaffen, en dat dáárover eindelooze discussiën gevoerd werden,
zonder dat er door een enkel lid de wensch geuit werd iets te doen
tot beveiliging van den eigendom en den persoon des reizigers.
Nederlanders! Wilt gy dat die toestand op Java voortduurt? Wilt gy
dat de wetten en reglementen die daar zyn om den armen Javaan te
beschermen, onuitgevoerd blyven?»
Juist! Die wetten en reglementen bestaan, maar ze worden ter-zy
gelegd. Dagelyks worden ze geschonden en verkracht. Het "schipperen"
dat is: het oogluikend toelaten van geweldenary, roof en moord, wordt
geprezen en beloond. Zie Slymering. Het te-keer gaan van die misdaden
wordt beschouwd als onbekwaamheid, als excentriciteit, en gestraft met
een straf die te zwaar wezen zou voor de misdaden zelf. Zie Havelaar.
Dit is de zaak, dit alleen! Al het overige is van zeer ondergeschikt
belang.
En alweêr sta ik niet geheel alleen met deze meening. Ik lees in een
der pikante mededeelingen van Hagiosmandre [71] eenige regelen die met
weinig omslag aantoonen hoe gezocht de kwestie is over Vryen-arbeid
en Kultuurstelsel:
«Ministers en Kamerleden praten veel, verschrikkelijk veel over
cultuurstelsel, vrijen arbeid; doch de vraag:
"Wordt de Javaan mishandeld?"
komt niet ter sprake.
Een lang met de Javanen omgegaan hebbende ambtenaar schrijft mij:
«De Javaan is in zooverre een mensch als een ander, dat hij liever veel
geld heeft dan weinig--liever een goed huis dan een slecht,--liever
welvaart dan armoede.
«Die voorkeur voor bien être zou hem doen werken uit vrije keuze,
wanneer door dat werk die welvaart kon verkregen worden.
«Maar!... hij is er aan gewoon, dat men hem het bespaarde, het
overgewonnene afneemt;--of liever dat men het niet eens zoover laat
komen dat er iets af te nemen valt.--Hij is arm en blijft arm.
«Het is althans nooit bewezen dat hij niet vrijwillig werken zou,
wanneer er op Java veiligheid bestond voor personen en goederen.
«Dit nu schijnt er niet te bestaan, of liever, volgens den Max Havelaar
ontbreekt er geheel.
«En vóor dat dit hersteld wordt, is het dwaasheid te spreken over
vrijen arbeid."
Laat er een moreel, intègre bestuur heerschen in Indie, en in den
Haag, betreffende dat heerlijke land, en dan zal 't blijken of de
Javaan vrijwillig wil arbeiden.
Ei, zegt men, dat is gemakkelijk voorgeschreven. Hoe moet men doen,
om zekerheid te hebben dat er intègre bestuurd wordt?
Dat is zeer moeijelijk;--maar zeker is 't onmogelijk zoolang men
Havelaar geen regt doet op eene wijze, welke aantoont dat men waarheid
en rechtvaardigheid wil.
Zoolang Havelaar niet gerehabiliteerd of veroordeeld is, zijn Kamers,
ministers en gouverneurs-generaal zedelijk verantwoordelijk voor alles,
wat in den Havelaar is gewraakt.
Of het goede bereikt zal worden door hem te steunen, is de
vraag. Maar... dat het kwade wordt gesteund, zoolang geen onderzoek
daaromtrent plaats heeft, is zeker.
Welk besturend beambte zal op Java zijn plicht durven doen, als hij
hoort hoe Max Havelaar en de zijnen leden en lijden moeten, omdat
hij zijn plicht vervulde?
Immers toch, zoolang het niet uitgemaakt is, dat hij onwaarheid
vertelde, moet men de feiten, die hij met autentieke stukken staaft,
als waar erkennen.»
Er schynen dus ook anderen moê te wezen van 't gekibbel over
byzaken. Die "anderen" vormen voor als-nog de minderheid. Maar hun
getal zal aangroeien door overloopers uit de beide partijen, die
voor-en-na zich verzadigd zullen voelen van onnutte polemiek. Zóó
zullen die "anderen" eindelyk de meerderheid vormen, en dit is de
party, de eerlyke derde party, die ik den Kiezers aanbeval in de
Minnebrieven.
Maar hoe is men dan geraakt tot de meening, dat ik 'n aanhanger was
van de Vrye-arbeidsleer? Dit is alleen mogelyk geweest door een paar
zinsneden van den Max Havelaar uit haar verband te rukken. Ik zal
die hier aanhalen, dewyl ze my tevens dienen om het Kultuurstelsel
te kenschetsen.
«Doch daar kwamen vreemdelingen uit het Westen, die zich heer maakten
van het land. Zy wenschten voordeel te doen met de vruchtbaarheid van
den bodem, en gelastten den bewoner een gedeelte van zynen arbeid en
zyn tyd toe te wyden aan het voortbrengen van andere zaken»--er was
namelijk vroeger gesproken over ryst, die de Javaan noodig heeft om
in leven te blijven--«van andere zaken, die meer winst zouden afwerpen
op de markten van Europa. Om den geringen man daartoe te bewegen, was
niet meer noodig dan een zeer eenvoudige staatkunde. Hy gehoorzaamt
zyn Hoofden. Men had dus slechts die Hoofden te winnen door hun een
gedeelte toetezeggen van de winst... en het gelukte volkomen.»
Ik erken volmondig by het schryven van deze regelen gedacht te hebben
aan 't stelsel van den generaal VAN DEN BOSCH--die, men ziet het,
al zeer goedkoop den naam van genie heeft verkregen--doch ik bedoelde
daarmede geenszins party te trekken voor die andere nog afschuwelyker
wyze van uitzuigen, die men Vryen-arbeid noemt. Integendeel.
«Als men let op de ontzettende massa Javasche producten die in
Nederland worden te-koop geveild, kan men zich overtuigen van
't doeltreffende dezer staatkunde, al vindt men ze niet edel. Want
mocht iemand vragen of de landbouwer zelf eene belooning geniet,
evenredig aan die uitkomst, dan moet ik daarop 'n ontkennend antwoord
geven. De Regeering verplicht hem op zynen grond aantekweeken wat haar
behaagt, zy straft hem als hy het aldus voortgebrachte verkoopt aan
wien 't ook zy, buiten háár, en zyzelve bepaalt den prys dien ze hem
daarvoor uitbetaalt. De kosten op den overvoer naar Europa door een
bevoorrecht handelslichaam, zyn hoog. De aanmoedigingsgelden aan de
Hoofden bezwaren daar-en-boven den inkoopsprys, en, daar de geheele
handel toch ten-slotte winst afwerpen moet, kan die winst niet anders
worden gevonden, dan door den Javaan juist zóóveel uittebetalen,
dat hy niet sterve van honger, 't geen de voortbrengende kracht van
de natie verminderen zou.
Ook aan de Europesche beambten wordt 'n belooning uitbetaald in
evenredigheid met de opbrengst.
Wèl wordt dus de Javaan voortgezweept door dubbel gezag... wèl
wordt hy afgetrokken van z'n rystvelden ... wèl is hongersnood vaak
't gevolg van die maatregelen ... doch vroolyk wapperen te Batavia,
te Samarang, te Soerabaya, te Passaroean, te Bezoeki, te Probolingo,
te Patjitan, te Tjilatjap, de vlaggen van de stengen der schepen,
die beladen worden met de oogsten die Nederland ryk maken.
Hongersnood? Op het ryke vruchtbare Java, Hongersnood? Ja, lezer. Voor
weinige jaren zyn geheele districten uitgestorven van honger.
Moeders boden hun kinderen te-koop voor spyze. Moeders hebben hun
kinderen gegeten...»
Dit is het KULTUURSTELSEL... zeggen de vry-arbeiders, en ik erken
dat niemand na 't lezen van die regels my kon aanzien voor 'n vurig
aanhanger van dat stelsel. Maar dit sluit volstrekt niet in, dat ik
party-trek voor hen die, misbruik makende van den schoonen klank:
vry, 'n gedwongen Vryen-arbeid willen invoeren, waarby de eerste
avonturier de beste zich in de plaats stellen zou van de Regeering,
om in compliciteit met de Hoofden, den Javaan uittezuigen. De Heer
Wintgens heeft volkomen gelyk, dat zyn de ergste Droogstoppels!
De ellende die 't Kultuurstelsel over den Javaan brengt, kan vermeden
worden door een Gouverneur-Generaal die z'n plicht doet, en geen
belooning toekent aan 't verbergen van de waarheid. Wanneer, lang voor
den hongersnood in Centraal-Java, de residenten niet hadden gelogen
in hun rapporten, door byv. altyd duizende pikols ryst te scheppen op
't papier, die niet aanwezig waren in werkelykheid, wanneer zy niet als
ontrouwe schildwachten, voortdurend hadden geroepen: "alles wel!" toen
reeds het gebrek voor de deur stond, dan had men tydig kunnen voorzien
in den nood der arme Bevolking, die nu moest omkomen, niet omdat zy aan
't Gouvernement koffi en indigo leverde, maar omdat zy te veel indigo
en koffi geleverd had, onverschillig of die levering plaats had aan de
Regeering of aan partikulieren. Indien nu de Residenten tydig hadden
kennis gegeven van de gevolgen dezer noodlottige overdryving, instede
van, met verkrachting van eed en plicht die gevolgen te verbergen:
"omdat het hun tyd wel zal uithouden" dan had de Regeering maatregelen
kunnen nemen om de duizende menschen in 't leven te houden, die nu
bezweken zijn... tot groot nadeel van de koffikultuur.
O, ik trek geen party voor 't Kultuurstelsel, dat allen vooruitgang,
alle ontwikkeling, alle veredeling tegengaat. De Javaan is 'n
machine. Neen, zelfs dát niet. Hy maakt slechts 'n gedeelte uit
van z'n dessa, van de gemeente die en bloc genomen een werktuig
is om koffi voorttebrengen. Eigen wil, eigen denkbeelden worden
verdoofd. Welvaart blyft hem onbekend, en daarmee alle roerselen
tot inspanning, die gewoonlyk 't gevolg zyn van 't streven naar
welvaart. Het schrale loon voor z'n produkt, dat hem by besluit van den
Gouverneur-Generaal is toegelegd--let wel, niet na overleg met hemzelf,
den betrokkene--wordt hem nooit geheel-en-al uitbetaald. De Hoofden
geven hem wat hun goeddunkt. O! dat Kultuurstelsel--vooral onder
'n Gouverneur-Generaal die z'n plicht niet doet--is verschrikkelyk!
Maar ... om te geraken tot de beoordeeling van 't Vrye-arbeidssysteem,
voege men by al die elementen van schandelyk misbruik, nog bovendien
den hebzuchtigen partikulieren intrigant, en men zal nagenoeg weten
wat het lot van den Javaan worden zou, als-i dááraan werd overgeleverd.
Ik las onlangs in 'n krant-artikel eene verdediging van den
Vryen-arbeid, waarin de schryver,--'n tabaksplanter, natuurlyk!--op de
vermeerdering wees die de aanvoer van tabak te Amsterdam sedert eenige
jaren ondergaan had. Twee millioen ponden, meen ik, waren gestegen tot
tien millioen ponden. Ei! Plaats 'n vry-arbeidend resident in Rembang,
en binnen weinig tyds zult ge vyftig millioen ponden tabak bekomen in
plaats van tien. Wie er niet meer van weet, zou z'n artikelen gerust
achterwege kunnen laten. De vraag is: of die meerdere produktie van
tabak niet in de plaats is getreden van andere waarden? En ten-tweede:
of misschien die meerdere produktie van tabak, den grond zou kunnen
leggen tot omstandigheden die ten-gevolge hadden dat men later nòch
tabak, nòch iets anders ontvangen zou? Zoo verplaatst men de kwestiën.
Ik herinner me dat, toen er voor eenige jaren ernstig werk gemaakt
werd van de voeding des Nederlandschen Volks--men vond, meen ik,
onder de miliciens te veel jagers en te weinig grenadiers--een
geleerde voorstelde om door den Javaan visch te doen vangen, en
daarmee de Hollanders te voeden. Van betaling was geen spraak. Men
moet wel heel geleerd wezen om op zoo'n denkbeeld te komen. De man
had gehoord dat er zooveel proteïne ongedeerd rondzwom in de Indische
zee. Dit kan waar zyn. Maar ook in de Noordzee is veel visch. Hebben
de Hollanders dien gevangen, en gratis naar Java gebracht, toen
dáár honger werd geleden? En de verhouding is nog niet eenmaal
gelyk. Want de honger der Javanen was een gevolg van de Hollandsche
onderdrukking, en de Javanen hadden geen schuld aan 't afnemend getal
grenadiers. Integendeel. Zonder hen zou sedert lang ons heele leger
bestaan hebben uit jagers... uit tamboers en pypers misschien.
Er is iets grappigs in 't denkbeeld de heele Hollandsche natie te zien
ronddobberen op botters en pinken, om 'n ver-af gelegene andere natie
in 't leven te houden. Christelyk zou 't wezen, dat 's waar. "Van
netten zyt gy gekomen, tot de netten zult ge wederkeeren!"
Maar hoe koddig dit voorkome als idee, ik geloof dat men al
heel spoedig zoo'n experiment zeer treurig vinden zou in de
werkelykheid. Welke redenen kunt gy aanvoeren, Nederlanders, die 't
rechtvaardige dat ge van den Javaan vordert, wat gyzelf in geen geval
zoudt willen doen voor 'n ander? Waar staat geschreven--al stond het
geschreven, ik recuseer zulke schryvery, en dit zoudt gy ook doen
als 't in uw belang was--waar staat geschreven dat de Javaan moet
arbeiden voor uwe behoeften? Oorlogsrecht? Ik ken dit recht niet,
al schreef dan ook de Groot een dik boek daarover, met dezelfde pen
waarschynlyk die hem doemde tot het verdedigen van den christelyken
godsdienst. Oorlogsrecht? Nog-eens, ik ken dit recht niet, ik erken
het niet vooral, nadat ik m'n eerste geschiedenis van gezag droomde,
waarin de ouder broeder zyn jonger dwong tot dienst. Nu ja, dit had-i
geleerd van 'n wild beest. Oorlogsrecht nog-eens? Maar, eilieve,
al bestond er zoo'n recht, dan nog moogt gy 't niet inroepen tegen
den Javaan, dien ge nooit overwonnen hebt. Waar zyn de veldslagen,
dien ge hem hebt geleverd? Waar liggen de vestingen, die ge hem
afnaamt? Daarvan zwygt uwe geschiedenis.
Die geschiedenis vertoont een walgelyk weefsel van kruipende
onderdanigheid in tegenspoed, van wreedaardige ruwheid in voorspoed. 't
Spreekt vanzelf dat de vergaderingen van Heeren XVII in 't moederland,
en van de edele, meer of min extra-ordinaire Raeden van India
daarginder, altyd geopend werden met 'n aanroeping van den Heer der
heirscharen... denzelfden Heer zeker die den zegendief Jakob beschermde
tegen Ezau.
En later die Javasche oorlog in 1826-31! Ze werd gerekt in 't belang
van een der bevelhebbers, die een speler was, en meest-al court
d'argent zynde, oorlog noodig had om aan geld te komen. Nog wyst men
te Batavia 't huis dat hy verdobbelde in één nacht. Zoo'n verlies
moest de Javaan weer betalen.
En hoe is ten-slotte die oorlog geëindigd? Door verraad. Diepo Negoro,
het hoofd van den opstand, had vrygeleide toen men hem gevangen
nam. Zyn zoon was onder myn custodie op Amboina, en 't was kurieus
de opinie van dien man te hooren, over de Hollandsche goede trouw en
verdere christelyke deugden, te veel om optenoemen. Daarvan weet ook
Ferdana Mantrie van Palembang te spreken. De voorlaatste Keizer van
Solo is gevangen genomen, afgezet en verbannen, omdat hy... gebeden
had op de graven zijner voorvaderen, zonder permissie van den resident
te Soerakarta...
Ge toont oude papieren, waarin sommige Hoofden verklaarden... maar
gyzelf hebt later die hoofden ter-zy gezet en hunne souvereiniteit
nietig verklaard, zoodra ge die niet meer noodig hadt om ze hun
onderdanen te doen verraden aan u, die zonder dat verraad, nooit
meesters van Java zoudt geworden zyn. Gy hebt leerscholen voor de
"rechten" en kansels voor... ik weet niet wat, maar ik zou u wel eens
willen hooren bewyzen van kansel of katheder, dat gy recht hebt op
den arbeid van den Javaan.
"Het is goed dat de mensch arbeide, hoor ik u zeggen. Zonder ons zou
de Javaan te lui zyn om iets te doen, en dus..."
Juist! Zoo spreekt ge. Maar ge vergist u in de meening dat die
redeneering uw privaat eigendom wezen zou. Ze behoort aan Droogstoppel
die na 't hooren van Wawelaars preek de uitbreiding der Koffikultuur
aanprees als nuttig voor 't Godsryk. 't Is waar dat de Javaan, om in
zyn gezegend klimaat te blyven leven, minder arbeid noodig heeft dan
gy. Maar ligt hierin 'n voldoende reden om hem aftenemen, en u toe
te eigenen wat de natuur hem schonk om-niet? Is 't zyne schuld dat
uw vaderland zoo bar is, zoo onvriendelyk? Moogt ge 't hem wyten,
dat in uwe streken de eerste noodigste... éénige vraag van 't leven
is: hoe men te doen hebbe om dat leven te behouden?
Ge hebt u by den Javaan--dat heet by z'n Hoofden, want de eigenlyke
Javaan kent u niet--ingedrongen met zachte vleiende woorden. Ge hebt
u opgeworpen als scheidsrechter in de geschillen, die ze argeloos
onderwierpen aan uw oordeel. Ge hebt die onnoozelheid misbruikt om
u meester te maken van wat u niet behoorde. Schrede voor schrede zyt
ge voortgeslopen, en hebt uwen voet gezet op den akker van uw naaste,
gedurig den grenspaal verzettende... dat verboden is in uw eigen Bybel,
hoort gy! Of staat er niet in de geschriften die ge beweert voor heilig
te houden, maar die ge ter-zy legt zoodra ze niet overeenkomen met
uw belang: "vervloekt wie zyns naasten landpale verrukt en al het
volk zal zeggen Amen!"
Ik houd uw Bybel voor volstrekt niet heilig, maar dát woord was
goedgesproken, dunkt me, en ik zou graag 'n preek houden over
dien tekst. Hoe doet ge toch als ge voorleest uit die Schrift, en
eensklaps op zoo'n gebod stuit? Vragen dan uw kinderen niet: papa,
sla je wat over?
Of weet ge dan uw kroost te beduiden dat zoo'n Javaan uw naaste niet
is, en dat de behandeling van zyn landpalen door andere wetten wordt
geregeerd dan de gewone? Dit zal wel 't eenige uitwegje zyn.
Intusschen gaat ge voort, den arme die uw naaste niet wezen mag,
te knevelen, te bestelen en te villen à coeur joie, en om u
zelf by dit alles 'n air van gemoedelykheid te geven, houdt ge u
bezig met redeneeren over de verschillende systeemen, waarnaar die
kunstbewerkingen geschieden. Kultuurstelsel, Vry-arbeid... wat geeft
het meest?
Ik heb u in de Minnebrieven gezegd, en ik herhaal hier, hoe
karakteristiek het is, dat men in uw Tweede-Kamer tot ernstige punten
van overweging gemaakt heeft, of de door dien Money opgegeven cyfers
juist waren, en op welke manier hy tot de inzage van uw boeken geraakt
was. Maar de overweging der middelen waardoor het geld verkregen
is, waarover die boekhoudery loopt, schynt beneden de aandacht
van de vergadering geweest te zyn. En na den Max Havelaar kòn men
toch weten hoe er gehandeld wordt met het leven en de bezittingen
van den Javaan! Dit scheen de moeite van 't opmerken niet waard,
maar wèl stelden de heeren belang in de wyze waarop al dat ellendig
geknoei geboekt was, en vooral hoe 'n vreemde toegang bekomen had
tot hun kantoor.
Ziet ge wel, hoe ook dáár alweder de hoofdzaak werd overzien, met
opzet overzien, om de aandacht te leiden op byzaken?
En, Nederlanders 't zyn niet Kamers of Ministers alleen, die
voortdurend met gehuichelde belangstelling in de publieke belangen,
die belangen verraden, en willens en wetens de kwaal die ons teistert,
door misdadig zwygen verwaarloozen. De dagbladen zyn de mond des
Volks. Ik weet wel dat het spraakvermogen van dien mond belemmerd
wordt door 'n domme middeneeuwsche, alle ontwikkeling tegengaande
instelling--de zegelwet!--die in 't jaar uws heeren 1861, als
vroeger, u maakt tot de Chinezen van Europa. Maar al nemen we nu deze
instelling als circonstance atténuante voor die spraakbelemmering aan,
't blyft dan toch weinig minder onverantwoordelyk, hoe de redaktiën
der dagbladen hare hooge roeping miskennen, de roeping: om 't Volk
voortelichten waar 't z'n wezenlyke belangen geldt.
Aan uw geschrevene, meestal door eigenbelang uitgevonden
zedelykheidsregelen hecht ik weinig. Ook stel ik geen prys op de
braafheid en de deugd, die zoo genoemd wordt uit gewoonte. Maar dit
wegwerpen van 't meerendeel uwer principes schynt toch niets te
maken te hebben met absentie van ware eerlykheid, en van 'n waar
rechtvaardigheidsgevoel. Ik besluit hiertoe onder anderen, uit de
verontwaardiging die me bezielt by 't lezen van de stukken dergenen
die by 't opzetten van 'n dagblad, stilzwygend de verplichting op
zich namen waarheid te verkondigen.
Wanneer een Minister den mond opent, weet men dat-i gebonden is door 'n
zoogenaamd program. Hy heeft, om Minister te worden, beloofd te spreken
en te handelen in zekeren geest. Dit moge nu dom wezen, onmenschkundig,
onpraktisch, nadeelig voor 't algemeen welzyn... goed! De man heeft
het beloofd, en wie geen lust heeft in den beloofden geest, kan de
ministeriëele redevoeringen overslaan.
Zoo-als 't Volk dan ook meestal doet.
Een Kamerlid, die president was van de Concordia of de Harmonie
ten-zynent, heeft beloofd: "met de meeste onpartydigheid de belangen
voortestaan van... z'n distrikt." Edam stemt voor kaas. Drenthe voor
't veen. Schiedam voor Jenever. Schokland voor kabeljauw. Utrecht
voor theerandjes. Dit moge nu dom zyn, ontstaatkundig, onpraktisch
en misdadig... goed! De man heeft het openlyk beloofd--het wordt
verzekerd door al de "eenige kiezers" die z'n reclame teekenden, dat
is: die ze niet teekenden--en wie geen lust heeft in de redevoeringen
van zoo'n lid, kan ze overslaan.
Zoo-als 't Volk dan ook meestal doet.
Een predikant, die inziet hoe onaangenaam het is, dat alle menschen
zouden verdoemd wezen om de schuld van één persoon, en hoe ongerymd,
dat ze weêr allen gered zyn door de verdiensten van 'n ander, moge
gedwongen worden tot flauwheid in z'n preeken, door 't besef van
de onmogelykheid om tot klaarheid te brengen voor 'n ander, wat
niet helder is voor z'n eigen verstand... hy moge hierdoor worden
heen-en-weêr geslingerd van begrip tot begrip, en door overmaat
van tegenstrydige begrippen tot wanbegrip... hy moge lankdradig
worden, gerekt, vervelend, onbegrypelyk... dit alles voere hem tot
de onvermydelyke keus tusschen domheid of huichelary... goed! De
man heeft beloofd te preêken uit den Bybel. En wie nu geen smaak
vindt in de wargeestery die er gehaald wordt uit 'n verward boek,
kan t'huis blyven, of uit wandelen gaan, als 't goed weer is. Zelfs
kan men ter-kerk gaan, en daar inslapen.
Zoo-als 't Volk dan ook meestal doet.
Men is niet gedwongen te luisteren naar betaalde preekhouders,
geachte sprekers of programvormige ministers. Ik ben tégen al die
bedryven, maar erken dat de beklaagden iets kunnen aanvoeren dat naar
verontschuldiging zweemt: de hoop dat men niet geluisterd heeft.
Maar gy, dagbladschryvers, gy, wat kunt gy opgeven als reden tot
vermindering van straf? Ge naamt de taak op u het Volk te verlichten,
te beschaven, inzage te geven in z'n belangen. Gy vindt alzoo geen
verschooning in de hoop dat men u niet hooren zal. Uw streven is
integendeel wèl gehoord te worden. Ge zoudt ophouden te bestaan,
als men u niet hoorde, juist anders-om dan die andere heeren, die de
gelegenheid om voorttegaan slechts behouden door de beperktheid van den
kring waarin ze spreken. Zy hebben blinden noodig en hardhoorigen. Gy
integendeel: lezers, dat is abonnés.
Uw roeping is ernstiger, waardiger, heiliger. En hoe voldoet ge aan de
roeping, gy die met hoogepriesterlyke deftigheid, uzelf wy noemt in uw
leading articles? Geeft ge, gy die gelezen worden wilt, en inderdaad
faute de mieux door 't Volk gelezen wordt, waarheid aan dat Volk?
O, ik weet dat ge fluisterend klaagt verkocht te zyn aan deze of
geene party, en dus beweert evenveel recht op liegen te hebben
als een minister of predikant, maar deze verontschuldiging gaat
niet op. De arme lieden, wier betrekkelyke onschuld gy aanhaalt
als verschoonend voorbeeld, erkennen dat ze gebonden zyn. Ze doen
die erkenning openlyk by 't houden van de program leerrede of de
intreê-speech. Zy waarschuwen. Maar gy schryft op uw banier: Koning,
Vaderland, Rechtvaardigheid, Billykheid, Goede-trouw, Onpartydigheid
... alle zaken die wèl luiden en liefelyk klinken. En al weet ik nu
dat die liefelykheid klank is alleen, en al fluistert ge my in 't oor,
dat uw party--de aandeelhouders!--m'nheer zóó, die z'n abonnement zou
opzeggen ... uw haat tegen die andere krant die 't tegendeel beweerde
... kortom, al weet ik dit alles--het Volk, het goede, geloovige Volk,
dat zoo'n eerbied heeft voor al wat gedrukt is, weet dit niet.
Ik vind in uw couranten dagelyks allerlei dingen die we niet noodig
hebben, maar de zaken die 't Nederlandsche Volk wèl betreffen, slaat
ge over. Ellenlange artikelen over Vryen-arbeid en Kultuurstelsel
vullen de vóórzyden uwer bladen. Eilieve, waarom, als ge u dan toch
bemoeit met de zaken van Indië, waarom eischt ge geen antwoord op de
vraag die ik heb voorgelegd aan de Regeering?
Stelt eens dat ge weet meêtespreken over Vry-arbeid of Stelsel
van kultuur, neemt aan dat er wysheid ligt in 't behandelen van 't
consignatiestelsel--alweêr 'n stelsel, lieve god!--dan zult ge toch
moeten erkennen, niet waar, dat er iets noodig is om al dat gestelsel
overeind te houden? Dit nu is, in deze zaak, de koffi, de suiker,
de indigo, de tabak, de kaneel en de bamboezen sigaarkokers die de
juffrouwen present krygen van haar neven in de oost. Redeneert nu
over de consignatie van die kokers--van bamboe of pauwveêr, om 't
even--redeneert daarover nu zoo lang dat ge eindelyk een stelsel van
consignatie hebt saamgeknoeid, zoo volmaakt als ooit eenig stelsel
van 'n andere rooverbende, en ziet dan eens rond wat ge zult te
consigneeren hebben in 't eind, wanneer de Javaan die de kokertjes
vlocht, de koffi plantte en oogstte, de suiker sneed en maalde,
of de indigo uitperste en gisten deed--als die Javaan, gedurende
uw consignatie-studie, eens had opgehouden te malen, te vlechten,
te persen en te gisten? Of wanneer-i, al te lang geperst, aan 't
gisten was gegaan, hyzelf?
Dan zou geen enkele juffrouw meer presenten krygen van haar neef uit
de Oost, en al uw consignatie-wysheid viel reddeloos te-water.
Consignatie! Altyd zulke fraaie, naar studie en wetenschap riekende
woorden! Zegt eenvoudig aan 't Volk: vrienden, wy beraadslagen of
de winkel onzer kruiënierswaren hier of ginder zal gehouden worden,
en wat het meeste geeft.
Maar zegt er by, als ge oprecht wilt zyn, dat uw leverancier aandringt
op betaling, en dat hy 't zeer verdrietig vindt op-den-duur uw winkel
gesorteerd te houden, zonder 't minste voordeel voor zichzelf. Zegt dat
het den Javaan geheel onverschillig is, of gy de gestolen producten
daar of hier verschachert, en dat ge voortaan uwe wysheid liever
wilt besteden aan 't bestudeeren der vraag: of ge altyd wel suiker
en koffi hebben zult, dan aan de weldra overbodige kwestie waar ge
die zult ter markt brengen.
De Javaan wordt mishandeld: dit is de kwestie!
Maar daarvan zwygt gy, dagbladen.
Neen, ik vergis me. Toen myn protest tegen die mishandeling verscheen,
hebben dagbladen en tydschriften daarover veel gesproken. Zóóveel
zelf, dat nooit eenig werk in Nederland zoo algemeen is behandeld
geworden. Maar ... dit duurde slechts zoolang men in de valsche
meening verkeerde, dat ik behoorde tot 'n party. Ik had een der hoofden
kunnen worden--of 't hoofd--van de zoogenaamde oppositie, wanneer ik
had kunnen goedvinden de heilige zaak die ik voorsta, te onderwerpen
aan de eischen eener côterie die zich 'n air geeft van wetenschap en
staatkunde, door 't voorwenden van opiniën over een systeem. Wanneer
ik myzelf op de pynbank had willen leggen, om lange hoofdartikelen
te schryven over dingen die ik niet omslachtiger weet uittedrukken,
dan--zoo-als ik vaak gedaan heb--met deze woorden:
"Men bestele den Javaan niet, men zuige hem niet uit, men vermoorde hem
niet. Dan zal er na eenigen tyd blyken of hy vrywillig arbeiden wil."
Ik zeg dat hy zál willen, en in dien zin ben ik vóór vryen arbeid. Maar
't opwerpen van systeem-kwestiën, vóór men heeft opgehouden den Javaan
te mishandelen en te plunderen, is... duitenplatery. Ge weet nu wat
dit woord beduidt, hoop ik. Ik schryf teksten en geen preêken.
En de dagbladschryvers weten 't wel. Maar die abonnés!
Hoor ge 't, Nederlanders? Die heeren zeggen dat ge volstrekt leugens en
noodig gehaspel over leugens, lezen wilt. Is dit zoo? Ik kan 't niet
gelooven. Waarachtig, de waarheid is pikanter van tyd-tot-tyd. Ziet
maar myn geschryf... ieder koopt het. Nu weet ge meteen 't geheim
van m'n zoogenaamd talent.
Maar al ware dit zoo niet, al was de waarheid flauw en onverkoopbaar
als 'n byblad van de Staats-Courant, hoe is 't mogelyk dat ge u in
uw meening over de publieke zaak kunt laten leiden door voorlichters
die--de kwestiën van den dag nu eens daargelaten--in alles toonen zoo
geheel beneden hun roeping te staan? Abonneert u eens voor 'n maand
of wat op de Indépendance, op de Kölnische Zeitung, op de Times, en
wanneer ge daarna nog waarde hecht aan uwe organen, aan uwe leiders
der publieke opinie... dan, ja dan zoudt ge verdienen geprezen te
worden in een driekolommig hoofdartikel van zoo'n orgaan.
Meent niet dat ik hoog loop met de waarde der buitenlandsche
kranten. Van-daag nog lees ik in 't résumé politique van de
Indépendance, dat Napoleon in antwoord op de nieuwejaarswenschen, van
zyn kant de hoop heeft te kennen gegeven, dat de vorstelyke familiën
in 1862 mogen bewaard blyven voor allerlei ongelukken--ziekte, dood,
verkoudheid en dergelyke, denk ik--grâce aux louables efforts qui
seraient faits partout dans ce but, et auxquels son concours absolu
était acquis à l'avance." Ziedaar, volgens de Indépendance, Napoleon
garde santé van al wat er in den Almanach de Gotha staat! Ziedaar den
Keizer der Franschen 'n concurrent van Holloway, Meidner en Hoff! Hy
zal z'n best doen om alle vorsten gezond te houden. Hy zal zorgen
dat geen prins kinkhoest krygt, en dat er geen dakpan valt op 't
hoofd van 'n prinses. Wanneer-i 'n paar jaar vroeger op dit heerlyk
idee was gekomen, dan ware prins Albert niet gestorven aan typhus,
noch de Koning van Portugal aan... men weet niet wat.
Ik weet wel dat de Fransche Keizer die zotterny niet gezegd heeft,
en dat het 'n gebrek is in de redaktie van de Indépendance, die in
één greep "les commotions des peuples" heeft saâmgevat met koninklyke
ongemakken, maar... laat er morgen wat te kiezen vallen, dan licht
diezelfde redakteur het Volk voor in z'n keus.
Zóó worden de dagbladen geredigeerd!
En de uwen, Nederlanders? De uwen zyn van die bladen een flauwe
afdruk... neen, was 't nog maar zoo! De uwen zyn daarvan 'n mismaakt
verknoeid onkenbaar verwrongen verflenst uittreksel. Dit verknoeien
loopt in 't koddige. Maar wie op de gevolgen let, voelt verdriet over
die koddigheid.
Onlangs merkte ik op hoe onze bladen, onder de deftige rubriek:
"Engelsche post" plaats hadden voor 't bericht dat 'n koorddanser z'n
balanceerstok had gebroken. Zoodra 't evenwel de ware belangen van
't Volk geldt,--lees niet "van de party" verzoek ik u--dan hebben de
bladen geen ruimte... om de drukkende zegelwet, zeker.
Zoodra er iets te kiezen valt, Nederlanders, voor gemeente, provincie
of koninkryk, stel ik voor, alle aanspraak op 't leiden uwer opinie te
ontzeggen aan elke courant, die u niet voor-af zal hebben meêgedeeld,
of die balanceerstok behoorlyk gerepareerd is? Wat drommel, als men
nieuws vertelt, moet men vertellen tot het eind.
Ja, het loopt in 't koddige. Wilt ge 'n staaltje van wat ge u laat
opdisschen? Ik heb ze voor 't grypen. Ziehier.
Er bestaat te Parys, zoo-als ge weet of niet weet, 'n censuur op de
grafschriften. Een man verloor z'n vrouw, en daar 'n ongeluk nooit
alleen komt, maakte hy 'n grafschrift in verzen. De plaatsing hiervan
werd geweigerd en wel volgens 'n fransche courant: "niet omdat z'n
verzen iets onzedelyks bevatten, of omdat ze storend waren voor
openbare veiligheid en publieke welvaart, maar omdat ze zondigden
tegen de regelen der prosodie."
't Is gek, dit beken ik. Maar dat 's nu hier de vraag niet. De vraag
is hoe uwe couranten geredigeerd worden? Welnu, 't Handelsblad, het
deftige Handelsblad--en misschien andere bladen ook, maar dit weet
ik niet--vertelt u dat: in Parys de plaatsing van 't grafschrift
geweigerd is, omdat het niets bevatte tegen de zedelykheid, enz. Ik
weet niet of er kort daarna iets te KIEZEN viel, maar zoo ja, dan
heeft datzelfde Handelsblad u voorgelicht in uwe keuze!
Onlangs verscheen er, ik meen in de Presse, eene
allergeestige satire tegen de woede van 't reglementeeren,
en de overdreven centralisatie van bureaumacht. De schryver
chargeerde 't onderwerp, door te vertellen dat 'n--zeer
problematieke--koning in Zuid-Amerika, 'n reglement had gemaakt op
't menschen-eten. Dit reglement deelde hy in gewone bureautermen
mede: Gehoord... enz. Gelezen... enz. Overwegende... enz. Nog
gelet... enz. Is verstaan... enz. Onze Minister van binnenlandsche
Zaken is belast... enz." De persiflage was aardig.
Een paar dagen daarna vertelde de Amsterdamsche Courant heel nuchter,
dat de koning van Araucanie het menschen-eten had afgeschaft, of
althans die onhebbelykheid had gebracht onder restriktieve bepalingen
in 't besluit van zóóveel artikelen.
Ik weet alweêr niet of er kort daarna iets te KIEZEN viel,
Nederlanders, maar zoo ja, dan heeft die courant u weer voorgelicht
in uwe keuze!
En zoo'n blad--of zulke bladen, want ik citeer een uit velen--zoo'n
blad matigt zich aan: meêtespreken waar 't uw hoogste belangen
geldt. De menschen, die zulke dingen samenflansen, omhangen zich
met de tribunale toga, en beklimmen 't spreekgestoelte op het forum,
nadat ze even te voren den Volke hebben meêgedeeld, dat er 'n kind
is geboren met drie hoofden in 't een of aêr onbekend dorp, of 'n
kalf zonder kop, dat 'n krant kan redigeeren. Maar in zoo'n geval is
't dorp bekend, omdat de zaak navraag lyden kan.
Ik zou kans zien dagelyks 'n heele courant te vullen, alleen met de
verkorte mededeeling der zotternyen van andere kranten. Dit zou 'n
vervelend werk wezen, en ik bepaal me liever tot de beide staaltjes
die ik ten-beste gaf om u te waarschuwen, Nederlanders, tegen den
invloed dien ge op u laat uitoefenen door dezelfde pennen die zulke
bêtises schreven.
"O," hoor ik antwoorden, "zotternyen van deze soort raken de
hoofdartikelen niet! 't Zyn produkten van de dii minorum gentium,
vàn de redacteurs 2e . 3e... 7e klasse, en wyzelf lachen daarom."
Ei! Maar hoe weet dan het Volk waar 't u moet gelooven, en waar
niet? Hoe kan men weten wat kermisgrappen zyn, en wat ernst is?
Aan de bladzyde? Is 't ernst, goede wezenlyke ernst wat ge schryft op
pagina één? Staan de domheden op de achterzyde op de derde bladzy,
in 't byvoegsel. Wáár, als 't u belieft?" Of liever, waar staan ze
niet? Want, neemt my niet kwalyk, ik vind ze overal, en zeker niet
minder op de voorzyde uwer bladen, dan in de buurt der wonderkinderen
of afwezige kalfskoppen.
En die kinderen, die koppen doen niemand kwaad. Maar uw zoogenaamde
hoofdartikelen doen wèl kwaad. Als men zulke lange vertoogen leest
over de juiste bedoeling van Art. 56 van 't Regeeringsreglement van
Nederlandsch-Indië, waarin gesproken wordt over het bevorderen van
Vryen-arbeid door den Gouverneur-Generaal, gelooft het Volk inderdaad
dat de kwestie dáár ligt, en let er niet op dat ge--met misdadige
verkrachting van de waarheid--de hoofdzaak verzwygt, de eenige ware
hoofdzaak:
de Javaan wordt mishandeld.
Dagbladschryvers, ge spreekt zooveel over dat Art. 56. Ik mag dus
vaststellen dat ge 't Reglement wel eens inziet, niet waar? Hebt ge
daarin nooit gelezen, dat diezelfde Gouverneur-Generaal verplicht
is zorg te dragen dat de Bevolking niet mishandeld wordt? Is u dàt
voorschrift te natuurlyk, te eenvoudig, te menschelyk? Kunt ge daaraan
geen systeem vastknoopen? Kunt ge daarvan geen partyzaak maken? Is dit
de reden dat ge liever dien tekst overslaat, zoo-als de Hollandsche
huisvader het artikel over 't verzetten van den grenssteen?
Wat talent dan, que diable! Ik verzeker u dat ge met eenige
inspanning al zeer spoedig lange stukken zoudt kunnen aaneenlymen
over zoo-iets. Daar ge nu door 't gedurig besteden uwer gaven aan
byzaken, een frazeologie hebt opgedaan die op zulke byzaken past,
mag u geen reden zyn om ook niet eens uw bekwaamheden te beproeven
aan de hoofdzaak. Doet het eens. Ge zult ontwaren dat men lankdradig
wezen kan, onbegrypelyk en geleerd zelfs, by de behandeling van iets
ernstigs. Ja, ik wanhoop niet aan 't slagen uwer pogingen om zelfs, na
wat sukkelens, 't stelsel byeen te knoeien over de rechte manier der
mishandeling van den Javaan. Een stelsel, een systeem, hoort ge! Een
systeem met staathuishoudkundig daarin, daarop, daarover, daardoor! Een
systeem met woorden op "tie", "atie", "itie" en "otie." Een systeem met
basis en top, met syllogismen, theoriën, utopiën, rhetorische figuren,
moreele of immoreele convictiën en fictiën! Een systeem, 'n ordelyk
systeem met aanhangers, tegenstanders, voorvechters, renegaten...
Een systeem in 't eind, zoo-als menschen zonder denkbeelden noodig
hebben om hoofdartikels te schryven.
Beproeft het eens, myne heeren dagbladschryvers.
En--ik ben bon prince--ik geef u zelfs de keus tusschen twee systemen,
tusschen meer systemen, tusschen 'n systeemlooze oneindigheid van
verschillende systemen. Lacht u dit niet toe?
Het eerste,--maar dit raad ik u af, omdat het te eenvoudig is, en te
veel talent zou vereischen om verdedigd te worden--het eerste systeem
is dat 'n Gouverneur-Generaal z'n plicht moet doen, en zorg-dragen dat
de Javaan niet mishandeld wordt. Dit is myn systeem en voor ulieden
te moeilyk.
Maar al die anderen! Inderdaad, embarras de choix! Ziet eens:
Eerste systeem. Schets van bewerking. "De Javaan, myne heeren,
de Javaan is 'n mensch. De mensch, myne heeren, de mensch is
zondig. De zonde komt van den duivel, myne heeren, en die duivel,
myne heeren, gebruikt de ledigheid van de Javanen tot oorkussen. Het
is onze plicht, myne heeren, den duivel z'n oorkussen aftenemen. Dit
oorkussen is op de laatste koffiveiling verkocht voor zooveel centen
't pond. Wy laten ons niet in met holle redeneering, myne heeren! Wy
laten de cyfers spreken. Ziet hier de staten van invoer, van verkoop,
van netto provenu. En nu willen sommige beweren, dat de consignatie
van dat beddegoed des duivels..."
Ziet ge heeren dagbladschryvers, daar zit ge in twee sprongen op de
Consignatie. Verleidt u dit niet?
Tweede systeem. Schets van bewerking. "De wet is het plechtanker
van den Staat. Geen Staat kan vergaan zoolang de wet geëerbiedigd
wordt. En wat schryft nu de wet voor, ten opzichte van onze Indische
medeonderdanen? De Gouverneur-Generaal is verplicht hen te beschermen
tegen geweldenary. Juist, die wet behoort geëerbiedigd te worden,
zooals alle wetten. Ziehier ons stelsel, myne heeren. Hiervan wyken wy
niet af. Dit stelsel is 'n gebouw van steen... neen van arduin... neen,
't is 'n rots. Wie dit stelsel liefheeft, heeft ons lief... ons,
hoofd-, by-, onder- en verdere redakteuren van deze krant. Wie dit
stelsel aanvalt, valt ons aan... ons, hoofd- by- onder- en verdere
systeemverdedigers, tot de schryvers der koppelooze-kalfberichten
inkluis. Als dit stelsel staan blyft, kan er niets vallen. Als dit
stelsel valt, blyft er niets staan, zelfs onze krant niet.
En hoe, vraagt ge, moet dit heerlyk onvolprezen stelsel overeind
worden gehouden.
Luistert niet, bidden wy u met het diepste gevoel van
staathuishoudkundige bezorgdheid, luistert niet naar de inblazingen van
de onbekwamen of verdoolden, die niets kennen dan de belangen hunner
party! Van hen, die blyven hangen aan de doode letter der wet, en den
geest voorbyzien die levend maakt. Neen, verre van ons--hoofd- onder-
by- derde- zevende- en verdere redakteuren van deze krant--verre van
ons zulke schending van onze hoogepriesterlyke waardigheid. De wet,
myne heeren, de wet, de wyze onomstootelyke heilige wet... niets
buiten die wet. Mèt die wet, alles!
En wat zegt ze? Ze schryft den Gouverneur-Generaal voor, de Javanen
te beschermen. Dit behoort hy dus te doen. Dit is z'n eerste plicht.
Hoe moet hy dien plicht vervullen? Stipt, voortdurend, zonder
ophouden. Van dien plicht mag hy niet afwyken, geen dag, geen uur,
geen oogenblik. Ziehier ons stelsel, myne heeren.
En wat moet nu die Gouverneur-Generaal doen, als iemand hem brieven
schryft waarin wordt medegedeeld dat de Javaan hier-en-daar wordt
mishandeld? Het antwoord ligt voor-de-hand. Zoo'n Gouverneur-Generaal
moet die brieven niet lezen, want het is duidelyk dat zulke
correspondentie hem zou storen in de vervulling van z'n plicht:
de bescherming van den Javaan. Ziehier ons stelsel, myne heeren.
En als de schryver van zulke ongepaste klaagbrieven aanhoudt? Dan
moet de Gouverneur-Generaal hem z'n ongenoegen kenbaar maken in
'n kabinetsbrief, en hem dwingen z'n ontslag te vragen. Ziehier ons
stelsel, myne heeren.
En wanneer dan zoo-iemand nòg niet ophoudt vertoogen intedienen over
de mishandeling van den Javaan, die den Gouverneur-Generaal hinderen
in 't onafgebroken beschermen der Javanen? Dan, myne heeren, dan
verheffen wy onze stem, en benoemen dien Gouverneur-Generaal, die
zich geen enkel oogenblik, door wien of wat ook, liet aftrekken van
z'n plicht, tot geachten spreker. Ziehier ons systeem, myne heeren,
in al z'n schoonheid."
Derde systeem. Proeve van bewerking. «Ieder kent het stelsel
dat wy sedert jaren met volle overtuiging verdedigen. Wy achten
en eerbiedigen de wetten, maar juist daarom kanten wy ons met alle
macht die ons gegeven is, tegen de valsche interpretatie van Art. 55
van 't Regeerings-reglement. Daar staat duidelyk dat het beschermen
van den Javaan 'n eerste plicht is van den Gouverneur-Generaal. Wat
was de bedoeling des wetgevers by 't drukken op dit veelbeduidende
woord: eerste? Dat de Gouverneur-Generaal van die bescherming z'n
hoofdbezigheid maken zou. Z'n hoofdzorg? Geenszins, myne heeren. Dan
toch zou er staan; voornaamste, belangrykste, gewichtigste. 't
Is duidelyk voor ieder die niet verblind is door partywoede, dat
het woord eerste 'n telwoord is van rangorde, geen adjektief van
superioriteit. By 't aan-wal stappen behoort de Gouverneur-Generaal,
terstond oogenblikkelyk, dezen of genen Javaan te beschermen tegen
't een-of-ander. Dit is z'n eerste plicht, en zeer terecht heeft de
wetgever hem geboden dien eersten plicht snel en eens-voor-altyd
aftedoen, opdat hy in 't vervolg tyd, lust, kracht en gelegenheid
overhoude voor z'n tweeden plicht, voor z'n derden, voor z'n
zevenden... als er zooveel plichten zyn, wat we niet weten. Ziehier
ons stelsel, myne heeren.
Weg met hen die, alle gezonde begrippen over volgorde verkrachtende,
de vervulling van den eersten plicht eischen, na 't volbrengen
van den tweeden! Zien ze niet in, de partymannen, dat zy gedurig,
dien ongelukkigen eersten plicht in de plaats schuiven van andere
plichten? Begrypen ze niet dat de wetgever z'n byzondere redenen moet
gehad hebben om hier, zoo geheel tegen gewoonte en smaak, duidelyk
te wezen?
De bescherming van den Javaan is des Gouverneurs-Generaal eerste
plicht. Dit herhalen wy. Hac nitimur, hanc tuemur, als een oude
gulden. De Landvoogd die zich zou verstouten dien eersten plicht uit
te oefenen nadat ze door voorafgaande andere plichten, de dertiende,
of--o gruwel!--de zeven-en-twintigste plicht zou geworden zyn... zulk
'n Landvoogd... God zy gedankt, zulke Landvoogden bestaan er niet. En
àls ze bestonden... maar neen, onze dagbladhoofdartikel-schryversgemoed
verzet zich tegen zulke veronderstellingen, en met deze voorloopige
ontwikkeling van ons stelsel besluiten wy dit eerste artikel over
't eerstelingschap der verplichtingen van den Gouverneur-Generaal.»
Deze charge is niet zoo sterk als ze schynt. In de Tweede Kamer
heeft de Oud-Minister Myer gemeend den Gouverneur-Generaal dien ik
aanklaag van plichtverzuim, te verontschuldigen--niet door te zeggen,
dat ik onwaarheid had gesproken, o neen!--maar door de bewering dat
die Gouverneur-Generaal eens, heel in 't begin van z'n bestuur, z'n
"eersten" plicht vervuld had. En niemand protesteerde! Als dus deze
of gene dagbladredacteur myne proeve van bewerking tot de zyne maken
wil, en 'n systeem scheppen door speling met het woord: eerste, dan
kan hy al terstond rekenen op 't bondgenootschap van den heer Myer en
van al die zwygers. Ja, met 'n beetje talent ware daarvan inderdaad
'n staatkundige party te maken. De thans regeerende partyen hebben
niet veel meer om 't lyf.
Vierde systeem. Proeve van bewerking. «Het is onbegrypelyk hoe
mannen die overigens kunnen geacht worden niet ontbloot te zyn van
verstand, zoo geheel-en-al afdwalen van gezonde wetsuitlegging,
zoodra 't de juiste opvatting geldt van 't voorschrift dat den
Gouverneur-Generaal gebiedt de Javanen te beschermen tegen de hebzucht
hunner Hoofden. Wy betreuren de verblinding die in dit artikel iets
anders zien dan wy... hoofd- onder- by- tweede, dertiende redakteuren
dezer krant. De party die zich bezighoudt met de ondermyning van Kerk,
Staat, Koffiveilingen en Uitlegkunde, blyft beweren of liever, blyft
voortgaan zich te houden als-of ze beweerde--want in-trouwe..."
Goed!
... in trouwe, met het meeste vertrouwen op de goede trouw durven wy
ons ter-nauwernood toevertrouwen eenig wantrouwen...
Zeer goed!
... eenig wantrouwen...
Mooi, maar ik zie geens kans 'n behoorlyk eind te maken aan die fraze.
"Dus, myne heeren, ziet hier ons stelsel. De wet schryft duidelyk
voor, dat de Javaan moet beschermd worden tegen de hebzucht
zyner hoofden. In-tegenstelling van de stelsels der ongestelde
stellingen, die de tegenovergestelde party stelselmatig voorop
stelt, veronderstellen wy niet te veel te stellen door met de meeste
stelligheid vasttestellen, dat ons stelsel juist gesteld is..."
Ziet ge, heeren dagbladschryvers, dat er wel wat van te maken
is. Komaan... wat talent, voor den drommel!
"Ziet hier dan ons stelsel, myne heeren. De Javaansche Hoofden lyden
aan hebzucht, dat is: aan zucht om te hebben. Het woord en de ziekte
bestaan uit twee deelen: uit hebben en uit zucht. Geen zucht zonder
hebben. Geen hebben zonder zucht. Dit is ons stelsel, myne heeren.
Hoe moet nu de Javaan beschermd worden tegen deze ziekte? Na
't vooropgestelde gedeelte van ons stelsel is de conclusie
aller-eenvoudigst. Men zorge slechts dat de Javaan nooit iets hebbe,
dan is 't onmogelyk dat-i kan worden aangetast door 'n ziekte die,
zoo-als wy ten-klaarste hebben aangetoond, voor de grootste helft
uit hebben bestaat. Dit is ons stelsel. 't Is ons niet onbekend, hoe
anderen beweren dat men den Javaan ook de zucht behoort aftenemen,
maar dit zyn ydele theoriën, myne heeren, die verkondigd worden door
de kranten van de andere party, wier stelsel verkeerd is. Onze leus,
myne heeren, is onpartydigheid, strikte onpartydigheid en gehechtheid
aan ons stelsel. De waarheid--en ons stelsel--is ons dierbaar als 'n
abonnement met vooruitbetaling voor zeven jaren. Zoolang dus ons het
woord gegeven is--ons, hoofd- by- onder- derde en dertiende redakteuren
dezer krant--zullen wy dat woord verkondigen, en vasthouden aan de
onwrikbare eerste gronden van staathuishoudkunde, die leeren dat by
den Javaan alle zucht tot hebben zal wegblyven, zoolang de G. G. maar
voorgaat zich stipt te gedragen naar Art. 55 van z'n Instruktie,
dat hem voorschryft te zorgen dat die Javaan nooit wete wat hebben
is. Ziedaar, myne heeren, ons stelsel.
En meer nog. Ons stelsel munt ook daarom ver boven andere stelsels
uit, wyl het van tweeërlei kanten kan worden bezien, zonder iets te
verliezen van de symmetrische en majesteuse volmaaktheid die een goed
stelsel kenmerkt. Want zelfs indien sommige betweters--zy namelyk, die
de andere kranten schryven, wacht u daarvoor!--indien sommigen beweren
dat wy ronddwalen in 'n schromelyke verwarring van denkbeelden, door
't verkondigen der stelling dat de Javaan moet beschermd worden tegen
hebzucht zyner Hoofden, en niet tegen z'n eigen predispositie tot die
ziekelyke aandoening, welnu, dan nòg blyft ons stelsel onomgestooten
dáárstaan als een lichtbaak waarnaar schipbreukige volkeren hun kiel
zullen wenden, telkens als zy in den Oceaan van de Wereldgeschiedenis
'n lek zullen bekomen hebben door 't stooten op de vuile klippen
der onderzeesche wanbegrippen van die andere party die 'n verkeerd
stelsel voorstaat.
Welaan ook op dit terrein nemen wy den stryd aan. Tegen de hebzucht
der Hoofden alzoo, en niet tegen z'n eigen hebzucht moet de Javaan
door den Gouverneur-Generaal beschermd worden. Dan nog vragen
wy u, hoe dit beter kan geschieden dan door alle welvaart van
dien Javaan te verplaatsen naar 't Willemspark in den Haag? Zal
de kwaal niet gelenigd worden. Ja, volkomen genezen zelfs, als de
oorzaak verlegd wordt naar 'n ander land? Schryven niet zedelykheid,
godsvrucht en broederliefde--om nu niet te spreken van alle andere
volkomenheden, waarin de Nederlanders van onze party ten-alle-tyde
zoo byzonder hebben uitgemunt--schryven ze niet gebiedend voor, ons
opteofferen voor onze medeschepselen daarginder? Is niet elk Hoofd
op Java gevrywaard tegen begeerte naar den buffel van dien arme,
als slechts de G. G. voortdurend zorgt dat die arme nooit 'n buffel
bezit? Als wy, door trouw ons stelsel te behartigen, elken buffel
converteeren in vrybriefjes voor de Haagsche opera, of aandeelen der
Nederlandsche Handelmaatschappy? Hebt ge er ooit van gehoord dat 'n
Javaansch Hoofd hebzuchtig is geworden naar 'n buiten by Deventer of
'n optrek te Driebergen? Ziehier ons stelsel: men neme de oorzaak der
kwaal weg, en de kwaal zal verdwynen. Cessante causa cessat effectus,
heeft Quinctilianus gezegd, en wy zeggen dit dien grooten lierdichter
in volle overtuiging na, niet zonder achtteslaan op de nooit genoeg
te waardeeren grondstelling van Hippocrates, dat sommige dingen in
de wereld hunne oorzaak hebben. Het hart bloedt ons by 't beschouwen
van al de menschen die anders denken dan wy, en die zich abonneeren op
kranten van 'n verkeerd stelsel. De aanvallen die wy gedurig ondergaan,
over de onjuistheid onzer mededeeling dat er te X. een drieling was
ter-wereld gekomen, toonen ten-duidelykste aan dat men zich niet
ontziet ook de meest verachtelyke wapenen ter-hand te nemen om ons
en ons stelsel te bestryden. Verdrajing onzer woorden, sophistische
uitlegging van uit het verband gerukte zinsneden, ziedaar alles wat
die tegenparty instaat is te doen. Wy houden met de hand op 't geweten
staande dat er te X. drie kinderen zyn geboren. Dit is ons stelsel,
myne Heeren. Maar wy hebben niet beweerd, zooals dit andere krant ons
aanwryft, dat die kinderen geboren zyn van ééne moeder, noch dat ze
geboren werden op denzelfden dag. Zóó rukken ze alles uit het verband,
de verblinden die den ondergang beoogen van onzen geëerbiedigden
Koning, van 't dierbaar Vaderland en van ons stelsel. Op hen komen de
gevolgen, op hen en hunne abonnés. Wy voor ons, wy zullen voortgaan..."
Goed, ga voort! Voor heden genoeg, heeren dagbladschryvers! En gy,
Nederlanders, zult ge óók voortgaan u te laten voorlichten door
die heeren?