Ik ben een boetvaardige zondares, en mag u niet langer broeder
noemen. Want in-stede van te antwoorden op myn genadedeelachtigheid
aanbiedende brieven, stoot gy den Heiligen Geest van u af, en roemt
op eigen daden. Ik zegge u, dat gy behoort te roemen in dien eenigen
waren onwrikbaren hoeksteen des Geloofs, Jezus, dat is de Christus,
die neergedaald is ter-helle en verheven ter rechterhand Gods. Reinig
u met het bloed des kruizes. Anders zal ik genoodzaakt zyn een Oefening
tegen u op te zetten, en daarin zal ik verkondigen, dat gy de verzenen
tegen de prikkels slaat ... enz.