Tine, ik ben boos op u! Ik heb u honderdmaal gezegd, dat ik die wanorde
niet wil. Daar ontvang ik allerlei brieven van menschen die me om
geld vragen. Ze zeggen dat ik 't hun schuldig ben! Ge weet ik wil
geen schulden hebben! Betaal liever 'n rekening vyfmaal, tienmaal--om
't even!--dan dat ge my laat manen door kooplui en allerlei volk!
Foei, foei, foei, 't is schande, dat ge my aan zoo-iets blootstelt
door uw slordigheid! Hoort ge, gy, gy, gy stelt me daaraan bloot! 't
Is de schuld van uw slordigheid, dat ik daar brieven kryg, als-of ik
'n onfatsoenlyk mensch was, 'n kwade betaler, 'n bankroetier! Betaal
die menschen, en zorg in-godsnaam, dat zoo-iets niet meer gebeurt. Ik
verzoek u, winterkleeren te geven aan al de weeskinderen, en zeg dat
ze niet hoeven te bidden voor ons, want dat helpt niet, en we hebben
geen biddery noodig. Koop wat arme meisjes los, die kronen dragen van
modder, en hoerah, hoerah, voor hem, haar Golgotha, van Twist. Fancy...
Fancy ... kent ge Fancy? Lange haren, neen, de stiefmoeder in een
verbeterhuis. Wat is er toch! Ik weet het al. Nu weet ik alles. Ze
schilderen en schoonmaken! En ze metselen! Bouw maar, bouw maar . . ,
hoog en nauw ... nauw ... nauwer ... nauwst ... al nauwer, tot
het knypt ... met vryen arbeid ... vry vry, vry ... alles vry! Laat
dien van Twist maar los ... hy heeft geen lust om te vry-arbeiden
met één buffel ... neem hem niets af ... en de schoolmeesters
... tst! tst! tst! ... roep allen mee ... laat hem z'n witten das
geven, en 'n blikken ster op de borst ... heet, heet ... och, wilt
ge 't kind overzetten ... op dien anderen schouder ... 't drukt zoo
... die schouder is rauw ... rood is de rug ... 't is 'n piet! Ben
je de moeder of de vrouw? Waar zyn de kinderen? Zyn de kleertjes al
verkocht? Hu, huup ... waar is je tulband? Zingt, kinderen, zingt,
uw vader draagt het kruis! Dag Schmoel ... dag, Nathan ... dag
Judas! Heb je Fancy gezien? Mee, mee, allen mee ... Jochébed, wil je
dien Gouverneur-Generaal wat omhoog houden? Zwaar is hy niet! Geef hem
'n buffel ... één, hoort ge? Laat hem kruismannetje spelen ... 't arme
schaap! Geef hem hier ... kun je zien, vlugge Ephraïm? Heb je nog van
je zilverlingen? Bukken, bukken ... gauw ... duizend millioen ... haast
je! ... pas op, lief kind, vol yver, kunde en goede trouw! Neem Mirjam
terug, Jochébed ... en smyt het neer ... klik, klak ... 'n zweepslag
... zie, daar rolt alles weg onder 't volk! Hei, hei trap er niet op
... 't is een vry-arbeider met principes! Duizend millioen zilverlingen
voor van Twist! Koop wat vleesch voor de kinderen, en dring zoo niet,
Jöchaz! Hoerah! hoerah voor Golgotha en de Hollandsche natie! Hoerah
voor één buffel, Excellentie! Eén ... één ... één ... zeg ik u! Eén
Excellentie, en één buffel ... zóó moet het wezen ... Hoerah! Ik
ben moê!