Lieve Tine! Ik heb geen plaats om 't hoofd neerteleggen! Ja ik logeer
nog, maar hoe! Nu schoonmaken ze ook, in de meening zeker dat ze
wat schoon maken. 't Is me onmogelyk aan u te schryven ... men vylt,
boort, krabt, hamert, schraapt, schuift schuurt, schaaft, schroeft
... o god, ik heb zooveel te doen, en kan niets doen! Vertrekken kan
ik ook niet. Waar zou ik heen? Overal zal men me om geld vragen! O,
die Christus! Heeft hy dàt ondervonden ... hy met z'n leliën! Had
zoo'n lelie vrouw en kinderen? Was er nauwte die ze belette te bloeien
... die 't haar onmogelyk maakte lelie te zyn?
En de laster gaat ook maar al voort. Doch dit zyn byzaken. Als dat
geschoonmaak maar voorby was! Ik hoor dagelyks dat ik 'n schelm ben,
'n laaghartige, 'n dief, 'n afzetter ... zóó antwoordt Publiek op
MULTATULI'S boek over de veilingen!
Maar dit zou niets zyn--ik verwachtte niet anders--als ik maar
'n plekje kon vinden om rustig aan u te schryven. Op laster had ik
gerekend, maar niet op schoonmaken en schilderen.
M'n vriend de boekeman biedt my z'n bibliotheekkamer aan. Maar dit gaat
niet. Dan moet ik me aankleeden om uittegaan, voor ik kan beginnen
te schryven. Op straat zie ik allerlei dingen die unschön zyn. Dit
bederft m'n indrukken. En bovendien al myd ik de slachterswinkels,
of de menschen die "zaken" doen, al ontmoet ik geen gepensioneerd
resident, geen welvarend kontraktant met principes nà fortuin, al stuit
ik nergens op de dikbuikige tevredenheid der braven die koupons knippen
van de schuldbrieven hunner deugd ... al werd ik niet bespat door
de modder van allerlei roode en gele rytuigen--'t is heel moeielyk,
Tine, alles te ontwyken!--dan nog kan ik niet uitgaan om te schryven
in die boekekamer.
Ik heb om te schryven négligé noodig, zoo-als Buffon z'n lubben van
echte kant. Hy wist zeer goed wat hy zei, met dat: ("le style c'est
tout l'homme" [28]. Zyn styl is gekleed ... de myne houdt van sarong
en kabaai [29], of beter nog, myn styl draagt het matrozenhemd van
Garibaldi ... ik hoor dat men aanslagen doet op z'n leven ... dit is
natuurlyk! Menschen die zwarte rokken dragen, kunnen geen rood hemd
zien, zonder boos te worden als kalkoenen.
De meening van Buffon is zeer juist. Daarom is ook styl zeldzaam,
wyl er zoo weinig menschen zyn.
Let maar eens op ... wat klinkklank, wat meer of min afgeronde
zinsneden, behoorlyk of onbehoorlyk afgedeeld door kommaas en
kommapunten, hier-en-daar 'n nieuwe regel ... waarachtig, als men er
niet goed op let, zou men inderdaad van-tyd tot-tyd meenen dat er wat
in zat. Maar zoodra men nauwkeurig acht geeft, blykt er dat alles
neerkomt op wat school. Ziel ontbreekt ... precies als 't karakter
dat men te-vergeefs zoekt in de handschriften van al de meisjes
die schryven leerden op 't zelfde instituut. De meisjes schryven de
Jufvrouw na, en dit doen ook de menschen met hun styl. Ze schryven
de Jufvrouw na!
Ieder wil dat ik schryven zal ... voor Publiek nog-al! Welnu, er zyn
veel redenen die me hiervan terughouden, maar al was er alleen deze,
my dunkt ze moest voldoende wezen:
Schryven is afdruk nemen van de ziel.
Als Publiek ziel heeft, laat hemzelf schryven.
Heeft hy geen ziel, dan begrypt hy ook myn geschryf niet ... punctum!
Maar er bestaat nog 'n reden die my de bibliotheek van m'n vriend
doet schuwen als de pest. Ik ben inderdaad hoogmoedig en verwaand,
en--ik verzeker u dit ernstig--het hoofdingrediënt van schryven of
spreken is verwaandheid. Welnu, als ik veel boeken om my heen zie,
laat ik my verlokken daarin het oog te slaan. Ik lees voort, vind
gedurig iets dat ik niet wist ... word, vruchteloos tegenstrevend,
overtuigd van onkunde, en weg is de verwaandheid die ik noodig heb
om te schryven! Neem dit niet op als een sarkasme, als ironie, als
scherts, als voorgewende nederigheid. Ik geef 't u als eenvoudig waar,
en ik ben zoo vry de menschen die voorwenden 'n anderen indruk te
ondergaan, voor verwaander te houden dan myzelf.
Ik denk altyd, wanneer ik iemand als spreker of schryver zie optreden:
zou die man--'t spreekt vanzelf dat het altyd 'n man is--zou die man nu
inderdaad gelooven dat hy wat te zeggen heeft? Maar nooit doe ik deze
vraag overluid, omdat ieder boos wordt, als men informeert naar z'n
hoogmoed. Wanneer de menschen konden gebracht worden tot de erkentenis
hunner verwaandheid, ware er veel gewonnen, want dan zouden ook de
andere fouten blootliggen. Maar dit schynt zwaar te vallen. Altyd zyn
er gaten in den mantel van Diogenes. Ge weet dat ik beter vind den
heelen mantel aftewerpen, "die man is hoogmoedig" beduidt eigenlyk:
"Die man neemt de moeite niet, z'n hoogmoed te verbergen als wy?" Dat
is, nòg eens overgezet: "hy loopt in z'n hemdsmouwen!"
Wel zeker ... als 't warm is! Of als men iets te doen heeft, waarby
't opperkleed hindert, zooals by my dikwyls voorkomt. Ik heb geen
tyd om nederig te schynen.
Dat wegstoppen van aandoeningen is my te lastig op-den-duur. Ik heb
meely met de menschen die hun geheel leven door souffreeren aan de
nooit erkende obstruktie van eigenwaan, 't is om te bersten!
Ook zou ik vreezen onoprecht te worden in geheel omgekeerden zin. Wie
zegt me of ik niet door dat kunstmatig en nooit gelukkend wegwringen
myner deugd, wat ondeugd zou verbergen met-een? Laat ons maar altyd
zeggen wat we meenen wáár te zyn, en het opgeven voor beter, 't Is
eenvoudig alweer, zoo als ge ziet.
Bovendien er steekt veel hoogmoed in dat geklaag over hoogmoed. 't
Is dépit over al de verloren moeite die men zich getroost om 'n doel
te bereiken, dat zonder schade wordt verwaarloosd door 'n ander.
Christus verbergde zyn hoogmoed niet. Hy verwaardigde zich niet,
iets wegtestoppen. "Ik ben de weg, de waarheid en het leven, wie
My gezien heeft, heeft den Vader gezien!" Als hy dit meende, had hy
gelyk het te zeggen. 't Stond aan 'n ander, hem tegen te spreken, en
des-verkiezende te betoogen, dat hy trekvaart, leugen en dood was. Maar
wat ik minder schoon vind in Jezus is dat hy niet met dezelfde rondheid
zei wat er aan hem ontbrak. Ik erken echter dat er meer moed noodig
is om goed te spreken van zichzelf dan kwaad, en daar Christus het
eerste durfde, zou hy ook moed gehad hebben tot het laatste ... als
het te-onpas gekomen ware. Waarschynlyk dacht hy dat de Farizeeën
't wel voor hem zouden doen, en hierin dacht hy juist. Dit is nòg zoo.
Moed om hoogmoedig te wezen? Welzeker!
--Wie durft die bres bestormen? roept de bevelhebber.
--Ik! zegt 'n hoogmoedige, die zich schynt te houden voor den braafsten
man van 't regiment.
Maar toen hy "Ik" riep, wist hy dat er zou geantwoord worden:
--Ga dan, en bestorm de bres!
En hy gaat! Want ik weet niet van wie "Ik!" roepen en niet gaan. Dit
zou gehuichelde hoogmoed wezen, en ik trek alleen party voor de
ware. Och, Tine, al deze dingen zyn heel eenvoudig. Ieder weet
ze, maar wy denken er niet aan, omdat we te veel zyn opgevoed
en begodsdienst. Om wys te worden, heeft men niet veel te leeren,
er moet maar een-en-ander worden afgeleerd. Het uitroeien van één
vooroordeel is meer waard dan 't bedenken van tien nieuwe stelsels.
Voltaire--met wien ik lang niet in alles eens ben, dat weet
ge--Voltaire is 'n prul in de oogen van Kantianen, Hegelianen,
Spinozisten, Cartezianen en Leibnitzers. Waarom? Omdat hy niets heeft
gezegd wat niet ieder kan begrypen, en omdat hy geen stelsel heeft
saamgeknoeid ... wat hy toch met zyn vernuft heel goed had kunnen
doen. Hy toont aan: wat niet waar is, en dat willen de menschen niet,
tenzy men hun iets anders in de plaats vertelle, dat evenmin waar hoeft
te wezen. Men hongert naar leugen. Zoodra ik 'n slecht mensch word,
ga ik aan 't systeem-maken. Ik zie er best kans toe ... ze komen er
goed af! Ik wacht 'n standbeeld, met een opschrift ... ja zoo:
STA VICTOR.
DIT VERBEELDT
DE MAN
DIE
BETER HAD KUNNEN LIEGEN
DAN IEDER ANDER, ALS
HY GEWILD
HAD.
Maar, Tine, om dan konsekwent te zyn, moet men veel andere standbeelden
omverhalen.
Ik ben in 'n andere kamer gevlucht, waarboven slechts gemangeld wordt:
g.....! Ik heb 'n kolonel van de marine gekend, die 'n premie uitloofde
voor 'n nieuwen vloek! O, ik begryp dien kolonel! Daar kryg ik weer
brieven ... lees zelf, en oordeel. Wat willen ze toch?
Ieder biedt me allerlei dingen aan, die ik niet noodig heb, maar
niemand schynt te willen deelnemen in den moeielyken stryd dien ik
voer. 't Is zonderling!