VAN EEN ANDEREN OOM.

Mynheer!

Met een diep gevoel van verontwaardiging heb ik van myn broeder,

den heer Kappelman, vernomen, dat zich sedert eenigen tyd in

myn huis iets heeft geopenbaard, dat aandruischt tegen alle

Christelyke beginselen van onderdanigheid, gedweeheid en orde,

en naar zekere opmerkingen te oordeelen, zoudt gy daarvan de

oorzaak zyn. De onwetendheid in goddelyke zaken, die u kenmerkt,

en de hoofdigheid, waarmede gy in die onvergefelyke onwetendheid

volhardt, hebben het my, met het oog op de voorschriften van onzen

Heer en Heiland, uitgedrukt in 't onschatbaar evangelie, voorgelicht

door de profeten des ouden verbonds, en gestaafd en bevestigd door de

godsonomstootelyke-genadegaven-bewyzende lessen der wereldhistorie, ten

plicht gemaakt, de kinderen van mynen gezegden heer broeder Kappelman

te waarschuwen tegen den ziellichaamzaligheidwelvaart-bedervenden

invloed uwer helbevolkende denkbeelden.

Ik heb in granen gedaan, en leef nu stil van myn geld. Ik geloof dus

als genadedeelachtige Christen te moeten stryden voor de heiligheid

van zyn alleenuitverkorenen-zaligmakend geloof, dat aan de pupillen

voorschryft hun voogd onderdanig te zyn. Want ik ben de voogd van

myns broeders, heers Kappelman's kinderen, en zal niet verdragen,

dat die kinderen, op eene verdoemenisuitlokkende wyze zich verzetten

tegen het gezag, en afwyken van myn geloof.

Ik raad u vreeze aan voor den toorn des liefdevollen Gods, die zich

niet laat bespotten, en die een God is van gerechte wrake, gelyk te

lezen staat in Hebreën X vs. 31.

Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag · 第 40 / 125 题