Beste Max! Ik ken Fancy zeer goed. Ik heb haar lang gekend, reeds
vyftien jaren! Ze was toen even oud als nu. Kwaad weet ik niet van
haar te zeggen. O, integendeel!
Maar om haar goed te beschryven, zou ik haar by my moeten hebben. En
ze is weer weg, want--dit wist ge niet--ze is hier geweest!
Dikwyls was ze blond, en even dikwyls bruin, ja, vaak bruin by 't
zwarte af. Maar altyd was ze vlug als 'n sylf, huppelend als een
dwaallicht, gevoelig als de mimosa, verstandig als 'n rekening,
en geestig als niets.
Gy kent haar ook wel, Max! Ge hebt vergeten wie zy is, omdat gy
den laatsten tyd 'n heel anderen weg hebt uitgezien. Denk eens
goed na! Herinner u maar dat ge haar herhaaldelyk het venster hebt
uitgegooid, omdat ge meende dat onze kinderen te weinig eten kregen
door hàre schuld. En hoe ze dan telkens weer binnen kwam door de deur
die op 't nachtslot was. Weet ge 't niet meer?
Ze jokt als ze zegt dat ze er niet by was, toen de aarde werd gemeten
met 'n koord! Ze heeft alles bygewoond wat er gebeurd is. Ook is zy
het die de psalmen heeft geschreven, en by de Chaldeen gaf ze les in
de sterrenkunde. En 't is niet waar, dat ze verlegen is om huisvesting
voor haar hart! 't Staat aan háár om de muren uiteentezetten ...
Ik begryp waarlyk niet, Max, hoe ge haar niet herkend hebt. 't Is
ondankbaar van uw hart, dat meer geheugen behoorde te hebben. Wat my
betreft, ik heb haar lief. Zy heeft myn leven heerlyk schoon gemaakt,
en ik wyt de schrale voeding onzer kinderen niet aan haar, zoo als
gy meermalen deedt in buien van onrechtvaardigheid. En als ge trouwt,
kom ik op de bruiloft, met Max en Nonni die er by hooren.
Onlangs wandelden wy, en plukten bloemen. Zy was met ons. Kleine Max
vraagde of de bloempjes het wisten, dat het nu wat warm zou blyven
. . en, zeide hy:
--Zie, ze knikken de zon toe! Ze weten dat ze er lief uitzien, en
dat de zon vriendelyk voor hen is.
Hoe komt hy aan dit denkbeeld, dacht ik, en vraagde het hem.
--Ik heb dat van Fancy, zeide hy.
Maar ze leert hem ook ondeugende dingen. Hy liegt niet, maar jokt
veel. Dit leert hy van haar.
Onlangs hoorde ik hem lachen, zoo-als hy lacht wanneer-i 'n guitenstuk
verricht heeft. Ik zag 'n oude werkster die naast ons woont, trippelen
en dansen als 'n gek mensch. Kleine Max had haar Cayenne-peper te
proeven gegeven.
--C'est très doux! had hy gezegd.
't Mensch brandde haar mond aan z'n douceur. Ik wist niet of ik boos
was, of moest meelachen met Max, die over den grond rolde van pleizier.
--Dat hebt gy gedaan, Fancy, zeide ik vry streng. Zeg me nu ook wat ik
te doen heb, opdat m'n kind niet wreed worde, en vermaak zoeke in leed?
En toen zeide ze my zachtkens deze woorden voor, die ik overluid
herhaalde:
--Kleine Max, voel je geen smart van de pyn, die deze vrouw lydt,
omdat ze op je vertrouwde?
Kleine Max lachte niet meer. De tranen sprongen hem in de oogen, en
hy vraagde vergeving aan de oude vrouw die zulke gekke gezichten trok.
En meermalen, Max, als ik op 't punt sta neertebuigen onder al te
zwaren last, komt Fancy my troosten, en als ze dan schalks zegt:
--Ik ontsteel u zyn hart ... bedenk dat myn rechten ouder zyn ...
Dan moet ik haar gelyk geven! En zonder yverzucht hoor ik aan, wat
zy gezegd heeft zonder schaamte.
Ik ben waarlyk boos op u, dat ge haar zoo miskent. Maar, Max,
herinnert ge u dan niet dat zy altyd uw voorspraak by my geweest is,
als gy weêr iets of iemand geschaakt had, of my geslagen? Weet gy niet
meer dat ze ons huwelykskontrakt--myn kontrakt!--heeft meegeteekend,
precies als 'n ambachtsheer die 't braafste boerinnetje laat trouwen
met den deugdzaamsten aller boerenjongens? Herinnert ge u niet al
de schilderyen die zy ons ten-geschenke gaf, genoeg om 'n museum te
vullen, zoo groot als de wereld? Dagelyks nog zendt ze my stukken, 't
eene fraaier dan 't andere, neen allen even schoon ... historiestukken,
genre, stillevens ... historie vooral!
Maar, Max, we komen lysten te kort! Eilieve, 't staat aan u, lysten
te maken om de stukken die Fancy ons geeft. Doe dit! Dit kunt ge! Dit
moet ge! Dit is uw roeping!
Zoo gaf ze my onlangs een teekening, waarvan ik de bedoeling niet
begreep, omdat zy iets voorstelde dat nog niet gebeurd is. Javaansche
meisjes legden melatiekransen op 'n graf. Dat graf was het uwe,
Max! Er stond op een steen: HIER RUST WIE VEEL GEDRAGEN HEEFT.
Maak 'n lyst om die teekening. Misken Fancy niet langer, haar en hare
geschenken ... ge zyt zeer ondankbaar, Max.